#FreeMexicania

picture1

Het is zover. Ik geef eerlijk toe dat ik erg lang gehoopt heb dat het allemaal maar een boze droom zou zijn. Dat de republikeinse partij een misschien niet erg elegante oplossing zou vinden, maar toch een manier om deze ellende te vermijden. Het heeft niet mogen zijn. Het instagrambeeld van Moby vat het  – wat mij betreft – perfect samen.

Ik ben dan ook links krapuul dat geen verstand heeft van economie en democratische besluitvormingsprocessen. Lees verder

Advertenties

Sociaal Kapitaal

DMBE_shine_wit

Ik Skype niet graag. Ook al weet ik dat je het beeld kunt uitzetten, het is iets erg vreemd, praten tegen je computer. Call me old-fashioned!  Maar gisteren was het toch erg leuk. Naar aanleiding van een eerder stukje, over bestellen in de horeca met behulp van je smartphone, was ik in gesprek geraakt op Skype met een van de bezielers van het project. Het zou geen Nederlander zijn , hoor ik u smalend denken. Misschien wel, misschien niet. Lees verder

Saai zonder smart phone

logo_vierkant_med_res

U kent dat. Iets te haastig vertrekken van thuis, gehaast naar je afspraak rijden en onderweg beseffen dat je telefoon nog in de lader zit. Als ik op zo’n moment op minder dan 15 kilometer van huis ben, zal ik altijd terugrijden. Deze keer kon ik niet. Ik was net dat ietsje te laat vertrokken, en ik heb een erg grote hekel aan te laat komen. Lees verder

Terrasjes

logo_vierkant_med_res

Ik schrijf dit stukje  ergens op een terras op één van de Wadden-eilanden. En ik ben helemaal blij. Uiteraard omdat ik hier zit, maar nog veel meer omdat ik – niet gehinderd door technische bezwaren van welke aard ook – kan doen wat ik moet doen. Stukjes schrijven, het internet raadplegen, contact houden met vrienden en collega’s.  Ik kan zelfs wijn bestellen zonder op te kijken. Hoe tof is dat niet. Lees verder

Netiquette

logo_vierkant_med_res

NIEMAND SCHRIJFT NOG ALLES MET HOOFDLETTERS, TOCH? Op het internet lijkt het dan alsof je roept. Ik vind het fascinerend om te zien hoe bepaalde ‘netiquette’ zich redelijk snel verspreidt en veralgemeend wordt binnen een bepaald medium of een bepaalde groep.

Bovengeschetst is er dus eentje, die al bestaat van toen er nog massaal met email werd gewerkt. Bedenk ook de irritatie die je toen voelde opkomen bij mensen die het hele bedrijf in kopie zetten bij iedere scheef gedraaide bedenking die ze zich maakten. Heel snel begreep men dat het de productiviteit niet echt ten goede kwam, en riepen bedrijven regels in het leven, als het zich al niet spontaan organiseerde, omdat iedereen er last van had. Email hadden we onder de knie, en het heeft maar een vijftal jaar geduurd. Lees verder

SoLoMo

logo_vierkant_med_res

 

Het is niet de bedoeling om hier een marketing column van te maken. Maar heel af en toe mogen we ons wat vrolijk maken over ‘buzzwords’, over nieuwe kortlopende hypes, en kortweg, over het achterwege laten van gezond verstand bij de quasi blinde rat-race om bij te blijven in het digitaal geweld.

Als u nog nooit van ‘SOLOMO’ gehoord hebt, is dat niet erg, maar hou het in het oog! Het is de samentrekking van Social, Local, Mobile. Het is ook het magisch begrip waarmee de kleine en middelgrote bedrijven zullen kunnen delen in het gouden manna van de Sociale Media en de Internet economie. Immers, door al je activiteiten toe te spitsen op je lokale omgeving, er daarbij van uitgaand dat je de sociale media kan gebruiken en dat je dat ook best meteen mobile doet, ligt het goud bij wijze van spreken al voor het grijpen. Handig hè.

Op zich is de stelling niet verkeerd. Op zich is de formulering van dat soort stellingen ook niet nieuw. U hebt allicht wel al gehoord over Think Global, Act local, als klaroenstoot voor grote merken om het te maken in lokale markten. Dat was de voorloper, en als u er wat management boeken op naslaat gaat u er vast nog andere vinden.

Met SOLOMO gaan we dus iets fijner te werk.  En helaas leidt het tot bijwijlen hilarische toestanden, waarbij je je kunt afvragen of het nog ooit wel goedkomt met onze jachtende meute goudzoekers.

Dat het concept kan werken, daar hoef je geen Einstein voor te zijn. Wie er in slaagt om lokale activiteit te verzoenen met een succesvol business model, geënt op sociale media, heeft al een stapje voor. Als je daarenboven ook nog eens inspeelt op het gegeven dat mobile/’always-on’  enorm snel penetreert in de maatschappij, weet zich verzekerd van een plaatsje onder de zon. Helaas, helaas, het blijft soms wat hangen in de implementatie.

Grosso modo zie je drie grote groepen. Enerzijds de enkelingen, entrepreneurs die er in geslaagd zijn om effectief met dat model te werken. Ik denk persoonlijk dat de restaurant app voor mobile phones ‘Aan tafel’, kan uitgroeien in die richting. Dat zijn ook geen initiatieven om je vrolijk over te maken, wel om blij om te zijn. Omdat ze inspelen op een consumentenbehoefte en een oplossing aanreiken, die je erg éénvoudig aanneemt. (niet dat er geen werk meer aan de winkel zou zijn!)

Vermakelijker wordt het in het geval waarbij men krampachtig probeert om één van de andere dimensies te integreren in de marktactiviteiten om toch maar te kunnen poneren dat men erbij hoort, en dat het dus wel zal lukken. Een voorbeeldje? Winkels die QR codes (u kent dat vast) op hun etalage kleven, die de consument dan moet scannen, om terecht te komen op… de website van de winkel.  Jaaaa! Een sterk staaltje van vakmanschap. Want gewoon de url van de website, nou ja, dat heeft wel iets oubollig, mijnheer, wij zijn mee, wij weten hoe je een QR code kunt aanmaken! Kid you not, ik heb het al gezien bij kapperszaken in het Antwerpse en ook op de achterkant van vrachtwagens. Bijzonder handig, om te proberen dat in je scanner van je smartphone te vatten. Dat is dus de verkeerde invulling van SoMo, bovenop de ‘local’.

Het omgekeerde bestaat ook. Een hele industrie die geilt op de nieuwe media en navenante technieken om toch maar te verbergen dat ze fundamenteel nog even ouwbollig bezig zijn als tien jaar geleden. Voorbeeldje graag? Rekrutering,  want dat moet nu ineens ook allemaal mobiel  en social zijn.

Zonder al te technisch willen zijn. Uiteraard is het goed dat jobsites  en rekruteringssites responsive design in zich dragen (een jeukwoord om simpelweg aan te geven dat je ze op elk mogelijk toestel moet kunnen lezen).

Maar om nu te zeggen dat mobile recruitment dé trend van het jaar wordt. Ik dacht het niet. Het veranderen van baan, om welke reden dan ook, is niet iets dat je zomaar eventjes snel doet, in de file, of al wandelend naar de broodjeszaak. Dat maak je mij nooit wijs. Daarvoor is de betrokkenheid, het belang gewoon te groot.

