Man in de uitverkoop, bijna niet gebruikt..

Sommige mannen zijn helden! Martelaars van en voor hun relatie. Stielbedervers ook, die – in naam van het lijdzaam toekijken – de boel voor ons verzieken. Ons, daarmee bedoel ik dan die andere mannen, die niet willen meespelen. Die toorn riskeren, en de stille verwijten er als cliché op de koop toe bij nemen, als een soort geuzennaam. U raadt het al, ik ben geen moderne man. En ik houd niet van shoppen, en al helemaal niet van ‘de soldekes, de uitverkoop’, of hoe je’t wil noemen.
Want daar gaat het over. Ik was toevallig in de stad, op het moment van de eerste koopjesmomenten. Zelf moest ik niet zo meteen deelnemen aan dit jaarlijks terugkerend festijn, maar ik heb toch wat extra tijd genomen om één en ander te bekijken. De mooiste en meest schrijnende momenten uit het leven menig man!

Koopjesmannen zijn helden, die volgens mij geen kik zouden geven als je ze levend op de brandstapel zette, hun lijf overdekt met open wondes, ingewreven met pekel. Geen zucht gaat er over hun lippen, geen kreun wordt opgemerkt, stoicijns dragen zij hun lot. Ik bewonder ze, maar deel dat lot niet, nooit (meer)!

Wie als man zegt dat hij dat nooit gedaan heeft is een huichelaar. We zijn allemaal al eens een vrouw ter wille geweest, zij het dan om de verkeerde redenen, en we hebben allemaal al wel eens een keer zo’n koopjeshelletocht meegemaakt. Maar ik doe het niet meer, maar sympathiseer met hen die hun lot waardig dragen.

Want ik herken de tekenen, en ik weet dat zij allen hetzelfde lot beschoren krijgen ….het nakend falen.

Om te beginnen is er de hubris van de fysieke meerwaarde. Mannen denken dat vrouwen moe worden van het shoppen, en proberen het in eerste instantie op uithouding. Dat is de eerste misrekening. Vrouwen krijgen er maar geen genoeg van, en op het einde van de dag, lopen de echtgenoten er bij als geslagen honden, met struikelend over hun tong, die ergens tussen hun veters hangt te bengelen. Topsport, en de mannen hebben het verkeerde trainingschema gekregen.

Tweede vergissing. Hopen dat een snelle aankoop in het eerste halfuur de rest van de koopdrift zal temperen. Ernstige fout! Het is niet omdat er een beetje gekocht is dat de behoefte afneemt. Integendeel, het wordt gezien als een goed teken, dat er nog vele mooie koopjes te doen zijn, en de rest van de winkelstraten wordt even grondig afgeschuimd. Kans is niet ondenkbaar dat het gezinsbudget serieus ontregeld wordt.

Meteen komen we bij de derde vergissing van menig man. Ze denken dat een oppervlakkige scan van de winkel alle koopjes meteen aan het licht brengt. Niets is minder waar. zorgvuldig wordt van rek naar rek gemonsterd, gekeurd en betast. Zelfs de kleine maatjes – dat doet dromen – en uiteraard ook de grotere maten. Stel je voor dat je een vriendin kunt betrappen met uitgerekend die ene jurk in de afslag waarvan je weet dat ze enkel in de ruimere maten nog voorhanden was. Niks 36… eindelijk ontmaskert als dikke!

Ja, ja, een beetje afgunst hoort er bij. Om maar te zeggen dat die vrouwen op zo’n moment minutieus nauwgezet het aanbod in zich opslaan, om nadien nog beter te kunnen beslissen of er al dan niet een goede koop werd gedaan. Autosuggestie en daaropvolgende spendeerdrift.

En de man, hij sjokte voort. De handen berustend achter de rug, zichzelf uitputtend in nulliteiten-commentaren die van hem verwacht worden. ‘Jaa, dat kleedt schoon af… Ik vond dat groene precies mooier… hebt ge al niet zo’n rok?’Alles, werkelijk alles is toegestaan, als het maar vagelijk lijkt op betrokkenheid. Met doffe, dode blik zie je hoe ze zich krampachtig iets proberen voor te stellen bij aubergine, saumon en apricot. Het is geen eten, het schijnen kleuren te zijn. Net zoals taupe, en eischaal…

Enig mooi vind ik telkens weer : Het Breekpunt. En het breekpunt, dat doet zich voor bij elke man. Meestal net voor de middag, soms in de vroege namiddag, maar dat het komt staat als een paal boven water.  De sterksten houden het uit tot net voor het sluitingsuur…

Het breekpunt komt er als ze beseffen dat – ondanks al hun inspanningen – ze er eigenlijk niet toe doen. Ze moeten er bij zijn, maar dat wil niet zeggen dat hun input, of hun inspanningen geapprecieerd worden.  Dan zie je ze letterlijk breken. En vrouwlief onderlijnt het fijntjes door op dat moment het nekschot toe te dienen: ‘Ge moet niet mee binnengaan, deze keer, geef mij maar gewoon uw portefeuille’.

Ontmand en verweesd kijkend blijven ze achter, doffe ogen vangen die van een gelijkgestemde die zichzelf ook een houding probeert te geven…Dat zijn de mannen die buiten aan de winkels staan te wachten.

Het zwakke geslacht. In de koopjesperiode is het erg duidelijk.

Eerder verschenen op blog van Amable

Over Bouletten, Music for life en centen…

Lieverds,

ik weet het, het blijft al een tijdje akelig stil op de blogsite. Dat heeft te maken met mijn project bij HeadCount, met indigestie van het schrijven, zo vlak na nieuwjaar, en ook met een gebrek aan inspiratie, omdat ik er eventjes geen mooie zinnen meer uitkreeg. Dat is sneu voor die 7 teksten die nog moeten komen, maar ik denk dan altijd dat het wellicht leuker is om mooie verhaaltjes te lezen dan een soort passe-partout oplossingen.

Wat er ook van weze, in totaal is er 1250 euro opgehaald en doorgestort naar het Rode Kruis, daar waar het volgens mijn berekeningen dichter bij de 1600 had moeten liggen, dus een aantal mensen hebben kennelijk één van de stappen vergeten, maar kniesoor die daar van wakker ligt. Ik zal het stortingsbewijsje ook eens publiceren, zodat daar geen onduidelijkheid over bestaat.

In dezelfde adem maak ik hier publiekelijk excuses bij Bollegijz en Liekelie. Ik heb genoten van hun bouletten, die ik voor 30 € /per portie eerlijk gekregen heb, maar ik heb ze kennelijk nooit betaald. Dat wordt ook terstond in orde gemaakt.

Zoals gezegd 1250 Euro, en een vijftigtal verhaaltjes, en ongeveer 3000 bezichtigingen op een maand tijd, dat was prettig.

Ik ben ook van plan om er een klein boekje van te maken, voor zij die een blijvende herinnering willen, maar daarover later meer.

Omdat ik me geamuseerd heb, en omdat het me toch wel wat zichtbaarheid bezorgd heeft  aan justguidooohh, mijn enige echte kindje in blogland. Dat  heeft er niet echt onder geleden, en dus wil ik er ook nog eens een geste bijdoen. Ik zal persoonlijk het bijeengesprokkelde bedrag verhogen met de helft  (600 Euro) en dat bijkomend storten.

En hier komen jullie er bij aan te pas.

Ik kan het aan Music for life geven, maar ik zou het ook aan de Kankerliga kunnen schenken, of aan een ander goed doel. Of ik zou het kunnen opdoen in een Bornems  café (@liekelie), samen met de mensen die bijdrages leverden aan deze actie. Vandaar… een actie :

 

Gent: mijn eeuwig, lelijk lief

Wie mij kent weet dat ik zelden een goed woord over heb voor de stad waar ik gestudeerd heb.  Stad van de lege pleinen, de mediocre restaurants en de lelijke mensen.  Kort door de bocht, en wat uitleg waard.

Lege pleinen, omdat ik met weemoed terugdenk aan de heerlijke anarchie van het Veerleplein. Hoe vol ook, er was altijd plaats voor nog een auto meer. Lege pleinen, omdat ik me de commotie van het lussenplan herinner, en het verkeersluw maken van de stad, zodat het – zeker bij aanvang – erg leek op een stad met speruur.

En heerlijk ook hoe anarchistische Gentenaren het vertikten om hun auto aan de stadsrand te laten. Gevolg was dat iedereen via een ingewikkeld netwerk van sluipwegjes – ja mijnheer wij kennen onze stad als onze broekzak – toch binnen de 10 meter van zijn bestemming parkeerde.

Mediocre restaurants ook. De Gentenaar blieft niet alles, doet niet mee aan de modekes en houdt niet van experimenten. Ugetso monogatari, voorwaar een monument, heeft het niet overleefd. Le Baan Thai was lang het enige thaise restaurant, die naam waardig. Italianen, dat beperkte zich tot de pizzahoeren van het zuid. En daarnaast wat mooie experimenten in het Patershol, uiteraard naast de bourgeoiskeuken die zowat overal in Gent een constante was en is. (En ja ik ken(de) Apicius, Blauwe Zalm, Grade, Food Affair, len al die andere, ees even met mij mee, eerder dan mij op fouten te willen betrappen)

Lelijke mensen. Gent is Antwerpen niet, Gent is Leuven niet. Gent is rood (en blauw) en alternatief. En bij alternatief hoort wat grauwigheid, wat snot en onverzorgd, spuwen op het  materiële van mooie kleren. Latem is Gent niet. Gent is Muide, Brugse poort, de Kuip, alles wat bezongen wordt in ‘9000’ .

Ik heb het altijd heel erg gevonden dat Gentse academici (denk aan een Aubin Hendrickx, toxicoloog met wereldfaam, Etienne Vermeersch, scherper denker vind je niet (toegegeven ’t is een aangespoelde, maar hij is wel van ons)) altijd zo volks en banaal klonken op de radio. Eerst de Gentse tongval, dan pas het Nederlands. Qua inhoud zat het altijd goed. En ja, we hebben ook politici van wereldklasse, zeker in de categorie ‘schonemenseninhunlelijkheid’.

Gisteren liep ik in de vooravond even door mijn stad, te voet, het was lang geleden. Ik heb genoten. Genoten van een stad die behoedzaam, organisch bijna, aan stadsvernieuwing doet. Waar ik lege pleinen zie veranderen in keuveloorden waar iedereen, iedereen tegenkomt en stopt voor een babbeltje.  Waar ik oude verlepte studentenbuurten zie opleven, zonder hun eigenheid te verliezen. Waar winkelstraten tergend langzaam, in een eindeloze kadans van afbraak en verbouw, hun eigenheid houden en meewerken aan een mooi stadsbeeld. Waar buurten cyclisch terug in de belangstelling komen. Toen ik student was, was de Meerseniersstraat ‘trending’ om nadien een toeristische baggerpoel te worden. Nu zijn er daar in de buurt  terug hippe, leuke, kleine restaurants, cafeetjes en winkels.

Over die restaurants overigens nog dit. Ik heb in de inleiding gezegd dat er alleen maar mediocre zijn. Ik denk dat Gent ondertussen culinair één van de meest interessante steden aan’t worden is, waar je zowat alles kunt vinden, in elke mogelijke prijsklasse. Het is alleen allemaal wat bestendiger. Onze restaurants zijn er om te blijven, niet om een modebeeld te versterken. En dus gaat het wat trager, maar ’t is er ondertussen wel. En ’t is lekker en echt.

En de mensen, tja die blijven wie ze zijn. Ga naar de Vooruit, het Damberd of de Vagant, en je komt er nog steeds dezelfde types tegen. En dat is eigenlijk best mooi. Vrank en vrij, en op hun eigen.

Toen ik gisteren het Lichtfestival parcours afdweilde, moest ik daar aan denken, en ik werd er zowaar vrolijk van. Ik houd van deze stad, van de gezelligheid, van de tegenstelling mooi/lelijk. Lichtsculpturen om de lelijkheid te verdoezelen. Gentenaars die bij wijze van spreken op straat leven tijdens die periode en voluit inkijk leveren in hun huizen door alle lichten aan te steken en de gordijnen te openen. Vrank en vrij.

Toeristen ook die naar de verkeerde dingen kijken. Met hun kop omhoog naar de straatnaambordjes, om de weg niet te verliezen. De weg verliezen in Gent. Het kan niet echt, en het is bovendien bij het mooiste wat er is, verdwalen in de straten.

Toeristen ook die dat hele lichtspektakel alleen maar gezien hebben door het schermpje van hun smartphone. Hoe jammer. Je moet daar geen foto’s van maken, je moet dat met al je zintuigen voelen. Wat je moest doen is onderdompelen, ondergaan, en het evenement beleven. Genieten van de spitsvondigheid van de stadsgidsen, die zichzelf als ‘verlichte geesten’ onschreven. Genieten van het opportunisme van winkeliers en neringdoenders, die gastvrijheid koppelden aan geldgewin. Genieten van de creativiteit van de kunstenaars, die kindjes in een kaleidoscopisch dansje projecteren tegen een kerkgevel.

De mooiste bevestiging zag ik bij een gezellig dikke man. Totaal onaangedaan door de drukte, rechtover de universiteitsaula, uitgerekend de plek waar op straat enkel maar een file te bewonderen viel,  zat hij een pannenkoek binnen te werken. Op het terras, met een koffie en een patersbier, zich niets aantrekkend van de drukte. Vrank en vrij, en op zijn eigen.

