Tante Madeleine

 

Nu begrijp ik mijn oude ‘tante Madeleine’ veel beter. Stil en genietend zat ze op een stoel en keek naar het gewemel om haar heen op familiefeestjes. Ze zei zelf niet veel, maar ze keek, en ze babbelde even als ze werd aangesproken. Ze wilde het voor geen geld missen, ondanks haar ogenschijnlijke passiviteit. Ze was toen al vrij oud Lees verder

Advertenties

Bouletten tot Salou

Een okergele Opel Kadett dus. Dat hadden wij. Voor mijn ouders was hij okerkleurig. De rest van de straat noemde het oranje. Het talent van autoverkopers om de meest afzichtelijke kleuren toch verkocht te krijgen – het is iets fantastisch.

De Kadett werd die avond klaargestoomd voor de jaarlijkse vakantie naar Spanje. Koffers, gevloek, transpiratie. Een beroerd moment voor mijn vader. Het zou nog erger worden. Mijn moeder in de keuken. Wij fris gewassen in pyjama op de bank, voor tv.

Om de 1.600 km te overbruggen zou er immers om 4 uur ’s ochtends vertrokken worden. Parijs-en-de-ring, weet u wel. Daar moest je niet tijdens het spitsuur komen aanrijden, of je kwam nooit meer terug. Onze bedden waren voorzien van verse lakens, want het huis was volledig gepoetst. Voor de dieven, als we weg waren. Geweldig aangenaam gevoel, als kind. Het resultaat van opvoeding: alles was minder erg dan een niet zo proper huis. Want er moest maar eens wat gebeuren. Propere zakdoeken, propere kousen en een propere onderbroek. Je weet nooit waar je terechtkomt en je kleren moet uitdoen.

Maar het mooiste, en het lekkerste, dat was de reisvoorbereiding van mijn mama. Wij hadden een erg mannelijk gezin. Papa, mijn twee broers en ik. En bij zo’n reis, met zijn onverwachte gevaren, daar mocht je niets aan het toeval overlaten. Dus ging er proviand mee. Massa’s, en altijd hetzelfde. Tot enthousiasme van de venten aan boord.

Nooit, maar dan ook nooit, zijn wij de grens overgetrokken zonder een fikse dosis bouletten, in een grote Tupperware doos. Koude bouletten en vreemde reizen: het zijn mijn persoonlijke madeleines.

Met bouletten alleen zouden we het niet halen, oordeelde mijn mama. Dus ging er verder ook een haast industriële hoeveelheid hardgekookte eieren mee. Met wat zout gaat dat er altijd in. Koude kip en broodjes met kaas en ham en uiteraard ook met omelet vervolledigden het assortiment. Genoeg om de Pyreneeën over te geraken.

En dan grote thermossen koffie, familieflessen water en cola. En zure bollen! Napoleon en de blauwe muntjes van Trefin. Nooit enige marge voor variatie. Op weg naar de zon!

Nooit zal ik die eerste keer vergeten. Met sneeuw in maart vertrekken, in de volledig volgestouwde oranje auto. Sneeuw op de ring rond Parijs – de verschrikking. De zorgvuldig voorbereide timing kwam in het gedrang. De Porte d’Italie, Kaap de Goede Hoop van automobilisten in den vreemde, werd met veel stress en zenuwen gerond. Een uur vertraging op het schema.

Sneeuwregen op de Autoroute du Soleil. Vader die lichtjes kribbig werd; hij wou naar de zon. ‘Voorbij Lyon zal de zon wel schijnen’, temidden van de links en rechts schuivende vrachtwagens. Lyon kwam, de regen en de grijsheid bleven. Alsof het Lille was en het maar niet opschoot.

Bouletten werden uit verveling naar binnen geslagen. De gezinsfles “4711” werd bovengehaald om de ruftende en licht onpasselijk wordende meute op de achterbank min of meer gezond te houden.

Onderdak zoeken in Perpignan, na de zoveelste verkeerde afrit. In de gietende regen. Het humeur van de ouders dat niets, maar dan ook niets bijdroeg tot een hogere gevoelstemperatuur. Want natuurlijk was er van alles fout gelopen met het kaartlezen.

Avondeten in de ‘Auberge Saint Christophe’ – patroonheilige van de reizigers. En kletterende regen op de ramen, zo vlak bij de Spaanse grens. Mijn vader met een humeur dat nooit eerder zo diep was gezakt. Slapen in mineur.

En dan die onvergetelijke ochtend. Stralend blauwe hemel. Papa, met melkwitte benen in zwembroek, op het terras. Het hotelpersoneel wijst hem erop dat het in april nog te koud is om het zwembad al in gebruik te nemen. Weer een droom aan diggelen. Geen nood, vanavond zijn we in het beloofde land. Sangria, bocadillo calientes, en meer van dat fraais...

Het okeren gedrocht staat ons op te wachten. De geur van koude gehaktballen walmt ons tegemoet. Heerlijk!

De zomers uit mijn jeugd

 

“Kijk, kijk, onze Guido speelt mee in de film”. Het is de kreet die menig gezellige namiddag voor mij totaal om zeep heeft geholpen. Ik was de middelste van drie broers en overduidelijk het kneusje. Brilletje, afgebroken voortand, beetje bleekjes en slim op school. De tijd van de polyester sous-pulls die gedragen werden onder afzichtelijke geblokte hemdjes, en ribfluwelen broeken. In mijn geval ook nog eens bijeengehouden door een veel te zware broeksriem wegens extreem mager… ja, ’t kan verkeren.

Het was mijn jeugd. Een jeugd waarin – naar huidige normen – onwaarschijnlijk veel kon. Een jeugd die gekleurd werd door veel uitstapjes. Wij gingen nog naar Wallonië, stelt u zich voor!  Naar het Hellend vlak van Ronquieres kijken. En de watervallen van Coo. Maar evengoed waren er heerlijke weken waarbij we thuisbleven. Het leek altijd mooi weer en er was “de Ronde van Frankrijk” op televisie. En ‘s avonds werden de etappes, resultaten en incidenten nog eens uitgebreid en lyrisch beschreven in ‘Het Volkske’ dat fluitend verdeeld werd.

Een zorgeloze, onbezonnen tijd, vrij van dreiging en gevaar. Er moet ooit een woord voor uitgevonden worden, zeker in België: het pre-pre-Dutroux tijdperk. Waarbij je lange zomers lang door de straten kon zwerven, met vrienden en zelf geknutselde lunchpakketjes. Er waren geen GAS-toestanden. Als je fruit van een boer pikte – wat we deden – dan moest je gewoon wat harder kunnen rennen. De boer kende je ouders. Ze maalden er niet om. Bij de volgende buurtkermis werd er gewoon een rondje gegeven. Gezond verstand, het is toch iets waard.

Er was al kleuren-tv, zelfs afstandsbediening en we konden zeker 8 tot 16 ‘posten’ pakken, ook Brussel Frans, of Rijsel. Er waren onschuldige, leuke familiefeuilletons. The Waltons, Happy Days, noem maar op. Heel dikwijls ook van die oude films, waarin je groepjes jongens schelmenstreken zag uithalen. Onveranderlijk was daar ook wel een nerdje bij. Al moest het woord nog uitgevonden. Mijn familie vond het vermakelijk om mij dan in koor een beetje uit te lachen. Wij waren warm en hecht, maar dat uitlachen, dat hoorde er gewoon bij. .

Nu nog heb ik er last van. Ik zie een film, ik zie een groepje, waarbij uiteraard ook wel wat aan typecasting gedaan werd… en hopla, ik word teruggeworpen in de tijd. Ik heb er geen blijvend trauma aan over gehouden, en ook geen extreme geldingsdrang, en ik denk met veel warmte aan die zorgeloze tijd terug.

Met mij is het ook allemaal goed gekomen – tenminste, relatief goed.

Geniet van de zomer, uw kinderen en hun kattekwaad, en de koers.

Vroenkel of Plus papa?

pluspapa of vroenkel

De Vroenkel

Heel af en toe krijg ik het op mijn heupen van de drang naar nieuwlichterij. Zeker als het gaat over de noodzaak om de dingen te benoemen. Dingen waar ik niet meteen de meerwaarde van inzie, en waarvan ik hoop dat ze nooit ofte nimmer voor mij zullen worden gebruikt.

‘Plus-papa’ is er zo één.  Een ‘plus papa’… Het zal toch niet waar zijn zeker? Qua jeukwoord  kan het tellen?

Je ziet hem zo voor je. Een pluizig sikje, een bloemenschort aan, terwijl hij taartjes bakt en ondertussen houdt hij zijn testikels ergens in de linkerhand vast, afgesneden en wel, zielig en opgedroogd, gepresenteerd aan de goegemeente.

De ‘plus papa’ is geen echte papa, maar is de nieuwe lieve vriend van de mama… En hij moet zo nodig een naam krijgen. Hij moet gewaardeerd worden in zijn functie, als babysit-plus.

Misschien is het wel weer kort door de bocht. Maar toch. Kinderen hebben een mama en een papa. Families scheiden, de mama’s en de papa’s blijven. Nieuwe vrienden en vriendinnen, levensgezellen, ‘compagnons de route’, partners, of hoe je ’t ook wil noemen, komen erbij. Die hebben een voornaam. Is het dan zo moeilijk om die voornaam te gebruiken? Of werkt dat traumatisch op de kinderziel? Of is het misschien minder waarderend voor de nieuwe partner?  En wat als de nieuwe partner ook met de noorderzon verdwijnt? Wordt het dan ineens een min-papa, of verandert zijn status dan naar plus-nonkel?

