Onder de deur

Schrijven is zalig… schrijven in een klooster, dat geeft je geen excuses meer. Er is allicht niet veel meer te doen. Schrijven met een vriend in een klooster, naar elkaar, ik wou dat ik er bij was geweest. Ik heb het helaas alleen mogen lezen, als manuscript, van een slimmer mens, die al eerder de behoefte voelde om dat te doen. Wie dus nu een klassiek Guido stukje verwacht, mag stoppen met lezen, ’t wordt een boekbespreking…. Neen, ik schrijf geen boekbesprekingen, ’t is gewoon een reflectie op wat ik aangeboden kreeg om te lezen.

Het is een experiment, en het doet vooral zin krijgen naar meer. Voor mensen die graag schrijven, en nadenken, over geloof, over leven, over echte mensen. Ondanks mijn bij momenten bijna niet te overtreffen oppervlakkigheid ben ik zo iemand. Geloof, daar heb ik me van losgerukt, zonder de zin voor spiritualiteit te verliezen. Mensen, daar ben ik blijven in geloven, ondanks de ontgoochelingen. Het leven, ik heb het gevierd, ik vier het nog steeds, en ik geniet er dagelijks van, hoe mijn kinderen de gretigheid over nemen.

In die zin is het een feest om in een betrekkelijke teruggetrokkenheid te kunnen nadenken over wat ons mens maakt tussen de mensen. Een zeldzaam privilege ook, om dat met vrienden, telkens opnieuw in een andere omgeving, en telkens opnieuw vanuit een blanco blad te kunnen ontdekken. Ik wou dat ik er bij geweest was. Quod non.

Wat blijft, is de neerslag van hoe anderen het er van af brachten. Bij momenten is dat mooi, en schrijnend, maar overheersend is in mijn gevoel, het idee van… had er mij toch maar bij gepakt, ik heb er zoveel meer over te zeggen, ik denk er zoveel langer over na… Hubris. U kent dat.

Het is niet eenvoudig om jezelf bloot te geven in een brievenboek, je weet immers dat de andere je leest, en beoordeelt vanuit een soortement feitelijkheid, een soort voorafbepaalde inkleuring van verwachtingen. Dat kan meevallen en tegenvallen.

In die zin is het boek een mooi schakerend beeld van ‘mannen in de kering’, die voluit in het leven staan en bij momenten er in slagen te verwoorden wat hen bezig houdt, en wat hen bang maakt. Maar ook wat hen troost geeft. Of dat nu in lijstjes gebeurt of in nauwelijks verholen bedes, doet niet ter zake, het feit dat ze’t proberen telt.

Dat is ook de reden waarom ik op mijn honger blijf. van sommigen wil ik meer weten, bij anderen interesseert het mij van meet af geen ene moer, omdat hun inzichten de mijne niet zijn,  soms wegens te oppervlakkig, soms wegens niet juist verwoord. Maar zelfs dat is confronterend en doet nadenken.

Dat is een mérite, en tegelijk ook een probleem. Moet het een boek worden, en voor wie? Wie er in geïnteresseerd is, staat er soms ook al verder in. Misschien is een Wim Kayzer-approach (Het Onderhoud) veel boeiender. Doorbomen, uitbenen, fileren, en tot de essentie komen.

Dat, veeleer dan om de zoveel weken proberen tot de essentie te komen met iemand anders. Maar dat is mijn mening…

Ik kan het overigens iedereen aanraden, om het boek eens te lezen. Al was het maar om stilte en reflectiemomenten bij jezelf op te zoeken.

http://www.onderdedeur.be./

Waarom kleine meisjes toch best zelf hun kamer opruimen

Afgelopen weekend was het weer zover. Oogappel nummer 4 kwam slapen. ‘En of het lief mocht blijven ook?’. Ik kan mijn dochters niets weigeren. Ik kan ze niet alles bieden, maar ik kan ze alleszins niets weigeren. Ook dit niet.

Liefst van al zou ik dat joeng (haar lief) onder de zoden schoffelen, maffiagewijs een paar betonnen laarsjes aanmeten en wat laten zwemmen in de Leie, iets onbestemd met naalden, donkere kelders en niet nader bepaalde geslachtsdelen doen, maar ik ben een moderne papa, en dus antwoord ik ‘ja schat, uiteraard, geen enkel probleem, dat hoef je toch niet te vragen…’ En inwendig sterf ik.

Begrijp me niet verkeerd, het joeng in kwestie is meer dan ok, hij kan er ook niets aan doen. Ik vind hem zelfs buitengewoon meevallen. Hij denkt na, is niet te brallerig, is lief voor haar en hij blijft van mijn whisky. Het is niet persoonlijk, it’s business, ze moeten met hun fikken van mijn meisjes blijven.