Gent zal altijd mijn lief blijven, en wee, wie er iets verkeerd over zegt!

Room with a view: Wedelhütte

Ik hou niet van reclamepraatjes, ik heb ze ook altijd geweerd van deze blog, omdat jullie daar niet echt van gediend zijn, en ook niet echt komen zoeken. Maar heel soms, dan mag het volgens mij toch wel. Zoals nu, omdat het nogal sprookjesachtig is. En dat heeft ook met de omstandigheden te maken.

ik zit in Oostenrijk, Hochzillertal, met wat echte journalisten. Dat op zich is sowieso al leuk, maar daar ga ik jullie niet mee vervelen, of misschien later, in een andere context. Er werd ons gezegd dat we de nacht zouden doorbrengen in een berghut, redelijk hoog, zo’n 2350m.

Ik ski graag en ik heb vroeger, privé ook al dat soort toestanden gekend. Eens de skipiste gesloten is, ben je dan alleen op de berg, met het gezelschap dat in die hut verblijft. Dat kan meevallen, dat kan tegenvallen. Als het tegenvalt is er altijd nog de drank, om het te doen meevallen. Meestal valt het gewoon mee, en zijn het fijne vakanties, zonder al te veel kapsones, en met de nadruk op die ski ervaring.

Ik weet ook wat ik me bij zo’n hutten moet voorstellen. Kraaknet, warm, maar al bij al rudimentair qua comfort. Als extra dimensie kwam daar gisteren bij dat ik vreesde dat het voor wat betreft de internet connnectie allicht nogal zou tegenslaan, als die er uberhaupt al was. Dat is het soort van dingen dat mij al op voorhand een beetje humeurig maakt, zeker met de blog van MLF, waar ik dan achterstand zou oplopen, en het gevoel van redelijk incommunicado te zijn.

Mijn humeur werd er niet beter op toen bleek dat we naar de hut gebracht werden in de achterbak van een sneeuwruimer. Nogmaals, als het echt vakantie is, dan deert dat niet, integendeel, hoe gekker en onorthodoxer, hoe liever, maar gisteren niet. Zo’n bak wordt gebruikt om de hotelvoorraden aan te slepen, gisteren was dat duidelijk vis, en eens je er in zit, zie je niets meer. Het was donker, het sneeuwde, het was een hels kabaal, het werkt enorm desoriënterend. En het is niet bevorderlijk voor het humeur.

Maar dan. We stopten en werden uitgeladen (je kunt het niet anders noemen). Dit had niets met een berghut te maken, het was een ultramodern, stijlvol ingericht, paradijsje.  Met alles wat je je maar kon wensen aan modern comfort, en verwentoestanden, gaande van jacuzzi en infraroodcabines over een heuse wijnproeverij-ruimte.

Ik kreeg een kleine kamer (sic),… amper 50 vierkante meter!! Een kamer die de vergelijking met veel gereputeerde, internationale prestigeketens met gemak zou kunnen doorstaan.

Het eten was ontzettend verfijnd en naarmate de avond vorderde kwam de uitbater een praatje maken. Sympathieke mens, die met dit verhaal zijn ultieme droom gerealiseerd had. De Wedelhutte, onthou die naam, als je er ooit een keer op uit wil trekken om in optimale omstandigheden op een skidomein te verblijven.

Omdat kritische zin en een beetje zagerij niet mag ontbreken,  had ik meteen ook een aantal vragen die opborrelden in mijn hoofd, die niet in het minst met mezelf te maken hadden.

Is het normaal dat je blij bent om iets wat eigenlijk puur materieel is, en niets maar dan ook niets met de kwaliteit van je ski ervaring te maken heeft. Ben ik dan toch gewoon een oppervlakkig materiëel lulletje dat dat soort verwennerij wel kan appreciëren? Dat houd ik nog een beetje voor mezelf.

Is het een afbreuk van de authenticiteit van de ‘bergbeleving’, om dit soort paleisjes op te trekken in een omgeving die eigenlijk een stuk ruwheid moet uitstralen? Ik ben daarover met de uitbater in discussie getrokken en het mooie eraan is dat ze zich erg bewust zijn van die problematiek ne dat ook uiterst behoedzaam benaderen. Ze willen hun bergen niet transformeren tot mondaine ‘hang’oorden voor de rich and bored, integendeel, ze betrekken lokale producenten, boeren, wijnbouwers, bij het verhaal. En hier en daar in Oostenrijk willen ze een signaal geven dat er wel meer te beleven is dan lederhozen en dirndls. In dat opzicht was het meer dan geslaagd te noemen, wegens uitermate respectvol tegenover de natuur en de omgeving.

in laatste instantie stelde ik me vragen over de manier waarop hier naar het leven gekeken wordt en de impact die dat heeft op het familiale. Tijdens het seizoen ziet de uitbater kind, familie en vrienden, quasi niet. Het seizoen loopt van december tot april. Dan is het even rustig, en juli/september zit hij weer boven op de berg.

En toch is het de realisatie van zijn ultieme droom, hij kon zich niets mooier wensen, en zijn zusje, die het samen met hem uitbaat ook niet.  Het geeft te denken over ondernemerszin, arbeidstijd, enerzijds,  en familiale omstandigheden en het opvoeden van een kind anderzijds. Niet dat ik er een mening over zou hebben, ik ben nog teveel aan ‘t genieten van de omgeving.

 

Oh ja, en de andere bloggers die mee spelen in dit verhaal, vertellen hun wedervaren hier : @houbi, @Ysabje, @aardbeiwormpje …

Deadmau5 : De muis is dood…

Als je aan de rand van een bos woont wil het al wel eens gebeuren dat er een klein knaagdier op zoek komt naar proviand voor de donkere winteravonden. Op zich niet zo’n probleem, mocht het dan ook weer vertrekken, maar dat doen die beestjes meestal niet. Het is warmer, droger en eenvoudiger om in de wintermaanden aan voedsel te komen, in huis. Dus de beestjes nestelen zich. Vorig weekend was dat het geval, bij de K-woman.

Zij is best kranig en zo’n muisje, dat deert haar niet. ‘T is niet dat ze gillend op een stoel om hulp schreeuwde, verre van. Eerder het tegendeel, voor ik het wist kreeg ik een exposé over alle mogelijke vernietigingsmethodes, met hun voor- en nadelen. Op zo’n momenten val ik achterover van de efficiëntie van die vrouw. Een val waar je ze levend in te pakken krijgt, dat is niet goed voor hun hart, dan kunnen ze doodgaan van de stress, langzaam en pijnlijk. Vergif is helemaal uit den boze, traag en pijnlijk. De buurt zit vol katten, maar dat geldt enkel voor de beestjes die buiten zitten, binnen heb je daar niets aan, los van het feit dat zo’n snorrebaard ook niet bepaald ‘Gaiesk’ te werk gaat… zachtjes dood maar eerst wat spelen!

Er werd mij bovendien ook opgedragen dat – indien ik het beest levend te pakken kreeg, ik het minstens twee kilometer verder moest deponeren, zodat het niet terug kwam. En toen ging ze slapen. Ik bleef achter met de muis en de nacht. Gezien bovenstaande bleven mij weinig verdelgingsmogelijkheden over, en ik geloof niet in een intelligent, tot rede brengend- gesprek tussen mens en knaagdier.

Blijft over, het oude muizenvalletje dat – indien juist gebruikt – echt wel ok is. Korte slag en het nekje is gebroken, en het muisje dood, het schijnt realtief pijnloos te zijn, al kan ik dat niet meteen beamen. En ik denk ook dat mensen die voorbereid werden op de guillotine, weinig troost hadden aan dat soort uitspraken en troostende

Ik kom uit een generatie waarbij het als een eer gold om samen met opa het konijn uit te kiezen dat geslacht diende te worden. Nooit last van flauwe emoties gehad, de beesten werden gekweekt om op te eten, dat was toen nog heerlijk simpel, er werd niet gedacht in termen van ecologische voetprint, of plaatsvervangende sojaschaamte. Dat waren erg lekkere konijntjes bovendien. Of lammetjes, of duifjes. Ook kippen heb ik nog vast gehouden terwijl mijn vader probeerde om ze de nek over te snijden, met een oud broodmes, onder het geamuseerd toekijken van de buren. Ik maal daar niet om.

Maar ik wou toch even kijken wat voor iets het was. Dus met de zaklamp onder de kast, en ja, daar zat het, een mooi klein grijs veldmuisje/bosmuisje. Het was erg mooi, erg rustig, en een beetje schelms zat het me aan te kijken… Het (misplaatst) vertrouwen van één zoogdier tov een ander, don’t look into the eyes, unless you wanna fuck or fight (S.Morgan). Dat ging hier dus gebeuren… dat vechten.

En kijk, er gebeurde iets vreemd, vertedering trad op. Op zo’n momenten verfoei ik Disney en Pixar. Ik kreeg het moeilijk. Ratatouille! Ratten, muizen, dat maakt niet veel verschil. Het beestje kreeg iets menselijk, ik verbeelde me zelfs dat het me iets wou duidelijk maken.

Ik begon het verder laten leven van het muisje te verrechtvaardigen, te overwegen. Ik hoopte zelfs dat het vanzelf weg zou gaan. Op zo’n moment bewijst zo’n beest godzijdank zijn stommigheid, het begon aan wat kabels te knagen. Oorverdovend geluid! Tja, nu moest ze wel dood.

Het was een strijder! 3 muizenvallen opgevuld met stukjes kaas en spek, en een uur later waren de vallen leeg, en het muizenbuikje vol.  Een waardige strijd.  En ik wou hem een kans geven. Meer dan een beetje sympathie.

De muizenvallen werden opnieuw gezet, Eentje spande ik niet op ( ja, ik gunde het  beest wel een bonus brokje.  Eentje was er toch kapot gegaan, dus daar lag ook wat kaas op (call me a sucker), maar het derde, het verst uit de buurt van het vermoedelijke muizenleger, werd vakkundig klaargemaakt voor de wrede taak…

Nauwelijks een uur later was de strijd gestreden. De muis is gegaan, maar wel met extreem voldaan gevoel (denk ik). Geen bloed, geen tranen, geen bloemen, noch kransen.  Ik heb het wel mooi begraven in de tuin, dat had het verdiend.

Ben ik nu wreed? Dat houdt me al drie dagen bezig. Zijn er andere manieren om zo’n beestjes weg te krijgen? Wie het weet mag het me zeggen.

Oh ja, en excuses voor alle Deadmau5 liefhebbers!

Het marketing congres

STIMA LOGO

Het jaarlijkse ‘internationale’ congres van stichting marketing. Mens wat heb ik me daar geamuseerd. Vroeger. Ik heb er ook veel geleerd, over alle aspecten van dat schone vak.

Wat je wel en niet mocht zeggen, hoe je bepaalde mensen met zeer veel respect diende te bejegenen, wegens momentaan hoog op de ‘tower of power’. Hoe je anderen ook besmuikt mocht catalogeren onder de ‘has-beens’, op basis van hun recente mislukking. Keihard en ongenadig en soms een heel klein beetje hypocriet. Maar dat is niet het alleenrecht van een marketing congres, dat kom je overal tegen.

Het is ook niet de bedoeling om te gaan natrappen, verre van, ik heb er veel vrienden gemaakt, misschien wat oppervlakkiger dan ik soms zelfs wou, maar dat hoort er allicht ook bij. Ik heb er rondgelopen, als een vis in het water. Het was mijn natuurlijke biotoop. Spelen, babbelen, contacten leggen, wisecracks spuien, ik kon het als geen ander. Mild anarchistisch de bar proberen open breken voor het aangekondigde uur, zeer tot verveling van de mensen van Pernod-Ricard. Sjoemelen met giftbags,  drinkgelagen organiseren, side events opzetten, alles om de verveling, de sleur te doorbreken. Baldadige heldendaden van schooljongens.

De laatste twee jaar ga ik niet meer. En vandaag is het weer zover en ik vraag me dan af, mis je het, of mis je het niet?  Ik mis het wel een beetje, de vrolijke sfeer, want het moet immers goed met je gaan, dat is een uitgangspunt voor succes.  De K-woman is daar veel radicaler in, die gaat er naar toe voor een paar sprekers die geacht worden interessant te zijn en voor een paar mensen, die de moeite waard zijn en waarvan het lang geleden is dat ze ze gezien heeft… Geen behoefte aan chitchat. Die kan dat.

Ik niet, ik kom altijd tijd te kort om al mijn zogenaamde vrienden een handje te schudden. Ik geniet wel van de warmte. Ook al is die vergelijkbaar met die van een goedkoop blazertje uit de eldi, al dan niet met namaak houtvuurprint.

Het is een act, en tegelijk ook weer niet, ik ben oprecht blij om sommige ex-collega’s en kennissen terug te zien, en ik zie niet in waarom zij dat ook niet zouden zijn. Maar het kan natuurlijk wel. Afgunst en nijd , het is van alle tijden.