Rekruteerders  die denken dat ze met een ‘solomo’ benadering het gouden ei binnengehaald hebben moeten iets verder kijken, wat minder meelopen met de trends en wat fundamenteler nadenken over hun business. Solomo verdient hier een andere invulling, die veel meer te maken heeft met ‘het nieuwe werken’, met mobiliteitsproblemen en met het inschakelen van andere werkmethodes via sociale media in het proces. Als dusdanig denk ik dat het de HR departmenten moeten zijn die SOLOMO in grote letters boven hun bureau moeten hangen, om dat wars van alle technische snufjes als filosofie mee te dragen in hun benadering van een moderne arbeidsmarkt.

Het Echte Gesprek

logo_vierkant_med_resDan schrijft een mens al eens een column, waarbij eigen gedrag aan de kaak gesteld wordt, dan wordt hij overdonderd door reacties. Op zich niet erg, integendeel zelfs, maar mochten die reacties nu nog ergens over gaan, over de kern van het verhaal bijvoorbeeld. Maar dat was dus niet het geval. Het was een geschimp, een onbehouwen inhakken en bovenal, bovenal een grotesk verval in clichés. Daar krijg ik dus jeuk van.

Heel af en toe komt er iemand opzetten die het durft te hebben over het echte gesprek. En passant wordt dan uiteraard gewag gemaakt van het virtuele gewauwel, dat liefst van al in de hoek van de vlotte marketingboys en -meisjes geduwd wordt. Een man die ik mijn vriend mag noemen, die met eigen handen een reclamebureau uit de grond heeft gestampt en als bedrijfsleider probeert om dat zo goed mogelijk te doen, stopt op zulke momenten de discussie omdat hij weigert in de clichémolen mee te draaien.

Geef het misschien ook eens toe: het is gewoon te gemakkelijk en het getuigt van een schrale intellectuele leegte. Het onvermogen om in te zien dat de kwaliteit van een discussie of een boodschap niet afhangt van het medium of het platform, en dan maar meteen alles neersabelen.

Het is waarschijnlijk – het feit dat ze zich niet willen laten kennen en met pseudoniemen intekenen zegt al iets – een bepaalde soort mensen. Mensen die jaren geleden dachten dat het internet zou overwaaien. Niet dat ze het nog zullen toegeven. Ondertussen maken ze zich vrolijk over Twitter en Facebook, want daar staan ze boven. “Het is tijdsverlies.”

Gemakshalve vergeten ze allicht dat ze ondertussen datzelfde door hen verketterde internet gebruiken voor communicatie binnen hun non-profit organisaties. Dat ze met graagte profiteren van de goedkope vluchten en de interessante aanbiedingen. Dat ze meer dan ooit in staat zijn om iets over hun eindbestemmingen te weten te komen.

Daarbij verliezen ze uit het oog dat een hoop enthousiastelingen, dromers en fanaten bezig geweest zijn met virtueel gewauwel. Om er iets van te maken, om een project, een idee gestalte te geven. En dat ze daarbij meer dan een keer op hun bek gegaan zijn, om smakelijk uitgelachen te worden door de cynische kantkijkers, die op dat moment triomfantelijk weggingen, blij en overtuigd van het groot gelijk. De idealisten, de dromers, ze klopten zich het stof van de kleren en herbegonnen.

De cynici, dat zijn ook de mensen die het nu waarschijnlijk een goede zaak vinden dat er eindelijk vooruitgang geboekt wordt in mobile payments via gsm. Moet ik even uitrekenen hoe lang men daar al mee bezig is? Of hoe mobile apps en mobile marketing daar hun rol in hebben gespeeld? Hoe het internet en de betere kennis rond data en networking daar baanbrekend zijn geweest? Daar zaten inderdaad flops tussen. En allicht ook wat gewauwel. Maar het gebeurt ondertussen wel. Men noemde het tijdverspilling en de verkeerde prioriteiten.

Het is fijn om bij het selecte kransje te horen dat graag naar lezingen over ‘networked economy’ gaat, over ‘het nieuwe werken’ en dat academische concepten met bedachtzame blik doorgrondt. Niks mis mee, integendeel, hoe meer er nagedacht wordt hoe beter het gesteld is met deze wereld. Maar weet wel dat het ondertussen aan het gebeuren is, zonder participatie van onze vrienden die aan de zijlijn staan te roepen dat het allemaal niet deugt en dat we terug moeten naar het echte gesprek.

Wat is dat, het echte gesprek? En waarom zou dat – in het wereldje dat duidelijk niet het hunne is – meteen gewauwel zijn.  Is er een monopolie op het echte gesprek, dat omkaderd moet worden met fijne wijnen en bepaalde high brow kaders of thema’s?

Misschien moet men er eens bij stilstaan hoe dat werkt op Twitter. Een opmerking, doordacht of niet, wordt gepareerd. Of geannoteerd. En dan gaat de bal aan’t rollen. Niet zelden worden na twee of drie woordenwisselingen de andere kanalen ingeschakeld en komt men tot een afspraak waarbij over een bepaald onderwerp, hoe klein of betrekkelijk ook, een boompje opgezet wordt. Op café of bij een koffie. Of eender hoe. Voor mijn part bij een ‘twunch’. Nog zo’n concept dat men belachelijk mag noemen, maar niets meer is dan de integratie van virtuele kanalen met fysieke gebeurtenissen. Denk misschien eens na wie in die context de faciliterende rol toebedeeld krijgt.

Wat belangrijk is, is dat het gebeurt. Niet zelden extreem korte ontmoetingen tussen wildvreemden die heel heftig hun standpunten delen en verdedigen en daarna besluiten dat er nog zoveel andere raakvlakken zijn. Mogelijkheden om over te praten en te discussiëren. Waarna de korte meetings uitlopen en vriendschappen of kennissen ontstaan. Ik zie daar het gewauwel niet van.

Als ik het over een echt gesprek heb, dan heb ik het over interactie over een onderwerp en over conclusies en denkrichtingen. Of dat nu via een digitaal medium gebeurt of op café of in een besloten spelonk, dat maakt niet uit. Ik denk dat de meeste twitteraars vandaag heus wel doorhebben wanneer iets gehypet wordt of wanneer iets echt toegevoegde waarde heeft. Tegelijkertijd zijn ze ook perfect in staat tot het achterwege laten van misplaatst cynisme en genieten ze van de mogelijkheden van het medium.

Altijd bereid tot het houden van een echt gesprek hierover, en ja, ik lees ook nog steeds gewone boeken, liever dan op Kindle of iPad.

Zwijgen

logo_vierkant_med_res

Ik sta elke dag op om 6 uur. Gewoon omdat ik dan al wakker ben en het weinig zin heeft om dan nog uur te liggen draaien. Door de jaren heen heb ik een reflex ontwikkeld om niemand te storen bij dat ontwaken, maar tegelijkertijd ben ik bijzonder nieuwsgierig naar wat ik eventueel gemist heb tijdens de voorbije zes uur slaap. Eerst check ik mijn mail. Dan Facebook, Linkedin en Google+. Daarna ontwaakt Twitter zacht. Daar beleef ik het meeste plezier aan. Dat en Flipboard. Om bij te blijven.

Ik kan me voorstellen dat mensen met kinderen, en de bijhorende stress van het ochtendlijk georganiseer nu heel bedenkelijk kijken. Het spijt me. Ik heb doorgemaakt wat jullie op dit moment doormaken, en ja, dat is een andere hectiek. Maar ik ben er van af. Sorry.

Het gaat me echter niet zozeer om die luxe, of de aberratie dat een mens al om zes uur ’s ochtends in de arena van het ochtendlijk social media geweld wil treden. Ik wil het veeleer hebben over iets wat me beangstigt. De ontgoocheling die ik bij mezelf noteer als er te weinig mentions en/of volgers bijgekomen zijn op Twitter. De desillusie dat er niemand gereageerd heeft op een leuk of diepzinnig bedoelde Facebookstatus, en desgevallend ook het geringe aantal echte mails, echte interacties in mijn mailbox.