Het is goed dat aandoeningen en ziektebeelden een naam krijgen, dat verduidelijkt. Dat een lastig kind nu een leerstoornis of iets dergelijks kan inroepen, dat is vooruitgang. Daar heb je ook iets aan, omdat je er rekening mee kunt houden. Niets op tegen, integendeel zelfs. Maar ‘pluspapa’, dat wil je toch van je leven niet worden? Een soort annex van the real thing, een triestig surrogaat titeltje.

Ik zie hem zo achter de mama aansjokken, met de boodschappen. De pluspapa is een echte hulp in het gezin. Het is geen vent, hij kapt geen hout en/of slacht geen beesten. Hij is maar een plusje in het huishouden…

Neen geef mij dan maar de Clement Peerens benadering, hij was ‘ne vroenkel’… de samensmelting van vriend en nonkel.

Schuld en verwarring

André Everaert (1933-2014)

André Everaert (1933-2014)

Ik mag misbruik van u maken. U leest mij, u kent mij onderhand beter dan ik mezelf meen te kennen. Dus mag ik even op u leunen. Zo gaat dat, in mijn kop.

Ik heb het even moeilijk. Verwarring is mijn deel. Ik moet er wat uit gulpen. Lees verder

T verval

Foto van @stijnannendijck ooit gebruikt voor #MFL

Foto van @stijnannendijck ooit gebruikt voor #MFL

Ik keek naar zijn handen.  De handen die ik kende. Ik wist hoe ze geurden, in vroegere dagen, naar zeep en sigaretten. Donkere haren op de rug en daartussen die enorme zegelring met monogram.

In niets leken ze nu nog op de handen van mijn vader. Slap, levenloos, bedekt met pigmentvlekken en bloeduitstortingen.  Ze liggen flauw in zijn schoot. Een schoot van kapotte benen. De kamerjas valt open om een incontinentie luier te laten zien. Het kan hem niet meer schelen. Hij heeft pijn. Hij doet niet meer aan trots en zelfrespect. Een zweem van urinegeur. Nooit gedacht dat je daar tranen van in de ogen kunt krijgen. Lees verder

Dochter

ikke bij zonsondergangHeb ik het al eens over mijn kinderen gehad? Heerlijk zijn ze. Allevier.

Over bezorgdheid heb ik het allicht ook al gehad. Bij mijn zoon is die quasi onbestaand. Een kerel, steeds meer uit één stuk. Waar hij zich vroeger al aardig uit de brand redde, doet hij dat tegenwoordig met nog meer verve. Plezier om (helaas) van ver te zien opgroeien. Met alle conflicten, groeischeuten en wat er bij hoort. En ja, het klettert soms tussen hem en mij, omdat dat zo hoort. Soms met achteraf verontschuldigingen van mij, soms komen ze even spontaan van hem.

Maar dan mijn dochters. Daar is dat anders. Ten onrechte blijkt nu, en u kunt niet geloven hoe blij ik daar om ben. De oudste, die van zich afbijt, zich een weg baant en volledig vertrouwend op eigen verstand doet wat ze denkt te moeten doen, en daar wonderwel in slaagt. Haar “oogappelplaats” werd – eens ze vertrok naar verre landen met een schoon lief –  moeiteloos ingenomen door nummer drie, mijn zorgenkind.

Stil, teruggetrokken en mooi. Niet geschikt voor een hard en extravert leven, zo leek het.  Niet bestand tegen harde waarheden. Nochtans een mooi parcours gereden op de humaniora, maar onderhuids kolkte het, wrong het, draaide het tegen. Onzekerheid. Tot plots, na de winter, ook daar het zelfvertrouwen doorbrak. Een heerlijk rucksichtlos wezen is het nu, voluit scheppend van wat er te krijgen en te pakken valt, lachen, scherpe inzichten en zonder reserve smijten in het studentenleven. Van Gent wel te verstaan, dat vindt ze (voorlopig) nog plezanter en gezelliger dan Antwerpen, waar ze studeert. Een feest voor het oog..

Bleef over, oogappeltje vier. Mijn jongste, laatste, lastigste, emotioneel grootste en herkenbare zusterziel. Lastpak. Het hart op de tong, drijvend en kolkend op emotie en boosheid en onvrede. De complete antipool van haar tweelingzus. Waar Marie zwijgt flapt Lise het er uit. Waar de één model-leerling speelt is de andere voluit zichzelf. En toch zorgzaam en sociaal attent. Ze betaalt ook een prijs voor haar impulsiviteit. En net zoals nummer één, weet ze dat ze dat ze daar moet  voor opdraaien en doet ze het.  De verdienste van hun moeder, denk ik dan, die er was als ik er niet was. Die deed wat hoorde en hen een nest en geborgenheid gaf. Een heel klein beetje ook mijn verdienste, vanuit gesprek, verstandhouding en gevoel. Maak ik me wijs.

En dan ineens, op een avond, komt er een mailtje binnengewaaid…

Screen Shot 2013-03-27 at 22.54.14

Ik denk dat je papa of mama moet zijn om het te kunnen appreciëren. Ik moet de mevrouw ook nog persoonlijk bedanken, dat doe ik dan maar zo. En ja, noem mij een oude nicht, maar ik was helemaal ontroerd.  Ik vind het heerlijk dat mensen zich de moeite getroosten om zoiets nog op te schrijven en door te sturen.

Met mijn meiden komt het helemaal goed, de wereld ziet dat! En ik ben daar blij om.

Dit is mijn mama…

Toen ik vorige week met een beetje groezelige baard op tv verscheen in Koppen, was de eerste reactie van mijn mama: “Aub, uw baard en snor af!” Ze vond het maar niets.

Gisteren zag ik haar opnieuw. Samen met mijn papa, ze trokken even weg van hun dagelijks verhaal. Met mijn “movember-begroeiing” onder de neus. ze kon er niet mee lachen. tot ik haar had uitgelegd waarover het ging. Ze kon er nog steeds niet mee lachen, omdat ze het vies vindt, zo’n snor. Maar ze begon wel even te wenen toen ze besefte dat het over prostaatkanker ging.

Mijn mama is een erg lieve vrouw, een harde ook. Ze zou door een vuur lopen – en terug – voor haar kinderen, kleinkinderen en haar man. Die man, dat is mijn papa. al meer dan vijftig jaar delen ze samen lief en leed. Maar de laatste jaren is dat meer leed dan iets anders. Al zal ze dat nooit toegeven. Mijn papa is ziek. Hij heeft prostaatkanker. Niet alleen dat, hij heeft er ook nog een keer Altzheimer bij. En hij is slecht te been. Eén en ander onder andere door de medicatie die hij krijgt.

Ze hebben beiden een leven lang hard gewerkt, lang gewerkt.  Om nadien aan zee te genieten van een onbekommerde oude dag, en hun kleinkinderen. Het loopt even wat anders. Zoals zo vaak in’t leven, denkt u nu. Ze zorgt voor hem. Heel intens, en goed, en ik zie ze daar aan kapot gaan. Zachtjes. Hem ook, omdat hij trots is, en schrander, en beseft dat hij hulpeloos is, iets wat hij nooit ofte nooit wil aanvaarden.

Alleen al daarom is elke euro, en ik meen het, het kan mij niet schelen of ze per stuk binnenkomen, maar letterlijk elke euro welkom… hier :

http://mobro.co/guidoeveraert

Gewoon doen. U hebt ook ouders, allicht zijn ze jonger…en hopelijk nog gezond.

Gij moogt mijn vriendje niet meer zijn (Amable column)

Het ouderschap, het is nog nooit eenvoudig geweest, maar het wordt er de laatste tijd niet makkelijker op. De kindjes hebben er namelijk een nieuw pestmiddel bij ontdekt. De schuld? Die van ‘t internet en de sociale media, natuurlijk. Vriendjes worden op Facebook, daar gaat het over, dat schone privilege!

Het nieuwe stigma, of ‘t oude, ‘t hangt er van af hoeveel luciditeit je aan de dag legt. Het ‘vriendje’ zijn krijgt immers een totaal nieuwe dimensie. We mogen meespelen met de pubertruken van onze kinderen. Als we niet sympathiek zijn worden we ‘gedefriend’. Het heeft niets te maken met vriendschap, of wat dan ook, de kinderen hebben ontdekt waar het op aankomt, kennis is macht. En door ons te niet toe te laten tot hun ‘inner circle’, hun Facebook kudde, nemen ze macht af. Erger nog, ze brandmerken ons publiekelijk. We mogen geen deel meer uitmaken van de warme wolk van vrienden die onze kinderen omgeven. We worden voor kennissen, vrienden en familie aan de schandpaal genageld… ‘Hoe, zijt gij geen vriend met uw eigen kinderen op Facebook, amai!’ Het is een geseling, een stigma dat duidelijk is, en slechts door weinigen eervol gedragen. En eigenlijk is dat jammer. Want het is onbetekenend.

Er was een tijd dat ouders het totaal niet ambieerden om het vriendje van hun kinderen te zijn. ‘t Was zo al moeilijk genoeg. Opvoeden, kleden en eten geven volstond. En van wat er met de vrienden en vriendinnen gebeurde, daar trokken alleszins mijn ouders zich bitter weinig van aan. Tenminste, ze hadden ons op voorhand richtlijnen en kaders gegeven waarbinnen onze baldadigheden geduld werden. Die richtlijnen hadden te maken met tijdstippen, met hoeveelheden, met locaties. En heel soms met personen. ‘Ge kunt zien dat ge om 12u thuis zijt, niet zat, en als ik u uit ‘De Mascotte’ moet komen halen of ge zit weer bij die onnozele trien van hier twee huizen verder zal ’t uwen besten tijd niet zijn’.