Wat ik me wel afvraag, is of het wel optimaal is, zo’n 2-daags congres. Doe even de denkoefening mee. De bedoeling is tweeledig. Zinvolle spreekbeurten, waar je inzichten kan verzamelen, en netwerken. Business doen, lijkt me erg moeilijk, ik zit te wachten op de dag dat er 1000 consultants en agency mensen in een dubbele rij staan om die ene adverteerder/fabrikant te begroeten, die over de rode loper binnengeschreden komt… zijn besteedbaar budget frivool op het voorhoofd getatoueerd. De massa consultants en account managers strooien wellustig hun business cards over zijn hoofd, een one man ticker tape parade…

Die dag is niet ver meer, getuige de massale afvaardigingen van de meeste agentschappen. Dagje vrij en ’s avonds een sportzak met samples mee naar huis, leuk!

Inzichten en sprekers. Ik sta altijd te kijken van hoe dat werkt. Maar ik ben old school. Meestal had ik het boek al op voorhand gelezen. Dat heeft verschillende voordelen. Ten eerste kun je ‘in depth’ proberen te gaan, in tweede instantie kun je genieten van de presentatieskills. Zijn die er niet dan heb je meer tijd om de zaal te verlaten en te ouwehoeren met collega’s of om je vrolijk te maken over iets anders. Ik heb veel meer tijd buiten het auditorium doorgebracht dan passief luisterend. Mijn stelling was altijd ‘als je naar hier komt om  voor het eerst te horen waarover die man/vrouw het heeft, dan kun je toch onmogelijk au sérieux genomen worden, dan ben je toch niet professioneel met je vak bezig’. Ik heb daar relatief weinig navolging in gekregen. Soit.

Dan het netwerken. Tussen de bedrijven door is er een grote ruimte waar iedereen koffie kan drinken. Best gezellig, ware het niet dat de logistiek van die operatie niet echt optimaal is. Probeer maar eens 1200 man koffie te geven op een half uurtj  tijd, dat is geen sinecure. Crowded is het woord. En beperkt in tijd, want hop, daar komt de belleman al langs voor de volgende sessies. Iedereen weer naar het auditorium om te luisteren.

Ook de lunch is een zogezegd netwerk moment, maar dat valt in de praktijk dik tegen. De acoustiek en de tafelzetting is dermate, dat zinvolle gesprekken enkel mogelijk zijn met je onmiddellijke buren. Meestal zijn dat vrienden, daar netwerk je niet mee, daar praat je mee, over de dingen des levens. Is het allemaal kommer en kwel, uiteraard niet, verre van zelfs, ik blijf het herhalen, ik ben er denk ik 15 jaar heen geweest, dus zo slecht kan het niet zijn. Het zijn gewoon randopmerkingen, meer niet.

En dan heb je nog de avondreceptie. Zonder nostalgisch te willen zijn, er is een periode geweest, toen het congres nog in Brussel werd georganiseerd, dat dat een echt feestje was. Erg verzorgd, met alle toeters en bellen. Naast fijne drankmomenten had dat eerlijk gezegd wel het voordeel dat je tijd had, en dat dat kon en mocht uitlopen. Puur zakelijk was het ook interessant om dan nadien met een paar mensen iets te eten in het Brusselse. vriendschapsbanden werden er gesmeed. Katers voorbereid.

De laatste jaren is dat vrij triest allemaal… die receptieruimte in het congres centrum in Gent, waar ze dan ook nog een keer hun best doen om nieuwe vondsten van het Inbev conglomeraat voor te stellen… echt sfeervol is het er niet en men blijft ook niet erg lang.

Dat is een probleem als het over netwerken gaat. Kortom, de netwerkmomenten zijn mij te beperkt en te geconcentreerd, en daarom lukt dat ook niet. Naast een groeiend ongenoegen over hoe mensen met elkaar omgaan, niet eens de moeite nemend om elkaar voor te stellen of raakvlakken te zoeken, maar daar heb ik het vroeger al eens over gehad.

Heb ik alternatieven? Jawel. Ik stel voor dat de sprekers hun kerngedachtes op slides zetten die continu overal zichtbaar zijn, in de toiletten, op de trappen, in de gangen, overal, overal, overal.  Er zullen vast ook wel slimme jongens zijn die leuke mobile apps kunnen ontwikkelen, enkel voor diegenen die op het congres rondlopen, kwestie van toegevoegde waarde te verzekeren. Die sprekers zelf lopen tussen de gasten , gedurende de rest van de dag, om zinvol te interageren.  The age of conversation management, weet je wel.

Voor de rest is het één grote open receptieruimte, met koffie, fris en wijn, zodat je echt de tijd kan nemen om elkaar te ontmoeten en over iets te spreken.

De congres commissie voorziet ook in kleine afgezonderde ruimtes, zodat je je kunt afzonderen, en al eens een iets delicater gesprek voeren, of waarom niet een closed seminar voor capita selecta. Daar kun je zelfs extra geld voor vragen, en het heeft het voordeel dat het interessant is.

Maak videoscreenings van de beste sprekers – op een ander congres – en vertoon die continu gedurende twee dagen, in aparte kleinere zaaltjes, organiseer workshops over bepaalde thema’s en laat de ‘reclamesprekers’ achterwege. Wat bedoel ik daarmee? Niet de mensen uit de reclamesector, maar diegenen die hun spreektijd gebruiken om reclame te maken voor zichzelf en hun bedrijf.  ‘Ik werd gevraagd om te spreken over community management in B to B context, en heb daar welgeteld een half uur voor gekregen, maar laat mij beginnen met mezelf en mijn bedrijf voor te stellen, en daarna ook wat commercials te laten zien, zo begrijpt u beter hoe wij de markt pakken…’ Geef die portie definitief aan fikkie.

’t is maar een gedacht hè…

@mbaeten, onze held

 

The rise of @mbaeten  in twitterland is spectaculair te noemen. En terecht ook. Pretentieloos, op een bevreemdende manier grappig, en met juist dat tikje vitriool om het nooit vrijblijvend te laten zijn. Ik lees hem graag. Ik heb het ook al een keer gezegd, hij heeft eigenhandig een soortement eigentijdse haikoe-poëzie uitgevonden op twitter. Binnen de beperking van de 140 karakters komen er erg rake bespiegelingen, mooie poëtische pareltjes en soms ronduit schofferende opmerkingen.

Daarvoor alleen al, mogen we hem meester-twitteraar noemen.  Hoera, Hoera, Hoera.

Wat mij wel stoort, en waar het mij om gaat is de wellicht ludiek bedoelde ‘verkiezing’ van de meest inspirerende twitteraar, door Radio 1, in het radioprogramma Peeters & Pichal. Elke keuze is arbitrair, elke jury zal altijd kunnen rekenen op de spontane, zogezegde objectieve afrekening van de capita-non-selecta. Dus daar gaan we het ook niet over hebben.

Waarover dan wel? Over het proces van Twitter, dat men meende te moeten voeren. Ik denk dat het Bart De Waele (@netlash) was, die in ‘the heat of the moment’ opmerkte dat het weinig zinvol is om de meest inspirerende twitteraar van het moment te kiezen. ik treed hem daarin bij. als je op deze manier met het medium omspringt heb je per definitie bewezen dat je het medium niet echt begrijpt.  Het is niet echt ééndimensioneel te noemen. soms is het een café, een erg luidruchtig en snedig café, soms is het een doorgeefkanaal, soms is het een gezamelijk kankerhol, soms is het een bijzonder snel nieuws- en zelfs hulp kanaal. In al zijn beperkingen.

Ik neem mezelf als voorbeeld. Wat doet twitter voor mij. Het is het gedroomde medium om mijn blogposts te verspreiden en de reacties daarop  te monitoren, bij te sturen, aan te zwengelen, wat je maar wil.

Daarnaast gebruik ik het om mijn kleine ergernissen, opmerkingen, bespiegelingen, die ik niet in blogposts giet, te kanaliseren.

In derde instantie wil ik al wel eens een interessant artikel lezen en dat delen, met wie dan ook, dus dat zwier ik er ook op.

In vierde en vijfde instantie gebeurt het omgekeerde, mits goed gestructureerde lijsten ben je perfect in staat om te volgen wat er zoal aan interessants gebeurt en verschijnt, en daar kun je echt wel je voordeel mee doen.

En in laatste instantie is het grote fun om naar Eurovisie, idool, komeneten en andere onzin te kijken en live de gevatheid van de anderen te mogen smaken.

Zo kan ik nog wel even doorgaan en telkens opnieuw een ander en interessant/mobiliserend aspect aanhalen. Kenmerkend is dat het echter iedere keer over andere doelgroepjes gaat, andere circles (jawel, hij kon er in, dank je google+) die meestal niet veel uitstaans met elkaar hebben.

Als ik het artikel in de standaard en de discussie in Peeters en Pichal gevolgd heb, overviel mij diepe treurnis. Het medium bestaat vijf jaar, je zou toch verwachten dat er iets juister en relevanter over kon verteld worden dan de ongein die we nu kregen?

Maar misschien heb ik de media radio en krant niet goed gesnapt, dat kan natuurlijk ook.

Ondertussen andermaal proficiat voor Michel Baeten en de kristallen tweet 2011. Van harte.

Discussiëren is niet hetzelfde als ruzie maken

Bij ons thuis werd er snoeihard gediscussieerd. In zoverre dat mijn kinderen meer dan eens dachten dat er ruzie was tussen de nonkels en den bompa, als we weer eens – hemdsmouwen opgestroopt,pintje binnen handbereik – rond de tafel zaten te bomen.

Ik kreeg het met de paplepel aangereikt, maar misschien is het goed om een aantal basics toch nog eens te herhalen. Gewoon zomaar, omdat het mij ergert.

1) Het is nooit persoonlijk. Een standpunt wordt verdedigd, met vuur en argumenten, maar het staat los van de persoon die het standpunt zelf verdedigt. Dat heeft twee voordelen. Nadien kun kun je over iets anders babbelen, in alle warmte en je vermijdt op die manier ook dat persoonlijke inkleuring het redeneerschema beinvloedt.  Om het cru te stellen, als een zwarte racisme wil verdedigen komt het niet in je op om te zeggen ‘maar gij zijt ne zwarte, gij moet daar tegen zijn, want ge hebt er zelf het meeste last van!’ Laat die mens rustig doen  en kijk of je valabele argumenten hebt.

2) Het Duits model werkt niet. Toen ik nog in De Haan woonde, zag ik het dikwijls gebeuren. Duitse toeristen die in de Delhaize iets wilden duidelijk maken, zeiden dat in het Duits. als het niet begrepen werd zeiden ze het nogmaals, In het Duits, maar luider. En desnoods een derde keer, nog steeds in het Duits, en nog luider. Dat lukt niet. Anders zeggen wel.  Herformuleren heet dat ook, denk ik.

3) De speelplaats, daar moet je zijn om te spelen en elkaar vliegen af te vangen. ‘En gij dan?, Kijkt naar uw eigen! Ge zijt zelf nen blog, gij!’ Het voegt niets toe, het lost niks op en het is overbodig. Niet doen. De kans is bovendien niet ondenkbaar dat je iemand kwetst, waar je’t niet wil. Denk aan die zwarte. ‘ Meen je dat? dat ik een neger ben?!’

4) ‘T is zoals hinkelen, maar dan virtueel. Een probleem, een visie, is een stap dichter bij een oplossing. Probeer niet alle stappen ineens te zetten. Pak er eentje, kom overeen om dat op te lossen, of eventueel zelfs later aan te pakken, en ga naar het volgende. En kijk eens na bij elkaar of je’t ook daadwerkelijk begrepen hebt en of je’t zelfde bedoelt. Dat lost wel wat op. De wil om te begrijpen, quoi. En daar mag best wat bij geplaagd worden. ‘Dus jij zegt nu eigenlijk dat….?’, ‘Als ik u goed begrijp bedoel je … ‘. Het is van een kinderlijke éénvoud, en je komt ermee tot begrip.

5) De Rhetoriek, aah, de  vrienden van de rhetoriek. Laat ons wel wezen, dat is eigenlijk voor gevorderden. Als de rest goed zit, en er is sprake van een soort intellectuele eerlijkheid en een wil om elkaar te begrijpen is de rhetoriek het peper en zout van elke discussie. Dat zorgt ervoor dat het hoogoplopend kan worden, dat er een verbaal steekspel is, dat er gelachen wordt en ego’s opzijgeschoven.

Zonder de basisregels is rhetoriek dodelijk voor degene die er zich van bedient en dodelijk voor de discussie… Gewoon maar even aannemen van me.

Meer heb ik daar eigenlijk niet aan toe te voegen.

De dikke vrouw

De zee, een wandeling, en ja daar hoort een terrasje bij. Ik zat, zij kwamen aan. Een mooi gezelschap. Een viertal. Met één dikke vrouw. Echt dik. Ik kan het niet anders zeggen, niet storend,  in zoverre dat ik daar geen mening over heb. Maatje meer, volslank, goed voorzien van oren en poten, nen tank, u mag kiezen. Ik heb daar niet meteen behoefte aan. ‘T leek mij  gewoon een vrolijke vrouw. Los van het cliché dat dikkere vrouwen noodzakelijkerwijs gezellig en grappig zijn, daar geloof ik ook niets van. Ze had een erg mooi gezicht, en was erg verzorgd, in alles.

En ik keek wat verder. Het was zo simpel. Haar ‘vriendin’, was zo’n mager ding, hologig en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid getrouwd met een tofu-asceet die ook niet kon lachen. Links, verantwoord en als’t enigszins kon ook nog eens gortdroog. Beiden.