Als dit herkenbaar is, dan zitten we uiteraard met een probleem, u en ik. Voor de anderen is er niks aan de hand, huivert u gewoon mee met de bedenkingen.

Afkicken van het gebrek aan reacties, het zal allicht ook wel duiden op een overdreven behoefte aan bevestiging, aan een reflex om leuk of interessant gevonden te worden. Ik pleit schuldig. Ik vind het leuk om in interactie te treden met mensen, snel en spits te reageren, te engageren in woordspelletjes.

Veel erger wordt het als we doelbewust op zoek gaan naar content, naar grappige quotes, naar bemerkingen, om toch maar die conversatie stroom op gang te houden. Ook daar pleit ik schuldig. Het overkomt mij. Zoals een andere thuiswerker ooit zei: ‘mijn Twitterstream, dat zijn mijn virtuele ‘watercooler’ collega’s, het leidt wat af, het is een babbeltje, het vermijdt het sociale isolement, wat je als zelfstandige, thuiswerkende toch wel riskeert”. Maar waar ligt de grens?

Ik ben niet alleen met die vrees. Toen ik deze column opzette, wist ik eigenlijk even niet waar te beginnen. Ik heb het gewoon aan mijn Twittervriendjes gevraagd: “Iemand een idee waar ik het over kan hebben?”. Wat het meeste terugkwam – en ik simplifieer –  was dat, als er niets te zeggen is, dat mensen dan moeten leren zwijgen op sociale media. Net zoals we op Facebook ook onze tijd niet meer verdoen (of toch veel minder) met onzinnige statusupdates, is dat het volgende ‘rijpingsproces’ van de sociale media.

Het is niet erg dat er eventjes niet over of tegen je gekletst wordt. Get used to it!.

Jonge Wolven

logo_vierkant_med_resDe vorige column, waar ik de vloer aanveegde met de ‘oversharers’ heeft nogal wat stof doen opwaaien en discussie losgeweekt. Dat is fijn. En inderdaad, een zeer terechte opmerking is dat ik een wel zeer aanmatigende stelling verdedigde. Wie bepaalt wanneer iemand een expert is, en wanneer content goed genoeg zou zijn?

Laat er geen misverstand over bestaan, ik hou van alles wat met internet en sociale media te maken heeft. Ik kan dan wel eens mistroostig doen over oppervlakkigheid, de teloorgang van menselijke contacten of de vluchtigheid van de analyse. Het punt blijft: het is een fantastische omgeving om in te groeien en te leren.

Het feit dat ik dit stukje voor mijn lievelingskrant mag schrijven heeft bijvoorbeeld alles te maken met mijn blogactiviteiten, met het ontwikkelen van een vaardigheid ‘online’ en niets met wie ik ken. Het gaat over het demonstreren van kennis en kunde, en het tonen van talent. In die zin is het internet een gigantische, lekkere etalage van know-how. Elke dag opnieuw zie ik wel ergens een jonge wolf die het met verve opneemt tegen een oude krokodil. Een ogenschijnlijk arrogant jongmens dat zich – niet gehinderd door enige vorm van conventie of regel – vragen stelt en antwoorden geeft op problemen, met een creativiteit waar ik ontzettend blij van word. Niet zelden haalt hij/zij dan de mosterd uit één of andere uithoek, hetzij geografisch, hetzij kennistheoretisch, maar de interwebs zijn hun bondgenoten.

Let wel, dat zijn jongens en de meisjes die zich niet inschrijven in de gevestigde ordening, maar die hun ding doen vanuit hun talent. Wat mij betreft zijn dat de nieuwe ambachtslui. Ze excelleren in iets, en maken dat te gelde. Of misschien niet eens te gelde, ze halen daar waarde uit, en levenskwaliteit.  En het is fantastisch om ze bezig te zien en ze tegen het lijf te lopen. Ze hebben hun eigen ritme, hun eigen waardes, ze schrikken er niet voor terug om ‘er even uit te stappen’ en te investeren in hun eigen ontwikkeling, ten koste van comfort.


Wat te denken van getalenteerde psychologen, die een goedbetaalde job als communicatiestrateeg laten schieten om barista te worden? IT-jongens die de firmawagen definitief parkeren om met wijn bezig te zijn? En dat zijn dan de klassiekers. Er bestaan ook anderen die het internet gebruikt hebben om hun droom substantie te geven, en nadien datzelfde medium gebruiken om te realiseren wat ze bijeen gefantaseerd hebben. Daar ligt de meerwaarde. Ik word daar blij van.

En het houdt niet op, ook in het onderwijs bijvoorbeeld zie ik dat ‘reversed learning’ meer en meer ingang vindt, en persoonlijk vind ik dat een zegen. Zonder sociale kanalen zoveel moeilijker te realiseren. Nog los van de andere voordelen die het biedt, je leert je studenten veel en veel beter kennen, niet alleen in je vakgebied maar ook daarbuiten.

Dus ja, hoe meer internet, hoe meer initiatieven, hoe liever.

Roept zo niet!

logo_vierkant_med_res

Alles heeft een modieuze naam. Elk fenomeen kan zelfs theoretisch onderbouwd worden. Extraverte tafelspringers die over alles een mening hebben en overal en alomtegenwoordig zijn. Vroeger heette dat gewoon irritante eikel. Nu verzorgt zo iemand zijn ‘personal branding’. U hoort het goed. Het persoonlijke merk.

U herinnert zich waarschijnlijk de tijd dat we het hadden over introverten en extraverten. Extraverten hadden het makkelijk om zich te uiten, riepen het hardst en het snelst, waren het grappigst op feestjes en de ware allemansvrienden. Als dolle dartele hondjes storten ze zich in het gewoel en lieten zich de strelingen en de bewonderende aaitjes welgevallen.  Altijd feest om zo’n beestje in je midden te hebben. Tegelijkertijd was er echter ook een grote consensus, ja zelfs een uitdrukkelijk vermoeden dat er geen oorzakelijk verband was tussen hun gevatheid en de diepgang van hun intellectuele causerie.

Integendeel zelfs, meestal ging men er zelfs van uit dat ze maar wat kreetjes bijeenwauwelden en dat je voor het echte, betere denkwerk beter af was met het muurbloempje dat aarzelend meningen onder voorbehoud formuleerde.  Ook niet juist.

Ik ben goed geplaatst – als extreem extravert – om mijn soort te verdedigen. Jaren heb ik de stelling verdedigd dat traag en onzeker formuleren geen garantie was voor intelligentie. Hoogstens van een vermoeden van bedachtzaamheid.

Maar de laatste tijd zie ik meer en meer het omgekeerde gebeuren en ik vind dat jammer. Het podium – de helaas bij momenten ijlig lichte intellectuele arena van de ‘social-media-denkers’ – wordt bezet, volzet met jongens en meisjes die erg succesvol zijn qua  ‘personal branding’.

Wat wil dat zeggen? Dat ze er in geslaagd zijn hun persoonlijk merk ‘mens’ te vermarkten in een bepaalde expertise.  Wat telt daarbij? De activiteit. Vooral de activiteit. Druk, druk druk, bezig zijn.

Presentaties geven, die presentaties vervolgens met veel poeha delen op slideshare, en daarover nog eens druk en uitbundig twitteren, kwetteren en kwekken.