Ik wil ze liefst van nu tot haar dertigste in een klooster en dan met  2,4 onbevlekte ontvangenen ergens in een ‘doorzonwoning’ installeren, met een vent die heel hard werkt om haar vakanties en schoenen te betalen. De megahit van wijlen André Hazes indachtig vraag ik dat ze haar alles zouden geven en dan nog wat. Uiteraard is dit allemaal niet waar, maar toch, ik ben niet te beroerd om het toe te geven, het knaagt. En ik wil het niet weten.

Omdat ik weet wat het is. Toen ik vroeger thuis kwam met een meisje zei mijn vader ‘niet onder mijn dak’, en dat was finaal. Wij zeggen dat niet meer, want we zijn modern, maar we – of ik althans – hebben ook een bijzonder levendige fantasie, gevoed door eigen ervaringen, fantasmes en porno op het internet.  Nu weet ik wel zeker dat ik de aandacht heb.

Wat is namelijk het verband met de titel? Na het weekend is mijn huis een stal, een puinhoop, een zompig puberaal liefdesnest. Althans, zo komt het bij mij over. Ik doe even de toer met u. Wat te denken?

Over twee badkamers en één slaapkamer verspreid liggen een 30tal handdoeken, in diverse stadia van kleffe vochtigheid. Neen, ik overdrijf dat getal niet, en ik wil niet weten waarvan die handdoeken getuige zijn geweest. Van vrijdagavond tot zondagmiddag zijn er een kleine 200 waxinelichtjes opgebruikt, grosso modo te verdelen over dezelfde locaties + het salon. Her en der in het huis, maar geconcentreerd over voornoemde plekken vind ik kleenex doekjes, ondergoed, waarvan ik niet weet bij wie het behoort (zonder te impliceren dat die jongen strings draagt, maar mijn dochter draagt bijvoorbeeld ook boxers, dus dit is à décharge te noteren), uiercreme, bodymilk, etc, etc..

Ik zal u even vertellen wat dat met mijn hoofd doet. Ik denk dan dat er tijdens mijn afwezigheid één langerekt sexfeest aan de gang geweest is, waarbij het frêle, kwetsbare lichaam van mijn ooogappeltje onderworpen werd aan de meest perverse en schaamteloze handelingen, gewoon om dat joeng zijn genot te geven!!

Het is al erg genoeg dat ik dat sowieso denk, zonder dat ik ook nog eens moet geconfronteerd worden met de materiële bewijslast. Mijn ‘sympathie-coëfficient’ voor jonge lieven wordt er niet hoger op! En daarom, lieve dochters en meisjes overal te lande: kuis uw nest op, laat geen sporen na van jullie (vermeende)ontucht, of alle papa’s en sommige mama’s zullen komaf maken met die geilberen van jullie. Gemeend!

Het kan natuurlijk ook zijn dat ze gewoon wat slordig is, zoals de meeste meisjes van die leeftijd, en dat de elektriciteit uitgevallen is dat weekend, en dat ze zoals mijn andere dochters gewoon wat kusjes stal van dat sympathieke skaterkereltje.

Ik denk ook dat het zoiets was hoor, ze is tenslotte nog maar 17, wat kan er gebeuren?

Open brief, aan Peter Goossens. (concept schijnt te werken)

Beste Peter,

wij kennen elkaar helemaal niet, maar toch permitteer ik me dit schrijven. Waarom? U als keizer van Kruishoutem en de wijde omtrek, predikant van de goede smaak, de verfijning en het métier, u moet ik hebben.

Het einde is namelijk nabij. Ik was  dit weekend op zoek naar pretentieloze witte wijn. U kent dat wel, simpele vereisten:  geen koppijn, het mag een schroefdop zijn, en het hoeft niet meteen zo’n fles te zijn waar je eerst devoot moet voor gaan zitten. Het soort wijn dat in uw etablissement allicht niet al te veel geschonken wordt, maar waar Jan Modaal wel pap van lust.

En toen grijnsde u mij toe, vanop het winkelrek bij de Carrefour.

Ik dacht even dat het uw broer was, Piet – wat hebben we geleerd – Huysentruyt, die het met de kruidenpotjes en de mixes doet, maar neen, u was het zelf. Erudiet door uw nieuw hoornen bril kijkend, een heerser!

Witte wijn, van Peter Goossens? Neen, gewoon, witte wijn-Peter Goossens. Gele en groene. Zo rond de 7 euro, gesponsord door  Njam (een kookkanaal dat niet te beroerd is om ook de betere kleffe happen advertentieruimte aan te bieden).

Ik weet het niet, Peter. Ik weet het echt niet. Wat ik nu het ergste vond? Er is zoveel mis aan dit verhaal. Ik weet niet waar te beginnen.