De mannen waren broers. Dat kon je zien. Die van het spichtje stond, jawel, u raadt het, in het onderwijs – kop er af als het niet waar zou zijn. Dat zag je aan de wandelkaarten die hij bij had,  aan de voorbereiding, de schoenen, de ribfluwelen broek, dat zag je aan alles. Een gevaarlijk mens om mee te converseren, voor je’t weet krijg je een ‘Ik duld het niet dat er op deze wijze tegen mij gesproken wordt’ om de oren. Compleet met zo’n zuinig ringbaardje. En een geruit hemd onder de parka.

De andere had het  misschien niet  zo getroffen  qua vakantiedagen en arbeidsduur, maar was wel gelukkig, zo zag hij er tenminste uit. Hij deed iets onbestemd in de administratie, en het was duidelijk dat hij andere en leukere prioriteiten had in zijn leven. Eten en lachen met vrienden en kinderen, niet in het minst.

Ze gingen aan het tafeltje naast het mijne zitten. De volslanke had zin in iets lekkers, dat kon je zien, ze ging met graagte de kaart af, maar wachtte even af wat de anderen deden. Het liet niet lang op zich wachten, De leerkracht nam een koffie, zijn vrouw een watertje…

De zwager slikte even en bestelde dapper een pilsje. Ik had hem toch eerder als een trappisten-man ingeschat. Met haar alleen had hij dat waarschijnlijk ook gedaan, met een kaasplankje erbij. Het licht doofde, in de ogen van de dikke vrouw… Niet zozeer omwille van de behoefte aan eten of drank, maar omdat ze gewoon gezellig wilde zijn.

Ik had met haar te doen. Ik begrijp het ook. Niet dat je verplicht grote hoeveelheden drank of  kleffe hap moet binnen slaan, maar iets drinken na een strandwandeling… en dan water bestellen, daar word je toch vanzelf chagrijnig van? Water houdt iets eindig in, je kunt dat niet blijven drinken. Een gezelschap dat neerstrijkt en lekkere dingen bestelt, daar kan je van op aan, de gesprekken beginnen, de sfeer zit er in en het wordt een gezellige boel, of het dan verder ontaardt of niet, doet niet ter zake. Maar water, dat impliceert functionele dorst, iets drinken en weer weg. Tenminste voor mij, de connotatie van gezelligheid is ver te zoeken.

De dikke vrouw had een besluit genomen. Ze nam een Irish Coffee. Eten en drinken samen, en toch nog redelijk beschaafd. Volgens mij had ze zin in pannenkoeken en nog meer lekkers, en/of een fijn wijntje. En ze begon te vertellen… geanimeerd, van haar kant toch. De asceten vonden het te oppervlakkig, of niet boeiend genoeg, en zwegen.

Het gesprek bleef horten tussen de stiltes. De dikke vrouw had het ondertussen ook opgegeven, en reikte naar haar man. Na zovele jaren nog steeds gelukkig, dat is leuk.  En dat zag je. Hij keek haar liefdevol aan, goesting in lekkers en rollebollen, in eender welke volgorde en zij gaf non-verbaal aan dat ze’t nu echt wel gehad had met zijn broer en zijn teringwijfje.

Ze ging zich even verfrissen en op haar weg naar het toilet maakte ze grapjes met ongeveer iedereen die ze tegenkwam. Opluchting over normaal kunnen doen. Ze had een mooie lach, ze leefde graag. En ik vermoed dat ze gewoon leuk gezelschap was, maar niet hier, dat ging niet.

Toen ze terugkwam stonden de ernstigen op en hadden ze hun jassen al dichtgesnoerd. Haar Irish coffee mocht ze nog net opdrinken. Maar nu moest ze weer mee, Jan Van Genten spotten, en duingras bekijken.

Met vier aan de tafel

“Ik wil een grote kist, in een schoon kerk, met veel bloemen! Bij mij gaan ze ’t geweten hebben. En ik wil dat er gebleit wordt!”

Het gezelschap zat gezellig te keuvelen, gemiddelde leeftijd ongeveer 70, maar het was ze niet aan te zien, en zeker ook niet aan te horen. Ik vind het wel mooi, oudere dames die , niet gehinderd door wereldse beslommeringen de herfst van hun leven doormaken met leuke momenten.

Deze vier zaten ergens in een bistrot, zich tegoed te doen aan ‘beschaafde alcohol’. Versta : gecamoufleerd drankgebruik in de namiddag, maar zonder dat het er zo uit ziet. Een irish coffee, een advokaatje, een sherry, dat soort dingen. Eentje niet, die met de meest franke ‘toot’. Die ging ronduit voor een trappist. Zij was ook degene die haar eigen begrafenis aan’t regisseren was.  En ze ging door…

” En mijn beeldeke, daarop wil er uitzien zoals ik twintig jaar geleden was… Ah ja, wie wil er mij nu onthouden als een oud verschrompeld beske? Twintig jaar geleden zag ik er nog best appetijtelijk uit!”.

Er valt iets voor te zeggen, De laatste herinnering aan de aflijvige, moet dat niet eerder iets mooi zijn? Iets waar je met plezier aan terug denkt? Vaders in de kracht, moeders in de fleur. Net zoals fotoalbums maar weinig kiekjes bevatten van hoogoplopende ruzies, of huiselijk geweld, waarom schroomvallig doen over doodgaan, laat het iets mooi wezen, ik wil me mijn vader ook alleen maar herinneren als fijne vader, niet als zielige oude man.

Ze ging op haar elan verder. ‘Als ik kijk naar het beeldeke van onze Fernand, allez, dat is toch triestig? Zo ne schone, sterke mens, en op dat prentje is dat een oud manneke!’ En iedere keer als ik er naar kijk, begin ik te bleiten, want dat laatste jaar, dat was toch puur afzien? Maar al die andere jaren hebben wij veel plezier gehad, veel gelachen, en veel samen gedaan!’.

Ik kan haar geen ongelijk geven. Sterven heeft altijd iets triest, iets van een afscheid, maar waarom moet je per se opgezadeld blijven met de verkeerde herinneringen. Zou er geen plaats zijn voor ‘schoon rouwen’, ipv van die zielige vlaamse onbeholpen stiltes. Een afscheid in lijn met het leven van de aflijvige, het lijkt me een meer dan valabele optie.

Eén van de andere dames sprak stil… ‘ ik was blij dat em dood was. We hadden toch niks meer tegen elkaar te zeggen, al heel lang niet…’

Ook moeilijk…

 

De vierschaar voor architecten

België is een lelijk land. Volgebouwd, lintbebouwd, lelijk bebouwd. Dat hebben we voor een groot deel aan onszelf te danken. Want we willen allemaal een huisje, en we willen dat bij voorkeur zelf bouwen, eerder dan iets op te kopen en te verbouwen/vernieuwen ‘Ge koopt een ander zijn miserie, hè, mijnheer!’.

So far still so good. Er is niet veel tegen in te brengen dat mensen huizen bouwen. Waar je wel een probleem mee kunt hebben is de ondingen die ze dan neerpoten. Heel de Kempen staat vol Spaanse hacienda’s. Ja, Spaanse, met rare dakpannen, ronde vormen, en lelijke stenen. Overal in semi-landelijke omgevingen vinden we uiteraard fermettes, al dan niet met ingemetseld wagenwiel en opgeblonken koperui op het torenspitsje, en het obligate ronde venster.  In de steden krijg je nu overal luxeappartementen ‘in loftstijl’, wat dan meestal wil zeggen dat de vloer uit gepolierd beton bestaat en dat er een aluminium keuken in staat. Kortom, de nep regeert.  En het wordt nog erger, de gevreesde trendwatcher K-woman heeft mij al gewezen op de nieuwe gedrochten : Elzas-Schilde-New-Chic… Gruwelijk is het, binnenkort in een verkaveling dicht bij u.

Toen ik zelf zo rond mijn dertigste de kans kreeg een lapje grond te verwerven, in de betere buurten buiten Gent, ben ik er mee naar mijn architect getrokken. Vooraleer het te kopen. Hij keek even rond en sprak toen de prachtige zin ‘Dit ga je echt leuk vinden Guido, een beetje tuin en ’s zaterdags allemaal samen met de buren de auto’s wassen’.

Ik begreep het meteen. In plaats daarvan hebben we een huis gebouwd in een simpele straat, een gerieflijk huis, maar anoniem en passend in het straat beeld, of dat toch minstens niet verstorend.  Pas op, ik laat nog steeds iedereen doen waar hij/zij zin in heeft. Ik pleit zeker niet voor het Nederlands model, al valt er iets te zeggen voor hun respect voor omgeving en landschap, maar onze gezellige chaos vind ik ook wel iets hebben.

Waar ik wel voor pleit, is voor architecten, die hun vak kennen en hun verantwoordelijkheid nemen, zoals de mijne dat indertijd deed, hij heeft het zich daar niet makkelijker mee gemaakt, integendeel. Een beetje goede smaak bijbrengen op architecturaal vlak, ze hebben er tenslotte voor gestudeerd.

Zo is er een fijn, gezellig straatje, vlak bij mijn woonst, waar charmante burgerhuisjes staan. Niet groot en protserig, maar gewoon mooie huizen. En daar zijn ze nu een nieuwbouw aan het optrekken, appartmentjes waarschijnlijk, ter vervanging van één van die huizen.

Lélijk! Echt Lélijk!! En ik begrijp dat niet. Als ik het al zie, dan moet zo iemand dat toch ook zien? Wie laat zo’n man begaan? Hij heeft tenslotte toch iets voorgesteld aan de bouwheer?  En cruciaal aan zijn vak moet toch ook zijn dat hij mensen kan bijspijkeren als ze’t even kwijt zijn?

En dan denk ik, we moeten streng en rechtvaardig worden, en ons patrimonium, of wat er van rest, beschermen. En ja, het ‘berufsverbot’ wenkt. Ik stel voor dat we architecten na 5 jaar actieve carrière voor een vierschaar brengen met ernstige mensen, die hun werk mogen beoordelen. Wie dat moet zijn, daar kunnen we dan te gepaste tijden een boom over opzetten, dat is nu nog even niet aan de orde. We hebben het over het concept.

Eén keer een fermette, om den brode, dat wordt toegelaten, je moet tenslotte het vak leren.  Elk dorp volpleuren, elke opdracht in die richting invullen, sorry, ga maar even  iets anders doen.

Moderne, stuitende ‘contemporary’ architectuur, iedere keer opnieuw er in slagend te choqueren en als een tang op een varken in het straatbeeld te passen (In Gent zijn er zo wel wat staaltjes te vinden)… Sorry! Misschien terug tekenaar worden? Rijk worden met eenheidsworst, ja, maar dan wel in de projectmarkt hè, niet meer door onze ogen pijn te doen.

Wat denkt U? Mits succes kan het ook op andere sectoren toegepast worden… Marketingh managers die de line extension als groei model prediken,… zat sectoren waar we stilaan iets strenger moeten worden.

Begrafenisondernemers hebben het moeilijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Belgische uitvaartsector klaagt. Er sterven te weinig mensen, en de uitvaartsector is op sterven na dood. Ok, ok, flauwe geintjes, en ik zal me er van weerhouden.

Maar toch, je zal maar marketing manager zijn in de uitvaartsector. Hebben ze dat daar? Laat ons er van uitgaan van wel. Dat maakt het nog zo leuk. Hoe zwengel je de vraag aan? Het klinkt immers te onkies om te zeggen ‘hoe krijgen we meer doden?’.

Uiteraard, het knippen in de sociale zekerheid, en de zorg, zal op lange termijn wel zijn steentje bijdragen tot het gezond krijgen van deze sector. Maar dat kan niet echt de bedoeling zijn. Bovendien jaagt dat enkel de low-end van de markt aan, arme sloebers die dan zo’n OCMW begrafenis krijgen.  Zonder het decorum en de schone schijn van prachtig mooie autobanden vol bloemen. Daarmee redden we het niet. Stopzetten van alle Go for zero initiatieven, dat lijkt me ook niet zo verstandig, teveel collateral damage. Ze moeten echt dood zijn, niet gewond, en daar zijn te weinig garanties voor.

We zijn te gezond, daar gaan we niks kunnen aan veranderen. Toch niet op korte termijn. We vergrijzen en er zit geen dynamiek meer in onze populatie. Misschien toch ook niet oproepen tot meer kindjes maken, los van het feit dat dat ook niet meteen een snelle oplossing is.

Deseizoenalisering, zoals met roomijsproducten, lukt dat? Moeilijk toch maar weer. De dood laat zich niet commanderen, al zijn tax stimuli misschien wel een mogelijkheid. Net zoals een boreling fiscaal het gunstigst is in december (een heel jaar ten laste), zou je een aflijvige ook een regime kunnen geven dat hij best in januari sterft, om nog een heel jaar mee te kunnen tellen in de aanslagen. Koppel daar een soepeler euthanasiewetgeving aan, en een paar andere gunstmaatregelen en we komen er misschien wel. Maar het blijft gedabber in de marge.

Promoties, twee kopen, één betalen. Koop nu, sterf later… ik weet het niet. Dat je zo’n doodskist dan in je garage houdt om er voorlopig nog wat skimateriaal in op te bergen, het kan natuurlijk.  Multi functie kistjes…. met bagagerek-clips. En stapelmogelijkheden…

Het brengt ons naadloos bij de aanbodzijde?  Ik zie wel wat mogelijkheden.