En dat kunstje wordt herhaald, en herhaald, en dan zie je van bepaalde vrolijke kwieten tien presentaties over een bepaald onderwerp waar alleen de eerste slide en mogelijks de laatste verandert. Maar ondertussen zijn ze expert. Zelfbenoemd, zelfverklaard.  Of ze knutselen flinterdunne theoretische constructies in elkaar. Het rammelt aan alle kanten, maar  het klinkt oppervlakkig prachtig.  Als ze dat goed spelen dan krijgen ze meer volgers, meer fans, meer likes, meer lawaai. Dan zijn ze influential, en krijgen ze een hogere Klout score.

Klout score, de heilige graal van je social media gewicht. Hoe meer je geneuzel opgepikt wordt hoe hoger.. De universele maat voor je expertise… in sommige gevallen klopt dat, maar verre van altijd.

We evolueren naar een  zogezegde kennismaatschappij waar de roepers, de ‘oversharers’ en de herkauwers maar al te gemakkelijk een veel te groot gedeelte van het forum pakken.

Het ontwikkelen van juiste en iets diepgaandere theorieën dat vraagt tijd. En die hebben we niet. Want we moeten roepen en bezig zijn met onze conversatiemanagement aanpak.

Flitsend blinkend koetswerk, maar een heel, heel licht motortje, daar kom je niet ver mee…

Controle? Vergeet het…

logo_vierkant_med_res

Onlangs vonniste het Britse Hooggerechtshof dat platformen als Google juridisch ter verantwoording kunnen worden geroepen voor lasterlijke reacties die op blogs geplaatst worden. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik word daar niet goed van. Het lijkt mij weer één van de vele manieren om toch maar te proberen om controle over een medium te krijgen. Controle die je eigenlijk al lang niet meer hebt.  En als je nog wat verder nadenkt, controle die je ook nooit meer gaat terug krijgen.

Als leek in de rechtsspraak/rechtsleer onthoud ik het volgende. Bloggers posten hun meningen en visies op platformen. Ze kunnen dat vrijuit doen, mits inachtname van een aantal welvoeglijkheidsregels. Dat heet volwassenheid. Wanneer één of andere nitwit dat platform misbruikt, voor een slecht doordachte post of een scabreuze reactie, dan is dat in mijn ogen helaas een democratisch basisrecht.

Verantwoordelijkheid
Het is mijn democratisch recht als lezer om dat hele verhaal te negeren. Ik kan reageren, ik kan een petitie opstarten of een betoging plannen of och kom, nu we het er toch over hebben, ik zou het hele geval ook kunnen hacken en stoute dingen kunnen doen (maar dan ben ik wel een misdadiger). Wat ik ook kan is naar een instantie stappen en klacht neerleggen om één van die zovele redenen die aangehaald worden in de wet. Laster, eerroof, goede zeden, racisme, noem maar op. Dat zou moeten volstaan. Toch?

Nu heeft men het zover gedreven dat men – daar waar men de identiteit van de auteur niet kan achterhalen – men de uitgever, zeg maar de infrastructuurprovider (Google, WordPress, noem maar op) wil verantwoordelijk stellen. Dat is verschuiven van de eigen incompetentie, en het de facto belemmeren van een activiteit.  Die providers worden op deze manier verplicht om mechanismes (lees: controle op content) in te bouwen.

Gezond verstand
Niet alleen vind ik dat flauw, ik ben ervan overtuigd dat het niets gaat oplossen. Zodra Google of WordPress te stringent worden in de voorwaarden om iets te posten, en dat afhankelijk maken van een – soms bedenkelijke – burgerlijke moraal, zal er een verschuiving optreden. Er zullen altijd anderen zijn die dezelfde infrastructuur en dezelfde mogelijkheden aanbieden en er zal niets opgelost geraken.

Probeer er misschien een keer van uit te gaan dat het internet in vele gevallen een zelfregulerend medium is, waar je al eens een schandaaltje kan schoppen, maar waar voor het overige erg veel gezond verstand regeert. Bagger zal opgemerkt worden, zal één keer scoren en daarna niet meer, of toch niet lang.

Kijk naar Twitter. Kritische geesten worden er gevolgd door mensen die kunnen omgaan met andere meningen. De discussies zijn heftig, maar de keuze om je er aan te onttrekken is geheel de jouwe, en dat werkt. Je moet niet repressief reguleren, met de bedoeling om controle te behouden, het komt allemaal goed, echt wel. Laat het gewoon los, het lost zich op.

Yelo en de twittersfeer

Onlangs werd mij gevraagd of ik wou deelnemen aan een experiment. Twitteren en tv kijken. Niet voor het goede doel, maar voor de reclame. Van de yelo app van Telenet. Ik vond dat een fijn plan. Om verschillende redenen.

Ten eerste, het heeft wel iets. Heel dikwijls voegen twitter commentaren geestigheid toe aan anders redelijk flauwe programma’s. Het absolute hoogtepunt  is in dat verband het Eurovisiesongfestival. Volgens mij heeft dat het aan twitter te danken dat het niet totaal in de Oosteuropese vergeetput is terecht gekomen, wegens ten enen male te weinig pluimen in de kont om nog aantrekkelijk te zijn. Zelfs een niet onintelligent mens als PDW geniet er van, of de onvolprezen Nico Dijkshoorn. Wie ben ik dan wel?

Ten tweede. Twitter is erg valabel geworden om het reclamezappen tegen te gaan. Uitgesteld kijken en tegelijk geestig zijn op twitter, het zit er niet in, dat zijn vijgen na Pasen. Je moet het moment meepakken. Oude gezelligheid  in een nieuw jasje, allemaal samen voor de buis, al dan niet met een tablet op schoot.

Ten derde. Ik vind Yelo als idee ongelofelijk sterk. Critici zullen opwerpen dat het vastloopt en dat het nog niet perfect is, dat kan allemaal wel zijn, maar toch is het ‘nice thinking’. En het toevoegen van een twitter module is éénvoudig lekker verder gedacht. Als ik het gezeur hoor over slechte streaming denk ik altijd aan dit fragmentje van C.K. Louis (vanaf 1m43, maar het kan geen kwaad om het helemaal te bekijken.

Ten vierde. Ik ben  eerlijk gezegd een heel klein beetje uitgekeken op de kleine groep twitteraars. Ik hunker naar nieuw bloed, naar interessante en geestige mensen. Ik heb al eens gezegd dat ik het een erg democratisch medium vind, omdat geinige onzin een kans heeft en omdat saaiheid, domheid gewoonnaar de catacomben van de desinteresse verhuizen. Of tenminste niet verder doordringen. Dus ja, initiatieven waardoor één en ander aan elkaar gekoppeld worden en de twitter tribe uitbreidt. Waarom niet?

Het enige wat me aan het hele ding stoorde, was dat ik aangesproken werd op mijn commerciële motieven. Door de mannen van de rechte leer. Oprechte excuses dus, but then again.

Ik heb vier avonden aan een stuk telkens een uurtje wat over en weer getwitterd over een programma dat ik normaal niet bekijk. Ik vervuilde de twittersfeer met twee hashtags. En ik gaf een ipad weg. Big deal, bite me for it.  Het enige wat in de plaats gevraagd werd was een beetje geestigheid. Die is er niet echt uitgekomen. Dat is spijtig. Misschien zijn we met zijn allen toch minder geïnspireerd dan we soms zelf denken.

En ik ben vier uur van mijn leven kwijt, die ik niet terugkrijg, maar daar heb ik wel ook een ipad voor gekregen. Ik ken slechtere deals.

Spectre, The Date

Begrijp mij niet verkeerd, ik ben helemaal voor de sociale media. En ik ben blij dat men stilaan beseft dat daar ook iets mee te doen is. Vandaar dat ik mij soms in het gezelschap van illustere reuzen als @boskabout, @dipfico, @houbi en j’en passe, bevind om mijn mening te vormen over één en ander. Op uitdrukkelijke vraag van ‘de andere kant’. Ik sta daar voor open, inderdaad.