Duidelijk, misschien niet al te subtiel, maar we wisten wel waar de grenzen lagen. Wat we daarbinnen uitspookten, daarvan merkten mijn ouders nuchter op dat het bij de jeugd hoorde, daar gingen ze zich niet druk over maken, ze hadden wel wat anders te doen, en ze wilden zelf ook nog een leven hebben.

En als ze via-via gehoord hadden dat we weer één of andere idiotie hadden uitgespookt, dan regelden ze dat vlot en kordaat, zonder hun bronnen prijs te geven. ‘Twee weken binnen, ge weet wel waarom!’. Wij wisten inderdaad min of meer waarom en accepteerden, omdat niemand er bij gebaat was om de dingen tot op het bot uit te zoeken. ‘t Kon immers alleen maar erger worden.

Achteraf bekeken was dat was eigenlijk fantastisch. Het sociale netwerk bestond toen ook, maar het was iets duister, niet voorgeformatteerd, of volgens bepaalde regeltjes. Nooit ben ik er achter gekomen hoe en waar mijn ouders hun informatie over mijn wandaden bijeenhaalden, maar ze wisten het wel altijd.

Dat is nu anders, het lijkt er soms wel op alsof we debiliseren samen met onze kinderen. ‘Hoe? ik mag geen vriendje van u zijn op Facebook? En uwe papa wel? ‘ Het is een status sysmbool geworden, een teken dat we goed bezig zijn, en op goede voet staan met onze kindjes,best friends forever of zo. Eigenlijk mag je er toch niet aan denken.

En die kleine etterbakjes weten het zo goed, dat ze er hun ouders mee raken. Net die ene die het eigenlijk goed meent. Die heeft het meestal het hardst te verduren.

Misschien ligt daar ook de sleutel voor een mooie Facebook relatie met uw kinderkens. Trek het u vooral niet aan en doe er vooral niets mee. Niet reageren, niet recupereren, niet ‘liken’, en eigenlijk ook niet lezen. Waarom zou je ook? Om door een moeras van taalfouten te waden en in een existentieel niemandsland terecht te komen waar niets gebeurt, tenzij informeren naar de staat van het ademhalingssysteem? ‘Hey, oewist, asemdenog?

Want er is eigenlijk niets veranderd in vergelijking met vroeger. Hun leven, hun leefwereld, hun speeltuin. Kinderen voelen haarscherp aan wat hun ouders al dan niet tolereren, en daar spelen ze mee. Ze weten ook dat die ene in staat is om alle clubfoto’s alle zotte chiromomenten te analyseren en daar A+B+C van te maken, daar waar de andere allicht nooit verder geraakt dan ‘ah ja, ik heb u op ne foto gezien met een jongen’. Liever dan tekst en uitleg te verschaffen proberen ze dat te ontwijken, Niks nieuws onder de zon.

Ik heb mijn hele leven slechts één keer iets gezegd op een foto van mijn zoon toen die een gigantische toeter wiet scheen te roken. Daarvan heb ik gevraagd om dat toch eventjes iets discreter te behandelen. De foto werd vervangen door eentje van hem met zijn zus, allebei met sigaretten en een dikke pint. Minstens even aanstootgevend. Ik had het begrepen. Het is een spelletje, laat je er niet in vangen, want het heeft allemaal zo weinig te betekenen.

Dochters en vaders

Ik heb een heerlijke avond achter de rug. Pijn en genot liggen niet ver uit elkaar. Mijn oudste dochter kwam op bezoek.

“Laat me”, het is haar lijflied en eigenlijk ook een beetje het mijne. We hebben er samen een potje op gehuild, Omdat we haar opa en mijn vader herkenden, omdat we daar zin in hadden en omdat we emokippen zijn. En daarna  zijn we vrolijk over gegaan op lachen en spelen, en dollen over het Franse chanson.

Ze kent dat erg goed. De mysantroop in mij wijt dat aan het feit dat ze ‘verkering heeft’ met een jongen uit West-Vlaanderen, zelfs al heet het daar nog Oost-Vlaanderen te zijn… (en laat er geen misverstand over bestaan, het is een gouden vent, slim, juist en zorgzaam).

Als ik eerlijk ben, dan geeft de nicht in mij toe dat het Franse chanson gewoon lekker is. Dave, Christophe, Jean Jacques G., Renaud, Claude, Michel F, Balavoine, Dutronc, Maurane, Dalida… Het houdt niet op, er zijn er zovele. Het past niet meer bij de ‘Vlaamsche cultuur’ (behalve in Kortrijk dan), maar het zijn best lekkere liedjes, balancerend tussen poëzie en kitsch, en dat is niet eens erg. Ze hebben ook dat dramatische, dat zware. Ik houd er wel van.

En daar zaten we dan. Te praten over de dingen die ik fout gedaan had, en de dingen die ik niet goed deed, want dat is immers het privilege van de jeugd. En ze had niet eens ongelijk, denk ik. Twijfel als privilege van de ouderdom. Het is een zeldzaam mooi gevoel om als ouder op een juiste manier met je kinderen te kunnen praten en discussiëren. Ik had het ook met mijn papa, en ik ben ontiegelijk blij dat ik het met mijn dochter ook kan. Met al mijn kinderen eigenlijk.

Het is de dochter zoals ik ze me gewenst heb, zoals ik er nog twee te komen heb, als toekomstige mooie vrouwen. Naast de zoon die zijn weg zoekt en uiteindelijk ook zal realiseren wat hij in zich heeft.

Jong, zelfbewust en op een juiste manier haar twijfels beteugelend. Het is mooi, het jaagt schrik aan en het doet nadenken. Ik voelde me jong en oud tegelijk. Jong omdat ik blijf geloven in een erg helder en naïef ‘mens’ zijn. Een beeld dat ik bij haar niet terug vond. Het was eerder een rauw realisme, dat mij pijn doet, en waar ik verder niet veel uitleg over wil geven. Oud omdat ik de fouten herken, en me er niet druk over maak. Ik kan ze inschatten, en ik zie waar ze zichzelf wel zal inhalen. Niet dat me dat vrolijk stemt.

Ik ben haar vader, zij is mijn dochter. We leren van elkaar.

 

Mijn papa was een varken

papa

Of een beer. Of een paard, Hij kon het allemaal zijn.  Als hij na een nacht stappen met vrienden, de hele wereld uitnodigde om bij ons thuis te komen slapen, omdat dat gezellig was, dan was het een varken, een schoon varken, maar een varken. Heerlijk mateloos en met het gevoel dat de wereld van hem en zijn vrienden was.

Als hij werkte, dan kon hij dat als een paard. Zonder omkijken, zonder zeuren, gewoon doen. Hij kon ook gewoon lief zijn, voor zijn vrouw, voor zijn kinderen. niet zeemlief, gewoon lief, in de zin van het goed menen.

Mijn vader was geen hartelijk mens. Hij keek heel streng, niet omdat hij boos was, maar gewoon omdat zijn hoofd zo stond. Mijn schoolkameraadjes hadden er schrik van. ik niet, ik vond hem meer dan ok. Een lieve beer. Hij kwam wel vaak stuntelig bij zijn pogingen om lief te zijn. Ik ken dat, er zit veel van hem in mij. Wij denken dat we met woorden alleen, alles oplossen.

Hij was bovenal een man met een immens respect voor de integriteit van iemand anders.  Op alle vlakken. Hij had geen kinderen, hij had kleine mensen rond zich met fouten in hun redeneringen en die probeerde hij dan weg te werken; maar hij luisterde wel.

Ik schrijf onbewust in de verleden tijd. Hij leeft nog, maakt u zich geen zorgen, maar het is toch niet meer hetzelfde, en het zal allicht ook niet meer beter worden.

Natuurlijk is dat allemaal niet weg, maar het leeft alleen nog in de herinnering. De herinnering van een bevlogen, gepassioneerd politiek beest, met wie je uren dagen kon doorbomen over een onderwerp, onder het genot van bier of wijn.

Het mannetje dat bij mijn moeder in de zetel zit, is slechts bij momenten mijn papa.

Als het over zijn ploeg gaat, en mijn ploeg, Anderlecht, en hoe die stuntelen. Het verbindt ons. Als het over politiek gaat, ook al hebben we dezelfde politieke voorkeur niet. Als ik iets stom zeg, Als ik vertel over mijn zoon, en hoe die worstelt met teksten van Durkheim en ze niet echt begrijpt. Dan zie ik zijn ogen ineens weer helder worden, en dan is er dat opstandige… Het onbegrip van een man die er alles heeft moeten voor doen om een universitair diploma te halen, die een onwrikbaar geloof had in de maakbaarheid van de mens. Ik hoor het hem zeggen : ‘dan moet hij maar wat meer lezen!’.

Maar hij zegt het niet, hij kijkt wat voor zich uit, en vraagt om nog een kop koffie.

Zijn strijd is gestreden, zijn leven geleefd. Ik vraag me af hoe dat moet voelen, opgeven. Zit er nog evenveel vuur in zijn hoofd, in zijn redeneringen? Laat hij het passeren omdat het luisteren voorbij is? Omdat het spreken geen zin heeft? Of wacht hij gewoon tot het over is?

Mijn papa is een schone mens, en ik mis hem bij de levenden.

