Het droevige, alternatieve meisje

Het overkomt mij heel af en toe dat ik het openbaar vervoer neem. Ik zou het vaker moeten doen. Anderzijds, het openbaar vervoer is misschien wel openbaar, maar het vervoert niet zo heel goed, en het pakt verdomd veel tijd. En als ik de twittertjes mag geloven moet ik me meestal gelukkig prijzen, want ik maak de ergste drama’s niet mee.

Nu, ik wou het niet zozeer over de kwaliteit van het openbaar vervoer hebben, als wel over de mensen die het gebruiken. Allerhande pluimage, en best boeiend om daar verhaaltjes bij te verzinnen. Zo zat ik op de bus tussen Lochristi en Gent centrum (eigenlijk best een vlotte verbinding, ik ga die echt nog gebruiken) en tegenover mij zat er een jong meisje, vlotjes in een boekje te schrijven en te lezen. Dan ben ik al meteen geboeid, ik hou van mensen die aantekeningen maken. Die een beetje rusteloos alles in zich opnemen, en dat waarschijnlijk verwerken in woeste, smerige, levensbeschouwelijke verhalen, of kleine lieve aantekeningen over het eigen zijn.

Het meisje schreef en schreef, en keek niet op. Behalve om haar lipjes bij te stiften met een labello. Dat vond ik dan weer mooi. Ze was grof geschat dezelfde leeftijd als mijn oudste dochter, die dan weer veel minder in schriftjes schrijft, maar wel heel open in het leven staat. Soms zelfs wat te open, naar mijn smaak. Soms zou ik ze even ingetogen willen zien als dit meisje. Soms…  Mijn dochter houdt van bloemenjurkjes, van kleuren, van grappige handtassen, van rode schoenen, gele truien, oranje sjaals. Mijn dochter is geen trut, laat ons daar wel duidelijk over zijn,  maar een zelfbewuste, jonge vrouw, met een groot hart, en een fijn werkend verstand. Ze gaat naar Dour in een rood vichyruitjeskleedje, en is bij momenten een hele verzameling Amélie Poulains op heurzelve. Mijn dochter is ook luid, vrolijk en drinkt haar hele vriendenkring op een hoopje als ’t moet, ondertussen snedig opmerkingen lancerend over het leven.

Dit meisje had nooit mijn dochter kunnen zijn. Het was een herfstkleur kind. Ik werd er zelf een beetje treurig van. Alle kleuren moesten vaal zijn, en een beetje donker, en een beetje afgewassen. Ik houd daar niet van. Ik vind het ook iets niet-zo-fris hebben. Is dat omdat het leven lijden moet zijn? Omdat de donkerte van je kleren uitdrukking geeft aan je visie op deze troosteloze aardkloot? Ik mag hopen van niet.  Het meisje was amper twintig, ze had bovendien een erg lief gezicht, en ik ben er zeker van, mocht ze heur haar niet verstoppen onder een vaalkleurig mutsje, en iets meer fruit eten, dat ze er best appetijtelijk zou uitzien. Maar zelfs haar piercings hingen er een beetje neerslachtig bij…

Het is mijn heilige overtuiging dat je een doffe uitdrukking krijgt van linzen en graansoorten eten, zeker als het uit overtuiging gebeurt. Zulke dingen moet je eten omdat je ze graag eet… Soms, en dan weer eens iets anders. Gewoon omdat het lekker is en dat mag.

Ik vermoedde een grote soberheid, droevige reproducties van obscure Oost-Europese artiesten en treurige muziek en vreselijk moeilijke films. Zo van die draken die vroeger de Gouden Palm wonnen, en die na het bekijken ervan uitnodigen tot het nuttigen van liters slechte alcohol, omdat het leven nu éénmaal geen feest is.

Waar is het misgegaan als je al zo vroeg in het leven uiting geeft aan donkerte? Of ben ik te oppervlakkig? Ze heette waarschijnlijk Prunantia of Bérénice of zo, waardoor nog maar eens bewezen is, lieve toekomstige ouders, let toch op met de voornaam van uw aanstormend kindje…

Komen eten, maar dan echt!

Tiësto is geen rock ’n roll hero. Tiësto is een DJ. Punt uit, een plaatjesmixer. DJ’s zijn vakmannen die heelder zalen aan het dansen kunnen krijgen, en dat verdient wel wat respect, toegegeven. De Rolling Stones en The Who, bijvoorbeeld, dat was rock and roll.

Net zomin als DJ’s het zijn, zijn echte koks het. Want dat hoor je nu ook meer en meer. Een soort van idolatrie voor het kookwezen. De nieuwe rocksterren…  Ik geloof het niet. Daarmee wil ik ze hun sex appeal niet ontzeggen, dat hebben ze ontegensprekelijk, als ze passioneel over voedsel, bereidingen, en combinaties praten. Maar Rock and roll, dat is iets anders…

Vanavond heb ik rock and roll op een andere manier meegemaakt. De intuïtie van de hobby kok, maar dan erg zuiver uitgevoerd.  Dames en Heren, ik geef jullie…

Verse springrolls van kip met thais parfum
Pikant gelakte kippenboutjes met sesam
Vegetarische Chili
Varkenshaasjes met cashew en pompoen op paksoi
Moelleux met speculaasijs.

Gemiddelde leeftijd van de chefs, 11 jaar, en toegegeven, ze waren met twee. Spectaculair toch?
Verder geen inmenging van buitenaf.  Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt, en ik sta/zit nog een beetje na te genieten.
Twee jonge mensen, kinderen, besluiten om te koken voor hun ouders. We spreken over een meisje van 14 en een kereltje van 9. Ze beslissen zelf over het menu, maken de kaart, sturen de ouders erop uit om de ingrediënten te verzamelen, en beginnen eraan.

Ik ben sceptisch op zo’n moment. Ik ga uit van knulligheid, en goedbedoelde pogingen. En ik was verkeerd…

De kippeboutjes waren verrukkelijk gemarineerd, sappig, mals, spicy. De loempia’s, zoals je in het filmpje kunt zien, handgemaakt, en onwaarschijnlijk smakelijk en verfijnd.  Ik kan niet zeggen dat ik tot tranen toe geroerd was, maar ik was wel bijzonder aangenaam verrast.

Toen moest het beste nog komen… Chili.
Ik houd van Chili zoals het in 37°2 Le Matin beschreven werd; 24 uur pruttelen en heter dan heet, … met vlees.  Dit gerecht was geurig, zonder vlees, en moest in niets, maar dan werkelijk in niets, onder doen voor echte chili, het werd ook  gevreten door allen aan tafel. Spicy, maar niet té, smakelijk, en fijn, een streling, zoals het moest.

En toen kwam nog een klapper… Het varkenshaasje. Ik moet helaas bekennen dat ik nu zo stilaan hoopte dat het fout zo gaan, en toch ook weer niet.  En kijk, er werd een dampende wokpan op tafel gezet, en alles klopte.  De groenten beetgaar, en juist, en prettig oranje en groen. De ‘cuisson’, wel ja, laat ons het er over hebben: de cuisson was zoals het hoorde, en iedereen probeerde stiekem nog zo wat uit de pan te prusten, want het was gewoon een feest. Jacques Brel zei ooit over de Salade Liégeoise van Wijnants, que cela ne se mangeait pas, çà se bouffait! Welnu, hier was dat ook.

Bij de moelleux zou het wel misgaan, toch? Nooit in hun leven zouden twee snotapen erin slagen een chocoladecakeje klaar te garen dat voldeed aan de verwachtingen. Niets was echter minder waar. Met tijd, goesting en kennelijk toch ook wel wat ervaring deed de jongste wat er van hem verwacht werd… “ik klop nog efkes door, want het is nog niet luchtig genoeg”.
En nadien kwam er op het bord een meesterlijk dessertje, warm en luchtig vanbuiten met een misdadig warme en heerlijke fondant middenin.

En toen gingen ze op de kinect spelen, want ze waren het beu…en ze waren blij.

Koken is een kunst, maar koken is vooral intuitief voelen hoe het goed zit. Deze kinderen deden dat, met liefde, met veel lachen en met een zekere sérieux in de voorbereiding, maar zonder er bij te stressen. Ontroering toont zich in vele vormen… deze was één van de mooiere. Op weg naar huis  zei de jongste… ’t was veel werk, maar ’t is wel plezant zo…’

Geen gezeik, geen gezever, gewoon komen eten, door jong talent.

Dank je Robbe en Sofie…

3 doden…

Zoersel. Vrijdagavond, een aantal gezonde dertigers, veertigers vieren een verjaardag in een dorpscafé, De Pelikaan. Drank, lachen, dansen en praten. En nog, en nog. Om twee uur gaat het café dicht, en kunnen we ons vrolijk maken over de toch wel heel erg opzichtige alcoholcontrole die we honderd meter verder al kunnen zien, zwaailichten, blauwe lichten, knipperlichten. Zoals altijd, één front van zatterikken, feestmannen en olijkerds tegen de flikken. Sommigen willen er zelfs naar toe stappen om wat te lachen. godzijdank hebben we dat niet gedaan.