We kunnen de hype van de markt volgen en voor experience marketing gaan. Een Death Theme park, mega uitvaartbeurzen (fotgraferen toegelaten, life acts on stage (sic).  ‘Open coffin days bij de diverse handelaren, alternatieve mixes bij crematie (I smoked my buddy with Columbian Red or Afghan Black)…

Productvernieuwing. Inspelend op de eco-trend. Biodegradable coffins, er moet toch iets mee te doen zijn. De ultimate recycler, met actief natrium, fosfaat en stikstof.

Ook evenementiëel, waarom enkel een uitvaartplechtigheid, en daar stoppen? A near-death celebration behoort ook tot de mogelijkheden. Met feestelijke receptie.  De bijna-dood-borrel… Ook in drukwerk en print zijn er mogelijkheden tot categorie expansie… Denk aan kalenders, aftellen tot D-day…

Zo zie je maar weer, met  wat creativiteit kan elke marketeer toch helpen om één van onze handelsactiviteiten van de ondergang te redden.  Gaat u rustig verder op mijn elan…

(voor ik het vergeet, het is niet de bedoeling mensen te kwetsen die met leed geconfronteerd worden, ik mijmerde gewoon ziek verder op een nieuwsbericht van vorige vrijdag, that’s all. Met uitdrukkelijke excuses voor de slechte smaak)

Op is op

Als je uitkijkt naar het einde… Ben je dan klaar of ben je op?

Mijn vader had het  zo ongeveer op zijn vijfenveertigste.
‘Van mij mag het stoppen, veel beter zal het toch niet worden…’Ik zat naast hem in de auto, en protesteerde hevig.
Tot op vandaag weet ik nog niet of het was omdat ik vreesde dat ie mij mee zou nemen
in zijn omhelzing met een brugpilaar, of omdat ik zelf vond dat het leven te prachtig was,
of omdat ik hem oprecht graag zag en zou missen.

Dat laatste, daar ben je als knul niet klaar voor, om dat toe te geven…
Maar dat wil niet zeggen dat het niet waar zou zijn.
Dus ik smeet al de voor de hand liggende argumenten in zijn richting.
Praten zonder te luisteren, meer kon je op die leeftijd ook niet van me verwachten.  Van welke puber wel? Vrees niets, hij leeft nog, zij het jammer genoeg vegetatief. Misschien ook iets wat ik hem wou besparen.

Nu heb ik zelf kinderen. Ik heb er een goede band mee, denk ik, maar niet dezelfde als mijn ouders met ons. Het traditionele kerngezin, het had wel wat, qua elkaar aanvoelen.  Ik ben er ook niet zo goed in. Het contact is dus minder. En de aanvechting van mijn vader, ik heb ze ook. In alle oprechtheid.  En niet om medelijden op te roepen, hoegenaamd niet. Ik ben een goedgemutst mens, laat dat duidelijk zijn. Maar dat belet me niet om na te denken.

De buurt waar ik woon, daar heb je veel bruggen. Over water, over sporen, over snelwegen. Ik betrap me er op dat ik daar de laatste jaren anders naar kijk. Niet als lelijke, architecturale wangedrochten, niet als infrastructuurmonumenten, maar als middelen… Springen, hangen, of niet… Angst en andere overwegingen weerhouden me er van.  Waarschijnlijk ben ik ook een te grote angsthaas voor pijn. ‘Ze’ zeggen wel dat je alles op het internet kunt vinden, but then again…

Het valt me op dat het onmogelijk is om in alle luciditeit over het onderwerp te praten. Je inner circle is ontzet en voelt zich tekort gedaan… Betekenen wij dan niets? Uiteraard wel, maar mag het even? Het gaat nu heel even niet over jullie.

Je kennissenkring reageert ongelovig en spottend… Jij? Onnozelaar, dat durf je toch niet en bovendien, jij, de nar, de clown, the life of the party…  Da’s het nadeel als je op een bepaald moment beslist hebt om je uiterlijke ik, il buffone, alle ruimte tot ontwikkeling te geven, daar mag ik dan weer niet kinderachtig over doen, dat heb ik immers zelf gezocht. De mooie verdediging van de oppervlakkigheid.

En toch… Wat doe je hier? Genetisch materiaal doorgeven, een stukje meerwaarde creëren en dat is het toch ongeveer? Als dat naar eigen inzicht vervuld werd, moet je dan per se de rest van de rit nog uitzitten?

Het is zoals zuinig zijn met je relatie, ik geloof daar niet in. Je beleeft het, gulzig, intens, tot het op is… Het vuur en de intensiteit, dat is wat je wil, niet één of ander smeulend kutvuurtje waar je je handen aan kan warmen!

Jotie ’t Hooft, hoe onvoldragen zijn poëzie ook moge zijn, in de ogen van sommigen/de meesten, heeft ook met dat gevoel gespeeld. Als ’t klaar is, mag je dan weggaan? Of moet je per se de normen respecteren?

Ik heb onlangs een discussie gevoerd dat ik de euthanasiewetgeving onzin vind omdat ze zich beperkt tot oud en/of chronisch en ongeneselijk ziek. Pas op ik ben geen expert,  maar ik geloof heel erg in discussiëren om je eigen standpunten aan te scherpen en:of te zien ontkrachten, Popper meets Plato, iets in die stijl.  Mijn standpunt was dat het mag ingevoerd worden, samen met de meerderjarigheid.

Waarom ook niet? Ik denk dat je er veel leed mee bespaart. Als je dat gegeven in een proces giet kom je immers onmiddellijk op een aantal voordelen uit.

Ten eerste de indentificatie. Het immense voordeel om pijnloos  uit het leven te stappen, heeft een prijs. Je moet er over praten, je moet het kenbaar maken. Dan kan er geholpen worden, dan kan er gepraat worden, dan  kan er gekeken worden hoe ‘echt’ die doodsdrift is.

Het is niet ondenkbaar dat depressies, inzinkingen, ‘het-geen-uitweg-meer-zien’ relatief ‘eenvoudig’ uit de weg kunnen geholpen worden, met dezelfde bezielende inspanning en toewijding die de mensen van de zelfmoordlijn nu tonen. Het voordeel is gewoon dat je het inschakelt in de gezondheidszorg, dat je het au sérieux neemt ipv het dood te zwijgen (pun not intended).  Je officialiseert en maakt een kanaal dat daar op de juiste manier kan naar kijken en over oordelen en mee bezig zijn. ik denk dat dat een verluchting is voor velen.

Ik ben niet naief, velen zullen dit pad niet kiezen, en zich in de eenzaamheid van de laatste oplossing wentelen, maar voor al die anderen, die we a) geidentificeerd kregen b) geen oplossing konden aanbieden, c) die logisch en rationeel kunnen aangeven dat ze er uit willen stappen,  kunnen we dan minstens een menswaardige manier van sterven voorstellen, Soms is zelfs de opluchting van een oplossing al van die aard dat ze energie geeft.

Het impliceert natuurlijk dat je  puur filosofisch gelooft in de uitgangspremisse, dat het soms gewoon op is. Ik ben atheist, dat helpt.  Dat is een debat dat zich buiten de gezondheidszorg afspeelt. En toch weer niet.

Ga maar eens na welk leed  er opgestapeld wordt door mislukte probeersels, alarmkreten, aandachtspogingen en dies meer.  Leed voor de familie,  trauma’s bij vrienden en kennissen, dikwijls vreselijke gevolgen voor het slachtoffer, kosten in de gezondheidszorg.  We kunnen ons dat besparen. En door het kanaal te openen, groeit er inzicht, en wellicht ook research. En dus oplossingen, op welk vlak ook.

Maar nogmaals, ik hoef het niet. Ik kwam net thuis en keek in de ogen van mijn dochter, en dan is alles altijd ok.  ‘T is niet omdat je denkt dat het op is, dat het ook daadwerkelijk zo is.

(Mocht ik mensen kwetsen, dan al bij voorbaat excuus, ergens over praten, hoe stuntelig en onbeholpen ook,  is m.i. altijd te verkiezen boven het zedig doodzwijgen)

Ongelofelijk connected en ontzettend eenzaam

We zijn aan’t ontsporen. Allemaal samen. Allemaal samen zwermen we van het ene naar het andere, op zoek naar het nieuwe, het betere, het andere. Mocht ik niet beter weten, ik zou zweren dat we iets zochten.

Ik sla gemakshalve een paar jaar over over, maar het afgelopen jaar na de kouwe kak/scheet in een fles (schrappen wat niet past) van Diaspora, zag ik iedereen naar Quora zwermen, om daar tot de vaststelling te komen dat we elkaar eigenlijk niet zo bijzonder veel te vragen hebben.

Niet getreurd, Linkedin was aan een inhaalbeweging bezig, dus allen daarheen. Een wildgroei van groepjes, discussies, newsplatformen, blijk gevend van bedrijvigheid, maar een vreselijke  inhoudelijke armoede etalerend.  Onder het mom van bezig zijn worden er schijndiscussies geïnitieerd waar een beetje onderlegde eerstejaarsstudent economie eigenlijk meteen antwoord op zou (moeten) kunnen geven. En alles wordt met een aura van expertise omhuld, terwijl het fundamenteel niets te betekenen heeft.

Pas op, ik pleit mezelf niet vrij, ik doe heel hard mee. Na Linkedin (new and improved) kwam Google+, en ondanks zijn kwaliteiten en mooie layout vrees ik dat het ook niet echt de killer app zal worden… maar ik kan me vergissen.  Tussendoor hebben we ook even de Pinterest hype meegemaakt, mooi, veelbelovend en creatief, maar toch ook een gigantisch herkauw-apparaat.

En toen kwam Connect.me en ik vergeet er nog een paar, allemaal leuk, en allemaal mensen die – net als ik –  als ‘dewiedeweerga’ hun hele netwerk van het ene platformpje connecteerden naar het volgende, om te beseffen dat ze er daar ook niets mee uitrichtten. En ik wil niet gezegd hebben dat elk van die platformen geen meerwaarde heeft, verre van, daarvoor ben ik een te enthousiast gebruiker. Ik deel een overweging, meer niet.

Spotify… zelfde verhaal, het werd een erezaak om er als de kippen bij te zijn. De Early Adopters konden pochen over hun moeilijkheden om hun UK account om te zetten naar een Belgische, de andere lieten zo snel mogelijk weten dat ze niet opgerzet waren met Justin Bieber/Selah Sue reclames tussen de muziek. Ik denk dan, wees blij dat het Milow niet was! Maar dat terzijde.

In no time zitten we met zijn allen weer bij elkaar in de anonieme warmte van weer een nieuw dingetje waar we wat bij elkaar kunnen binnenkijken.  En het is niet verkeerd, je leert mensen echt wel op een andere manier kennen. Gortdroog op linkedin, geestig op twitter en met een verrassend goede muzikale smaak op lastfm, of spotify.

De grootste tristesse moet echter nog komen, ik ben nog niet klaar. Ik ben al een tijdje fan van Komen Eten, omdat het zo bevreemdend is, voyeurist, intriest en hilarisch. En toegegeven, met Twitter op de voorgrond is het even mooi amusement als het Eurovisie songfestival met vrienden samen. Maar al die mooie mensen, intelligent, en hard werkend, en met zo veel geweldige boeiende mogelijkheden om zich te amuseren, zitten mooi na, of tijdens, het eten naar het ‘kaske’ te kijken,  alleen, of met twee en met elkaar te communiceren via de interwebs.

De vooruitgang meneer!

En dan begin ik te denken. En vooral ook naar mezelf te kijken. De ‘attention span’ in heel dit verhaal, die wordt alsmaar kleiner.  Wie een paar jaar geleden continu zijn status update op facebook werd gevraagd of hij niets beter te doen had. De halveringstijd van een bericht op facebook is volgens mij nog ongeveer een halve dag, daarna verzinkt het onherroepelijk naar de achtergrond. Bij Twitter is dat nog minder. Als je niet post, besta je niet.

Ik weet waarover ik het heb en u, als u eerlijk bent ook. Extreem vroeg opstaan en je hersenen pijnigen om origineel te zijn en te tonen dat je er al weer bij bent. Snel reageren. Geestig zijn. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het een heerlijk medium. Maar zoals al eens gezegd ’t is een gigantisch café, waar je’t overzicht kunt behouden en naadloos van de ene conversatie in de andere kunt binnenbreken, en dus ook oeverloos kunt lullen. I love it.  Maar wat stelt het allemaal voor? En hoe zwaar grijpt het in, in echt productieve tijd?

Ik maak mezelf dan wijs dat ik het doe tijdens de dode uren in de auto, maar die uren hoeven niet dood te zijn, ik zou ze even goed kunnen besteden aan echt denkwerk. In plaats daarvan hengel ik naar aandacht, en promoot ik een imago, waar ik me dan nadien moet voor forceren om het ook nog eens waar te maken.

En u doet hetzelfde. Echt wel. U gaat samen met kindjes op stap en beide echtelieden putten zich uit om instagrammetjes, digitale hierogliefen uit te wisselen over wat ze aan’t doen zijn.  En iedereen kijkt via het schermpje mee, hoe gezellig het wel is. Ik weet niet hoe gezellig dat wel is? Ik denk dat het veel gezelliger kan. Als ik met mijn lief op stap ben, dan wordt er gepraat, ruzie gemaakt, gelachen, geleefd, maar de behoefte om uitgerekend dat ‘samen’ te doorbreken door individuele kreetjes in cyberspace is onbestaand.