Help, ongeneeslijk zieke kinderen…

Pas vandaag is het  echt doorgedrongen… Mijn kinderen, alle vier, ernstig ziek. Een bijzonder mysterieuze ziekte, vandaar ook dit schrijven, een oproep naar andere ouders, misschien hebben jullie er ook ervaring mee, en hebben jullie wel aangepaste medische oplossingen kunnen vinden. Alle hulp is welkom.

Het ziektebeeld laat zich éénvoudig samenvatten : spieratrofie, partieel geheugenverlies, aandoening van centraalzenuwstelsel waardoor de oog-hand coördinatie faalt, dit alles gecombineerd met selectief chronisch vermoeidheidssyndroom. Niet om te lachen dus, en wellicht helpt een betere omschrijving van de symptomen om mij in de richting van een oplossing te sturen. Het is echt dringend, dus wie kan helpen…

Spieratrofie: de spierkracht van mijn kinderen is beperkt in tijd, het lukt soms nog net om bijvoorbeeld iets op de vaatwasser te plaatsen, maar de extra inspanning om dat er in te zetten, dat wil niet altijd meer lukken. De deur is te zwaar! Het is alsof er maar zoveel kan binnen een bepaalde tijd.

Hetzelfde gebeurt met WC rolletjes. Allicht heeft dat er mee te maken dat alle zuurstofrijk bloed zich dan ter hoogte van de sluitspier verzameld heeft, want de volledige handeling volmaken lukt niet. Vegen gaat hopelijk nog net, maar dat lege rolletje, dat belandt wel op de grond, of soms zelfs in een bakje, maar dan is het ook echt op. De puf om een nieuwe rol (dat gewicht ook!) op de houder te steken, neen, dat gaat niet. U begrijpt dat het als ouder, iedere keer weer als een dolksteek door het hart gaat om je kind te zien lijden. Ze proberen iets te eten, de wikkel valt op de grond, en de pijnscheut in hun ogen verraadt dat ze wel willen bukken om het op te rapen, maar dat het éénvoudigweg fysiek niet mogelijk is. Ik heb echt medelijden, ik wil een oplossing.

Coördinatiestoringen: allicht is het ook door die spieratrofie dat de rest moeilijker wordt. Neen, ik heb het niet over handdoeken of kleren op de grond, dat is normaal bij kinderen en adolescenten.
Ik heb het over simpele dingen, zoals het inschenken van cola, wat niet meer zonder morsen kan. U kunt zich dat ook niet voorstellen hoezeer ze daar zelf onder lijden, messen met choco die op het aanrecht vallen, en waarvoor ze niet meer de kracht hebben om die terug los te trekken.

Ik kan wel huilen bij zoveel ellende, ik had ze dit zo graag bespaard… Wij kunnen ons niet voorstellen hoe pijnlijk het moet zijn om het stuk hout, waar eens een magnum rond hing, niet meer te kunnen tillen, en dat dan uit eerlijke schaamte tussen de zetelkussens te moeten proppen. Die vernedering, het niet meer in staat zijn tot elementaire hygienische leefregels, verschrikkelijk uitputtend, voor mijn bloedjes.

Amnesie: Het moet een hel zijn om als jonge adolescent rond te waren in een huis dat je van a tot z kent, en toch telkens weer te moeten vragen ‘waar staat/ligt dat?’. Gewoon omdat het geheugen niet meewil. Ik heb het over alledaagse gebruiksvoorwerpen hè, stofzuigers, bezems, leibanden, ja, soms zelfs gewoon borden en bestek.

Schrijnend hoe ze dan in zo’n keuken staan, overmand door onbeholpenheid, en zoekend, tergend langzaam zoekend, niet geholpen door enige vorm van logica, maar echt klutsverloren. Beetje ouder huilt dan, bij zoveel ellende.

Ik denk ook dat hun spraakvermogen soms aangetast wordt door datzelfde fenomeen, maar daar wil ik nog niet op vooruitlopen, zolang we maar liefdevol kunnen communiceren, al is’t met gebaren, is er op dat vlak nog veel mogelijk. En ’t blijven tenslotte je kinderen. Of ze nu al dan niet medeklinkers kunnen uitspreken, ik wil daar niet moeilijk over doen, als ze maar eerst genezen voor het overige.

CVS : En dan dat CVS, dat toch ook de kop opsteekt, zij het dan cyclisch. Nooit op avonden in het weekend, altijd op voormiddagen in het weekend. Quasi nooit tijdens uithuizige vakanties, altijd tijdens de schooldagen. Hoe kunnen die jonge mensen nu toch ooit tot een fatsoenlijk leven komen, zoveel handicaps, op weg naar succes?

Echt waar, alle hulp is welkom. Want de goede wil is er, ze komen thuis en gaan echt vol moed voor hun pc zitten, een beetje proberen te volgen wat er bij de vrienden aan de hand is, maar dan onherroepelijk, slaat de vermoeidheid toe, ze moeten gaan liggen. Godzijdank hebben ze nu allemaal een laptop, zodat ze die kunnen blijven hanteren als ze plat gaan, maar ik houd mijn hart vast als die spierziekte ook hun vingertoppen bereikt, wat gaan we dan moeten uitvinden?

Mensen die bij hun kinderen of kennissen hetzelfde hebben ondervonden, alsjeblieft, laat mij iets weten, het zou erg veel voor me betekenen…

Waarom kleine meisjes toch best zelf hun kamer opruimen

Afgelopen weekend was het weer zover. Oogappel nummer 4 kwam slapen. ‘En of het lief mocht blijven ook?’. Ik kan mijn dochters niets weigeren. Ik kan ze niet alles bieden, maar ik kan ze alleszins niets weigeren. Ook dit niet.

Liefst van al zou ik dat joeng (haar lief) onder de zoden schoffelen, maffiagewijs een paar betonnen laarsjes aanmeten en wat laten zwemmen in de Leie, iets onbestemd met naalden, donkere kelders en niet nader bepaalde geslachtsdelen doen, maar ik ben een moderne papa, en dus antwoord ik ‘ja schat, uiteraard, geen enkel probleem, dat hoef je toch niet te vragen…’ En inwendig sterf ik.

Begrijp me niet verkeerd, het joeng in kwestie is meer dan ok, hij kan er ook niets aan doen. Ik vind hem zelfs buitengewoon meevallen. Hij denkt na, is niet te brallerig, is lief voor haar en hij blijft van mijn whisky. Het is niet persoonlijk, it’s business, ze moeten met hun fikken van mijn meisjes blijven.

Ik wil ze liefst van nu tot haar dertigste in een klooster en dan met  2,4 onbevlekte ontvangenen ergens in een ‘doorzonwoning’ installeren, met een vent die heel hard werkt om haar vakanties en schoenen te betalen. De megahit van wijlen André Hazes indachtig vraag ik dat ze haar alles zouden geven en dan nog wat. Uiteraard is dit allemaal niet waar, maar toch, ik ben niet te beroerd om het toe te geven, het knaagt. En ik wil het niet weten.

Omdat ik weet wat het is. Toen ik vroeger thuis kwam met een meisje zei mijn vader ‘niet onder mijn dak’, en dat was finaal. Wij zeggen dat niet meer, want we zijn modern, maar we – of ik althans – hebben ook een bijzonder levendige fantasie, gevoed door eigen ervaringen, fantasmes en porno op het internet.  Nu weet ik wel zeker dat ik de aandacht heb.

Wat is namelijk het verband met de titel? Na het weekend is mijn huis een stal, een puinhoop, een zompig puberaal liefdesnest. Althans, zo komt het bij mij over. Ik doe even de toer met u. Wat te denken?

Over twee badkamers en één slaapkamer verspreid liggen een 30tal handdoeken, in diverse stadia van kleffe vochtigheid. Neen, ik overdrijf dat getal niet, en ik wil niet weten waarvan die handdoeken getuige zijn geweest. Van vrijdagavond tot zondagmiddag zijn er een kleine 200 waxinelichtjes opgebruikt, grosso modo te verdelen over dezelfde locaties + het salon. Her en der in het huis, maar geconcentreerd over voornoemde plekken vind ik kleenex doekjes, ondergoed, waarvan ik niet weet bij wie het behoort (zonder te impliceren dat die jongen strings draagt, maar mijn dochter draagt bijvoorbeeld ook boxers, dus dit is à décharge te noteren), uiercreme, bodymilk, etc, etc..

Ik zal u even vertellen wat dat met mijn hoofd doet. Ik denk dan dat er tijdens mijn afwezigheid één langerekt sexfeest aan de gang geweest is, waarbij het frêle, kwetsbare lichaam van mijn ooogappeltje onderworpen werd aan de meest perverse en schaamteloze handelingen, gewoon om dat joeng zijn genot te geven!!

Het is al erg genoeg dat ik dat sowieso denk, zonder dat ik ook nog eens moet geconfronteerd worden met de materiële bewijslast. Mijn ‘sympathie-coëfficient’ voor jonge lieven wordt er niet hoger op! En daarom, lieve dochters en meisjes overal te lande: kuis uw nest op, laat geen sporen na van jullie (vermeende)ontucht, of alle papa’s en sommige mama’s zullen komaf maken met die geilberen van jullie. Gemeend!

Het kan natuurlijk ook zijn dat ze gewoon wat slordig is, zoals de meeste meisjes van die leeftijd, en dat de elektriciteit uitgevallen is dat weekend, en dat ze zoals mijn andere dochters gewoon wat kusjes stal van dat sympathieke skaterkereltje.