Omdat het meestal leuk is, en/of interessant. Het is een andere manier van werken, en van informatie door te geven. Een heel eerlijke ook. Maar er moet ook iets te vertellen zijn. En vooraleer u mij beticht van het ‘in de soep spuwen’. daarover gaat het niet, daarvoor ligt het mij allemaal te na aan het hart. Ik ga er even iets dieper op in.

Een paar weken geleden kreeg ik een verzorgde, mooie, ietwat mysterieuze uitnodiging.  In de vorm van een roodfluwelen hartje, met een handgeschreven tekstje of ik ‘Spectre’ wou ontmoeten. Het enige wat ik daarvoor hoefde te doen, was een mailtje sturen, en ziet.. het wonder geschiedde. Een -naar ik aannam – mysterieuze, en allicht wulpse, welgevormde dame gaf me plaats en tijd door van onze geheimzinnige date.

Voor alle duidelijkheid, ik was op voorhand gewaarschuwd dat er iets zat aan te komen, en dan speelt een mens graag mee, want normaal ben ik niet het type dat op blind dates in gaat. #justsaying.

Allen daarheen, dus op de bewuste dag. Een mooi pand. Prettige verwelkoming.Witte roos opgespeld, en begeleid naar een mooi appartement, alwaar hapjes en drankjes mij toegereikt werden. En waar het best prettig was. Ik moet eens een blogstukje wijden aan de verwarring die ontstaat tussen twitter handles en echte mensen. Je kletst en dolt er dag in, dag uit, mee op twitter, maar je hebt elkaar nog nooit in het echte leven gezien. Dat heeft wel wat, qua ontdekking. Zo ook deze avond.  Die zich voor het overige in niets onderscheidde van een normale, weze het dan bijzonder verzorgde receptie.

En nu moet ik iets bekennen. Ik ben eigenlijk een wijf. Ik weet niks van techniek, ik weet bijvoorbeeld ook niets over ‘janten’. Dat zijn wielnaven, of zo.  Tot op de dag van vandaag heb ik dat ofwel door mijn autoverkoper ofwel door mijn lief laten beslissen. Ik zie het gewoon niet. Ik zie het verschil niet tussen patserwielen en gedistingeerd. Tussen sportief, en oumannekes, tussen mooi en/of ‘niggawheels’.

Zo ben ik er ook achter gekomen dat ik geen BMW of Mercedes driver ben.  Door er mee te rijden. Je moet daarvoor kunnen rijden. Ik rijd graag met Audi, in permanente 4X4, dat durft al eens iets te vergeven als je nonchalant bent in de bochten. Waarom vertel ik dat? Omdat ik hetzelfde heb met pc’s. en laptops, en macs. Ik weet niet of iets goed of slecht is, ‘t is maar door er mee te rijden/werken dat ik het wel weet. Ik gebruik dat, verder reikt mijn interesse niet. En heel af en toe, in dat gebruik, merk ik dingen op die mij storen, of ergeren, of bijzonder bevallen. Zo werkt het bij mij. ‘Experience’, zoals ze dat nu noemen.

Terug naar ons feestje, dit interludium zal straks duidelijker worden. Ik mocht op een bepaald moment op intieme date met het Spectre geval. Mijn vrees was groot dat er achter de gimmick een techneut zou zitten die mij vanalles ging uitleggen over kloksnelheden, hertzen, processors en giga’s en giga’s geheugentoestanden. Mijn plan was dan om heel ernstig om een technische fiche te vragen ‘om het thuis allemaal nog eens rustig te bekijken’. Zo doe ik dat ook als ik ingewikkelde dingen zoals een televisie moet kopen.

Niets van dit alles, echter. Ik mocht plaats nemen aan een keurig gedekt tafeltje en recht tegenover mij stond een opengeklapte laptop. Ik mocht mijn naam intoetsten, en na wat  over en weer berichtjes was het gedaan. De rest zou ik later wel horen.

Leuk! Terug naar de vriendjes, en kletsen.

En toch weer niet zo leuk. Misschien ben ik wel te ernstig voor dit soort verhaaltjes. Maar ik vind dat er iets mankeert.

Alles was tot in de puntjes verzorgd. De uitnodigingen waren teasing, en prettig, de ontvangst was hartelijk, de hapjes en drankjes waren erg smakelijk. Het aanwezige volk was van het juiste niveau, ik heb me geen seconde verveeld. Ook de mensen van HP – ja ik heb er mee gebabbeld – waren uitermate behulpzaam. En toch ging ik met een kleine kater naar huis.

Ik kan het alleen maar aanmoedigen dat je ‘de stem van het volk’  wil betrekken in de lancering van een product of een nieuwe richting, of wat dan ook, maar doe dat dan meteen goed.

En wat bedoel ik met goed? Ik schrijf dit stukje op een Macbook Pro. Bij mijn weten een erg gebruiksvriendelijk toestel. Als die Spectre inderdaad concurrentie wil zijn voor Mac, laat het ons dan ondervinden, laat ons er mee op stap gaan, de batterij testen, de moeilijkheid of gemakkelijkheid om nieuwe netwerken te ontdekken, en op diverse printers aan te sluiten.

Geef mij zo’n ding voor een week of twee en ik kan er zinvolle dingen over vertellen. Maar laat er mij niet even naar kijken, twee zinnetjes typen, en dan klaar.  Dat is vervelend. Als het echt goed is, dan ga je het horen. En als het niet zo is, dan weet je meteen ook waar het aan schort. En daar draait het toch om?

Maar misschien schrijf ik het wel allemaal op deze manier omdat ik niet de gelukkige was die er één mee naar huis mocht nemen. Dat kan ook.

Gij moogt mijn vriendje niet meer zijn (Amable column)

Het ouderschap, het is nog nooit eenvoudig geweest, maar het wordt er de laatste tijd niet makkelijker op. De kindjes hebben er namelijk een nieuw pestmiddel bij ontdekt. De schuld? Die van ‘t internet en de sociale media, natuurlijk. Vriendjes worden op Facebook, daar gaat het over, dat schone privilege!

Het nieuwe stigma, of ‘t oude, ‘t hangt er van af hoeveel luciditeit je aan de dag legt. Het ‘vriendje’ zijn krijgt immers een totaal nieuwe dimensie. We mogen meespelen met de pubertruken van onze kinderen. Als we niet sympathiek zijn worden we ‘gedefriend’. Het heeft niets te maken met vriendschap, of wat dan ook, de kinderen hebben ontdekt waar het op aankomt, kennis is macht. En door ons te niet toe te laten tot hun ‘inner circle’, hun Facebook kudde, nemen ze macht af. Erger nog, ze brandmerken ons publiekelijk. We mogen geen deel meer uitmaken van de warme wolk van vrienden die onze kinderen omgeven. We worden voor kennissen, vrienden en familie aan de schandpaal genageld… ‘Hoe, zijt gij geen vriend met uw eigen kinderen op Facebook, amai!’ Het is een geseling, een stigma dat duidelijk is, en slechts door weinigen eervol gedragen. En eigenlijk is dat jammer. Want het is onbetekenend.