De volgende dag op www.deredactie.be: dodelijk ongeluk in Zoersel, drie doden, vermoedelijke oorzaak overdreven snelheid. Leeftijd van de slachtoffers, 19 en 20. 19 jaar. Alles moet nog beginnen.

Het is nu zaterdagavond en het laat niet los. Waarom is het nu zoveel meer dan elk ander anoniem bericht dat wekelijks, dagelijks in de krant verschijnt? Nabijheid alleen kan het niet zijn, al is het eng te beseffen dat mensen sterven op nauwelijks honderd meter van je vandaan.

Schuld misschien, en het besef niet onsterfelijk te zijn? Wij deden wat zij allicht ook deden, feesten, plezier maken, overmoedig zijn, morsen met het leven. Zoals ik altijd dacht dat het hoorde. Voor hen liep het slecht af, voor ons niet. Deze keer niet.

Erger nog, ik heb een zoon van 19. Hij is onsterfelijk, in zijn hoofd, in mijn hoofd. Hij rijdt goed met de auto. Ik vind dat, hij vindt dat ook. Hij is verstandig. Ik denk dat, en hij meent dat. Ik twijfel nooit om hem de sleutels van de auto te geven. En nu wel. Ik weet dat ik er niets kan aan doen, net zoals ik hem er nooit kon voor behoeden om met zijn fiets te vallen, of dronken te worden, of de verkeerde vrienden te ontmoeten. Ik heb altijd geweten dat dat zich wel zou keren, ten goede. Dat is ook gebeurd.

Maar een auto ongeluk. Drie vrienden die uit de bocht vliegen, gebrek aan controle, ervaring, wat overmoed. Niemand is er vrij van. Onze kinderen niet, wij ook niet.  Als de reflectie en de zwaarmoedigheid zo hun weg vinden,  bij mij, wat moet dat dan zijn voor de ouders en familie van die jongens, en voor hun vrienden?

Een zwart weekend op de weg. Inderdaad, voor het eerst zo tastbaar als maar mogelijk is, en ronduit afschuwelijk.

Moest het even van mij afschrijven.

Zurig gebourgeoiseerd

“Hij gaat toch niet kakken?” Met deze licht enigmatische en alleszins onverwachte vraag werd ik vanochtend begroet door een ‘fijn’ mens. De mens in kwestie was bezig met afkuisen van de onderkant van zijn auto. U hoort het goed, de onderkant! Met een borstel. Vanochtend, weet u wel, na sneeuwgisteren en zo. Zijn wagen – en die van het wijfje waren beiden smetteloos aan de buitenkant, maar die onderkant, tja… met dit weer, je kunt er niet genoeg mee bezig zijn. Ik liep met de honden door één of andere chique villawijk waar de straten – sorry, de dreven – klinken naar vogeltjes of inheemse bloemsoorten. Op weg naar het bos.  Om te laten kakken zeker?

Ik heb een erg ambivalente houding tegenover honden. De meeste dierenliefhebbers, zijn daar licht fascistoïde in. Mijn eigen moeder zegt heel vaak : ‘wie niet graag dieren ziet, ziet niet graag kinderen’. Het verband ontgaat mij totaal.  Het leuke aan kinderen is dat je maar een beperkte tijd hun gevoeg moet opruimen, en dat er minstens een illusie van evolutie in aanwezig is.   Bij honden is dat toch veel minder het geval.

Ik hou van mijn honden, met de nodige bedenkingen; ik vind ze niet braaf, niet proper en al helemaal niet intelligent. Degene die daar mee afgekomen is, had zichzelf als maat van alle dingen gezien, en heel snel licht overtrokken conclusie getrokken met betrekking tot de trouwe viervoeter die hem vergezelde. Maar laat er geen misverstand over bestaan ik hou van mijn honden. (ik gebruik de vetjes om te vermijden dat ik straks van die HLN commentaar krijg dat ik niet waard ben om een hond te hebben, als ik er zo over denk. I beg to differ)
Ik kan me perfect verplaatsen in de ergernis van mensen die het niet leuk vinden om hun kwijlbek in het kruis geduwd te krijgen, of enthousiaste voorpootafdrukken op hun kleren niet echt zien zitten. Ik vind dat overigens zelf ook niet fijn, en ben niet te beroerd om mijn beesten een knietje te geven als ze’t proberen. Ze doen dat dus ook nooit (bij mij).  Een hond is gewoon een smerig dier dat toevallig in huis mag rondlopen, anders noemden we het gewoon varken. En neen, ’t is niet omdat het ‘nen braven’ is, dat het beest te vertrouwen is.

En dan die drollen! Ik heb zelf het land aan hondendrollen. Ik wou dat er een afstandsoplossing voor bestond.  Ik moet er alleszins van kokhalzen, wegens ronduit smerig. Ik heb dus ook netjes van die kleine zakjes (wat heet, in mijn geval kun je spreken van industrieel afval) om het op te ruimen. En hier hoort nu een kleine nuancering, die ons terug op  het spoor van ons verhaal gaat brengen, want we wijken af.  Ik doe dat in dorpen, steden, parken, aan zee en op straten. ik ben veel minder geneigd te doen in bossen, duinen, weg van de wandelpaden.

Daar, ik heb het bekend! En heel eerlijk, als het winterlandschap verandert in een bruine moddersneeuwpap en één van mijn honden zit in een goot zijn metabolisme op peil te houden, dan vind ik dat ok. Vanochtend regende en dooide het. Heel hard.  En dan krijg je zo’n vent in een villa, die bezorgd is over mijn honden en hun uitwerpselen, nog voor er iets gebeurd is. Daar krijg ik het van. Er ging ook niets gebeuren.

U kent die villa’s overigens, ze kappen er de tristesse binnen per X5 en de cosmetica is alomtegenwoordig, en dan heb ik het echt niet over de  fond de teint van de dames.

Enfin, ik ben altijd redelijk vrolijk als ik er op uit trek met die beesten, het impliceert immers dat je er tijd voor hebt, en dat is altijd fijn. Ik had me eerlijk gezegd ook verheugd op een lange wandeling, alleen met wat overpeinzingen. Dus antwoordde ik naar waarheid en al lachend dat die van mij goed opgevoed waren. Het antwoord kwam prompt en brommend :  “Ja, Ja, ’t is hier altijd iets met die schijtbeesten”.
De finesse van de man was ongelofelijk. En al helemaal, wetende dat hij in een quasi doodlopende straat woonde. Echt niet de hondenavenue naar het paradijs.

Helemaal duidelijk werd het mij toen ik iets verderop een klein plakkaat ontwaarde. Je moet je voorstellen dat we hier spreken over een huis dat temidden van de bossen ligt, een tuin omzoomd met een dubbele rij haagbeuk én een afsluiting, gevolgd door een gracht en een kleine grasrand. En daar krijg je dan zoiets. ‘dit is geen hondenwei!’ Je zou van de weeromstuit toch je beesten leren om precies daar hun gevoeg te doen?

Enfin, to zover deze bespiegeling… verder alleen maar zinvol omdat ik lekker kon door razen over honden, sorry als ik ontgoochelde

Jeugdsentiment: du coté de chez Swan

Er gebeurt wat bij de middenstand in Lochristi. Ik heb eerder al gewezen op onze ambities om een soort lokale A12 te worden, een spuuglelijke drukke steenweg, met aan beide zijden de klassieke saaie winkels : textiel, keukens, auto’s, tuincentra, DIY  and the likes.

Maar heel af en toe bekruipt mij een warm gevoel als ik bezieling en authenticiteit voel. Ik heb al eens gerefereerd naar de beste viswinkel in de wijde omtrek en nu blijk ik ook nog eens gestoten op de fijnste opticien, of tenminste een originele brillenboer. En die jongen heeft het niet makkelijk. In het dorp van Lochristi zijn -tig brillenverkopers. Zijn zaak ligt echter helemaal buiten de dorpskern. Enige voordeel, hij heeft een enorme traffic builder aan de visboer. Vandaar dat ik er ook wel eens binnenstap.

We gaan het niet hebben over de olympische minima waaraan de kleine zelfstandige moet voldoen (vriendelijkheid, correcte prijzen, stiptheid, behulpzaamheid), dat is allemaal dik in orde. hij heeft mijn hart gestolen door zijn etalage. Een etalage met 45toerkes…

En eentje sprong er uit. Dave, de jongere broer van Claude François als het ware, die het weliswaar anders ging proberen. Wie van onze leeftijd herinnert zich niet de blonde god met het wijd open hemd en het kroezend borsthaar, fijnzinnig geaccentueerd door een paarlenkrans van de foute soort… En die hond… Latente homo-erotische fantasieën à gogo. Verder ook nooit meer iets van gehoord, wegens nu ja, niet echt mijn genre, het franse vederlichte chanson, maar voor Dave en zijn côté de chez Swan heb ik altijd een zwak gehad. Ook omwille van het falsetto stukje, maar vraag me verder niet waarom dan wel nog.

Als ik de clip herbekijk word ik zo gekatapulteerd in de gezellige huiskamer van mijn ouders. Dentellekes op de wijnsteenrode zetels, en hummelkes op de schoorsteenmantel. Een schaal rookgerei op de onyx/albasten salontafel, armleun-assepotjes op brede leren riemen.. u was er ook toen?

schoon, simpele tijden, met meezingers…

Dank u mijnheer de brillenboer, voor een fijn moment in mijn kop.