Ik denk ook dat het zoiets was hoor, ze is tenslotte nog maar 17, wat kan er gebeuren?

So Valentine

Hij haalde achteloos zijn gitaar boven en tokkelde een liedje, voor haar. Het kostte hem niet echt veel moeite, alles werd gedragen door enthousiasme, of blijheid zo je wil. Nadien zong hij van Skillemedinky.

“Skillemedinky, I love you. I love you in the morning and i love you in the night. I love you in the evening when the stars are shining bright… “

De tekst was een beetje ‘tacky’, maar door de zuiverheid en de openheid waarmee hij het zong, kon het nog net. Het was eigenlijk mooi, gewoon omdat hij er niet teveel kapsones over maakte. Je voelde wel dat hij er over nagedacht had of hij het nu al dan niet zou doen, maar het was evengoed duidelijk dat het een uitgemaakte zaak was, hij moest dat doen, want het was zijn lief. Zij keek hem aan, met grote bewonderende ogen, languit in de rode zitzak en ze zuchtte ‘Ik word hier zo rustig en blij van’.

De woorden waren allemaal oprecht, en simpel, en mooi. Wat het nog opmerkelijker maakt, is het feit dat het over een jongen en een meisje van 10 gaat, die al sinds de kleuterklas samen naar school gaan. Dit is het eerste jaar waar dat niet meer het geval is, omdat de volwassenliefde niet heeft mogen zijn. Het meisje trok met haar mama naar Stabroek. Geen diepe gracht voor de koningskinderen, zo blijkt, want ze zien elkaar nog regelmatig. En ze zeggen in simpele juiste woorden wat ze voor elkaar voelen. Ze willen elkaar blijven zien. Met zuivere ernst, maar van de lichtvoetige soort. Ze maken er geen drama van. Hun ‘forever’ heeft de oneindigheid van ‘Zolang het kan en zinvol is’ en dat is best lang, zeker op die leeftijd.

Het heeft niets met Valentijn te maken, het had op eender welke andere dag kunnen zijn. Maar het vriendinnetje van Robbe kwam na de musical les eten. Dat was al een tijdje geleden afgesproken, vooral ook omdat het laatste uitje niet de gelegenheid had geboden om voluit te babbelen. Een film leent zich daar niet echt toe, dus moest het worden overgedaan.  Met meer tijd voor verhalen, en lachen. ‘En hij moest ook een beetje leren om wat warmer, wat romantischer te zijn’, voegde zij er wijs aan toe, terwijl ze hem een vluchtige jongemeisjes-zoen gaf.  Op slag waren al mijn cynische, high-brow opmerkingen over Valentijn verdwenen. Zo kan het wel.

Al gauw stond ook het meisje te zingen (dat had wel wat meer voeten in de aarde, diva’s hebben zo hun rechten), waarop het zijn beurt was om bewonderend naar haar te kijken. Ze had een erg mooie stem, en ze zong veel en graag, en kon zich moeiteloos verplaatsen in de suikerspinrealiteit van musicals en mooie, grote gevoelens.

Karin had smakelijk gekookt, de tafel was prettig gedekt, met wat rode accentjes, en die kinderen met hun gebabbel en gegiechel, waren heerlijk om bij weg te mijmeren. Ik geloof echt dat de gevoelens diep en integer waren, eenvoudig mooi, en haar opmerking blijft me bezighouden. Waar verliezen kinderen die onschuld, dat gevoel voor juistheid. Wat doen wij als volwassenen, dat we er in slagen om dat te laten vervangen door gehuichel en foute boel? Haar woorden, niet de mijne. Ik heb er geen antwoord op, maar ik voelde me een heel klein beetje bevoorrecht. En zo werd Valentijn toch nog zinvol.

It’s a man’s world

Er is een groot verschil tussen jongens en meisjes. Mijn zoon studeert bij mij in Lochristi.  Op dit moment wonen wij er. Twee venten dus. Met twee honden.

Concreet komt dat er op neer dat er niets vuil wordt. Hij zit op zijn kamer, ik in de mijne, de badkamer en de keuken zijn de enige twee plekken die gebruikt worden.  Occasioneel resulteert dat in handdoeken die gewassen moeten worden en het strikte minimum aan eetgerei. Stilzwijgend zijn wij het erover eens dat het minimaliseren van (af)was een goede zaak is. Vuilbakken worden gevuld, en als ze vol zijn in de container gekiept. De regels zijn spartaans en simpel.

Eten is geen ritueel, het is een functioneel gegeven. Get it over with,  en doe daarna iets anders. Wat niet wil zeggen dat er niet gepraat wordt, maar het kan al eens staande gebeuren en dat is niet erg, dat doet geen afbreuk aan onze warme gevoelens voor elkaar. Het hoeft ook niet per se te betekenen dat er geen respect, beleefdheid of wat dan ook is. It just happens. Hoe lang duurt het om een croque monsieur met een klodder ketchup weg te happen?

Hij zit er nu al zo ongeveer drie weken, en dat loopt perfect. Zolang er voedsel in de kasten ligt, en drank in de ijskast, zijn er geen problemen.Soms zijn er kleine misverstanden, zoals gisteren, waarbij hij twee lamsfilets in de plan slaat, daar een bord frieten bij maakt en mij sms’t : “Peter Goossens is er niets bij!”. Ik had andere, verfijndere plannen met dat eten, maar soit. Beunhaas die daar over zeurt.

Hoe anders met meisjes. Zelfs al blijven ze maar een dag, het verandert het huis in een soort knutselatelier/beauty parlour/uitdragerij. Maar wel gezellig, uiteraard!

Gigantische hoeveelheden badlinnen worden er op dat moment doorgedraaid.  Badschuim en shampoo, nog zoiets… je moet welhaast industriële hoeveelheden inslaan en toch is het altijd op. Alsof ze ’t drinken, en schrik hebben van smetvrees.  Tandpasta klodders, nieuwe verpakkingen van omzeggens alles worden aangebroken, alsof het allemaal niet meer zo goed smaakt. Ondergoed alom, haarborstels verschijnen, samen met devices waar we het bestaan niet kunnen bevroeden, stijltangen, haardrogers, en wat dies meer zij. Details die wij niet willen kennen. Tissues ook, heel veel tissues, vooral opgefrommeld. Maar wel decoratief.

Gezelligjes ook, bij de meisjes, met allerhande soorten koekjes, knabbeltjes, drankjes, in potjes, overal in het huis. Overal. Overal potjes, en glazen, grappige glaasjes, kleine glaasjes, flesjes. En nog glaasjes, want je drinkt natuurlijk niet twee keer uit hetzelfde. En je drinkt overal. In je kamer, in de badkamer, waar je 80% van je tijd zit. Oeps, soms zelfs kan zo’n klein glaasje ergens in het toilet best nog een decoratief element zijn… Vergeten!

En dekentjes, en truitjes. Mooi gedrapeerd. Overal. Tegen de kou, en sokjes, die prompt weer uitvliegen, en vervangen worden door andere. Kleine gezellige, kleurige bolletjes kous, die overal liggen, als een soort virtueel geursignaal: ‘ik woon hier’. Het is decoratief… heur sjaals, en doeken, en cachecoeurs, cardigannekes, en hoe heet het al niet… Tegen de kou, ook al zetten ze de thermostaat met graagte op 26 graden ‘voor eventjes… om dan te vergeten’.

En natuurlijk moeten er hapjes gemaakt worden, of cake voor de gezelligheid. Of iets onbestemd, met veel manipulaties en gebruik van keukengerei, kleverig ook bij voorkeur. Of zo… met snoezelige bordjes.  En overal, letterlijk overal, in elk recipient blijft een klutske achter… Het waarom ontgaat me, ’t gebeurt gewoon.

En kaarsjes  worden aangestoken, zodat er kan gepulkt worden met het kaarsvet.  En theelichtjes worden in kleine snoezige potjes gedumpt, zodat het romantisch is. Met kutmuziek vaak… en ‘Gossip girl’ kreetjes en ‘Sex in the city’ tapes, of pyama ‘Ally mcbeal’ toestanden. Gezellig… echt waar. En schattig, het houdt niet op…

En dan zijn ze weg.. en het slagveld blijft. Johannes en ik zuchten, de rust keert weer. Het moet zo zijn.

Komen eten, maar dan echt!

Tiësto is geen rock ’n roll hero. Tiësto is een DJ. Punt uit, een plaatjesmixer. DJ’s zijn vakmannen die heelder zalen aan het dansen kunnen krijgen, en dat verdient wel wat respect, toegegeven. De Rolling Stones en The Who, bijvoorbeeld, dat was rock and roll.

Net zomin als DJ’s het zijn, zijn echte koks het. Want dat hoor je nu ook meer en meer. Een soort van idolatrie voor het kookwezen. De nieuwe rocksterren…  Ik geloof het niet. Daarmee wil ik ze hun sex appeal niet ontzeggen, dat hebben ze ontegensprekelijk, als ze passioneel over voedsel, bereidingen, en combinaties praten. Maar Rock and roll, dat is iets anders…

Vanavond heb ik rock and roll op een andere manier meegemaakt. De intuïtie van de hobby kok, maar dan erg zuiver uitgevoerd.  Dames en Heren, ik geef jullie…

Verse springrolls van kip met thais parfum
Pikant gelakte kippenboutjes met sesam
Vegetarische Chili
Varkenshaasjes met cashew en pompoen op paksoi
Moelleux met speculaasijs.