Toevalligerwijze zat ik gisteren met twee van mijn kinderen (laat ons ze gemakshalve water en vuur noemen) aan tafel, en begonnen we te praten. Lang heeft dat geduurd, en bevredigend was het gevoel. En warm de herinnering, zelfs de dag nadien.  En in alle eerlijkheid, het was juister en voelde beter aan dan een tijdslijn vol bijval van mensen over weer een gevatte geestigheid. En nogmaals,  als geen ander, ik kick op die geestigheden!

Ik las gisteren dat creatie kennelijk geboren wordt uit frustratie, métier en eenzaamheid, (Stone). Ik wil dat wel geloven. In plaats daarvan blijf ik dikwijls  gebiologeerd naar het schermpje, de schermpjes staren. Krijg ik wel genoeg #FF? Evolueren mijn social metrics wel in de juiste richting?  Ben ik wel ‘bezig’?

En ik verrechtvaardig het door te stellen dat ik converseer met mijn lezers, mijn fanbase, mijn virtuele vrienden. En dat zijn ze ook echt, iedere keer ik twitjes tegenkom in het echt blijf ik me verbazen over de geestigheid en de veelzijdigheid van hun persoonlijkheid. Het is toch gewoon veel leuker ‘in ’t echt’  meestal?

Mijn dochter zei gisteren, het nadeel van facebook is dat je nooit meer een verhaal kunt vertellen tegen vriendinnen, want ze weten het al van op facebook. Hoe triest!

En het absolute dieptepunt is nu bereikt, waarbij heelder hordes intelligente mensen Scrabble liggen te spelen. Niks mis mee, alleen doen ze’t via hun tablet, of smartphone, in stilte. Alleen. Zonder te kunnen lachen om bijeen gefantaseerde woordjes. En ze cheaten, om te kunnen winnen…  How low can you go?

Met wat pech spelen ze tegen elkaar… woordenloos.

Oude lust roest niet

Een dorpscafé. Ik kan er zo moeilijk aan weerstaan. Een toog die patina kreeg door morsige glazen, de herkenbare geur van cigaretten en verschaald bier, de troosteloosheid van de lokale dorpsaffiches. Heerlijk is het.

Ik ging aan de toog zitten en bestelde een pintje. Zoals het hoort vroeg de vrouw achter de bar of het een boerke, een ribbeke of een vazeke moest zijn. Met stip in de top tien! Voor mij liefst ribbekes, perfect getapt, lichtjes parelend.

Ze had al meerdere oorlogen meegemaakt in haar taverne. Huid, ogen en handelingen waren de stille getuigen van talloze nachten in het gezelschap van venten die liever hier zaten dan thuis bij hun wijf. Een Vlaamse waardin, goed voorzien van oren en poten, ‘ne stevige achteruit’ en op stiletto’s. Want ’t was zondag.

Hij kwam binnen, en ik werd getroffen door de troosteloze sleep in zijn pas. Ondanks het feit dat het café quasi leeg was, ging hij aan een tafeltje zitten. Alleen. Een beetje triest voor zich uitkijkend.

Ze ging er heen, met een fris getapt fluitje en bleef op gedempte toon even met hem praten. Bezorgd legde ze een hand op zijn arm, en kneep er bemoedigend in. Hij keek even op en lachte flauwtjes terug. Zijn stem klonk aarzelend, gebroken.

De man was oud, ergens achteraan de zestig en gaf een erg uitgebluste indruk. Het verlies drukte zwaar, hij kon niet wennen aan het alleen zijn en zocht allicht de warmte van het café op om te ontsnappen aan de eenzaamheid thuis en het opgeklopt vermaak van de TV. Dat maakte ik er van. Temeer daar de waardin hem zorgelijk bleef aankijken en mij met een blik van verstandhouding aangaf dat ze er mee te doen had. Ik stelde maar geen vragen, dat hoort ook niet.

Na een tijdje tapte ze een vers pilsje. “Hier, nog eentje van mij, ’t is goed dat ge terug onder de mensen komt, ge moet vooruit in uw leven!’. Hij keek haar aan, glimlachte even, bedankte vriendelijk en kort en bleef verder in zijn glas staren.

Het moet wat met je doen, als je je levensgezellin, je vrouw je maatje op die leeftijd kwijt raakt. Weten dat het komt, allicht na een lange slepende ziekte, of met wat geluk heel plots, en zonder lijden. Maar we moeten elkaar niets wijsmaken. Dood en belastingen, ze zijn onontkoombaar. Hoe ouder je wordt, hoe meer je er van doordrongen geraakt.  Waarschijnlijk ook net de kinderen op bezoek gehad die het niet kunnen opbrengen om ‘vake’ meer dan eens in de week op te zoeken, wegens carrières en eigen drukke levens met kindjes en allerhande projectjes. Dat gaat zo.  En nu was het zondagavond, alleen, met Witse. Hem restte niets meer dan op zijn beurt te wachten op de dood, want rijk van de duiven ging hij niet meer worden.

Ik ging naar ’t toilet, en plots stond hij naast me.

‘Ferm wijf hè jong, ons Nicole,… achter den toog?’ Ik keek hem verrast aan en hij ging verder.

‘Die van ons is een maand geleden gestorven, maar ik ben nog ne ferme vent, en ik peis, als ik hier zo nog een weekske triestig kom zitten doen, da’k wel kans maak om ze in mijnen nest te trekken! Allez, we gaan zien, neen heb ik al, maar ik peis toch dat ik mij ermee ga kunnen amuseren! En dan kan ik mij terug aan den toog placeren!’

Nog een schone avond gewenst.. met deze hint van de onvolprezen @benpittoors

Het strelen van boeken

Er zou een woord moeten voor bestaan. De liefde bedrijven is het niet, maar puur fysiek genot ondervinden door het aanraken van boeken, dat zou toch een naam moeten hebben?

Ik heb een paar boekenplankjes geinstalleerd, en dat krijg je weer dat eeuwige gevecht. wie mag er op, en hoe? Ik heb er vroeger al eens over geblogd, dat dat een allesbehalve éénvoudige taak is. Welk keuze criterium? Een paar plankjes, dat is geen bibliotheek oefening, ’t is niet dat je alles onder handen neemt. Neen, nu zijn er wat? 40, 60 boeken die promotie krijgen. Die van het stapelen verdwijnen naar de verhevenheid van de plank. Publieksspelertjes. Blijvertjes, Klasbakken.

Maar ook daar moeten er regels en rechtvaardigheid zijn. Ok, dat boekje van Finkielkraut is mooi, en het staat scherp om het gelezen te hebben, maar wat heeft het met je gedaan? De emotionele weging is te beperkt. Locke daarentegen, in de goedkoopste uitgave ooit, is een certitude. Net zoals die ene goedkope uitgave van Lijmen/Het Been niet hoeft te vrezen. Ja, boeken hebben een ziel, en net zoals in Toy Story, denk ik dat je ze pijn kunt doen door verwaarlozing.

Van meet af aan is duidelijk dat het een arbitraire keuze wordt. Een keuze die bepaald zal worden door omslag, kloutscore van de auteur, likeability van het onderwerp, en dan last but certainly not least… Wat heeft het boek gedaan met mij.

En dan begint het strelen, en de gewoontesex. Op zich wellicht een metafoor voor iets anders. Zo’n Oscar Wilde, die weet met zekerheid dat hij terug promotie maakt. Het is goed even te toeven onder de andere boeken, maar de complete works, tja, dat moet gewoon terug in ’t zicht liggen, klaar om te doorbladeren, een quote op te zoeken, bij de hand te hebben… Hij weet het, ik weet het, hij weet ook dat het een kwestie van tijd is voor ie weer op het nachtkastje belandt, de hautaine slet.

Neen dan heeft zo’n Brouwers of Coupland het moeilijker. Mooi, of boeiend, maar ze raakten mij niet. Net zoals ik dweep met Hermans en Reve, kan Mulisch mij gestolen worden. Ook al heb ik er quasi alles van gelezen, hij pakt mij niet. Wolkers wel. En Vestdijk, die oude schurk, komt vanuit de achterhoede terug opzetten, eindelijk klaar voor…

Dichtbundels. Moeilijk! Dan neem je zo’n Zwarte jager van Jules Deelder nog eens vast, op slag dertig jaar jonger, en de grijsaard komt boven. Was het werkelijk zo groot als poëzie? Eerlijker word je ook op deze leeftijd. De Coninck, Claus, meesters van de taal. Deelder en Chabot, punkpoëts en meester van ritme en performance, maar is het een boekje dat op het schap moet? Ondertussen heb ik het opnieuw uit… Toch maar niet, of wel, het is zo mooi, die gebeitelde kop van Jules, en het overweegt niet… het kan er quasi nonchalant tussen. Vooruit dan maar.

Het gaat door, boek per boek, en altijd trager. Het hangen van de plankjes kostte een uurtje tijd, het selecteren van de boeken een dag, en ik ben nog niet tevreden. Of toch wel, want ik heb een heerlijke tijd gehad. Hier en daar een herinnering, een oude bladwijzer, een kattenbel of een post it. Sepia dat opnieuw verlevendigt, herinneringen die aan kleur winnen, een simpel geluk. Of overdrijf ik?

Mijn papa was een varken

papa

Of een beer. Of een paard, Hij kon het allemaal zijn.  Als hij na een nacht stappen met vrienden, de hele wereld uitnodigde om bij ons thuis te komen slapen, omdat dat gezellig was, dan was het een varken, een schoon varken, maar een varken. Heerlijk mateloos en met het gevoel dat de wereld van hem en zijn vrienden was.

Als hij werkte, dan kon hij dat als een paard. Zonder omkijken, zonder zeuren, gewoon doen. Hij kon ook gewoon lief zijn, voor zijn vrouw, voor zijn kinderen. niet zeemlief, gewoon lief, in de zin van het goed menen.

Mijn vader was geen hartelijk mens. Hij keek heel streng, niet omdat hij boos was, maar gewoon omdat zijn hoofd zo stond. Mijn schoolkameraadjes hadden er schrik van. ik niet, ik vond hem meer dan ok. Een lieve beer. Hij kwam wel vaak stuntelig bij zijn pogingen om lief te zijn. Ik ken dat, er zit veel van hem in mij. Wij denken dat we met woorden alleen, alles oplossen.

Hij was bovenal een man met een immens respect voor de integriteit van iemand anders.  Op alle vlakken. Hij had geen kinderen, hij had kleine mensen rond zich met fouten in hun redeneringen en die probeerde hij dan weg te werken; maar hij luisterde wel.

Ik schrijf onbewust in de verleden tijd. Hij leeft nog, maakt u zich geen zorgen, maar het is toch niet meer hetzelfde, en het zal allicht ook niet meer beter worden.

Natuurlijk is dat allemaal niet weg, maar het leeft alleen nog in de herinnering. De herinnering van een bevlogen, gepassioneerd politiek beest, met wie je uren dagen kon doorbomen over een onderwerp, onder het genot van bier of wijn.

Het mannetje dat bij mijn moeder in de zetel zit, is slechts bij momenten mijn papa.

Als het over zijn ploeg gaat, en mijn ploeg, Anderlecht, en hoe die stuntelen. Het verbindt ons. Als het over politiek gaat, ook al hebben we dezelfde politieke voorkeur niet. Als ik iets stom zeg, Als ik vertel over mijn zoon, en hoe die worstelt met teksten van Durkheim en ze niet echt begrijpt. Dan zie ik zijn ogen ineens weer helder worden, en dan is er dat opstandige… Het onbegrip van een man die er alles heeft moeten voor doen om een universitair diploma te halen, die een onwrikbaar geloof had in de maakbaarheid van de mens. Ik hoor het hem zeggen : ‘dan moet hij maar wat meer lezen!’.

Maar hij zegt het niet, hij kijkt wat voor zich uit, en vraagt om nog een kop koffie.

Zijn strijd is gestreden, zijn leven geleefd. Ik vraag me af hoe dat moet voelen, opgeven. Zit er nog evenveel vuur in zijn hoofd, in zijn redeneringen? Laat hij het passeren omdat het luisteren voorbij is? Omdat het spreken geen zin heeft? Of wacht hij gewoon tot het over is?

Mijn papa is een schone mens, en ik mis hem bij de levenden.

Oude liefde

Ik zat tegenover hen, wat te schrijven en te prullen. Ze zaten naast elkaar. In’t café. Een beetje zorgelijk. Mooi opgekleed, ’t was tenslotte jaarmarkt, en iedereen liep rond in het dorp, dus ze konden niet achterblijven, ze moesten laten zien dat ze nog meekonden, dat ze er waren.

Ze zeiden niet zo heel veel, maar dat stoorde ze kennelijk niet. Ik vermoed dat er in elke relatie wel een moment komt dat je niet meer zoveel hoeft te zeggen, dat alles al wat gezegd is.  Ze plukte een pluisje van zijn cardigan, hij merkte het niet op, en ze keek liefdevol bezorgd naar hem op. Tenminste, zo kwam het bij mij over, want dat willen we graag zien.