De Uggiformen van de Latemse Ladies

Mode, het is fascinerend. Volgens Wikipedia is mode :

de manier waarop kleding, leefstijlen en opvattingen of een bepaald taalgebruik (uitdrukkingen) op een bepaald moment in de tijd leuker worden gevonden. Mode was vroeger dat wat ‘voorgeschreven’ werd door de modehuizen, maar tegenwoordig meer en meer een afspiegeling van op straat ontstane kledingstijlen die dan door de stijlbureaus en mode bedrijven opgepikt worden.

Vaak is het op het moment zelf niet helemaal duidelijk hoe het modebeeld is.

Dat vind ik wel mooi. Op het moment zelf niet helemaal duidelijk.  Ik weet met zekerheid dat dat niet het geval is voor de Uggs. En al helemaal niet voor Uggs in Latem. Je kunt er namelijk niet naast kijken. Al die vrouwen zien er hetzelfde uit, op deze winterdagen.

Je kunt geen welvaartstraktor zien of er stapt zo’n mens uit : beige broek, of minstens toch een herfstkleur, van die lelijke, platte berenpoten, maar dan wel duidelijk gelabeled.

Het geheel ondersteund door een burberry accent uiteraard) en een jasje met kleine (fake) bontkraag.

Die dames zijn ook volledig onderling inwisselbaar, met asblond bijgewerkte carré’s, en van die lippen die met een potloodlijntje geaccentueerd worden. Ook herfstkleur. discrete maar dure oorringetjes maken het af, de zorgvuldig gemanicuurde handjes geringd en wel in mouton retourné  wantjes, maar dan van een fijner beest. En dan shoppen, bij de delicatessewinkel, bij de speciaalzaken,  achter kerstrozen, in en uit de 4×4. Druk, Druk, Druk!

Wat het in Gent mooier maakt dan in de andere metropolen van ons land,  is de fantastische manier waarop er – ook in deze context, door deze ‘madammekes’ – met de taal omgesprongen wordt.

Mevrouw Temmerman (van het gelijknamige  koekjes en thee imperium) placht te zeggen dat er in Gent slechts ‘Twie toale gesproke wurrden ; Fransch é Gentsch”. Welnu in Latem hebben ze daar een gecultiveerde variante op gemaakt, die bij momenten hilarisch is.

Zeg bijvoorbeeld niet ‘Goh, dat is immens!’, maar wel ‘Oh mon dieu, da es immaans, waarrr’ Waarbij de mon dieu er perfect uitkomt, naadloos gevolgd door e kleine woordeke Gentsch, staccato en met nadruk zonder de ‘t’, gevolgd door een elegant Gents/frans uitgedraaide immense, op zijn frans, maar dan langer en geaffecteerder. Liefst ook met licht rollende ogen ter hemel slaande.
Het geheel wordt afgerond  door een lang gerokken ‘waarr’, met een frans rrrke.

Ik herinner me dat ik lang geleden mijn eerste appartement in Gent huurde, en dat ik het toen al fascinerend vond, het Hooggentsch ‘Maaarr Alléz Rolandke, ze gaan zij dat niet doen waarrr,  die ‘ott’ weegpakkeu, ge ziet gij toch ook da dae serieuze meschen zijn, waarrrr… Enfin, quoi”. (Een ‘ott’ is een dampkap)

Heerlijk is het,  en daarbij al die complexe vervoegingen met alle varianten van wederkerigheid, sappige r’s, franse rollingen, gutturale g’s waar mogelijk.

En nu dragen ze dus allemaal “Uggs, waarrr, t’es nie schune moar ’t es dure, en ’t es lijk eel convivialle  en comfortabel als g’op de golf en Latem staat, mijn doouchter heeft dezelfde…” En die dochter is dus voorbestemd om  later even uitgedroogd, afgedieet en doordrongen van materiëel besef door het leven te gaan. Spijtig waa!

De verkavelingsbuxus

Liefst neem ik mijn honden mee naar zee, of laat ik ze lekker snuffelen in een bos. Ze schijnen dat leuk te vinden, de geur van rotte bladeren en natte grond, een heel specifiek pleziertje, niet toegankelijk voor mensenneuzen.

Maar heel af en toe komt de vileine mens in mij boven en doe ik een toertje door verkavelingsvlaanderen, op zondag ochtend. Mijmeren over het burgerdom.

Het is erg prettig om op zo’n wandelingen begeleid te worden door een aanzwellend geblaf van honden achter glas, die ongetwijfeld daarmee wat leven in de brouwerij brengen bij de baasjes en bazinnen, nog in diepe slaap door het bacchanaal van de vorige avond. De zon kwam overigens vanochtend op om 8u15, ik heb menig jong gezin een vroege start bezorgd vandaag.

Gaandeweg verandert één en ander tijdens zo’n wandeling. Het leven komt op gang. Rolluiken worden opgetrokken en schriele dametjes met fijne joggingpakjes staan het ijs van hun auto te krabben om kroost te kunnen voorzien van koffiekoekjes.
Stoere veertigers passeren snuivend op de mountainbike, het zondagochtend alternatief voor de midlife-Harley-crisissen.  Hier en daar zie je een treurig meisje voorbijfietsen, op weg naar een zondagbabysit, weg van het lief.

Maar wat mij op zo’n momenten het meeste bezig houdt, dat zijn de voortuintjes van onze Vlaamsche huizen en halfopen woninkjes. Proper, ontzettend proper! Bekaert draad, en imposante poorten en hekkens. ‘S avonds hebben al die kasteeltjes ook hun vanzelf aanfloepende spots als je passeert, ook plezant om zo een lichtspoor te maken.

De coniferen en buxussen in alle vormen, dat is waar het over gaat. Wie heeft dat uitgevonden? Waarom doen mensen zoiets? Ik vind het niet natuurlijk, ik heb nog nooit in een bos rondgelopen waar ze speelgoedstruiken op natuurlijke wijze gevormd hebben.  Wie beslist zoiets?

Volgens mij zit het in dezelfde categorie als de voortuin kärcherende, dodeblaadjesblazende, voegschrapende bijna-dood-venten. Als de dood om binnen bij het wijf te moeten klussen, kiezen ze zich iets waarvan ze weten : ik ben alleen, het ziet er uit alsof ik werk, en ‘die van ons’ laat mij gerust. Want eens je er mee begonnen bent, is er geen weg terug. De bollekes moeten bijgesnoeid worden, de haag moet glooiend in vorm gebracht worden.

En dan ’s middags bij de koffie en éclairs: ‘ Ja, ja, onze Fons en zijnen hof, hij kan daar dagen mee bezig zijn… maar allez, ’t ziet er toch netter uit dan hierneffest, want dat versta ik niet, dat ge met zo nen hof kunt leven.”

Het koppel van “derneffen” ligt ondertussen nog lekker languit in bed, te bekomen van de zoveelste vrijpartij, kruimels van de pistolets onder hun warm lijf, en het zal hun waarlijk worst wezen wat de natuur met hun tuin doet. Alles groeit en bloeit zonder inmenging. Tenminste zo stel ik het me voor…

Goede reclame is niet zo moeilijk

Elite reklaamIk heb al meermaals mijn verwondering, ja zelfs bewondering uitgesproken over pareltjes van effectieve reclamevoering door onze Vlaamse neringdoenders. En deze week heb ik een publicatie ontdekt die een staalkaart biedt van wat er zoal aan mogelijkheden bestaan.

Het blad zelf “Elite Reklaam” bestaat al van 1957 en op hun website staan een paar fotootjes (best wel leuk, echt waar) van eerste edities.

Maar de laatste tijd is het allemaal wat professioneler, wat entertainender, content is king, weet u wel. Dat begint al op de voorpagina, met deze vermakelijke quote “Een verliefde kater die voor zijn poes een delicatesse meebracht kreeg te horen : “Schat wat maak je me toch altijd weer zo blij met een dode mus.”… Hebt u hem? kat, dooie mus, cadeautje, dubbele bodem. De Druivelaar is weer helemaal terug.

Binnenin is het ook niet van de poes. ( hebt u hem, poes, etc. Jahaaaaa… nog eentje van deze lichting en het licht gaat uit… ik doe het echt niet met opzet: lichting, licht… )

Het restaurant De Poliander geeft bijvoorbeeld eerlijk toe hoe ze tot hun naam gekomen zijn. Wie mij kent weet dat ik dat iets fascinerend vindt, de namen van frietkoten en kleine handelszaken in Vlaanderen. Ik heb er vroeger al eens over gepost, toen de naam Lauraham mijn pad kruiste, maar nu is het daadwerkelijk bevestigd, meer nog, het wordt als verkoops argument gebruikt. Geniaal gewoon.

I give you : De Poliander, beste mensen! Een toepasselijke naam, gekozen door hun klanten.