Gemiddelde leeftijd van de chefs, 11 jaar, en toegegeven, ze waren met twee. Spectaculair toch?
Verder geen inmenging van buitenaf.  Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt, en ik sta/zit nog een beetje na te genieten.
Twee jonge mensen, kinderen, besluiten om te koken voor hun ouders. We spreken over een meisje van 14 en een kereltje van 9. Ze beslissen zelf over het menu, maken de kaart, sturen de ouders erop uit om de ingrediënten te verzamelen, en beginnen eraan.

Ik ben sceptisch op zo’n moment. Ik ga uit van knulligheid, en goedbedoelde pogingen. En ik was verkeerd…

De kippeboutjes waren verrukkelijk gemarineerd, sappig, mals, spicy. De loempia’s, zoals je in het filmpje kunt zien, handgemaakt, en onwaarschijnlijk smakelijk en verfijnd.  Ik kan niet zeggen dat ik tot tranen toe geroerd was, maar ik was wel bijzonder aangenaam verrast.

Toen moest het beste nog komen… Chili.
Ik houd van Chili zoals het in 37°2 Le Matin beschreven werd; 24 uur pruttelen en heter dan heet, … met vlees.  Dit gerecht was geurig, zonder vlees, en moest in niets, maar dan werkelijk in niets, onder doen voor echte chili, het werd ook  gevreten door allen aan tafel. Spicy, maar niet té, smakelijk, en fijn, een streling, zoals het moest.

En toen kwam nog een klapper… Het varkenshaasje. Ik moet helaas bekennen dat ik nu zo stilaan hoopte dat het fout zo gaan, en toch ook weer niet.  En kijk, er werd een dampende wokpan op tafel gezet, en alles klopte.  De groenten beetgaar, en juist, en prettig oranje en groen. De ‘cuisson’, wel ja, laat ons het er over hebben: de cuisson was zoals het hoorde, en iedereen probeerde stiekem nog zo wat uit de pan te prusten, want het was gewoon een feest. Jacques Brel zei ooit over de Salade Liégeoise van Wijnants, que cela ne se mangeait pas, çà se bouffait! Welnu, hier was dat ook.

Bij de moelleux zou het wel misgaan, toch? Nooit in hun leven zouden twee snotapen erin slagen een chocoladecakeje klaar te garen dat voldeed aan de verwachtingen. Niets was echter minder waar. Met tijd, goesting en kennelijk toch ook wel wat ervaring deed de jongste wat er van hem verwacht werd… “ik klop nog efkes door, want het is nog niet luchtig genoeg”.
En nadien kwam er op het bord een meesterlijk dessertje, warm en luchtig vanbuiten met een misdadig warme en heerlijke fondant middenin.

En toen gingen ze op de kinect spelen, want ze waren het beu…en ze waren blij.

Koken is een kunst, maar koken is vooral intuitief voelen hoe het goed zit. Deze kinderen deden dat, met liefde, met veel lachen en met een zekere sérieux in de voorbereiding, maar zonder er bij te stressen. Ontroering toont zich in vele vormen… deze was één van de mooiere. Op weg naar huis  zei de jongste… ’t was veel werk, maar ’t is wel plezant zo…’

Geen gezeik, geen gezever, gewoon komen eten, door jong talent.

Dank je Robbe en Sofie…

3 doden…

Zoersel. Vrijdagavond, een aantal gezonde dertigers, veertigers vieren een verjaardag in een dorpscafé, De Pelikaan. Drank, lachen, dansen en praten. En nog, en nog. Om twee uur gaat het café dicht, en kunnen we ons vrolijk maken over de toch wel heel erg opzichtige alcoholcontrole die we honderd meter verder al kunnen zien, zwaailichten, blauwe lichten, knipperlichten. Zoals altijd, één front van zatterikken, feestmannen en olijkerds tegen de flikken. Sommigen willen er zelfs naar toe stappen om wat te lachen. godzijdank hebben we dat niet gedaan.

De volgende dag op www.deredactie.be: dodelijk ongeluk in Zoersel, drie doden, vermoedelijke oorzaak overdreven snelheid. Leeftijd van de slachtoffers, 19 en 20. 19 jaar. Alles moet nog beginnen.

Het is nu zaterdagavond en het laat niet los. Waarom is het nu zoveel meer dan elk ander anoniem bericht dat wekelijks, dagelijks in de krant verschijnt? Nabijheid alleen kan het niet zijn, al is het eng te beseffen dat mensen sterven op nauwelijks honderd meter van je vandaan.

Schuld misschien, en het besef niet onsterfelijk te zijn? Wij deden wat zij allicht ook deden, feesten, plezier maken, overmoedig zijn, morsen met het leven. Zoals ik altijd dacht dat het hoorde. Voor hen liep het slecht af, voor ons niet. Deze keer niet.

Erger nog, ik heb een zoon van 19. Hij is onsterfelijk, in zijn hoofd, in mijn hoofd. Hij rijdt goed met de auto. Ik vind dat, hij vindt dat ook. Hij is verstandig. Ik denk dat, en hij meent dat. Ik twijfel nooit om hem de sleutels van de auto te geven. En nu wel. Ik weet dat ik er niets kan aan doen, net zoals ik hem er nooit kon voor behoeden om met zijn fiets te vallen, of dronken te worden, of de verkeerde vrienden te ontmoeten. Ik heb altijd geweten dat dat zich wel zou keren, ten goede. Dat is ook gebeurd.

Maar een auto ongeluk. Drie vrienden die uit de bocht vliegen, gebrek aan controle, ervaring, wat overmoed. Niemand is er vrij van. Onze kinderen niet, wij ook niet.  Als de reflectie en de zwaarmoedigheid zo hun weg vinden,  bij mij, wat moet dat dan zijn voor de ouders en familie van die jongens, en voor hun vrienden?

Een zwart weekend op de weg. Inderdaad, voor het eerst zo tastbaar als maar mogelijk is, en ronduit afschuwelijk.

Moest het even van mij afschrijven.

Jeugdsentiment : Piedboeuf

Een foto, ineens terug gevonden, tussen papieren en oud spul.
Ik zie me nog dat trapje van de winkel aflopen. Jan was er bij –  mijn oudere broer –  en het buurjongentje, wiens naam ik al lang niet meer ken. Zijn papa leverde fruit bij ons op school. Met een vrachtwagen. Daardoor alleen al kreeg hij mytische proporties. Jacques, of Roger, denk ik. Onze ouders zagen elkaar tijdens de weekends, en ik vond die van hen beduidend interessanter omdat ze een vrachtwagen hadden met hun naam op geschilderd. Enkel de brandweer was beter…
Maar daarover gaat het niet, het gaat over dat paneeltje, voor op de pui van onze winkel. Piedboeuf…

Piedboeuf. Ik heb altijd gefantaseerd over dat merk – of liever, het was een verhaaltje, geen merk, wij dachten niet in merken. Onze merken waren simpel en lagen erg dicht bij wat we beleefden… Bic, Kodak, Saroma, Jacky. Dingen van alle dag.

Piedboeuf. Een tafelbier.  De gruwelijk schelmse tekening. Het moeilijke woord..voor jongetjes die net konden lezen toch. Wat het niet allemaal oproept. Fris gewassen pyamajongens,gladgekamde zijstrepen, bij oma aan de stoof.

Piedboeuf. Pietje De Boef, we bleven er over fantaseren,mijn broer en ik. Nooit tevreden met de interpretaties, altijd blijven denken over wie dat bier nu eigenlijk maakte, en alle ongrijpbare beelden die dat met zich bracht.
Piedboeuf. Westvlaamse Madeleines. Eierkoeken met echte boter,  etend op ‘den toile ciré’ bij Mémé. Vliegen tellen die nog spartelend tegen de Vapona vliegenvanger klitten. De geur van zeep op steen, de pompsteen –  want er kwam nog echt water uit de pomp –  waar mémé ons ’s morgens rozig rood schrobde. Om zes uur ’s ochtends was het huis proper, om zeven uur werd het eerste kleinkind aan de pompsteen gewassen, afgeschuurd, geschrobd, om nadien boterhammen met groseilleconfituur te eten. En melk met een scheut koffie. Ze sneed brood tussen haar massieve borsten. De schellen waren allemaal even dun. Het ontzag van de kleinkinderen groeide per snede. Mémé had lang zwart haar, dat tijdens het ontbijt in een strenge wrong rond haar kop gedraaid werd. Voor ze bij haar dochters ging kuisen, met de fiets. Heel Pittem trok ze door… De vrouw van ‘ne zwarten’, maar daar trok ze zich niets van aan. Trots, lijfsbehoud en devotie. De vrouw was daar uit opgetrokken.

Piedboeuf. Donker, zoet tafelbier. In limonadeglazen, voor de kindjes. Terwijl nonkels met luide stemmen bralden en lachten. Altijd was er eten, altijd was er volk. Wij kregen schellekes salami en kaantjesvlees met gebakken patatjes. De nonkels kregen echt vlees… Rode oortjes, omdat we wat langer mochten opblijven en voelden dat de gesprekken tussen de ‘groote mensen’ over dingen gingen die ons niet aanbelangden.
Het zalig gevoel van doodmoe tussen gesteven, gestreken lakens, ondergestopt te worden door een strenge oma, nachtemmer binnen bereik. Nog even fluisteren over de voorbije dag, maar niet te lang, want we hadden schrik van pépé.
Pépé was waarschijnlijk de braafste mens die ooit op aarde rond liep, maar dat wisten wij niet. We probeerden enkel om mee te mogen. In de duiventil, in het konijnenhok, vanachter op de fiets. Naar het café, met ‘de constateur’ tussen ons in. Dat magische instrument, waar het bandje, het ringetje van de duif in zat. ik stelde me dat zo voor… en alle gruwels om dat ding van een beest af te krijgen.