Er was een tijd dat ouders het totaal niet ambieerden om het vriendje van hun kinderen te zijn. ‘t Was zo al moeilijk genoeg. Opvoeden, kleden en eten geven volstond. En van wat er met de vrienden en vriendinnen gebeurde, daar trokken alleszins mijn ouders zich bitter weinig van aan. Tenminste, ze hadden ons op voorhand richtlijnen en kaders gegeven waarbinnen onze baldadigheden geduld werden. Die richtlijnen hadden te maken met tijdstippen, met hoeveelheden, met locaties. En heel soms met personen. ‘Ge kunt zien dat ge om 12u thuis zijt, niet zat, en als ik u uit ‘De Mascotte’ moet komen halen of ge zit weer bij die onnozele trien van hier twee huizen verder zal ’t uwen besten tijd niet zijn’.

Duidelijk, misschien niet al te subtiel, maar we wisten wel waar de grenzen lagen. Wat we daarbinnen uitspookten, daarvan merkten mijn ouders nuchter op dat het bij de jeugd hoorde, daar gingen ze zich niet druk over maken, ze hadden wel wat anders te doen, en ze wilden zelf ook nog een leven hebben.

En als ze via-via gehoord hadden dat we weer één of andere idiotie hadden uitgespookt, dan regelden ze dat vlot en kordaat, zonder hun bronnen prijs te geven. ‘Twee weken binnen, ge weet wel waarom!’. Wij wisten inderdaad min of meer waarom en accepteerden, omdat niemand er bij gebaat was om de dingen tot op het bot uit te zoeken. ‘t Kon immers alleen maar erger worden.

Achteraf bekeken was dat was eigenlijk fantastisch. Het sociale netwerk bestond toen ook, maar het was iets duister, niet voorgeformatteerd, of volgens bepaalde regeltjes. Nooit ben ik er achter gekomen hoe en waar mijn ouders hun informatie over mijn wandaden bijeenhaalden, maar ze wisten het wel altijd.

Dat is nu anders, het lijkt er soms wel op alsof we debiliseren samen met onze kinderen. ‘Hoe? ik mag geen vriendje van u zijn op Facebook? En uwe papa wel? ‘ Het is een status sysmbool geworden, een teken dat we goed bezig zijn, en op goede voet staan met onze kindjes,best friends forever of zo. Eigenlijk mag je er toch niet aan denken.

En die kleine etterbakjes weten het zo goed, dat ze er hun ouders mee raken. Net die ene die het eigenlijk goed meent. Die heeft het meestal het hardst te verduren.

Misschien ligt daar ook de sleutel voor een mooie Facebook relatie met uw kinderkens. Trek het u vooral niet aan en doe er vooral niets mee. Niet reageren, niet recupereren, niet ‘liken’, en eigenlijk ook niet lezen. Waarom zou je ook? Om door een moeras van taalfouten te waden en in een existentieel niemandsland terecht te komen waar niets gebeurt, tenzij informeren naar de staat van het ademhalingssysteem? ‘Hey, oewist, asemdenog?

Want er is eigenlijk niets veranderd in vergelijking met vroeger. Hun leven, hun leefwereld, hun speeltuin. Kinderen voelen haarscherp aan wat hun ouders al dan niet tolereren, en daar spelen ze mee. Ze weten ook dat die ene in staat is om alle clubfoto’s alle zotte chiromomenten te analyseren en daar A+B+C van te maken, daar waar de andere allicht nooit verder geraakt dan ‘ah ja, ik heb u op ne foto gezien met een jongen’. Liever dan tekst en uitleg te verschaffen proberen ze dat te ontwijken, Niks nieuws onder de zon.

Ik heb mijn hele leven slechts één keer iets gezegd op een foto van mijn zoon toen die een gigantische toeter wiet scheen te roken. Daarvan heb ik gevraagd om dat toch eventjes iets discreter te behandelen. De foto werd vervangen door eentje van hem met zijn zus, allebei met sigaretten en een dikke pint. Minstens even aanstootgevend. Ik had het begrepen. Het is een spelletje, laat je er niet in vangen, want het heeft allemaal zo weinig te betekenen.

De verafgoding van het eten (Amable column)

True Weight, Weightbot, Runkeeper, Calorieteller, Evernote food, Daily Butt Workout, Mynetdiary…  Misschien zegt het u iets, misschien ook niet. Het zijn apps. Apps, die ik, een gezonde vent van ergens in de veertig, op mijn smartphone heb staan. (Dat van die Daily butt workout heb ik verzonnen). Apps die van ver of van dicht iets te maken hebben met gewichtscontrole.

En waarom? Omdat ik een vent ben, met een welvaartsbuikje, en een hekel aan diëten, en een eeuwig schuldgevoel over slechte voedingsgewoontes.

Ik ben Bart De Wever niet. Ik kan geen 40kg afvallen met Pronokal of shakes of wat dan nog van dieet. Maar ik geloof uiteraard wel in apps, want ik ben een vent, met een onwrikbaar geloof in technologie en de wonderen die er door verricht worden.  Boys and their toys.

Het probleem met die dingen is dat ze meestal enkel genadeloos registreren wat je doet of niet gedaan hebt, of op een hele doordringende manier om input verzoeken. Echt corrigeren, zoals  – ik noem maar – een spinning fiets, of drie uur joggen, dat doen ze niet. Tenzij je natuurlijk zelf een beetje de kluit belazert, en er hier en daar een hondertal gram afpitst. Maar dat zijn de anderen, ik doe dat niet!

Het heeft iets kalmerend, elke morgen plichtsbewust je gewicht intikken, om vast te stellen dat het traag maar gestaag in de richting van de honderd kruipt, en dan goede voornemens maken om daar vanaf volgende week iets aan te doen.

Dat is de ene kant van de zaak, apps om gewicht en health te monitoren. Maar er is uiteraard ook een andere kant van de medaille. Het eten zelf, de receptjes, de menu’s, de boodschappen-geïntegreerd-met-de-recepten-en-de-winkel apps.

Ik heb uiteraard de’‘dagelijkse kost-app’, van mijn held, Jeroen Meus, en nog een tiental andere online food related toestanden. dat varieert van Nom Nom Paleo, over Jamie’s recipes, The Photocookbook over Gastro Euregio. Maar ook in de drankensector blijf ik me bezig houden, met DryncWine, Renaissance cocktails,  Je kunt immers nooit genoeg recepten hebben, zeker niet van cocktails en zo. Niet dat ik ze ooit gebruik, tenzij dan om te kijken wat ik niet kan maken, wegens geen ingrediënten in huis. En wel ongelofelijk veel goesting!

Misschien hebben de Maya’s gelijk, en moet deze beschaving er gewoon aan; met zijn bijna decadente interesse voor eten en koken.  Het is niet alleen in de apps wereld zo, het is ook nog eens het geval bij de hele entertainment industrie. Koks zijn de nieuwe rocksterren. En voor elke laag van de bevolking is er wel wat, in televisieland. Van platte uitlachtv op VT4 naar top competitie op BBC, met alle variantes ertussen.  En het eindresultaat is dat iedereen zich vrolijk maakt over de cuisson van zijn viandelle in de frituur en dat topchefs bezwijken onder de druk om steeds vernieuwender te zijn. Het gaat immers al lang niet meer over het streven naar perfectie in smaak en bereiding. Neen, het moet nieuw, verbazend en verrassend zijn. Iedereen heeft immers alles al gezien en geproefd.

Neen, veel gekker moet het niet worden.

DM Column : Het onnavolgbare volgen

DM COLUMN Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, is dol op Twitter. Maar hij ergert zich toch een beetje aan de ‘followers’ en het fenomeen van ‘terugvolgen’.

Op Twitter heb je ‘followers’ en word je ‘gefollowed’. Het zijn afschuwelijke woorden voor de vrijgevochten intellectuelen die we allen pretenderen te zijn. Ik vind dat ze daar een andere term moeten voor bedenken. Omdat het niet echt klopt. Of toch wel? Ik heb er alleszins mijn bedenkingen bij.