Het etiket, is van een smakeloosheid, en slecht design, het is niet te schatten. Moest u daar nu werkelijk voluit frontaal gaan bijstaan? Ik weet het, u bent een knappe, succesvolle man, maar is de egonood werkelijk zo hoog dat het met een prentje moest? En kunt misschien ook eens tegen uw designer zeggen dat witte letters op gele achtergrond niet echt leesbevorderend werkt?

En dan zijn we er nog niet. Achterop het massaproduct geeft u ons even aan waar en wanneer we wat moeten drinken. Als ik het goed begrepen heb, is er naast de witte wijn, ook nog eens rode wijn, telkens twee varieteiten. Blij dat u ons dat even toelicht, echt waar.  Weer iets geleerd. Over die wijn wordt verder niet veel meer gezegd dan dat het Italiaanse is van 13,5% alcohol.

Gaan we het zo spelen, Peter? Omdat u het beter weet, en wij daar eigenlijk toch allemaal geen zak meer van afweten? Weg met de druif, weg met het verkeerde snobisme van die wijnprententieuzen, wij krijgen vanaf nu witte of rode wijn, en we mogen kiezen of hij jong en fruitig is of iets anders.  Het valt te verdedigen hoor, daar niet van. U kunt ons de bek toespijkeren en zeggen dat we er toch niks van kennen en zo, en dat u garant staat voor een lekkere wijn. Maar ’t is wel betuttelend hè?

Peter toch, hebben we dan niet beter verdiend? Is het ook wijn die zal fonkelen in de glazen van uw restaurant? Denkt u dat uw klanten hem met graagte zullen bestellen, ten nadele van de Petrusjes en hun quasi gelijken? U die zo een voorvechter was van de mooie producten en hun afkomst, en het respect dat we moeten hebben, u smijt hier iets banaal op de markt, in de naam van het grote en waarschijnlijk snelle geldgewin. Van uw verse bereide schoteltjes kon ik het nog een beetje begrijpen, de uitdaging om terug smaak in eten te brengen. Van uw Westvlaamse spitsbroeder kon ik het hoereren met kruidenmixen ook nog begrijpen, maar u?

Peter, die fles, dat concept, het is een draak! Als ik denk aan wat ik er voor betaald heb, en waar ik dat gedaan heb, en wie er allemaal in dat project meespeelt, dan kan ik me niet voorstellen dat het om een nobel product gaat. Wie gaat het volgens u drinken? De unserved audience die geen wijn drinkt? Het ‘VT4/komen/eten’ publiek? Uw klanten? De Betere WijnKenner, die hier als nuttige info meekrijgt dat het om italiaanse wijn van 13,5° gaat?

Peter, je kunt niet prediken over kwaliteit en respect voor producten enerzijds en anderzijds op deze manier wat centen proberen mee te graaien. Dat heb je toch niet nodig?

Tenzij het iets is voor foodies natuurlijk, die in hun eenzaamheid steun krijgen van een streng kijkende Peter, terwijl ze zich wagen aan culinaire experimentjes. Peter ziet u, hier knoeit men niet. Dat kan ook…

De viptent, het tristesse-paleis

Blown away, by @blissbohemian (www.bliss.be)

In Zoersel organiseren ze tijdens de zomer Parkfeesten op vrijdagavond. Dat is vrij gezellig. Het is de bedoeling dat kinderen en dorpsbewoners, vrienden en muziekliefhebbers allerhande daar een prettige avond hebben. Dat lukt meestal wel.

De groepjes zijn leuk, of origineel, of bedoelen het goed. De mensen zijn in de sfeer om wat pinten te drinken en het weekend en/of de vakantie op een luimige manier in te zetten.

Je ziet trossen ’testosteron pubers’ plannen beramen om heldhaftig een meisje aan het haar te trekken. Je ziet dromerige deernes, aarzelend dwalen in de richting van die ene jongen die wel anders is dan al die andere. Heerlijk mooie zomeravonden.

De verenigingen spannen zich in, er zijn wat stalletjes, kraampjes, frieten, bier, wijn en cava. Meer moet dat niet zijn, prima georganiseerd.

Ik struinde er gisteren wat rond. De reggae band kon me niet echt bekoren, wat uitzonderlijk is, maar het zal wel aan mij gelegen hebben. Plots zag ik iets wat ik daar totnogtoe nog niet opgemerkt had. Een lege tent, met  gedekte witte receptietafeltjes en kaartjes daarop: ‘voorbehouden’, en dan de namen van wat lokale neringdoeners, neem ik aan. Ik vond het een stijlbreuk. En onaangenaam.