De kermiskoers passeerde en hij keek reikhalzend, en met vurige blik naar de passage. ‘Ik kon vroeger met de beste mee, maar ja, den tikker, ’t is allemaal de moeite waard niet om er zottigheid mee op uwen nek te halen!’. Hij sprak het uit, niet naar iemand in het bijzonder, maar alsof hij mij wou uitleggen dat er onder die gebogen figuur nog steeds een atleten hart klopte.

Het oude vrouwtje keek hem ernstig aan, maar zei niets.  Ze wenkte de kelner en bestelde een koffie. Hij ging voor een Rodenbachske. Ze zwegen weer.  Ik bedacht me dat het wel iets heeft, zo samen oud worden. Maar niet voor iedereen.

‘Twee Rodenbachs man, elke zondag! De rest van de week kom ik aan geen druppel alcohol aan. En om 10u in bed! Dan kunt ge oud worden!’ Weer verwachtte hij geen antwoord, het was een mededeling, zonder meer. Ik kon er mijn voordeel mee doen, als ik dat wou.  Ik heb er ook geen mening over. Vrijheid blijheid, 2, 20, whatever.

Hij vertrok naar toilet, en het breekbare vrouwtje aan de andere kant van de tafel keek me monsterend aan.

‘Twee Rodenbachs… altijd weer twee Rodenbachs,  en dan gaan pissen. Zot word ik er van. Ik heb niks tegen hem te zeggen. Al lang niet meer. Zijn verhaalkes zijn op. Mijnen eerste man, die mis ik! Daarmee kon ik uren aan de zwier. Na dertig jaar getrouwd hadden we nooit verhaalkes te kort, en we dronken en we lachten, misschien te veel, dat zal dan wel, hij is er tenslotte aan gestorven, maar ’t was tenminste plezant. We leefden.’

‘Den deze,… Ja, ik ga er oud mee worden, en heel snel!’   Ze dronk haar koffie leeg, gaf hem zijn jas aan en ze vertrokken… Gevangen in haar eenzaamheid.

 

 

 

Help, ongeneeslijk zieke kinderen…

Pas vandaag is het  echt doorgedrongen… Mijn kinderen, alle vier, ernstig ziek. Een bijzonder mysterieuze ziekte, vandaar ook dit schrijven, een oproep naar andere ouders, misschien hebben jullie er ook ervaring mee, en hebben jullie wel aangepaste medische oplossingen kunnen vinden. Alle hulp is welkom.

Het ziektebeeld laat zich éénvoudig samenvatten : spieratrofie, partieel geheugenverlies, aandoening van centraalzenuwstelsel waardoor de oog-hand coördinatie faalt, dit alles gecombineerd met selectief chronisch vermoeidheidssyndroom. Niet om te lachen dus, en wellicht helpt een betere omschrijving van de symptomen om mij in de richting van een oplossing te sturen. Het is echt dringend, dus wie kan helpen…

Spieratrofie: de spierkracht van mijn kinderen is beperkt in tijd, het lukt soms nog net om bijvoorbeeld iets op de vaatwasser te plaatsen, maar de extra inspanning om dat er in te zetten, dat wil niet altijd meer lukken. De deur is te zwaar! Het is alsof er maar zoveel kan binnen een bepaalde tijd.

Hetzelfde gebeurt met WC rolletjes. Allicht heeft dat er mee te maken dat alle zuurstofrijk bloed zich dan ter hoogte van de sluitspier verzameld heeft, want de volledige handeling volmaken lukt niet. Vegen gaat hopelijk nog net, maar dat lege rolletje, dat belandt wel op de grond, of soms zelfs in een bakje, maar dan is het ook echt op. De puf om een nieuwe rol (dat gewicht ook!) op de houder te steken, neen, dat gaat niet. U begrijpt dat het als ouder, iedere keer weer als een dolksteek door het hart gaat om je kind te zien lijden. Ze proberen iets te eten, de wikkel valt op de grond, en de pijnscheut in hun ogen verraadt dat ze wel willen bukken om het op te rapen, maar dat het éénvoudigweg fysiek niet mogelijk is. Ik heb echt medelijden, ik wil een oplossing.

Coördinatiestoringen: allicht is het ook door die spieratrofie dat de rest moeilijker wordt. Neen, ik heb het niet over handdoeken of kleren op de grond, dat is normaal bij kinderen en adolescenten.
Ik heb het over simpele dingen, zoals het inschenken van cola, wat niet meer zonder morsen kan. U kunt zich dat ook niet voorstellen hoezeer ze daar zelf onder lijden, messen met choco die op het aanrecht vallen, en waarvoor ze niet meer de kracht hebben om die terug los te trekken.

Ik kan wel huilen bij zoveel ellende, ik had ze dit zo graag bespaard… Wij kunnen ons niet voorstellen hoe pijnlijk het moet zijn om het stuk hout, waar eens een magnum rond hing, niet meer te kunnen tillen, en dat dan uit eerlijke schaamte tussen de zetelkussens te moeten proppen. Die vernedering, het niet meer in staat zijn tot elementaire hygienische leefregels, verschrikkelijk uitputtend, voor mijn bloedjes.

Amnesie: Het moet een hel zijn om als jonge adolescent rond te waren in een huis dat je van a tot z kent, en toch telkens weer te moeten vragen ‘waar staat/ligt dat?’. Gewoon omdat het geheugen niet meewil. Ik heb het over alledaagse gebruiksvoorwerpen hè, stofzuigers, bezems, leibanden, ja, soms zelfs gewoon borden en bestek.

Schrijnend hoe ze dan in zo’n keuken staan, overmand door onbeholpenheid, en zoekend, tergend langzaam zoekend, niet geholpen door enige vorm van logica, maar echt klutsverloren. Beetje ouder huilt dan, bij zoveel ellende.

Ik denk ook dat hun spraakvermogen soms aangetast wordt door datzelfde fenomeen, maar daar wil ik nog niet op vooruitlopen, zolang we maar liefdevol kunnen communiceren, al is’t met gebaren, is er op dat vlak nog veel mogelijk. En ’t blijven tenslotte je kinderen. Of ze nu al dan niet medeklinkers kunnen uitspreken, ik wil daar niet moeilijk over doen, als ze maar eerst genezen voor het overige.

CVS : En dan dat CVS, dat toch ook de kop opsteekt, zij het dan cyclisch. Nooit op avonden in het weekend, altijd op voormiddagen in het weekend. Quasi nooit tijdens uithuizige vakanties, altijd tijdens de schooldagen. Hoe kunnen die jonge mensen nu toch ooit tot een fatsoenlijk leven komen, zoveel handicaps, op weg naar succes?

Echt waar, alle hulp is welkom. Want de goede wil is er, ze komen thuis en gaan echt vol moed voor hun pc zitten, een beetje proberen te volgen wat er bij de vrienden aan de hand is, maar dan onherroepelijk, slaat de vermoeidheid toe, ze moeten gaan liggen. Godzijdank hebben ze nu allemaal een laptop, zodat ze die kunnen blijven hanteren als ze plat gaan, maar ik houd mijn hart vast als die spierziekte ook hun vingertoppen bereikt, wat gaan we dan moeten uitvinden?

Mensen die bij hun kinderen of kennissen hetzelfde hebben ondervonden, alsjeblieft, laat mij iets weten, het zou erg veel voor me betekenen…

Onder de deur

Schrijven is zalig… schrijven in een klooster, dat geeft je geen excuses meer. Er is allicht niet veel meer te doen. Schrijven met een vriend in een klooster, naar elkaar, ik wou dat ik er bij was geweest. Ik heb het helaas alleen mogen lezen, als manuscript, van een slimmer mens, die al eerder de behoefte voelde om dat te doen. Wie dus nu een klassiek Guido stukje verwacht, mag stoppen met lezen, ’t wordt een boekbespreking…. Neen, ik schrijf geen boekbesprekingen, ’t is gewoon een reflectie op wat ik aangeboden kreeg om te lezen.

Het is een experiment, en het doet vooral zin krijgen naar meer. Voor mensen die graag schrijven, en nadenken, over geloof, over leven, over echte mensen. Ondanks mijn bij momenten bijna niet te overtreffen oppervlakkigheid ben ik zo iemand. Geloof, daar heb ik me van losgerukt, zonder de zin voor spiritualiteit te verliezen. Mensen, daar ben ik blijven in geloven, ondanks de ontgoochelingen. Het leven, ik heb het gevierd, ik vier het nog steeds, en ik geniet er dagelijks van, hoe mijn kinderen de gretigheid over nemen.

In die zin is het een feest om in een betrekkelijke teruggetrokkenheid te kunnen nadenken over wat ons mens maakt tussen de mensen. Een zeldzaam privilege ook, om dat met vrienden, telkens opnieuw in een andere omgeving, en telkens opnieuw vanuit een blanco blad te kunnen ontdekken. Ik wou dat ik er bij geweest was. Quod non.

Wat blijft, is de neerslag van hoe anderen het er van af brachten. Bij momenten is dat mooi, en schrijnend, maar overheersend is in mijn gevoel, het idee van… had er mij toch maar bij gepakt, ik heb er zoveel meer over te zeggen, ik denk er zoveel langer over na… Hubris. U kent dat.

Het is niet eenvoudig om jezelf bloot te geven in een brievenboek, je weet immers dat de andere je leest, en beoordeelt vanuit een soortement feitelijkheid, een soort voorafbepaalde inkleuring van verwachtingen. Dat kan meevallen en tegenvallen.

In die zin is het boek een mooi schakerend beeld van ‘mannen in de kering’, die voluit in het leven staan en bij momenten er in slagen te verwoorden wat hen bezig houdt, en wat hen bang maakt. Maar ook wat hen troost geeft. Of dat nu in lijstjes gebeurt of in nauwelijks verholen bedes, doet niet ter zake, het feit dat ze’t proberen telt.

Dat is ook de reden waarom ik op mijn honger blijf. van sommigen wil ik meer weten, bij anderen interesseert het mij van meet af geen ene moer, omdat hun inzichten de mijne niet zijn,  soms wegens te oppervlakkig, soms wegens niet juist verwoord. Maar zelfs dat is confronterend en doet nadenken.

Dat is een mérite, en tegelijk ook een probleem. Moet het een boek worden, en voor wie? Wie er in geïnteresseerd is, staat er soms ook al verder in. Misschien is een Wim Kayzer-approach (Het Onderhoud) veel boeiender. Doorbomen, uitbenen, fileren, en tot de essentie komen.

Dat, veeleer dan om de zoveel weken proberen tot de essentie te komen met iemand anders. Maar dat is mijn mening…

Ik kan het overigens iedereen aanraden, om het boek eens te lezen. Al was het maar om stilte en reflectiemomenten bij jezelf op te zoeken.

http://www.onderdedeur.be./

Waarom kleine meisjes toch best zelf hun kamer opruimen

Afgelopen weekend was het weer zover. Oogappel nummer 4 kwam slapen. ‘En of het lief mocht blijven ook?’. Ik kan mijn dochters niets weigeren. Ik kan ze niet alles bieden, maar ik kan ze alleszins niets weigeren. Ook dit niet.

Liefst van al zou ik dat joeng (haar lief) onder de zoden schoffelen, maffiagewijs een paar betonnen laarsjes aanmeten en wat laten zwemmen in de Leie, iets onbestemd met naalden, donkere kelders en niet nader bepaalde geslachtsdelen doen, maar ik ben een moderne papa, en dus antwoord ik ‘ja schat, uiteraard, geen enkel probleem, dat hoef je toch niet te vragen…’ En inwendig sterf ik.

Begrijp me niet verkeerd, het joeng in kwestie is meer dan ok, hij kan er ook niets aan doen. Ik vind hem zelfs buitengewoon meevallen. Hij denkt na, is niet te brallerig, is lief voor haar en hij blijft van mijn whisky. Het is niet persoonlijk, it’s business, ze moeten met hun fikken van mijn meisjes blijven.

Ik wil ze liefst van nu tot haar dertigste in een klooster en dan met  2,4 onbevlekte ontvangenen ergens in een ‘doorzonwoning’ installeren, met een vent die heel hard werkt om haar vakanties en schoenen te betalen. De megahit van wijlen André Hazes indachtig vraag ik dat ze haar alles zouden geven en dan nog wat. Uiteraard is dit allemaal niet waar, maar toch, ik ben niet te beroerd om het toe te geven, het knaagt. En ik wil het niet weten.

Omdat ik weet wat het is. Toen ik vroeger thuis kwam met een meisje zei mijn vader ‘niet onder mijn dak’, en dat was finaal. Wij zeggen dat niet meer, want we zijn modern, maar we – of ik althans – hebben ook een bijzonder levendige fantasie, gevoed door eigen ervaringen, fantasmes en porno op het internet.  Nu weet ik wel zeker dat ik de aandacht heb.

Wat is namelijk het verband met de titel? Na het weekend is mijn huis een stal, een puinhoop, een zompig puberaal liefdesnest. Althans, zo komt het bij mij over. Ik doe even de toer met u. Wat te denken?