Voor mensen die Twitter niet kennen, heel kort waarover het gaat. De micro-blogdienst laat toe om berichtjes van maximum 140 karakters de wereld in te sturen, over zowat alles waar een mens tegenwoordig een mening over kan, mag en wil hebben. Je maakt een account aan op www.twitter.com en je kan aan de slag. Simpel zat. Alleen moet je natuurlijk wel een publiek opbouwen dat bereid is te luisteren naar je ongein, en daar knelt vaak het schoentje. Het aantal volgers als maat voor de aantrekkelijkheid van uw zieleroerselen. En hoe je zoiets moet aanpakken.

Het zegt u niet nog steeds niet zoveel en dat mag best. Voor sommigen is het echter een substantieel deel van hun leven, en zelfs van hun sociale contacten. Je kan daar vraag- en uitroeptekens bij plaatsen, het is gewoon niet anders. En het is ook niet verkeerd.

Zelf ben ik verslingerd op het medium. Mijn ochtendhumeur, de kwaliteit van mijn stoelgang, de ergernis bij weer een onverklaarbaar kleinhandelsfenomeen, ik kan het er allemaal kwijt. Sterker nog, er wordt op gereageerd. Ik krijg steunbetuigingen door gelijkgestemde neuroten, en word afgezeken door anderen. Het hoort er allemaal bij. Fijne oppervlakkige vrienden zullen we maar denken. Er zitten ook echte goede vrienden tussen, ja zelfs familie. Allemaal geïnteresseerd in mijn rijk innerlijk leven. Geweldig toch?

Op zich is dat natuurlijk een iets te simpel beeld van het gebruik van het medium. Ik gebruik het ook als doorgeefluik voor informatie en nieuws, voor de verspreiding van artikels en blogposts die ik schrijf, en simpelweg omwille van de geestige gevatheid van veel twitterati. Je leert nog eens iets, en je leert nog eens iemand kennen. Want het is al bij al een vrij democratisch medium.

Het is ook een erg eerlijk medium. In die zin dat je meestal gewoon doodgezwegen wordt als je niets interessant te vertellen hebt. Ik vind dat een geruststellende gedachte. Een kwiet die dag in dag uit zijn gram wil halen over groot voetbalonrecht, aangedaan aan FC Locomotief Genoelselderen, is meestal geen lang leven beschoren.

Omgekeerd ook. Vlaanderens bekendste prostituee, Hot Marijke, kan mij tot haar lezers rekenen. Gewoon omdat ze (soms) zinvolle dingen zegt, en soms dingen waar ik het totaal niet mee eens ben, waar ik dan ook meteen in de contramine ga. Je leert op die manier een heel klein beetje de mens achter een fenomeen kennen.

Anderzijds, fijne denkers, politici en hoogleraren die occasioneel een tipje van de sluier oplichten van wat hen privé bezighoudt en daardoor ergens wat toegankelijker worden. Ik kan het wel smaken, zo’n Geert Noels die het eens niet over de Griekse crisis heeft maar over die andere passie van hem, het fietsen.

Grappig ook hoe het allemaal wat verweven blijft. En lokaal. Mensen die we kennen, die we leren kennen. Neem bijvoorbeeld onze noorderburen met hun ‘open’ en brutale mond. Ik zie ze graag verschijnen om na een tijdje aan te geven dat ik het niet echt hoef, hun online scheldpartijen, en grote bek opzetten tegen elkaar. Dat hoeven wij niet, hier in Vlaanderen.  Andere cultuur, mijnheer. En eten uit de muur bovendien. En zo blijft de wereld toch maar lekker een dorp, met occasioneel wat verplaatsingen naar het buitenland, onder de vorm van Engelstalige tweets.

Wie mij beter kent, weet dat ik zo’n stukjes nooit schrijf zonder een opborrelend ergernisje. Nooit erg, nooit vervelend, maar een ergernisje, desalniettemin. De volgers dus, en het fenomeen van terug volgen.

Zoals een goede vriend van mij onlangs formuleerde: “De leerling kiest de leraar”. Dat is ook zo op twitter. En maar best ook. Een keuze gebaseerd op ‘kwaliteit’ van de inhoud. Mensen mogen daarbij zelf bepalen wat ze als kwaliteit zien. Voor de ene is dat humor en spitse taal, voor de andere is dat het herkauwen van white papers. Vrijheid, blijheid, je doet maar.

Maar ram het ons niet door onze strot, of probeer het ons niet op een slinkse wijze te verkopen. Want los van de semantiek, van het ‘volgen’, waar ik als heftig rebellerend mens toch mee worstel, Twitter heeft op dat vlak wel wat nadelen.

Hoe meer en beter je tweet, hoe meer mensen je beginnen te volgen. Die pikken dat op omdat je verhaaltjes verspreid worden, maar ook omdat ze op basis van erg specifieke zoekwoorden op zoek zijn naar mensen met bepaalde interesse.

Als je in een berichtje het woord koffie gebruikt, kun je er vergif op innemen dat je meteen ‘gevolgd’ wordt door een tiental koffieaccounts, die waarschijnlijk ingefluisterd kregen dat ze op deze manier ‘conversaties monitoren en deelnemen aan diezelfde conversaties’. En beleefdheidshalve (iets wat onze mama en papa ons geleerd hebben) wordt je dan geacht terug te volgen, wat betekent dat je hun berichtjes in je twitterstroom ziet opduiken.

Ik wens die verlichte geesten allemaal prettig irritante huidziektes en geweldig korte armpjes. Dat is geen conversatie volgen, dat is kortzichtig en opportunistisch omspringen met de zaken in de hoop op één of ander korte termijn gewin. Quod non. Bij mij toch niet (meer). Het resultaat is immers frustratie, ergernis en ruis. En dat is jammer. Door het ontbreken van echtheid, authenticiteit. En dat werkt dus eerder contraproductief.

Ik raad die mensen dan ook aan om dringend het uitstekende boek van Steven Van Belleghem te lezen, ‘De Conversation Company’, misschien gaan ze het dan wel begrijpen. Het is niet enkel een spelletje van veel mensen bereiken, het is vooral een verhaal van geloofwaardigheid en juistheid.

Wie mij niet gelooft, doe de test met volgend zinnetje en kijk wat voor onheil het je oplevert: “De Nigeriaanse transseksuele hoer bestelde nog een gin tonic terwijl ze cash ontving voor haar laatste blowjob”. Gegarandeerd lachen. En denk er in het vervolg aan, wij zijn geen volgvee!

Met drie in bed, liever niet (Bloovi column)

Ik ben verzot op het internet. Altijd al geweest. Hoe dikwijls maak je het immers mee in je leven dat een nieuw mediatype opduikt? Ik herinner me dat ik nog geprobeerd heb met een inbel-modem om de eerste site van het Louvre te bezoeken. Van 20u tot 22u wachten op het lijn per lijn inladen van de Mona Lisa.  Ik had een AOL account, en zelfs een village.uunet account.

Als er iets nieuws te proberen was, dan was ik er als de kippen bij. Legendarische vergissingen heb ik nog gemaakt. Second Life, ik word er nog om uitgelachen. Ik was er echt van overtuigd dat dat de toekomst zou zijn.

En altijd, altijd opnieuw blijk ik een haat-liefde relatie met het medium te hebben. Ik probeer, word enthousiast en dan besef ik de futiliteit, het tijdsverslindend karakter en ik haak af, of herleid het tot zijn ware proporties.

Heel af en toe, gebeurt dat ook door een externe factor. Ik heb net een heel betoog gepleegd over het ‘cheatgedrag’ bij het spelen van spelletjes zoals  wordfeud. Maar dat is niet de enige reden waarom ik afhaak.