Zo zonde. Ik ben een democraat en een libertair. Soms botst het een beetje. vooral als de sfeer en de authenticiteit in het gedrang komen.  Ik erger me al jaren blauw aan zgz. ‘vip zones’ en ‘golden circles’ waar meestal niet betalende ‘vips’ een voorbehouden plaatsje krijgen om toch maar een goed zicht te hebben op een artiest die hen zowiezo niet echt veel zegt, wegens volgende week zien ze weer een andere, door weer een ander bedrijf uitgenodigd. He gaat om zuip en gezien worden, en in een beperkt aantal gevallen over echte muziekfans.

Ondertussen betekent dat minder plek, minder kansen voor de echte liefhebbers.  Op zo’n moment denk ik weleens ‘ga met heel uw vip klodden toch ergens anders de lul uithangen’… maar dat is niet echt mooi Nederlands, dus die gedachte verdring ik om plaats te maken voor een andere, meer ‘vrij-denkende’: vrijheid, blijheid. Maar eigenlijk is dat niet zo. Want men maakt het een beetje kapot.

Ik begrijp volkomen dat organisatoren continu op zoek zijn naar manieren om enerzijds meer geld over te houden aan hun inspanningen, en dat ze dat geld willen halen waar het zit, dat kan ik alleen maar onderschrijven.  En anderzijds zoeken ze door differentiëring een leuk aanbod te kunnen maken aan de ‘meerwaardezoekers’. Lovenswaardig. Maar doe het op een manier die uw evenement intact laat!  En dat kan! PSV heeft een prachtig stadion, met uitstekende VIP facilities, maar de wedstrijd beleef je buiten, zoals het hoort.  Niet achter glas, aan een coupe nippend. Dan moet je maar naar de paardenraces gaan.

Organiseer VIP toestanden, naast, achter, onder,  voor mijn part boven het podium, zodat een normale mens er geen last van heeft.  Geef all areas armbandjes, zodat wie wil zich kan laven aan de echte festival sfeer. Of beter nog, zorg ervoor dat mensen terug in hun vipstal binnen kunnen zonder uiterlijk vertoon, want ook dat is weerzinwekkend, het gekokketeer met  speciale bandjes en lanyards met pasjes… Maar laat geen kakkineuze roséwijven opdraven temidden van een groep losgeslagen jongeren, glaasje bubbels in de hand, om dan op te merken ‘Dat stinkt toch nogal hè, zo’n festival na 3 dagen’.  Hou dat gescheiden!

Zo ook gisteren. Je krijgt dan ineens een plek, waar het allemaal wat stijver is, een soort sfeer-vacuum. Dat is jammer, voor iets wat voor de rest leuke en mooie dorpsprententies waarmaakt.

Soms is het overigens best vermakelijk. Dan heb ik het over  het vestimentair aspect en het mannetjes-vrouwtjes spel. Zo’n vent, die maakt zich klaar voor ‘Parkfeestje zoersel’ en dat is meteen gepiept : hemd, jeans, gympies, halve fles aftershave, klaar!

Voor vrouwen is dat moeilijker. Ze weten dat er een wei is… maar ze weten ook dat er ‘vriendinnen’ zijn. Ze weten dat ze gemonsterd gaan worden, ze willen behagen.  En zo zie je totally overdressed, zonnebankbruine, gepermanenteerde wijvekes over het terrein stuntelen, tot ze de veilige haven van het Cava-walhalla bereikt hebben. Daar ligt planché, en kunnen ze schitteren.  Oef…. Mooi! ‘T is toch gratis drinken hè, Raymond?’

Honden moesten ze er op los laten, die met vuile poten, morsige afdrukken op de witte piratenbroekjes maken!

Over Marketinghoeren en Boeren

Ik ben een marketinghoer, en een aandachtsslet. Wie mij kent, of bezig ziet op de sociale platformen en op de diverse hoogmissen van ons métier, zal dat beamen.  Zelf denk ik daar anders over, maar dat doet niet ter zake. Ik weet dat je animo rond je profiel moet houden op de diverse netwerken, anders tuimel je zo de vergeetputten van het wereldje in. En ik wil aandacht, aandacht voor mijn stukjes, die ambachtelijk geschreven zijn, en waar ik best wel trots op ben.

Onlangs ben ik mijn absolute antipode tegengekomen. Een kaasmaker uit Salzburgerland. Hij werd ons aangekondigd als een jonge boer, die erg succesvol bezig was, hoog op de alm, met een kaasmakerij.

Wat we te zien kregen was een helder uit de ogen kijkende, getaande alpenkop, die met een mok koffie en een sigaret voor zich, met nauwelijks verholen afgrijnzen keek naar het stelletje ‘journalisten’ voor hem.

Hij had een pracht van een uitbating, en dat zeg ik zonder een zweem van ironie en ik som even op wat hij op de verschillende locaties als didactische uitleg meegaf.

In de kaasmakerij : “Dit is de kaasmakerij, als u vragen hebt, dan luister ik.”