Piedboeuf,de afkoopsom van Pépé, mijn grootvader. Hij wou uitzonderlijk ook een keer aanwezig zijn als één van de kinderen thuiskwam op zondag, maar de duiven toch moesten vallen.Ik was zijn petekind.  Ik kreeg  zijn stofjas en alpinopet op en mocht op het krukje in de tuin kijken tot de duiven vielen. Saai, maar een vertrouwenspost, en ik bleef op het krukje zitten.Na drie uur intens turen, begon ik te spelen, en verloor de duiven uit het oog. Pépé vloekte, maar besefte ook dat het eigenlijk zijn fout was, niet de onze. De bolwassing werd weggespoeld met een glaasje Piedboeuf. alles was vergeten, de grote prijs zou  volgende keer wel vallen. “Quimper, alle duiven  gelost”.

Piedboeuf. Ik ben 5, we wonen in Brussel. Een snoep/drank/sigarettenwinkel van mijn mama, met een speelgoedkraam. Een tijd van hoop en plezier voor mijn ouders, niet veel later bruut overschaduwd door grootstadsgeweld, waardoor niets meer hetzelfde werd. Zijzelf ook niet.
Snoep, drank, sigaretten. Een genotswinkel, verboden vrucht,  voor iedereen wat wils. Ook voor ons, Jan en ik. Bounties en Mars, daar ging het niet om. Het duurste artikel van het speelgoedrekje, een blikken fluitje van 5 frank. Jan en ik gingen het stelen, ’s ochtends vroeg, en werden betrapt. Geen Piedboeuf, minstens een week.

Piedboeuf. Het reclamebord, ontelbare keren met kindervingers beroerd, nu ineens heftig en levendig aanwezig. De onschuld van altijd mooie zomers en spelen in het Josafath park is weg. Niemand stond er ooit bij stil dat het maar voor even was, en vanaf later bittere ernst.

Piedboeuf. Nooit beseft dat een oud merk zoveel in zich kon dragen. Proust had het niet scherper kunnen stellen Proost!

Brief aan vader, 2

Het weekt wat los, zo’n brief. Ik vond het zelf fijn, een beetje ontroerend zelfs, maar ik ben vooral geschrokken van de reacties die ik her en der kreeg, meer dan op mijn normale schrijfsels. Toegegeven, die zijn meestal ook een stuk banaler. Maar de feedback die ik kreeg van vrienden, halve onbekenden,die aangaven dat ze met hetzelfde worstelen. Misschien worden we wel een trend, beste pa, en ook dat heb ik dan aan jou te danken.

Ik heb mezelf altijd als geprivilegieerd beschouwd, omdat ik van ons drie de enige was die voluit heeft kunnen profiteren van wat je ons te bieden had.
Jan is op de verkeerde moment (en allicht met meer intrinsieke intellectuele bagage) vertrokken om zijn hobby te gaan uitoefenen (koken) en kwam terecht in een milieu dat op geen honderd jaar na zo stimulerend was als het nest thuis. Het was warm bij Jenny en Jacques, dat wel, maar het hield geen challenge in. Zeker niet voor Jan, mijn grote broer, waar ik altijd naar op keek, om zoveel verschillende redenen, ook al heeft hij dat nooit willen geloven. Hij had en heeft zoveel meer in zijn mars. Hij was juister, ethischer ook, scrupuleuzer, daar waar ik de schlemiel was, de opportunist die enkel voor eigen rekening reed, was hij warm. Hij schreef poëzie, ik pikte het in De Plukvogel, de boekenwinkel aan de school. Hij zorgde voor mensen in zijn omgeving, ik gebruikte ze. Hij was graag gezien, ik werd gedoogd, gevreesd ook, omwille van mijn ‘scherp blad, mijn nietsontziende oordelen, maar dat maakte me niet meteen geliefd.
Ook Henk kwam te laat, je was altijd meer geïnteresseerd in het meer mondige. Aan liefde en aandacht geen gebrek, ik denk ook niet dat Henk daarover ooit te klagen had als kind, maar toen hij op de leeftijd kwam die voor ons heel stimulerend is gebleken, zo rond ons 16de, 17de was het heilig vuur bij jou al lang verdwenen. Wellicht is dat ook wel ten dele onze fout. Zoals ze dat in het Engels zeggen, ‘you had high hopes for us’, en wij hebben er alles aan gedaan om dat te verklooien. Dat we’t nadien zelf repareerden doet niet ter zake. Voor iemand die heeft moeten woekeren met zijn kansen, die werk, studie en gezin diende te combineren moet het een gruwel geweest zijn, te zien hoe wij gemorst hebben  met onze kansen. Het valt niet uit te sluiten dat je daar  mistroostig van werd. En met je kenmerkende rechtlijnigheid dan ook maar meteen beslist hebt dat dat verder geen zin had. Ook al omdat Henk je daar niet in prikkelde, hij ging gewoon zijn eigen weg.  Voor mij staat in ieder geval vast dat hij niet dezelfde stimuli gekregen heeft, dezelfde intellectuele voedingsbodem, die wij ooit kregen. Misschien had hij daar ook nooit behoefte aan, misschien idealiseer ik het ook, post factum, maar ook dat is niet erg.

Ik heb die begeleiding, die prikkels wel gekregen, en ik voel ook dat ik er iets mee gedaan heb. Ik merk nu ook dat het erg moeilijk is om de premature meningen, vlotgevormde en onvoldragen visies van pubers (mijn pubers) aan te scherpen, bij te sturen en vorm te geven, niet door je eigen mening op te dringen maar door op zwaktes in de interne logica, in de redenering te wijzen.
Jij was daar meesterlijk in. Heelder ontbijt-sessies op zaterdagochtend, overgoten met sloten koffie, soms tot diep in de namiddag, waarbij alles kan en mocht besproken worden, waarbij een probleem in alle mogelijke richtingen gedraaid werd. Het heeft van Jan en mij volleerde debaters gemaakt, die nergens voor terugdeinzen. Wat ik alleszins niet heb meegekregen uit dat verhaal is jouw talent om daar geduldig mee om te springen, en iemand anders naar zijn gelijk te krijgen, te begeleiden. Ik wil zelf te graag. Scoren, blinken, gloriëren.

Meer dan eens zat ik naast je in de auto, en gaf je blijk van een soort existentiële depressie. Zolang je je leven zelf in handen had, reed je een perfect parcours, eentje dat uitmondde in succes na succes. Opgemerkt op school, mocht je als enige van het gezin naar de humaniora. Licentiaatsdiploma in avond onderwijs, omdat je het kon, omdat je het niet als vanzelfsprekend beschouwde. Politieke bewustwording die vertaald werd in het opnemen van verantwoordelijkheden, altijd opnieuw met succes en op een hoger niveau.
Professioneel succes ook, als maatgevend voor maakbaarheid. Je ging eens even bewijzen dat de zoon van de werkmens het wel kon maken. Dat politieke benoemingen dat carrièrepad hinderden heeft je altijd gestoord, talloos waren dan ook de frustratie-momenten, maar onwrikbaar het vasthouden aan de consequenties van je keuze.
Meer dan eens wees ik je er opportunistisch op dat een lidkaart van de CVP ons als gezin veel verder had gebracht. Je was het daar mee eens, maar liet niet toe dat er iets aan je overtuiging werd afgedaan. VU bleef het dus. Een late beloning als kabinetchef was voor jou de bevestiging dat rechtlijnigheid toch tot resultaat leidde. Ik was het daar niet mee eens. Je pad werd meer en meer verstikt door ‘externe factoren’. Al heel vroeg merkte ik ook een soort gelatenheid in de realisaties van je ambities. Alsof het er allemaal niet echt toe deed.  Een tik teveel gekregen van het ‘establishment’.
Ik heb me nooit van de indruk kunnen ontdoen dat je levenslust daar mee een knauw gekregen heeft. Als er iets is waar ik het lastig mee heb, dan is het wel dat. Uitgerekend ik, ga hier dan wel zijn pa op zijn verantwoordelijkheden wijzen. Begrijp me niet verkeerd, ik heb intellectueel geen enkel probleem met het gegeven dat je vindt dat je alles uit het leven gehaald hebt dat er voor je in zou zitten, en dat het dus nu mag stoppen, wat jou betreft. Ik vind je timing verkeerd. Zowel je kleinkinderen als je vrouw hebben het er moeilijk mee dat je afhaakt. Whatever the reasons may be. Die redenen zijn wellicht niet  verkeerd, en daar ben jij niemand verantwoording voor verschuldigd,  maar anderzijds heb je helaas een soort van verplichting tegenover je naasten om die lankmoedigheid te laten varen, of om minstens je zwaarmoedigheid niet al te zwaar te laten wegen op het leven van anderen. Het houdt immers niet op, De beker moet tot op het laatste geledigd worden.