Over twee badkamers en één slaapkamer verspreid liggen een 30tal handdoeken, in diverse stadia van kleffe vochtigheid. Neen, ik overdrijf dat getal niet, en ik wil niet weten waarvan die handdoeken getuige zijn geweest. Van vrijdagavond tot zondagmiddag zijn er een kleine 200 waxinelichtjes opgebruikt, grosso modo te verdelen over dezelfde locaties + het salon. Her en der in het huis, maar geconcentreerd over voornoemde plekken vind ik kleenex doekjes, ondergoed, waarvan ik niet weet bij wie het behoort (zonder te impliceren dat die jongen strings draagt, maar mijn dochter draagt bijvoorbeeld ook boxers, dus dit is à décharge te noteren), uiercreme, bodymilk, etc, etc..

Ik zal u even vertellen wat dat met mijn hoofd doet. Ik denk dan dat er tijdens mijn afwezigheid één langerekt sexfeest aan de gang geweest is, waarbij het frêle, kwetsbare lichaam van mijn ooogappeltje onderworpen werd aan de meest perverse en schaamteloze handelingen, gewoon om dat joeng zijn genot te geven!!

Het is al erg genoeg dat ik dat sowieso denk, zonder dat ik ook nog eens moet geconfronteerd worden met de materiële bewijslast. Mijn ‘sympathie-coëfficient’ voor jonge lieven wordt er niet hoger op! En daarom, lieve dochters en meisjes overal te lande: kuis uw nest op, laat geen sporen na van jullie (vermeende)ontucht, of alle papa’s en sommige mama’s zullen komaf maken met die geilberen van jullie. Gemeend!

Het kan natuurlijk ook zijn dat ze gewoon wat slordig is, zoals de meeste meisjes van die leeftijd, en dat de elektriciteit uitgevallen is dat weekend, en dat ze zoals mijn andere dochters gewoon wat kusjes stal van dat sympathieke skaterkereltje.

Ik denk ook dat het zoiets was hoor, ze is tenslotte nog maar 17, wat kan er gebeuren?

Fantasmes in het herentoilet

Tieten-dispenser

Het zal wel aan mij liggen. Een soort diepgewortelde anaal-retentieve fixatie, een overdreven belang voor het toilet. Maar u maakt me niet wijs dat het u nog niet is opgevallen.  Nieuw concept in het ‘papiergebeuren’. De Lotustiet-dispenser.  We hebben al ongeveer alles gehad. Het Unigro-boek aan het touwtje, de krant, het zuinige schuurpapieren rolletje, en de varianten daarop.  Altijd opnieuw met die twee verkeerd geboorde gaatjes, allerschattigst. Toen werd het leuk, in het kader van de productiviteit (welke productiviteit) kwam achtereenvolgens het karrenwiel en de duoslider, waarbij twee rollen alternerend konden gebruikt worden.

Ik wil het hier niet hebben over de ergonomische plaatsing van die dingen, meestal sloeg het nergens op en haalde je je geheid een ontwrichte schouder, alleen over de hardnekkigheid waarmee product-developers meenden te moeten sleutelen aan een utilitaire installatie die eigenlijk al stond als een huis. Het rolleke! En ja, sinds kort mag je dat kreng ook gewoon in de pot dumpen wegens oplosbaar.

Maar de stijlguru’s bij Lotus vonden het blijkbaar nog niet ver genoeg gaan. Daarom kwamen ze op de proppen met bovengetoond ‘ding’. Ik heb echt geen andere naam.  Ben ik dan de enige? Madonna-tieten, jaren ’90, met wc-papier als tepelkwastjes?

Is dit de ultieme gamification? Maken we een spelletje van het grotere toiletgebeuren?  Een combinatie van utilitaire handelingen.. fantaseert u lekker weg op de vorm en de herinneringen? Ik mag hopen van niet.

En dan de ‘dispenser-filosofie’. Er zijn van die wc-papier toestanden waar je velletje per velletje mag gebruiken. Ik weiger categoriek om daar in mee te gaan. Ik wil kunnen rollen en proppen zoals het mij belieft. Boekhoudkundig velletjes stapelen tot ik er statistisch gezien geen risico’s mee loop, dat is aan mij niet besteed. Liever smossen dan kansrekenen.

Bij de nieuwe Lotus dispenser trek je dus ook velletje per velletje uit de tepelhof. Een draak is het. Moet je eerst nog een keer je wc-papier gladstrijken en ordenen voor je tot de daad overgaat. Ik dacht het volstrekt niet.

Wat mij betreft, afvoeren die handel, tenzij ik iets over het hoofd heb gezien.

Ik hou van mannen, vooral als het jongens blijven

Ik heb het er nog niet over gehad. Omdat het nogal veel pijn doet.

Een maand geleden heb ik meegedaan aan de dodentocht in Bornem. 100 km wandelen/stappen en je krijgt er 24u voor. In principe geen probleem. Maar ik heb jammerlijk gefaald. Opgegeven in de helft.

Er zijn verzachtende omstandigheden, die zijn er altijd, maar daar gaat het niet over. Het resultaat is dat ik het niet gehaald heb. Ik kan hier oeverloos blijven mompelen over te dikke kousen, en daardoor al vanaf km 2 problemen met mijn tenen. Ik zou uren kunnen vertellen over mijn rugzak, die ik normaal nooit gebruik als ik tochten doe, en waar voor deze keer twee boeken, twee kledingsetjes, voedsel voor een week en een hele veldapotheek inzat, maar dat ga ik niet doen. Ik ga me ook niet verschuilen achter mijn competitiedrift, waardoor ik van bij aanvang met de betere meestapte, om al na 30 km te merken dat ik mezelf overschat had. Het is immers in mijn hoofd dat de hubris ontstond om te denken dat ik er al rond 15u zou zijn.  Op basis van de eerste 50km zou dat ook een realiteit geweest zijn.  Ik wil het ook niet verder hebben over mijn persoonlijke Deus ex Machina, de K-woman die mij om 7u ’s ochtends in Steenhuffel kwam trakteren op een koffietje, waardoor ik finaal verkoos om de rest van de dag in andere oorden door te brengen.  U, mijn beste lezer, bent niet gediend van voorwaardelijke wijzes en excuses. Ik bespaar ze u dus… uit respect! U zal me er niet meer over horen, maar volgend jaar sta ik er weer! en kom ik aan! Binnen de tijd! Ruim binnen de tijd…

Eén van de mooiste herinneringen heb ik overgehouden aan dat uurtje voor de start. Cool, calm and composed, zat ik in een plaatselijke afspanning een boek te lezen, doordrongen als ik was van het besef dat ik een wereldprestatie, nooit gezien in de geschiedenis van de dodentocht, zou neerzetten.  Naast mij streken 6 rumoerige scoutsleiders/jeugdclubtyconen neer, die met veel misbaar zware Duvels bestelden en met die kenschetsende brallerige humor, eigen aan onzekere mannen/jongens, hun demonen probeerden te bezweren.  Er was leute, er was lawaai, er waren boude uitspraken en grappige opmerkingen, er werden foto’s genomen van de helden, de gladiatoren. Allen voor de eerste keer aan de start, maar de jeugd heeft de toekomst. Ze gingen dit varkentje wel eens even wassen.

Ik ging naar toilet en kruiste daar één van de knapen. Hij bekeek zijn wilde haardos in de spiegel en sprak de welhaast profetische woorden ‘Joenge, joenge, zijde gij oek zoe zenuwachtig? Ik schet bekanst in man broek van de zeene! Kgon dat verleves nie kunne, en ze gon ma eutlache, doemme toch!’  Je kunt daar niets aan toevoegen, dat hoeft ook niet. ik lachte even, en zei dat het voor iedereen even ver is. De ‘schoon weer vandaag’ cliché voor sportmanifestaties.

Ik ging weer naar mijn tafeltje. Hij ook, en niets verried dat hij blij was dat hij zijn hart even had kunnen luchten. Het was weer de luidste braller van toen net. Zo hoort het.  Dat soort kwetsbaarheid is niet voor de vrienden, en toch weer wel. ik ben er zeker van dat ze allen, wij allen met dezelfde twijfels en stress zaten, en dat we ons groot hielden door stoer gedrag.

En het mooiste van al. Dertig kilometer later hoorde ik er toevallig één bellen naar het thuisfront. ‘Met mij gaat het nog, maar de Jerre heeft een probleem. Allez, ’t is te zeggen, t heeft niets met zijn conditie of zo te maken, maar hij gaat het waarschijnlijk niet kunnen uitlopen, iets met zijne knie…’ Schoon, heel schoon!

Dat is het toch? Echte vrienden zullen het eventuele falen van één der kameraden toedekken, afschermen en begrijpen. Ze zijn opgelucht dat het hun niet overkomt, maar ze zullen op zo’n moment nooit de draak steken met die onfortuinlijke. Daarvoor zijn we maten, voor ’t leven.

En nadien, in de warme geborgenheid van het dorpscafé zullen er stoere indianenverhalen verteld worden over lijden, afzien en heroïek, maar nooit zal die ene te kakken gezet worden. Hij maakt deel uit van het genootschap dat er was.

What happened in Bornem stayed In Bornem. Helden worden niet verguisd.

Open brief, aan Peter Goossens. (concept schijnt te werken)

Beste Peter,

wij kennen elkaar helemaal niet, maar toch permitteer ik me dit schrijven. Waarom? U als keizer van Kruishoutem en de wijde omtrek, predikant van de goede smaak, de verfijning en het métier, u moet ik hebben.

Het einde is namelijk nabij. Ik was  dit weekend op zoek naar pretentieloze witte wijn. U kent dat wel, simpele vereisten:  geen koppijn, het mag een schroefdop zijn, en het hoeft niet meteen zo’n fles te zijn waar je eerst devoot moet voor gaan zitten. Het soort wijn dat in uw etablissement allicht niet al te veel geschonken wordt, maar waar Jan Modaal wel pap van lust.

En toen grijnsde u mij toe, vanop het winkelrek bij de Carrefour.

Ik dacht even dat het uw broer was, Piet – wat hebben we geleerd – Huysentruyt, die het met de kruidenpotjes en de mixes doet, maar neen, u was het zelf. Erudiet door uw nieuw hoornen bril kijkend, een heerser!

Witte wijn, van Peter Goossens? Neen, gewoon, witte wijn-Peter Goossens. Gele en groene. Zo rond de 7 euro, gesponsord door  Njam (een kookkanaal dat niet te beroerd is om ook de betere kleffe happen advertentieruimte aan te bieden).

Ik weet het niet, Peter. Ik weet het echt niet. Wat ik nu het ergste vond? Er is zoveel mis aan dit verhaal. Ik weet niet waar te beginnen.

Het etiket, is van een smakeloosheid, en slecht design, het is niet te schatten. Moest u daar nu werkelijk voluit frontaal gaan bijstaan? Ik weet het, u bent een knappe, succesvolle man, maar is de egonood werkelijk zo hoog dat het met een prentje moest? En kunt misschien ook eens tegen uw designer zeggen dat witte letters op gele achtergrond niet echt leesbevorderend werkt?

En dan zijn we er nog niet. Achterop het massaproduct geeft u ons even aan waar en wanneer we wat moeten drinken. Als ik het goed begrepen heb, is er naast de witte wijn, ook nog eens rode wijn, telkens twee varieteiten. Blij dat u ons dat even toelicht, echt waar.  Weer iets geleerd. Over die wijn wordt verder niet veel meer gezegd dan dat het Italiaanse is van 13,5% alcohol.

Gaan we het zo spelen, Peter? Omdat u het beter weet, en wij daar eigenlijk toch allemaal geen zak meer van afweten? Weg met de druif, weg met het verkeerde snobisme van die wijnprententieuzen, wij krijgen vanaf nu witte of rode wijn, en we mogen kiezen of hij jong en fruitig is of iets anders.  Het valt te verdedigen hoor, daar niet van. U kunt ons de bek toespijkeren en zeggen dat we er toch niks van kennen en zo, en dat u garant staat voor een lekkere wijn. Maar ’t is wel betuttelend hè?

Peter toch, hebben we dan niet beter verdiend? Is het ook wijn die zal fonkelen in de glazen van uw restaurant? Denkt u dat uw klanten hem met graagte zullen bestellen, ten nadele van de Petrusjes en hun quasi gelijken? U die zo een voorvechter was van de mooie producten en hun afkomst, en het respect dat we moeten hebben, u smijt hier iets banaal op de markt, in de naam van het grote en waarschijnlijk snelle geldgewin. Van uw verse bereide schoteltjes kon ik het nog een beetje begrijpen, de uitdaging om terug smaak in eten te brengen. Van uw Westvlaamse spitsbroeder kon ik het hoereren met kruidenmixen ook nog begrijpen, maar u?

Peter, die fles, dat concept, het is een draak! Als ik denk aan wat ik er voor betaald heb, en waar ik dat gedaan heb, en wie er allemaal in dat project meespeelt, dan kan ik me niet voorstellen dat het om een nobel product gaat. Wie gaat het volgens u drinken? De unserved audience die geen wijn drinkt? Het ‘VT4/komen/eten’ publiek? Uw klanten? De Betere WijnKenner, die hier als nuttige info meekrijgt dat het om italiaanse wijn van 13,5° gaat?

Peter, je kunt niet prediken over kwaliteit en respect voor producten enerzijds en anderzijds op deze manier wat centen proberen mee te graaien. Dat heb je toch niet nodig?

Tenzij het iets is voor foodies natuurlijk, die in hun eenzaamheid steun krijgen van een streng kijkende Peter, terwijl ze zich wagen aan culinaire experimentjes. Peter ziet u, hier knoeit men niet. Dat kan ook…