In de winkel : “Hier verkopen we kaas, boter en spek. Proeven?”

Bij de ovens : “Het rookt omdat ik spek rook, dat gaat niet zonder rook”.

In de kelder: “Mijn kazen gaan bijna kapot van dat geflits!”

Bij zijn toeristenverblijven : ” Het zijn oude, opgeknapte huizen, dat is leuk voor de toeristen”

Hilarisch en juist was het. De man leefde in en voor zijn producten, en al de rest deed er geen zak toe. Hij liep in hetzelfde kloffie rond dat hij al jaren aantrok, gaf zo kort mogelijk antwoord en wilde eigenlijk niets liever dan dat we zo snel mogelijk opkrasten, en hem lieten verder werken.

Was hij onvriendelijk? Neen. Hij had alleen geen zin om zich met bijzaken bezig te houden. En zo hoort het. De kaas was verrukkelijk, de koffie was lekker en ik durf te wedden dat er aan de uitbating van het hof ook niets verkeerd was, alles zat vol, en het ontbijtbuffet zag er heerlijk uit. Meer moet dat niet zijn. Word of mouth, storytelling en conversationmanagement, his way.

Het tafelgesprek

made by @blissbohemian (www.bliss.be)

Ik hield ze al een tijdje in het oog. Een gezelschap van vijf. Drie vrouwen, twee mannen. Zij zat aan het hoofd van de tafel, en het was allemaal erg dubbel. Ze voelde zich beter dan de burgervrouwtjes die gezellig met het mannetje op vakantie gingen. Zij was immers vrijgevochten, losbol, een avontuur. Tegelijkertijd zou ze er alles voor doen om ooit nog een vent in de netten te strikken, zodat ze niet meer overgeleverd werd aan de goodwill van zogenaamde vriendinnen. Geen genadebrood meer, geen eenzame ontbijten en drankdoordesemde diners in eenzame hotels. Gewoon terug zoals vroeger, gezellig normaal.

Het viel me ook op hoe de lichaamstaal en vooral ook de ogen van één van de andere tafeldames haar continu monsterden.  Bij alles wat ze zei, en alles wat ze niet zei.  En hoe gespeeld geinteresseerd iemand er kon uitzien. Het deed bijna pijn.

’s Ochtends aan het ontbijt was het niet beter. De vrijgevochtene had het soort gezicht dat een hele dag nodig heeft om te bekomen van de alcohol en tabak excessen van de vorige dag. ‘S avonds ziet dat er best ok uit, ’s ochtends wil je er niet naast wakker worden, denk ik dan.

Het monsteren ging verder. Haar ‘vriendin’ luisterde naar alles wat ze zei, maar ondertussen zag je haar ogen afdwalen en hoorde je ze bijna denken ‘Oh meid, wat zie jij er slecht uit, en wat zou ik nooit met jou van plaats willen ruilen, mijn man is misschien niet alles, maar ik heb er tenminste één…’

Ja, ja, allemaal in één oogopslag, ik ben nogal een fijn observator als het daar op aankomt. Het ging nog veel verder overigens, er werden oordelen bedacht over carrieres, keuzes, vestimentaire oordelen, allicht ook tafelmanieren.

Dat zette me ook aan het denken. Meisjes en jongens, mannen en vrouwen, dat denkt anders. Dat praat ook anders. Jongens  beoordelen en monsteren ook. Die hebben ook in één oogopslag gezien welk vlees ze in de kuip hebben. Wat dat betreft zit er geen verschil op. Wij kijken, en beslissen ‘Hier zullen we het verder moeten mee doen, en vanaf dan speelt het verder geen rol meer.

Bij vrouwen heb ik de indruk dat er even snel een oordeel gevormd wordt, maar dat er dan vooral verder gezocht en gekeken wordt om dat oordeel te bevestigen. En wat er verder ook nog gezegd of gedaan wordt, aan dat oordeel verandert niks meer. Vaak heeft het ook te maken met kleine details uit het verleden, die meegedragen worden, nooit vergeten. Dat zetten ze elkaar terug betaald, onderhuids, ijselijk en zo pijnlijk mogelijk. Een gerichte valse glimlach, een bewust kort negeren of een misprijzend mondhoekje. Meesterlijk hoe vrouwen dat kunnen.

Jongens zijn dan al lang bezig met deel twee van het spel. Punten scoren.

Zet vier venten bij elkaar, en je krijgt een soort werveldynamiek. Iedereen moet zijn plaats pakken. Liefst vanboven. Wat ik daarmee bedoel? De gespreksdynamiek bij vrouwen lijkt er mij één te zijn van ‘ondersteunend luisteren’. Waarbij kleine kreetjes en uitroepjes het verhaal van de zuster ondersteunen en tot wasdom brengen. Het doel daarachter is niet altijd gekend, zo perfide zijn ze dan weer wel, en wraak is een schotel die het best koud genuttigd wordt.