Want vergis u niet, ik vind het zalig om contact te leggen met wildvreemden via een spelletje. Je komt al eens boeiende mensen tegen, elk met hun eigen verhaal, en meestal met een mooie dosis humor. Ik was op een gegeven moment een erg fervente Wordfeud speler, zoveel mogelijk partijtjes tegelijk, omdat ik dan niet hoefde te wachten. Serieel spelen, terwijl je aan’t schrijven of werken bent. Zalig gewoon.

Maar soms haalt mijn levendige fantasie het, en dan begin ik me van alles voor te stellen.

Zo was ik met een vriend op een avond een potje aan’t scrabblen, zo rond elf uur. Plots kreeg ik een invite van zijn echtgenote, ook een toffe madam, die goed met woordjes overweg kan. In principe maakt het niet uit met wie je speelt, misschien word ik zelfs niet geacht te weten dat het een koppel is, maar ik weet het wel. En het kan altijd dat hij op zakenreis is, en zij thuis, of omgekeerd, maar de vrouw in mij moet  het wel weten. Het is een verderfelijk trekje, ik weet het.  Beiden speelden niet onverdienstelijk, dus ik heb echt geprobeerd om het op zijn beloop te laten.

Na drie spelbeurten begon het echter te draaien in mijn kopWat bezielt een koppel om naast elkaar in de zetel te liggen scrabblen met een derde?  Ik heb behoefte aan het idee van fysieke verwijdering, en ja, van een stuk alleen zijn als ik zo’n spelletjes speel. Het komt nooit in mij op om wordfeud te spelen als mijn madam naast me zit. Dan kun je andere dingen doen. Dan moet je je laven aan mooie gesprekken, goede wijn en muziek. bijvoorbeeld. En ik weet dat dat achterhaald is, want er is ook niets sociaal aan het samen lezen van boeken, toch geeft dat een andere soort rust dan het getokkel op tablets.

 

Nieuwsgierigheid haalt het dan altijd bij mij. Ik moet het gewoon weten. Discreet polsen aan beide kanten  Bleek dat het koppel naast elkaar in bed lag, hij met de iphone, zij met de ipad. Wat een eindeloze tristesse. Het liefdesnest als plek van verveling en tijdverkwisting. en deze mens weer een illusie armer.

En dan haak ik af. Two is company, three is a crowd in deze.


Social Gaming, smerige bedriegers allemaal

DM COLUMN Hoe sociaal zijn ‘social games’ eigenlijk? Dat vraagt Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, zich af. Niet bijzonder, blijkt.

In de sociale media wordt er al eens gepraat over ‘gamification’. Een mooi woord waarmee bedoeld wordt: het toevoegen van een spelconcept aan een andere (meestal saaiere) activiteit, met de bedoeling de aantrekkelijkheid ervan te verhogen. Punten verdienen! De boel wat opleuken.

Mijn stelling? De mens is niet te vertrouwen, en daarmee uit. We moeten ons daar toch eens over bezinnen. Die continue neiging om de boel naar de verdommenis te helpen door de regeltjes te omzeilen, wie help je daar nu mee?

Het stopt namelijk niet bij ‘gamification, er is alweer iets nieuw ontdekt in de sector: ‘social gaming’! De boerenjongen in mij vraagt zich dan af of er ook ‘asocial gaming’ bestaat. Dat is dan waarschijnlijk die eenzaat die maniakaal probeert zijn oog-hand coördinatie te verbeteren door zijn spelconsole te bedienen terwijl zijn andere hand een blik Red Bull en wat chips beroert.

Maar ‘social gaming’ dus. Samen spelen, gebruik makend van de menigvuldige ‘sociale’ platforms die de interwebs aanreiken. En waar het meteen ook misloopt. En waarom ik mij er in opwind.

Zo’n jaar geleden was er een spelletje: Wordfeud. Een soort eigentijdse Scrabble. Je speelt het tegen iemand anders, online, op een Scrabblebord. En tussendoor kan je nog gezellig keuvelen ook. Chatten heet dat dan. Een absoluut jeukwoord, maar dat terzijde. Een erg leuke actualisatie van een fijn spel. Ik was er meteen voor gewonnen, want ik hou wel van spelletjes.

Nu ben ik zelf redelijk goed met woordjes. En mijn vriendin ook. Toch kregen wij keer op keer op onze donder van mensen die we kenden via Twitter en er daar nooit in slaagden een tweet de wereld in te sturen zonder taalfouten. Het zegt niets, maar het zegt toch iets. Want op Wordfeud ontpopten ze zich tot heuse taalvirtuozen, die monsterscores haalden met de woordjes die ze op het bord smeten. Ik begreep er niets van en begon licht existentiële problemen te vertonen.

Tot mijn vriendin me wees op het bestaan van allerlei hulpapplicaties: kleine programma’s waarin je jouw lettertjes kan ingeven, soms zelfs met een zicht op het spelbord, en vervolgens toverden de apps de meest lucratieve woorden tevoorschijn. De vooruitgang van de technologie hé. Je hebt er geen verweer tegen.

Mijn lijdzaam verzet bestond er uit om systematisch éénlettergrepigen te produceren. Een zachte blinde in het land van de veelogen. Ik juichte hun gebruik van taal immers toe, ze konden er misschien iets van leren. Mijn vriendin gooide het spelletje gewoon toe. Als we het nu nog eens spelen, dan is het live rond het bord, met haar zoontje erbij en een glas wijn op tafel. Veel leuker, socialer en vooral eerlijker.

En toen ontdekten we Draw Something. Pictionary, maar met twee. Slim uitgedacht ook, want je speelt als het ware samen naar een recordaantal beurten. Hoe beter je tekent, hoe sneller de tegenspeler kan raden en vice versa. Hoe moeilijker het woordje dat je kiest, hoe meer punten je krijgt. Ik ben Picasso niet, dus kies ik meestal redelijk voorzichtig. Wat ik niet kan tekenen, daar begin ik niet aan, het is al moeilijk genoeg.

Groot was dan ook mijn verwondering toen bleek dat men ook daar de kluit aan ’t belazeren was. Gewoon door het te raden woord neer te schrijven. Niet eens als een rebus. Neen, gewoon schaamteloos, alle lettertjes netjes op een rijtje. Wat is dan nog de bedoeling? Een record bijeenharken op slinkse wijze? Wie bedrieg je daarmee? Ben ik dus ook mee gestopt.

In mijn honger naar ‘social games’ en de daar bij horende sociale contacten dacht ik het later nog eens gevonden te hebben: SocialChess! Ik vind het niet uit, het bestaat echt! Online schaken tegen een wildvreemde, maar wel met dien verstande dat je min of meer op eigen ELO rating kan kiezen.

Ik hou van schakers. Het zijn intelligente mensen, integer ook. Met liefde voor het spel. Die vinden het spel zo edel dat ze niet, nooit zouden ‘cheaten’. Zij hebben zelfs een erecode, de koning wordt niet van het bord genomen.

Wat had je gedacht. Het viel mij al op dat bepaalde spelers systematisch opgaven als ze met wit mochten beginnen. Onlogisch, omdat je daar toch een zet voorsprong mee hebt. Ze wonnen echter iedere keer weer tegen me, als ik met wit begon. En weet je hoe dat kwam? Omdat ze de partij naspeelden met een computer naast zich. Stromannen in een virtueel schaakspel, hoe triest kan je leven eruit zien. En dat alles om te winnen.

Neen, geef mijn portie maar weer aan Fikkie. Ik zal wel weer naar pornosites surfen. Op zich is dat wellicht ook sociaal te noemen.