Ik zie het zo voor me. Paul & Liliane die met kleine multiple choice briefjes hun vrienden en kennissen terroriseren en temidden van de keuzemogelijkheden genre “Het klein genot”, “Het fijn tafelke” , “De vleselijke zonde” prijkt daar ineens “De Poliander”. Iedereen is het er over eens, het klinkt goed, het geeft iets persoonlijk, mysterieus zelf.. voilà. We zijn er! toepasselijk en gekozen door hun klanten.

Maar er zijn andere pareltjes, kleine foutjes ook.

RiaHet is bijvoorbeeld moeilijk om ‘on message’ te blijven als de verleiding te groot wordt om goede copy te gebruiken. Rond deze tijd denkt iedereen aan sinterklaas, en dus is vrij associëren met het thema de boodschap. “Zie ginds komt de stoomboot”.. de verwachting van pakjes, cadeautjes. Maar dan gaat het mis.  ‘T is een lingeriewinkel, in deze tijd van bisschoppelijke perikelen klinkt dat al lichtjes voos, en het wordt helemaal onbegrijpelijk als er ook nog bijgeprakt komt dat de winkel op zondag 12 & 19 open is… Dan vaart de stoomboot immers al weer weg, en komt die andere dikke met zijn rendieren aangesneld.

Alle technieken worden in dit blad gebruikt, tot en met afschrikking.

‘T is misschien niet mooi, maar de mensen gaan twee keer nadenken, en dan komen ze wel kopen. Dat moet de reflectie achter deze geweest zijn.

Dat het ook omgekeerd kan, wordt dan weer door de volgende bewezen.

Een artikel dat in sé niet sexy is, krijgt hier de aandacht die het terecht verdient. Huishoudhulp via dienstencheques wordt mooi gepromoot, door verzorgde copy ‘Dankzij onze huishoudhulp ruikt uw huisje lekker fris’  + herhaling ‘Lekker fris’  (ik zeg het graag twee keer).  De mooi gedetoureerde en van halo voorziene beelden geven de compositie toch ineens een zeker ‘jenesaisquoi’, dat moeilijk te evenaren is, en ruikt naar vakbeheersing en métier.  Ik vind vooral de witte schijn rond de poetshulp, een fris ruikend meisje, erg mooi.

En dan gaa nwe over naar de echte pareltjes van het copywriten. Volgt u even mee. Er is het fenomeen waar we al op gewezen hebben, versterking door herhaling.

Vanuit een aspirationeel oogpunt wordt dat dan  droomkeuken, droombadkamer, en jawel, zelfs de droommaatkast. Alles qua droom behoort tot de mogelijkheden. U kan het zo gek niet bedenken of er is wel een droomoplossing, bij Krijnen Keukens.  En subliminaal versterkt hij dat nog een keer, die herhaling en zo, en dat het bij hem te doen is. Immers, wat lezen wij?

Eigen atelier, eigen personeel, eigen fabrikaat. Geef toe, dat had u niet verwacht!

Een andere vorm van steeds wederkerend plezier is de dichtvorm. Genre : Uw apotheker weet het zoveel beter, uw advokaat weet raad, uw dakdekker is erg lekker’.

Maar dat het ook anders kan, in een meer promotionele context : ‘ruil in, voor u tot 2000 euro gewin’wordt hier bewezen, tot zelfs twee keer toe met Phaedra Hoste in één foto…

Om af te sluiten geef ik nog even mijn favoriet mee, Elite Spaanplafonds.  Wellicht is enige link met het blad volledig toevallig, maar ook daar treedt een zekere versterking door herhaling op. Waarom is het mijn persoonlijke favoriet en hoogtepunt van deze editie? Deze advertentie bevat alles. Alles! Voor en Na beelden, gedetailleerde uitleg, call to action, voorbeelden, maar bovenal, een acrostichon. Hoe lang is het geleden dat u dat nog zag in de hedendaagse reclame?

Voor zij die het niet kennen, Acrostichon is een samenvoeging van de Griekse woorden akros (uítstekend) en stichos (rij, vers), en is dus een versvorm waarbij de eerste letters van elke regel gelezen kunnen worden als begrip, naam of boodschap, en kijk! Ik vond vooral mooi, dat ze twee keer highlighten dat  er OOIT meer scheuren en barsten gaan komen, en dat OOIT meer schilderen! zal van komen.

Bakkers en het goede doel : roze tietjes!

Er is kennelijk iets te doen rond borstkanker.  Vergeef me dat ik daar niet altijd zo alert voor ben. Het is iets  met roze lintjes en zo. Ik ben daar volledig voor. Outing en zo.  Ik geef ook toe dat ik de tel en de kleur wat kwijt ben, rond al die lintjes, en ook of ik er voor of er tegen moet zijn.  Sommigen zijn voor iets, anders zijn voor de bestrijding van iets, en nog andere zijn tegen iets. En het is ook tijdsgebonden blijkbaar. Dat maakt het helemaal moeilijk. Vestimentair ben ik al niet o’n held, om dan ook nog eens om de haverklap een ander kleurtje op te spelden… pffftt. Livestrong, dat zijn geen lintjes, dat zijn armbandjes, dacht ik.   Waar ik vooral ook voor ben, dat is in het ongebreideld loslaten van creativiteit op dat soort initiatieven. En nu niet flauw doen met azalea’s of marsepein, neen, lohs gehen!

Neem nu de bakker van mijn dorp. Naast de Jommekes- en Samson-broden, de Sonia Kimpe vermagercroissants en de St Hubertus mastellen werd hij geconfronteerd met de warme oproep om een creatieve actie te bedenken rond het roze bortstkankerlintje.

Bakkers zijn handelaars. Ze denken mercantiel. Iets langs de lijnen van 2 kopen, 3 betalen. Of omgekeerd, laat ons daar niet klein over doen. Die van mij heeft er een extra dimensie aan toegevoegd, een vrije associatie als het ware… Borstkanker, borsten… zal ik eens een paar appetijtelijke gebakjes maken, die daaraan doen denken? En afwerken met een framboosje om vooral geen misvattingen te laten ontstaan. Beeldvorming, weet u wel.

Het resultaat is erg bevredigend. Bakkers aller landen, neem hier een voorbeeld aan, zo hebben wij op deze druilerige novemberdagen ook nog eens om mild vrolijk gestemd opnieuw de herfstnevel in te stappen.

roze tietjes

2 kopen, 3 betalen

Broodpudding, just is just!

Broodpudding met chocolade? Een vloek

Wie mij kent weet dat ik graag eet. Verfijnd tot vettig, ik wil alles wel eens proeven. Waar ik echter niet tegenkan, dat is prutsen met klassiekers.  U heeft me al bezig gehoord over klassieke crème brulée, sole meunière en dies meer.

Men blijft mij echter tergen. Deze week zag ik bij een bakker – die het ongetwijfeld goed meent – broodpudding met een dikke laag chocolade. Dat kan toch niet meer…

Broodpudding, wij waren er thuis verzot op. Een gerecht dat in principe gemaakt werd van oud brood, met melk, suiker, rozijnen, eieren, om te verworden tot een dikke, zwaar op de maag liggende, relatief kleffe hap. Goddelijk. Met koffie.
Mijn vader draaide er bij momenten zefs vers brood onder, om meer te hebben, want hij kon het maken als geen ander. Heelder schalen stonden er dan in de keuken en alle mannen in het gezin lieten zich keer op keer verleiden om een stuk af te snijden en op te eten bij ieder bezoek aan die keuken.  Nooit flauw over gedaan.

En nu dus dit… een bakker die er iets verfijnd van wil maken. Ik ga voorbij aan het feit dat een bakker die zelf zijn oud brood moet verwerken niet zo’n heel goed teken is, maar dat is wellicht mijn achterdochtig karakter.

Broodpudding maak je thuis, dat is geen pateeke, dat moet niet verfijnd worden. De enige tolerantiedrempel die toegelaten is, is het nog wat erger maken door er flink wat rum door te draaien,  à la limite zelfs geconfijt fruit (wij waren daar pertinent tegen bij ons thuis. Alleen Sultana rozijnen. maar we gaan hier toch niet neuzelen? Mercantiele geest, het kan allemaal, maar toch liever niet. Voor je’t weet beginnen ze merveilleukes te maken met chocolade mousse, of zwaantjes met confituur in de plaats van slagroom.

Die normvervaging, die waarden… kom op, waar zijn we mee bezig.

Over opblaaspoppen en zo

Sorry voor de misleidende titel, maar dat klikt lekker aan! Het artikeltje gaat echt wel over opblaas-spul, alleen niet over die waar u wellicht aan dacht. Ik heb het over de grote, commerciële opblaasgadets.

Toen ik jong was, hing er boven de GB van Sint Agatha Berchem, nu ‘Den Basilix’,  eens om de zoveel tijd een zeppelin, met reclame. Als kind vond ik dat geweldig indrukwekkend. Het zette aan tot dromen. Het prikkelde de fantasie en de verbeelding.

Nu rijd ik regelmatig voorbij de Sleepy winkel in Oostakker, en sinds jaar en dag hangt er een grauw vormeloos ding aan een kraan. Ik vermoed dat het een hoofdkussen is, wellicht zelfs met een ‘wervende’ tekst op.Die kan je echter niet echt goed lezen.