Bij venten is dat anders. Tenminste toch als er haantjes aan de tafel zitten. Ik kan het weten, ik ben er ook eentje. Een man vertelt een verhaaltje of een anekdote om zijn stelling te ondersteunen, en meteen zie je de volgende denken, zo heb ik er ook eentje, maar sterker, en beter verteld. Hij vertelt het, ook om de stelling te ondersteunen, en tegelijk zie je de andere denken hoe ze dit kunnen overtreffen. Twee minuten bedenktijd onder het luisteren, meer tijd krijg je niet. En hopla, daar komt de volgende ‘Ja, inderdaad… toen ik in het leger zat…’.

Voor je ’t weet krijg je een  burleske tornado aan kleine, amusante anecdotes, die soms het thema verdiepen, en soms ook het thema verleggen. Maar je komt nooit tot een diepgaand gesprek. Dat doen wij niet met vier, dan is het wedstrijd. Pissing contest, kijken wie de dikste heeft.

En dan drinken we nog een biertje, en we hebben een gezellige avond gehad, en zo hoort het. Ons zieleleven dat houden we voor de literatuur, en zo…

 

Mannen weten waarom…

photo by blissbohemian (www.bliss.be)

De emotionele gelaagdheid van een man. Daar wil ik het over hebben. En meteen ook even een steen in de kikkerpoel werpen. Er wordt altijd gezegd dat venten geen inleving, geen empathie hebben, geen emotionele aandacht kunnen schenken en ook niet over hun gevoelens kunnen praten. Niets is minder waar, volgens mij dan toch.

Mannen, echte mannen dan, hebben een eigen specifiek emotioneel jargon ontwikkeld, waar veel vrouwen een puntje kunnen aan zuigen. Als twee venten elkaar ontmoeten in een café, dan volstaan enkele welgeplaatste mompelzuchten om de stemming aan te geven…

‘Hoe is’t?’

‘Oh, bof,…cavakes!’

‘Ai… en allang?’

‘Och, ge weet hoe het gaat hè’

Beiden nippen aan hun pintje, en weten hoe laat het is. Of er nog seks is met de eigen vrouw. Of er een andere vrouw in het spel zit. Of er professioneel miserie aan zit te komen of er gewoon een crisis van het algehele welbevinden op til is. 4 zinnen, 1 slok. Klaar.

Het uitgepuurde van zo’n dialoog, de rijkdom aan emoties en gevoelens, het inlevingsvermogen ook van de beide deelnemers…

De afwezigheid van overdadig woordgebruik kan nooit als conclusie hebben dat er geen emoties in het spel zijn. Als ik van iemand iets krijg, een cadeautje of zo, dan zeg ik gemeend ‘Dank je, ’t is erg mooi!’. Die woorden zijn daarvoor gemaakt. Die zeggen wat ze moeten zeggen. Niet meer of niet minder. Ik meen het ook als ik ze uitspreek. Dat is niet koel, dat is juist en appreciërend. Als ik op zo’n moment iets moet zeggen in de stijl van ‘ maa, oooh, ma, neen, ma jaaa, zeg, maar , neen, zooo mooi, dat vind ik echt, echt, echt kei tof, en zo origineel…. oh, maar ja, dat had ik altijd al gewild’ dan vind ik dat overdreven, onecht en een belediging van het intellect van de gever.

Wat heeft dat met gelaagdheid te maken? Alles. Door de jaren zijn we afgestompt geraakt en is de uitbundige, geaccentueerde, oppervlakkige uiting, de dienst beginnen uitmaken. Wie het zo doet, wie er zo over praat, die is gevoelig.  Of die kan zinvol praten over zijn emoties. Al de anderen kunnen dat niet, hebben het er kennelijk moeilijk mee. Welaan dan, wij kunnen er over praten, maar niet zo!

Mijn lief kan bij mij al bij het binnenkomen aanvoelen dat het mij niet afgaat, dat ik met een ding worstel. Ik hoef niet eens iets te zeggen. Misschien is ze wel een vent, dat kan natuurlijk ook.  Ik hoef geen coiffeurs-enthousiasme om blijheid te tonen ik hoef geen grafdelversgezicht om treurnis te etaleren.

Bovendien, en dat geef ik éénieder mee, wij schakelen, wij gebruiken registertjes. Je zal op begrafenissen echt wel mannen zien huilen, om nauwelijks vijf minuten later in de kroeg te kruipen met hun maten en pinten te drinken en grappen te vertellen. Maakt dat het verdriet minder echt? Neen, het maakt de zichtbaarheid minder groot, dat is alles. Ondertussen maalt het verder.