Ik herinner me dat je zo rond je veertigste ook al zoiets had van, ‘ is het dit maar’. Wel ja, het is dit maar, maar het kan zoveel zijn. De man die ooit gulzig naar het leven door de Brusselse nachten flaneerde, vrienden mee bracht en eindeloos door kon feesten, genereus en grootmoedig. Die man is er misschien niet meer, maar de verwachtingen zijn er nog steeds. die verwachtingen heb jij, en jij alleen gecreëerd en die moet je blijven waarmaken, vrees ik.
Zeg maar waar ik fout zit in die redenering, ik voel zelf ook dat hij niet draait, maar ik wacht op je, om het me nog een keer scherp te zeggen, zoals vroeger. Of verdedig je, ik maak met plezier brandhout van je argumenten.  😉

Brieven aan mijn vader, 1

Ik heb lang getwijfeld of ik dit zou bloggen, en verre van me de allure van een  Toledano aan te meten, heb ik door gesprekken met vrienden gedacht dat het misschien toch wel zinvol is. Mijn vader is doof, en ik heb geen contact meer met hem, of alleszins toch niet buiten het banale van doordeweekse conversatie, waar we alletwee een gloeiende hekel aan hebben.
Hij gaat wellicht ook dood binnenkort, en dan heb ik misschien kansen lanten liggen om nog iets te zeggen. Vandaar. Wie geneigd is om dat als verregaand exhibitionisme te zien, so be it.

Papa, Pa, Vader,

misschien is dat wel al tekenend voor onze relatie. Nooit goed geweten hoe dat nu eigenlijk moest. Twee emotioneel inepten, die elkaar wel graag zagen, maar er als de dood voor waren om dat te openlijk te tonen, en daar op de duur wel  heel erg onhandig in werden.

Op mijn dertiende zweerde ik de kus af , want dat was niet stoer, en heel veel later, toen ik zelf al kinderen had, wou ik die kus wel terug, maar bleef het bij een hand. Zoals steeds liet je begaan, niet omdat je er geen mening over had, ik ben er heel zeker van dat je die had, maar vooral  omdat je hem niet wou opdringen, kenmerk van je visie over menselijke relaties.
Ik heb nu hetzelfde met mijn zoon. We doen er lacherig over, maar we zoeken een manier om te tonen dat we elkaar fijn vinden. Totnogtoe hebben we alles geprobeerd, ‘high fiven’, handen, omarmingen, géén zoenen… het lukt niet echt…
Het is ook niet belangrijk, daar gaat het niet echt om.

Al een jaar pieker ik me suf hoe ik het contact met je terug op niveau zou kunnen krijgen. Ik heb altijd graag met je gepraat, altijd graag naar je geluisterd, ook al was ik te zelfingenomen om echt te luisteren, of kwam dat zo over.  Zoveel hadden we wel geleerd, luister en doe er desnoods later iets mee, als je te laf bent om onmiddellijk toe te geven dat het juist is. Ik mis dat nu. Een echt gesprek is niet meer mogelijk. Ik heb geen zin om te schreeuwen en luid en traag te spreken, omdat ik het een belediging vind van je intellect. Jij hebt geen energie meer om de essentie uit het gewauwel te filteren. Een dovemansgesprek, letterlijk, daar heeft niemand iets aan.
Maar ik kan me niet voorstellen dat je gedachten niet meer helder zijn. En ik denk dan terug aan dat mooie kleine precieze handschrift. Ik weet niet hoe schrijfvaardig je nog bent, maar misschien krijg ik wel brieven terug, en kan ik de geest van vroeger beleven, met scherpe, agressieve inzichten over politiek, milde woorden over opvoeding, en juiste terechtwijzingen over mijn stommiteiten.

Je bent doof nu, en sufgespoten door de medicatie.  Je bent niet vriendelijk meer, waarschijnlijk ook omdat je doodgefrustreerd met een heldere,  briljante geest in een aftakelend lijf zit. En dat je dat dus ook beseft. Dat je dat zelf gedaan hebt, dat lijf laten aftakelen, is niet eens relevant. Het gaat om de intensiteit waarmee het leven geleefd werd, en ik denk dat je daar je gelijke niet in gekend hebt.

Je gaat dood. Niet onmiddellijk, misschien niet eens binnen de vijf of tien jaar, maar je gaat dood.Dat is niet erg, dat is een stuk van het leven, zeggen ze dan. Maar het zit er aan te komen.  En voor die tijd moet ik alles gezegd hebben, maar werkelijk alles wat zonen tegen hun vader kunnen zeggen. Ik denk niet dat daar ooit genoeg tijd voor is. Een heel leven advies, en raad, en zwijgen en lachen, laat zich niet samenvatten in een paar A4 tjes met bedankingen.
Niet alleen bedankingen, ook frustraties, twijfels. Vragen zelfs, nu nog.
Als je je nu ineens begint af te vragen waarom dit nu moet en waar het op slaat, denk dan even terug aan de dagelijkse autorit, van Erembodegem en later Mere, naar Brussel. Elke dag, twee keer een uurtje in de auto. Ik heb er meer tegen opgekeken dan dat ik er naar uit keek, maar de kwaliteit van de gesprekken, de overwegingen, hebben onbewust hun weg gevonden. Je was daar nooit  opdringerig, je deelde zelf ook je twijfels, je vragen, ook al wist je dat je van een kind geen juist antwoord krijgt.
Misschien is het wel dat wat ons gemaakt heeft tot wat we zijn. Je gaf ons nooit de indruk dat we kinderen waren. Je gaf ons de volle verantwoordelijkheid van elke mening die uitgesproken werd. Je nam ons au sérieux. Ik weet niet of we dat toen apprecieerden, maar ik denk het wel.  Ik kijk er alleszins nu nog met veel warmte aan terug. En ik wil het nog, nog meer, gewoon meer, en zo lang mogelijk. Ik denk dat zonen altijd zonen blijven, ook al worden ze vader… En ze blijven hun vader nodig hebben.

Ik heb het schrijven van deze brief al maanden voor me uitgeschoven, omdat ik niet wist hoe ik het moest doen, omdat ik niet wist wat te zeggen. En ik merk nu dat het er uit gulpt. In één warme stroom. niet te controleren, niet te beheersen. Het leest allicht niet mooi, het zit wat door elkaar, maar ik heb geen zin om er  aan te schaven. Ik wil terug praten met mijne pa, onder welke vorm ook, en misschien is dit wel de beste.
Als het nog kan, schrijf dan een brief terug, dan heb ik mijn papa weer. Als het niet kan, laat het dan weten, dan schrijf ik gewoon voor mezelf, en dan lees je’t wel een keer…

Dochters en GSM

Al maanden twijfel ik. ik merk dat als ik een blog in het Nederlands schrijf, ik gemiddeld toch één à twee reacties krijg. als ik dat in het Engels doe, is het sterk afhankelijk van onderwerp en timing en referenties die ik in de blog zelf vermeld. Het moet ook gezegd, feit dat er doorverwijzingen zijn op facebook en linkedin, maakt het ook een stuk zichtbaarder. Je moet daarvoor zelf communicatie jongen zijn om nog te geloven dat je eigen website de navel van de wereld is.
Anyway, tenzij het uitzonderlijk nog nodig is, schrijf ik vanaf nu in de taal van Vondel. Een taal waar ik overigens van houd, en die meer en meer in de verdrukking komt, in dit digitaal tijdperk van hapklare schrijfseltjes.
Het is niet normaal dat vrienden heimwee krijgen naar iemand die het woord epigoon kent, het is niet normaal dat jonge mensen zich tegelijkertijd afvragen of ik niet te veel koketteer met moeilijke woorden. Ik volg de discussie op de voet, en wil geen taalpurist worden, ik ken de argumenten pro een dynamisch taalbeeld, maar ik word er zo triest van.
Is het zo moeilijk om de dt regeltjes te kennen? Is het zo erg om bepaalde woorden te gebruiken die een juiste omschrijving geven van wat men meent te moeten zeggen eerder dan een halfslachtige omschrijving?

Het brengt mij naadloos bij mijn volgend onderwerp. Gisteren stond de wereld even stil. Mijn dochter had haar GSM in bad laten vallen, en het drama was enorm.
We kunnen stilstaan bij een aantal zaken.
Ik maakte vroeger deel uit van een warm gezin, waar er een zwart  -–neen, op een bepaald moment kregen wij een modern stijlvol beige RTT toestel, met drukknoppen –  in de gang stond. Het toestel werd bij hoge uitzondering gebruikt om dienstmededelingen van en naar de familie te versturen, en kreeg nadien een frivoler gebruik toen mijn broers en ik onze sociale contacten ermee voedden (2 d ’s omdat het een verleden tijd is). Geen haar op ons hoofd dat er aan dacht om dat ding mee in de badkamer te nemen. De telefoon was ook geen bron van stress, eerder integendeel.

Nog later namen we uit Boston een draagbaar toestel mee, met een antwoordapparaat… nou, nou, nou… dat was vooruitgang!
Een berichtje op het antwoord apparaat werd al op voorhand aangekondigd door een vrolijk knipperend led lampje…Het was een familiegebeurtenis om daar naar te luisteren!
En nu heb je dus dochters die hun gsm mee naar bad nemen. Ik kan me de diepte van die boodschappen waarschijnlijk niet meer voor de geest halen, maar het gaat allicht om vijf levensbelangrijke minuten waarbinnen er een antwoord geformuleerd moet worden op de meest existentiële vragen van het kaliber ‘Oe ist?  Of ‘edde naar B2 gekeken?
Feit dat je niet bereikbaar bent, en niemand kunt bereiken wordt ervaren als een reëel manco en een bijna levensbedreigend gegeven. Ik herken het ook in mijn professionele omgeving, waar de obligate fatsoensgrenzen al lang verstreken zijn… bellen betekent onmiddellijk terugbellen, en onmiddellijk betekent niet  binnen de 24u, maar bij wijze van spreken binnen het uur. Ik weet niet of ik daar nog aan wil meedoen. Misschien moeten we hier terug iets normaler mee omspringen?