Ik vind het veeleer triestig. De kraan suggereert ‘work in progress’. De groezelige kleur van het ding wijst op moeheid (allicht nog toepasselijk te noemen, in their line of business), en het hangt er al veel te lang. Eigenlijk is het pollutie, en daar zijn we tegen!

Het is een teken des tijds volgens mij, er zit geen droompje meer in.  ’t moet rap en indrukwekkend zijn, en misschien zelfs best ook zo goedkoop mogelijk, maar verzorgd, dat is er al lang niet meer bij.
En zo krijg je massieve opblaasbare zetels, die zo slecht geplaatst en bedacht zijn, dat ze volledig ingesnoerd met lelijke touwen staan te wiebelen op parkings.
Trieste luchtkolommen die flapperen, en lelijke, schreeuwerig uitvergrote objecten allerhande, die niet echt iets anders doen dan roepen en krijsen om aandacht. Dromen en verbazen is er echt niet meer bij.

Ik voel een guerilla actie komen, met scherpe messen en zo… nog net voor er weer allerlei kersmannetjes tegen de muren beginnen klimmen (die wil ik paintballgewijs aanpakken), en misschien gelijklopend met het vernietigen van pompoenen aan voordeuren, ’t is er het seizoen voor.

Runkeeper sucks : A new world record?

Mijn bodymass index is 25,5, ik ben een oude, ietwat troosteloze man, met een toogzweer, die soms nog eens een opstoot heeft van gezondheidsbesef, en dat wat gaat rennen.Als ik andere joggers zie, kan ik vrij snel zeggen of ze pijn hebben of niet. Vroeger had ik dan altijd wat meelij. Nu ben ik degene die meelijwekkend genoemd mag worden.
Hiernaast kunt u zien welke vreemde parcours ik mijn lichaam verplicht af te leggen als ik met sport bezig ben. Eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat ik wel degelijk  een keer of zeven meeliep met de 20km van Brussel, met tijden die variëren tussen 1u35 en 2u10. En dat ik vroeger atletiek gedaan heb, en daar niet echt slecht in was. Als dusdanig kan ik nog steeds tegen het lijf zeggen, nu rennen! en dan gebeurt dat ook.
Maar het huzarenstukje dat Runkeeper me toedicht? Nou, nou…
Ik ben gewoon een super atleet, een god in ’t diepst van mijn gedachten.  En mijn snelheid is nog niks afgebot, als ik de wondere wereld van de apps mag geloven.
En geloof me, in Zoersel Bos, kun je met geen mogelijkheid hoge snelheden ontwikkelen, zelfs niet achterop een motorfiets.

Ik ben een fan van applications en Runkeeper hoort daar bij. Voor het rennen zet ik dat ding aan, om al na vijf minuten te horen dat het weer geen top prestatie zou worden. Dat is niet erg, als ’t maar juist is.  Het kan ook moeilijk anders, als je al maanden niets meer gedaan hebt. 5 minuten lopen en 800 m lopen, daar wordt niemand vrolijk van.
Na 10 minuten was dat al drastisch veranderd, ik had toen ineens al 5 km achter die kiezen, en na 45 minuten bleek dat ik een gemiddelde snelheid van 37 km/u gelopen had, en op die tijd een kleine 28 km gelopen had. Hallo Olympische minima, here i come.
Niks zo vervelend als een applicatie die het niet doet, en daarna triomfantelijk over alle sociale netwerken heen uitsmeert dat ik mijn persoonlijke records gebroken heb. Dat zal allicht wel, ja!

Maar datgene waar ik me nog het meeste aan geërgerd heb, en de reden ook van deze post, is de link die dan doorgestuurd wordt, zeggende dat ik hun premium product niet gekocht heb!
Welnu als het basis product al zuigt, waarom zou ik?
Iemand die waardige alternatieven kent? Of die me kan uitleggen waar het fout gegaan is?


Verboden te skaten!

In Boom is er een stemmig restaurant langs de oevers van de Rupel. Ik zat er onlangs in vrij aangenaam gezelschap en alles klopte. Een relatief nieuw restaurant, weliswaar geen toonbeeld van design, ook al hadden ze dat nagestreefd vrees ik, maar zeker een opwaardering van dat stukje dorp. Of moet ik stad zeggen? Nieuwe appartmenten ook, met uitzicht over de Rupel, het had  bijna iets bucolisch.
Ik parkeerde de auto en ging op zoek naar mijn gezelschap toen mijn oog getroffen werd door dit plaatje. Het zal u niet verwonderen dat ik zelf niet echt zo’n skater meer ben. Maar ik word triest van dit soort droeve, restrictieve bordjes. Verboden te skaten!
Met een uitroepteken.  En alsof het nog niet duidelijk was, verscholen ze zich ook nog een keer achter een of ander lam uitreksel uit het politiereglement. Man, man, man. hoe zielig!

Een goede vriend van mij is architect, met een prachtig herenhuis aan de Coupure in Gent. Toen zijn gevel volstond  met graffiti en ik daar een vraag over stelde, zei hij : ‘Ach, graffiti, dat zijn de puistjes van de stad, leer er mee leven, het gebouw wordt er niet lelijk door, alleen anders’.
Je kunt er een hele reflectie over opzetten, maar ik denk dat hij gelijk heeft.

Welnu, als graffiti de puistjes zijn, dan zijn skaters het bloed en het zweet van de stad. Er is toch niks leuker dan jonge mensen met een plank halsbrekende toeren te zien uithalen? Al helemaal niet als de plek ruim, rustig, met niveauverschillen en leuningen uitgerust is. Alsof het er voor bedoeld is.  Wie verbiedt zoiets, en waarom? Wie probeert in godsnaam van zijn steden en dorpen steriele ruimtes te maken, om zich nadien te beklagen over het hanggedrag van jongeren.

Zielige, triestige reflexen zijn het.  Maar ik ben een oude mens, dus verder is dat niet zo belangrijk 😉 , ik wou het gewoon even kwijt.

Ontroerend Amateurisme

Het wil al eens gebeuren dat een weekend zwerftocht uitmondt in het bezoek van één of ander landelijk etablissement, waar wijn en gerstennat tot de specialiteiten behoren.

Zo ook vorige zondag, in Olen of all places. Vergeet het dorpsplein, met zijn folklore-kroegen maar zoek het iets dieper. Wij deden dat ook en kwamen terecht in een heuse wijnkelder.

Uitvoerig bespreek ik die nog wel een keer, maar nu wil ik het even over iets anders hebben. Wie deze blog regelmatig leest weet dat ik een zwak heb – noem het ongezonde nieuwsgiergheid  voor mijn part – voor toiletten, en dus kon ook hier een bezoek niet uitblijven.

De muren van de smalle trap naar ‘de installaties’ waren weelderig geornamenteerd met de parafernalia van de wijnbeleving: smeedijzeren druiventrossen, houten plankjes met diepe volkswijsheden, weidse vergezichten van de Duitse moezelstreek, etc… U kent ongetwijfeld de stijl, zoals je die ook terugvindt bij verkeerde nonkels en tantes die graag naar Oostenrijk of het Zwarte Woud op vakantie gingen. Heimatsweinereien, James Last, en staalblauwe Opel Kadetts.

Heftig ontroerd werd ik door een tekstje dat ik bij deze ook laat zien, helaas weinig leesbaar door de gebrekkige lichtinval, waarvoor excuus.

“Alle materiaal om zelf bier, wijn, of kaas te maken, kan hier gekocht worden..Probeer het eens!”

Zelfs een call to action ontbrak niet…

Schoon, zo nog net een beetje reclame maken via een dymo apparaat , op een lelijke regenbuis, wie neemt het de Vlaamse neringdoender kwalijk.

Ik zie het hem denken… jammer van die buis in mijne gang. Oh neen, wacht, ik kan er geen kadertje op hangen, maar ik kan er wel een boodschap op kwijt.

Aldus geschiedde, en hij zag dat het goed was . En ik ook. Het is fijn toeven in sommige wijnkelderkes.

Duvel en Wijn

Duvel in een pintglas, dat smaakt niet.

Trappist, daar moeten minstens nootjes bij, maar liefst, liefst van al, drie, vier kaasblokskes, in zo’n klein wit porseleinen schaaltje.

Wijn is moeilijk. Uiteraard het lekkerst uit mooie grote fonkelende glazen,  met witte tafellakens en prachtige gesprekken. Maar wijn in een waterglas, smaakt, mits het juiste gezelschap, gesprek en de juiste textuur van keukentafelhout.

Voor wijn kunnen we het eens zijn, het gesprek is kennelijk bepalender dan  het glas.
Van Duvel kan dat ten enen male niet gezegd worden. Goed gesprek, shitty glas… won’t work. Grappig toch. Trappist in een colaglas, dat lijkt mij ook niet erg fijn.

De lekkerste cognac ooit, heb ik gedronken op een winterkamp in de de jeugdbeweging. We gaven toen wij als leiding alles van dekens en slaapzakken aan de jongens en meisjes  wegens verregaand te koud voor die kinderen, en besloten  manmoedig  om de nacht door te komen met elkaar, gesprekken, een klein kampvuur en  sloten slechte cognac uit gamellen… groots, mooi en onvergetelijk.