Pinten drinken, roken, vloeken, het maakt deel uit van ons emotionele jargon. Woorden zijn één dimensie, gedragingen een andere. Denk daaraan als u de volgende keer een starende man treft. Hij kijkt niet naar uw borsten, hij peilt naar uw ziel.

Spekskes bij de slager

Het leven van de stukjesschrijver zit vol onverwachte cadeautjes. Teruggekomen van slager Bart met een mooi verhaal en meteen ook een erg leuke titel gekregen van Karin.

Ineens waren ze er weer. Pastelkleurtjes, vlezig, sponzig. Spekskes. Groot, klein, veerkrachtig, soms al een beetje taai. Het komt allemaal door ‘den Blokker’, die heeft dat ding in de  aanbieding geplaatst en sindsdien is het hek van de dam. Overal zie je ze de laatste tijd. Het is een bron van vermaak en verwondering. En ook een heel klein beetje ergernis, omwille van esthetiek, maar heus niet altijd.

Het huispak. Tot op enige hoogte kan ik er inkomen dat mensen thuis een zeker comfort willen hebben. Mijn generatie, opgekweekt met sponzen broekjes en dito pyjama’s associeert spons daar niet meteen bij. Het huispak richt zich godzijdank niet tot mannen (de dag dat ik de eerste vent tegenkom met zo’n ding rond zijn harige lijf sta ik niet in voor de gevolgen, maar ik ben er zeker van dat die niet homo-erotisch van aard zullen zijn).  Na de legging-miserie –  hijsen de vrouwen zich vandaag massaal in het huispak. ‘Omdat het gemakkelijk is’.

Tot daar kan het mij ook eigenlijk niet schelen. Vrijheid, blijheid, voor eigen haard. Ik denk wel dat ik het maar minnetjes zou appreciëren mocht mijn vriendin ineens zo’n regressiepyjama aantrekken om samen op de bank naar ‘kokeneten’ te kijken. Dan maak je er toch meteen beter een eind aan (en heus niet alleen aan je relatie)?

Zij die het wel aan hebben, en  waarvan het gedoogd wordt door hun vent (waarschijnlijk buxus-snoeiendetussenpint-onkundigen). Wat moeten we daar van denken?  Voor mij is het simpel: thuis pak, thuis blijven. Niet op zaterdagochtend met je cellulitiskont verpakt in teer babyroos bij de slager staan wiebelen. Om meer dan één reden, en ik voel dat u gewoon zit te popelen om die redenen te kennen. Het zijn er drie.

U bezoedelt de esthetiek van het straatbeeld, en dat was sowieso al een erg mager beestje.  U verstoort mijn erotische beleving van de ‘vrouw’,  wat – toegegeven –  erg egoïstisch is.
U maakt uw zusters, uw clan, de andere vrouwen, ongelukkig.

De esthetiek van het straatbeeld daar kunnen we kort over zijn. 80 kg, kort gestompt in  lila stretch over de straat zien deinen, dat is niet prettig om naar te kijken en het trekt  helaas de aandacht. Het is dus ook nog eens gevaarlijk voor de gsm-ende automobilist. Bovendien zijn de meeste van die pakjes in vreselijke pasteltinten of hippe – voor mannen onuitspreekbare – kleurtjes zoals fuchsia, taupe, turquoise. Dat doet pijn, dat kleurt verkeerd af. Dat vloekt. Zeker op ochtenden.

Ten tweede. Ik durf van mijzelf te zeggen dat ik een billenman ben. Tegengesteld aan het door vrouwenbladen geïnduceerde schoonheidsprincipe van treurige kinderbilletjes aan een volwassenelijf gekleefd, hou ik van een mooie ronde bilpartij.

Welnu dames, weet dat ik – en met mij allicht vele anderen – staar. Ik staar naar jullie bilpartij. Borsten heb ik afgeleerd, omdat je nooit ongemerkt naar de gevelpartituur van een vrouw kunt kijken zonder dat ze het merkt. Maar billen dat lukt nog wel. En dat zet meestal wel één en ander in gang.

Niet met het huispak echter. Weet dat elk randje, en helaas ook, in sommige gevallen, de ontbering van randjes zichtbaar zijn in die krengen. De contouren van een oversized sloggy reet, verpakt in blinkende stretch. Of omgekeerd,  van die enge ministringbilletjes die er niet in slagen ronding in zo’n broekje te creëren. De totale afknapper. Een erotische gesel van het eerste uur. Neen, geef mij opwaaiende zomerjurkjes, strakke, mooie,  jeans, mysterieuze wikkelverpakkingen, maar niet dit.