Ooit heeft een berggids eens een stuk worst en kaas uit zijn rugzak getoverd en bovenop een berg hebben we dat toen opgegeten met een geut fris water en nadien een appel. nooit lekkerder geproefd… Het was koud, iedereen was moe en hongerig, en toch was het juist.

Wat is dat toch met eten, en drinken dat alles moet kloppen en tegelijk ook niets…

Verder heb ik daar niets over te zeggen, maar het speelde wel door mijn hoofd, zoals dat soms gebeurt.

Soms ben ik zelfs gelukkig

Ik heb een tijdje geleden gekookt. Het is een postje dat een beetje is blijven liggen, maar ik moest er vandaag aan denken, en heb het dan maar opgerakeld, en afgewerkt.  Gekookt dus. Voor mijn kinderen, en een lief. Hij is lief. Het gaat dus om een lief van één van mijn dochters, wel te verstaan. Leuke lieven zijn leuk. Hij is ook slim, dat is meegenomen, maar daar ging het niet over.

Het koken en de apéro was leuk, en je voelde gewoon dat ze er zin in hadden. Mijn dochters zijn van de taaie soort: taalvast, kordaat en niet al te flauw als het op verbale animositeit aankomt. Ik houd heel erg  van de spontane gesprekken met hen. Gesprekken die kunnen blijven duren, die uit een flardje ontstaan en prettig openbloeien.

In die context blijf ik er ook van overtuigd dat de beste ideeën en discussies rond een keukentafel ontstaan. Geen fancy glasswork, geen duur eten. Wat ‘schellen’ beenhesp en een stuk kaas, en sloten eerlijke wijn, niet om dronken te worden maar om de gedachten te smeren.

En toen aten we, en ontspon er zich een gesprek, een gesprek over opvoeding en verantwoordelijkheid. Het ging een beetje de rechts autoritaire richting uit, wat ik niet zo leuk vond, maar dat komt wel goed. En ze kwetterden, en ze dachten, en ze spraken. En ja, ik was trots. Mijn meiden beheersen het hele scala qua argumentatie technieken en schrikken er niet voor terug om die te gebruiken. Het mooiste was eigenlijk nog dat ze die methode gebruikten, die ik hen aangeleeerd had, om bij mij te bepleiten dat ik niet echt een goede vader was, die ook niet echt bekommerd was om hen en gewoon zijn eigen zin deed. Een soort vakantiepapa/ oom, ne voenkel eigenlijk, volgens Clement Peerens.

Dat ze die hele argumentatie rustig konden opbouwen vanuit de warmte en het respect voor woord en opinie dat er van jongsaf ingehamerd werd is nooit ter sprake gekomen. Dat hoeft ook niet echt. Wat ik wel zag waren drie jonge vrouwen, die vanuit hun persoonlijkheid en temperament op een heerlijk eigenwijze manier hun punt trachtten te maken, en daar wonderwel in slaagden. En één lief dat de hele zaak zat aan te kijken, met ogen groot van het ongeloof. ‘Bij ons thuis zou dit niet kunnen’

Hij werd door mijn dochters bekeken alsof dat een trivialiteit was, wat bovendien onmogelijk kon waar zijn.
En dat maakte mij blij, en ook een beetje gelukkig. die meiden komen allemaal goed terecht, zoveel is zeker.

Tandartsen en Supermodellen

Vroeger had ik lelijke tanden, ik lachte besmuikt en was beschaamd om mijn ivoren wachters.

ik kon er wel alles mee eten, los door ijsjes knabbelen, ijsblokjes tegen laten tikken, ribbetjes en taai brood, allemaal geen probleem.

Na een jaar werken en ploeteren door een begenadigd tandarts (make no mistake, de man is een godswonder in zijn vak), heb ik nu een prachtige eetkamer, en zou – mocht daar reden toe zijn – breeduit kunnen lachen.

Alleen, ik kan er niet mee bijten, of ik durf niet, of het voelt vreemd, het doet zelfs een beetje pijn, verbeeld ik me . Erger nog, ik kijk op tegen eten, ongezien.

Ik eet nu puddinkjes, en vloeibaar voedsel. Dat kan toch ook de bedoeling niet zijn.

On the sunny side: ik vermager al lachend, ik vermoed dat supermodellen het ook zo doen. Er is dus nog hoop.

De fietser

Onlangs reed ik door een rustig dorpje. Plots werd mijn aandacht getrokken door een man van middelbare leeftijd, netjes gesteven broek, bordeauxkleurige polo, nette zijstreep in het onberispelijk gekamde haar, glimmende fiets.  Ik had er een foto van genomen, maar die ben ik jammer genoeg kwijt. U moet me dus maar geloven.

U kent het type? Ik weet niet wat het is, maar ‘Chinos en bordeaux polo’s van de betere merken’, bij mij roept dat al automatisch iets verkeerd op. En deze zeker. Hij viel me op omdat hij autoritair te kennen gaf dat hij, en hij alleen, nu, met zijn fiets, zou oversteken. Meteen! Molenwiekend met de handen, uitdagend gesticulerend naar het vierwielig gespuis. Hij kwam eraan! En Hij was een bewust zwakke weggebruiker, die verdomde goed wist wat zijn rechten waren. En niet alleen dat, hij zou zich laten gelden.

En hij  zou ze uitoefenen, zijn rechten en mogelijkheden, in de breedst mogelijke wijze, zoals ze hem door de instanties  toegekend waren. En het waren er een pak meer dan wij als stupide en agressieve automobilisten konden bevroeden, want hij had dat speciaal nog een keer zitten opzoeken op het internet, en er zijn internationale verdragen door Belgie geratificeerd die dat haarfijn uit de doeken kunnen doen.

Eén verkeerd manoeuver, één tik tegen zijn fiets, en immense claims rond morele schadevergoeding, lichamelijk letsel en ander onheil zouden ons deel worden. Dat voelde je.

Hij had vooraan op de fiets een tasje, nou ja, een flink uit de kluiten gewassen tas, met een micavoorstukje, waar fietskaarten in konden. Zodat je niet verloren reed. Hij had ook een snelheidmeter en verscheidene lichten. Zowel vooraan als achteraan.
Waarschijnlijk had hij ook wel ergens een kompas ingebouwd. En een dodemansknop  en alarmzender om het thuisfront te alarmeren bij langdurig wegblijven. Achteraan hing er overigens ook een tasje. Met fietsherstellingsmateriaal neem ik aan.

Bij deze man geen verrassingen, ‘ge moet zorgen voor uw materiaal’.  Het type dat voor alles een oplossing heeft, en waar de steeksleutels in de garage afgetekend op een bord multiplex hangen. Een enge man.

Onder de snelbinder een boek uit de bibliotheek. Waarom kopen, na één keer lezen is het toch maar om in de kast te zetten, en in die kast staan enkel de reeksen van Artis Historia, naast de fotoalbums van de reizen in de Alpen (neen we gaan niet naar ’t zuiden, dat zijn allemaal dieven daar, we zijn één keer naar ’t Como meer geweest dat viel nogal mee, Oostenrijks eten en zo, maar verder gaan we niet meer…).

Ik kan er niet aan doen, maar die mensen wekken bij mij een heel klein beetje agressie op. Het is te proper, te afgeborsteld, te berekend. Het soort mensen ook, dat er vast van overtuigd is dat ongeluk iets is wat je door je eigen zijnswijze over je afroept.

Brrr, een enge man op een fiets. Maar ik kan me vergissen natuurlijk. Dat zijn zo van die dingen die gebeuren in mijn hoofd…

Het postnummertje : voor ons databaseke….

‘Mag ik uw postcode, mijnheer?’
Het werd u ongetwijfeld ook al een keer gevraagd, in één of andere winkel. In zaken zoals ‘Fun’ of ‘Disport’, kan ik me er nog iets bij voorstellen. Meestal gaat het immers om het uitzoeken van de klantzone, het gebied waarbinnen een bepaalde winkel in staat is om klanten aan te trekken. Bij vele anderen trek ik een bedenkelijk gezicht en begin ik na te denken over het hoe en waarom van de zaak.

Ik draag lenzen, daglenzen – omdat ik niet de discipline heb om die dingen elke dag opnieuw in een potje te pleuren. Het is veel makkelijker om ze uit te doen, weg te smijten en volgende dag weer lekker helder te kijken met nieuw gerief. In de speciaalzaak waar ik die dingen koop, vragen ze telkens weer naar mijn Postnummer(tje). Want  net zoals in restaurants, waar je aperitiefkes, en gerechtjes op een bedje van… met een zalfje van…krijgt, moet ook in het retailgebeuren alles verkleind worden.

Een postnummertje dus, met een adresje, en dan gaan we alles mooi bewaren, in ’t computerke,  in een speciaal klanten’fileke’. De Gamma-mannen van het Peulengaleis maken school.

Door mijn ambulant leven, en mijn ondertussen legendarische onkunde in administratie en reordering, heb ik die krengen van lenzen  al in nagenoeg het hele land land besteld. Ja, ik wacht te lang, so what? En neen, lensonline is geen oplossing, dank u.

Ik ben van de simpele soort als het gaat over systeempjes. Niet achterdochtig, en eerder naïef optimistisch. Ik geef graag al mijn persoonlijke gegevens aan die mensen, omdat ik weet dat ze’t goed met me voorhebben. Ze gaan voor me zorgen, me cadeautjes geven, en van tijd tot tijd een kleine attentie sturen, zodat ik van ze ga houden. En als ik in de winkel kom, dan gaan ze blij zijn, en weten dat ik echt waar, al heel lang één van hun beste vrienden ben, en dan gaan ze me nog meer liefde geven.

Niet dus!

Ik liep voor de zoveelste keer een opticien binnen en zei dat ik lenzen moest hebben. ‘Bent u hier al geweest?’
‘Hier niet, maar ik sta in het “systeem’, Everaert, postcode 9080’. Sprak ik hoopvol. Ik werk ook graag mee, ik houd van de systemen en de meerwaarde die ze bieden.

‘Everaert hebben we niet,  Mag ik uw straatnaam?’ En toen de straatnaam ook niet werd teruggevonden, moest de hele reutemeteut opnieuw ingegeven worden, mailadres incluis. En toen kreeg ik mijn pakje lenzen, zelfs die kleine vreugdehuppel was mij niet gegund, dat ze minstens zouden gezien hebben dat ik -5 draag.

Geen cadeautjes, geen loftuitingen over mijn klantentrouw, geen korting. Niks, nougatbollen, niente, rien, de ballen. Bleek dat dat prachtige systeem enkel werkt als je alles invult. Bij mij waren ze de naam vergeten. En ondertussen zijn we twee maand verder en ik heb nog steeds niks gekregen… Zelfs geen mailtje.

Mijn vertrouwen in het systeem is zoek.

Jeugdsentiment : Piedboeuf

Een foto, ineens terug gevonden, tussen papieren en oud spul.
Ik zie me nog dat trapje van de winkel aflopen. Jan was er bij –  mijn oudere broer –  en het buurjongentje, wiens naam ik al lang niet meer ken. Zijn papa leverde fruit bij ons op school. Met een vrachtwagen. Daardoor alleen al kreeg hij mytische proporties. Jacques, of Roger, denk ik. Onze ouders zagen elkaar tijdens de weekends, en ik vond die van hen beduidend interessanter omdat ze een vrachtwagen hadden met hun naam op geschilderd. Enkel de brandweer was beter…
Maar daarover gaat het niet, het gaat over dat paneeltje, voor op de pui van onze winkel. Piedboeuf…

Piedboeuf. Ik heb altijd gefantaseerd over dat merk – of liever, het was een verhaaltje, geen merk, wij dachten niet in merken. Onze merken waren simpel en lagen erg dicht bij wat we beleefden… Bic, Kodak, Saroma, Jacky. Dingen van alle dag.

Piedboeuf. Een tafelbier.  De gruwelijk schelmse tekening. Het moeilijke woord..voor jongetjes die net konden lezen toch. Wat het niet allemaal oproept. Fris gewassen pyamajongens,gladgekamde zijstrepen, bij oma aan de stoof.

Piedboeuf. Pietje De Boef, we bleven er over fantaseren,mijn broer en ik. Nooit tevreden met de interpretaties, altijd blijven denken over wie dat bier nu eigenlijk maakte, en alle ongrijpbare beelden die dat met zich bracht.
Piedboeuf. Westvlaamse Madeleines. Eierkoeken met echte boter,  etend op ‘den toile ciré’ bij Mémé. Vliegen tellen die nog spartelend tegen de Vapona vliegenvanger klitten. De geur van zeep op steen, de pompsteen –  want er kwam nog echt water uit de pomp –  waar mémé ons ’s morgens rozig rood schrobde. Om zes uur ’s ochtends was het huis proper, om zeven uur werd het eerste kleinkind aan de pompsteen gewassen, afgeschuurd, geschrobd, om nadien boterhammen met groseilleconfituur te eten. En melk met een scheut koffie. Ze sneed brood tussen haar massieve borsten. De schellen waren allemaal even dun. Het ontzag van de kleinkinderen groeide per snede. Mémé had lang zwart haar, dat tijdens het ontbijt in een strenge wrong rond haar kop gedraaid werd. Voor ze bij haar dochters ging kuisen, met de fiets. Heel Pittem trok ze door… De vrouw van ‘ne zwarten’, maar daar trok ze zich niets van aan. Trots, lijfsbehoud en devotie. De vrouw was daar uit opgetrokken.

Piedboeuf. Donker, zoet tafelbier. In limonadeglazen, voor de kindjes. Terwijl nonkels met luide stemmen bralden en lachten. Altijd was er eten, altijd was er volk. Wij kregen schellekes salami en kaantjesvlees met gebakken patatjes. De nonkels kregen echt vlees… Rode oortjes, omdat we wat langer mochten opblijven en voelden dat de gesprekken tussen de ‘groote mensen’ over dingen gingen die ons niet aanbelangden.
Het zalig gevoel van doodmoe tussen gesteven, gestreken lakens, ondergestopt te worden door een strenge oma, nachtemmer binnen bereik. Nog even fluisteren over de voorbije dag, maar niet te lang, want we hadden schrik van pépé.
Pépé was waarschijnlijk de braafste mens die ooit op aarde rond liep, maar dat wisten wij niet. We probeerden enkel om mee te mogen. In de duiventil, in het konijnenhok, vanachter op de fiets. Naar het café, met ‘de constateur’ tussen ons in. Dat magische instrument, waar het bandje, het ringetje van de duif in zat. ik stelde me dat zo voor… en alle gruwels om dat ding van een beest af te krijgen.

Piedboeuf,de afkoopsom van Pépé, mijn grootvader. Hij wou uitzonderlijk ook een keer aanwezig zijn als één van de kinderen thuiskwam op zondag, maar de duiven toch moesten vallen.Ik was zijn petekind.  Ik kreeg  zijn stofjas en alpinopet op en mocht op het krukje in de tuin kijken tot de duiven vielen. Saai, maar een vertrouwenspost, en ik bleef op het krukje zitten.Na drie uur intens turen, begon ik te spelen, en verloor de duiven uit het oog. Pépé vloekte, maar besefte ook dat het eigenlijk zijn fout was, niet de onze. De bolwassing werd weggespoeld met een glaasje Piedboeuf. alles was vergeten, de grote prijs zou  volgende keer wel vallen. “Quimper, alle duiven  gelost”.

Piedboeuf. Ik ben 5, we wonen in Brussel. Een snoep/drank/sigarettenwinkel van mijn mama, met een speelgoedkraam. Een tijd van hoop en plezier voor mijn ouders, niet veel later bruut overschaduwd door grootstadsgeweld, waardoor niets meer hetzelfde werd. Zijzelf ook niet.
Snoep, drank, sigaretten. Een genotswinkel, verboden vrucht,  voor iedereen wat wils. Ook voor ons, Jan en ik. Bounties en Mars, daar ging het niet om. Het duurste artikel van het speelgoedrekje, een blikken fluitje van 5 frank. Jan en ik gingen het stelen, ’s ochtends vroeg, en werden betrapt. Geen Piedboeuf, minstens een week.

Piedboeuf. Het reclamebord, ontelbare keren met kindervingers beroerd, nu ineens heftig en levendig aanwezig. De onschuld van altijd mooie zomers en spelen in het Josafath park is weg. Niemand stond er ooit bij stil dat het maar voor even was, en vanaf later bittere ernst.

Piedboeuf. Nooit beseft dat een oud merk zoveel in zich kon dragen. Proust had het niet scherper kunnen stellen Proost!

Facebook en Jeugdsentiment

Heel af en toe haal ik nog eens wat vreugde uit het hele facebook fenomeen. Meestal is het ergernis. Onlangs kwam ik terug in contact met een oud buurmeisje, niet omdat ze mij zo leuk vond, maar omdat ze indertijd een gigantische crush op mijn broer had, en nu hoopte om hem via mij opnieuw tegen het lijf te lopen. Misschien interpreteer ik dat verkeerd, en dan verontschuldig ik me er graag voor.

In ieder geval, na wat over en weer geklets, kwam deze foto boven. Een regelrechte verschrikking. En mooi, in de onschuld. Afschuwelijke hemdjes, die nu vast weer in de mode zijn. en gruwelijke polyester broekjes, samen met leder look sandalen. Wie maalt er nog om croqs als je dit ziet?

Het was de tijd dat zomers nog zomers waren, en in mijn hoofd was ik ook gewoon een jongetje uit de buurt. We speelden met boog en pijl, we werden voor het eerst verliefd en we hadden onmogelijke projecten voor ogen, tunnels, tenten, mega valkuilen. Het leven was simpel. Duidelijk nog lager onderwijs. Alles zou veranderen in de humaniora.

Door datzelfde facebook kreeg ik later ook nog een oude klasfoto te pakken. ik ben zelf niet zo’n bewaartype, en heb ook niet echt overdreven heimwee naar die periode, dus dat was een schokkend weerzien.

Ik blijk nog steeds (1976) van geruite hemdjes te houden, en enige pathos is me ook niet vreemd, met brede riemen en foute horlogebandjes. godzijdank zie je mijn schoenen niet. Maar een stukje onschuld is al verdwenen. Het leven wordt menens.Het werd nadien alleen maar erger.

Facebook, niet noodzakelijk fraai, maar fijn om jezelf nog eens een keertje heerlijk fout tegen te komen.

Gosset en ambulante verkoop


Ik zit graag in het Gosset hotel. Ze hebben daar wireless, en stroom (zo mogelijk nog belangrijker voor Apple jongens). De koffiekoekjes zijn ook erg lekker. Maar bovenal, bovenal,… Het is het trefpunt van de ambulante handel in Brabant. Laat ons ‘aan de goeie kant van de ring afspreken’, weet u wel. De Carestel is daar ook goed voor.

Vertegenwoordigers, Handelsreizigers, een mooi woord, een uitstervende soort.
Ik kijk daar met een zekere weemoed naar, hoe oudere mannen met te dikke buiken (ja, ik heb er zelf ook één), met te zware aftershave en net iets te blinkende schouderdelen op afgedragen pakken, de geur van succes proberen te verspreiden, te handhaven.
Hoe het ecosysteem van een bedrijfje weerspiegeld wordt in de seminariegangers die daar ook altijd aanwezig zijn. Jonge wolven, die met opzichtige Italiaanse schoenen en té strakke broekjes genieten van hun jeugd en eerste professionele  succesjes. Verlepte maar gesoigneerde dames die drank en jong vlees combineren, in een roezige cocktail van verleiding en geilheid, als panacée voor de vergankelijkheid en de herinnering.
Gedesillusioneerde oude krijgers, die het allemaal gezien hebben, en enkel nog bezig zijn met het wachten op het welvoeglijkheidsmoment om een nieuw zwaar bier te bestellen. Een stukje van de wereld, en oh zo boeiend vanuit de persoonlijke dramatiek en de verhaaltjes.

Je ziet er ook nog pruikjes. Het bestaat nog.

Maar het meest kan ik genieten van de salesmeetings, tussen zenuwachtige vertegenwoordigers en hun gladde, succesvolle managers. Ik denk dan altijd aan “Zeepcentrale mark”, een ietwat schimmige organisatie die  zeep in bulk aan nietsvermoedende consumenten verkocht, in veel te grote verpakkingen. Ik herbeleef Kaas, Lijmen, Het Been, en ik geniet.

Vandaag zat er weer zo’n mooi stel. Hij blozend, strak gepoetst, van kop tot teen, een bonk van een vent, en zenuwachtig als een schooljongen, wegens het niet halen van de cijfers. De sales manager, breeduit charmant, joviaal, genietend van de macht.

De jongen begon ogenschijnlijk vlot te rapporteren, en ik zag de grijns van de manager breder worden en de zogezegde frons bedenkelijker. Open doekje, hij zou de jongen straks helemaal opeten.

De knaap verloor zichzelf helemaal in wijdse bespiegelingen over de markt, en de manager liet begaan. Hij sloop rond zijn prooi en wachtte geduldig. De ‘remediëring’ zou niet lang op zich laten wachten.

En inderdaad, een kwartiertje later was het zover, de salesmanager overliep de notities en maakte brandhout van de schamele succesjes, becommentarieerde links en rechts wat technieken en begon dan aan het stukje ‘persoonlijke groei’.
Dat is jargon voor ‘onder de grond schoffelen van wat er nog rest van je persoonlijkheid’.

Het is herkenbaar aan zinssnedes zoals ‘Je moet daar echt iets aan doen’. ‘Zo ga je’t echt niet redden’. ‘Ik begrijp niet dat je daar zelf niet aan denkt’…
Het heeft niets met verhogen van performantie te maken, ook niet met helpen, maar alles met het vastleggen van de pikorde, het ‘dog-eat-dog-principe’.
Haarfijn wordt er uitgelegd wat er allemaal verkeerd gaat, en wat er fout is aan de attitude, de aanpak en de instelling. Maar geholpen? neen hoor, daarvoor zijn ze meestal zelf te blij dat ze uit de slangenkuil gekropen zijn. Schema’s worden bovengehaald, voorbeelden van collega’s om te tonen dat het anderen wel lukt. Berekeningen, om aan te geven, dat hij met zo’n salaris, zonder commissie als vanzelf gedemotiveerd zal worden, en dat hij dus nu zijn persoonlijke entrepreneurial spirit moet bovenhalen. In godsnaam, als hij die had, dan was hij toch ondernemer geworden?!

De blozende knaap is ondertussen verworden tot een zielig hoopje blubber, roze rood achter de oren, met enorme zweetvlekken onder de oksels, en hij krijgt als afscheid een stevige handdruk van de Colgate lachende salesmanager : ‘volgende week beter hè, Johan, smijt er u ne keer achter, ik weet dat het kan!’.

Johan druipt af, groet de binnen gewandelde collega, de volgende in de rij, en dan, dan ineens zie ik iets mooi..
Hij loopt naar buiten, naar de glanzend gewassen auto, en hij fluit.
Herwonnen vrijheid, een week weg van het gezeik, me and my guitar, euh auto…

de volgende gelkop schuift aan bij de sales-tijger.

Ambtenarij : het doet wat met je taalgebruik

Het is sterker dan mezelf. Meestal denk ik dat ik redelijk helder schrijf.  Toegegeven, soms kan ik een lichte hang naar archaische, al dan niet overspannen tangconstructies, net (niet) bedwingen.  Verfijnd, oud taalgebruik, daar pleit ik ook schuldig. Vandaag heb ik echter iets griezeligs opgemerkt – bij mezelf – gemakshalve samen te vatten onder de noemer ‘literair kameleonisme’. Als het niet bestaat, is het bij deze uitgevonden.

Waarover gaat het?

Ik heb al een hele dag offertes en aanbestedingen zitten lezen en beantwoorden van allerlei leuke  overheidsinstanties en publiek-privatrechtelijke samenwerkingsverbanden. Organisaties die een woordgebruik bezigen waar een normaal denkend mens echt een punthoofd van krijgt.

Dat gaat maar door over percelen, over gemachtigde ambtenaren, doorhalingen, wijzigingen van essentiële opdrachten en gunningen…

En op het einde van de dag, nadat ik het gevoel had, zeer productief bezig geweest te zijn, wou ik een mailtje sturen, omdat ik zin had om een pintje te drinken.
En hoe zou dat er uitzien als het door één van de overheidsinstanties in België zou geschreven zijn, stelde ik me voor.

Normaal : ‘hey, goesting in een pintje of een stukske snijen en wat babbelen? laat iets weten waar en wanneer, ok?’
Qua communicatie, directheid, intentie en woordgebruik, lijkt me dat  simpel, duidelijk en direct.

Nu heb ik er dit van gemaakt, volledig in de sfeer van het ambtelijk geneuzel, waar ik al een dag in ondergedompeld zat.

Geachte,

Wetende en beseffende,

  • dat het onzeker is of u het überhaupt aangenaam vindt om contact van mij te ondervinden,
  • dat de onzekerheid nopens welk kanaal dientengevolge wenselijkerwijs dient gebruikt te worden om enige vorm van contact te hebben enorm is,
  • dat een eventuele slechte mediumkeuze  als storend kan ervaren worden wegens een gebrek aan selectiviteit, en dus een mogelijks nefaste impact kan hebben op de luim van het moment,
  • dat de trivialiteit mijner boodschappen nooit van aard is om u geredelijk in de pen te doen kruipen,
  • dat wij ons -van onze kant uit-  generzijds wensen te laten opmerken als opdringerige of in enig ander opzicht dwingende mensen

Maar tevens ook wetende

  • dat wij anderzijds wel redelijk goed van humeur ende goede strekking zijn,
  • en verregaand lichamelijk wensen uiting te geven aan dat gevoel, of alleszins toch zintuiglijk…

doe ik u bij deze kond van het feit dat het mij uitermate zou vergenoegen om u

  • ergens,
  • locatie  uiteraard door u te bepalen,
  • ooit,
  • tijdstip tevens door u vast te leggen, in een breder tijdsruimte continuum, waarbij geenszins exclusiviteit dient toegekend worden aan dit etmaal
  • te kunnen ontmoeten,

om één en ander te materialiseren.

Te dien einde heb ik het euvele en vermetele plan opgevat om u per mobiele telefoon te wijzen op het feit dat u electronische correspondentie in uw persoonlijke digitale brievenbus hebt…
Ik geef toe dat een dergelijke redundantie blijk geeft van weinig daadkracht, maar ik denk anderzijds dat het een ‘opportuniteit tot contact’ meer is, die mogelijks leidt tot een goede afloop…

Hopend op goed gevolg en ontvangst van dit schrijven, onderteken ik deze gedigitaliseerde correspondentie-instrumentaria, voluit en met mijn naam.

Uw beslissing en goedkeurend antwoord, met genoegdoening tegemoet ziende,

teken ik met meer dan oprechte hoogachting…..

Nou!!!!

Als u er niet moe van geworden bent, ik anders wel!

Er zit een vriend achter het papier, zullen we maar denken. Morgen is het weer beter.