Ten derde, het ongelukkige van andere vrouwen. Het probleem met de mode. Er zijn de trendsetters, en de modevolgers. JBC, Blokker, E5 maken  bijvoorbeeld de mode niet.  Ze volgen die, en daar is niks verkeerd aan. Maar dan heb je zo’n Xandres, of Chanel of een ander mooi vrouwenmerk, die ‘sportive chique’ organiseren. Dure joggingpakjes met een labeltje, in hippe kleurtjes. Reteduur, maar het is dan ook voor de happy few, die zich daar niets moeten van aantrekken.

De dames die dat kopen rijden rond in treurig gepolishte Duitse wagens, met spectaculaire zonnebrillen, met hun feillloos ‘gegroomde’ lichaampjes en vinden zich ineens bij de keurslager, kont-aan-kont terug met hun minder fortuinlijke zusters, die gezellig aperitiefjes-drinkend, heerlijk kokend en lachend door het leven gaan.

Beiden worden ongelukkig. Het hipstertje omdat haar outfitje gedevalueerd wordt door de buurvrouw. De gezellige huisvrouw omdat ze beseft dat haar uitdijnende massa wellicht de oorzaak is van het feit dat ze de verkeerde man aan de haak sloeg, en dat ze nooit gaat meekunnen in de ratrace van het leven.

Vervreemding in de herkenbaarheid.

De vluchtigheid…

De sociale media. En hoe ze je helpen in de menselijke contacten. Een stokpaardje. Een ergernisje.  En waar een ergernis is is ook wel een blog te schrijven. Over de vluchtigheid, de paradox van het makkelijke contact, wat resulteert in geen zorg,  geen zorgvuldigheid.

Een tijdje geleden was het mijn verjaardag. Allang niet meer iets waar ik echt vrolijk door word. Om eerlijk te zijn, al van kindsbeen af heb ik elk jaar gehoopt dat mijn ouders het zouden vergeten, zodat ik ’s avonds een beetje verongelijkt zou kunnen doen. Nooit gelukt. Maar verder heb ik er niet veel aan.

Dit jaar was de luim dusdanig dat ik mijn verjaardag ook uit mijn  facebook profiel wipte, ongeveer een week op voorhand en dat ik dezelfde dag ook niemand ongein op mijn prikbord liet schrijven. Als het moest, dan maar via privé berichtjes. Containment heet dat.  Nergens last van gehad. Hooguit vier vijf berichtjes, waar ik dan ook in alle ernst en met plezier op gereageerd heb. Dat lijken mij de mensen te zijn die echt weten wie je bent en hoe het echt zit met je leven. Trieste balans uiteraard, maar niemand heeft gezegd dat het altijd vrolijk moet zijn.

Maar wat zie ik nu? Erger nog, ik constateer het niet alleen, ik doe er ook nog eens aan mee.  Ik kijk ’s morgens eens  op facebook wie er jarig is, zet bij die mensen een fijn goedbedoeld berichtje op hun ‘wall’ ( die moeite doe ik nog wel, wil niet verzanden tussen de happy birthdays en 3 dikke kussen tekstsjablonen) en ’s avonds ‘liken’ ze dat. Kous af, voor iedereen. Twee muisklikken later is ’t al weer voorbij.

Waar wil hij naar toe? Ik hoor het u denken. Welnu, het gemakkelijke contact leidt enerzijds tot een fenomeen dat niemand je verjaardag nog vergeet, maar dat datzelfde gegeven ook absoluut niet meer belangrijk is. Het is uitgehold. Ik stond er vroeger om bekend dat ik rigoureus aan de verjaardagen van mijn vrienden dacht, zelfs aan sterfdata die relevant waren. Dat werd geapprecieerd. Nu is dat ‘normaal’, terwijl het in wezen ‘leeg’ geworden is. En dat is allemaal de schuld van de sociale media. Voilà… het geheugensteuntje  holt uit wat ooit waardevol was.

En helaas, helaas, dat is niet het enige. als je tegenwoordig ziek bent, of godbetert half invalide omwille van wat dan ook, dan wordt dat wel even genoteerd. Maar een halve dag later even prompt vergeten.  “Ze is toch moeilijk bereikbaar! Ik heb een sms gestuurd omdat ze niet opneemt om over die mail te praten die ik haar gestuurd heb.” Dat soort ongein.

Ze is ziek! Ze heeft dat gemeld. Niet om het te acteren en dan te vergeten, maar om er rekening mee te houden!  En als ze er een week niet is, dan is dat geen reden tot irritatie, maar een indicatie van ernst. Het is in die context misschien verkieselijk om even een bezoekje te brengen, eerder dan een moderne-communicatiemiddelen-carpet-bombing-actie in te zetten.

Het is alsof bereikbaarheid zaligmakend geworden is en al de rest doet vergeten. Het resultaat is troosteloze en verarmende communicatie, van een oppervlakkige en trieste soort.  Een beetje jammer eigenlijk. En met deze opwekkende gedachte stuur ik jullie allemaal het weekend in!

Starbucks Gent, helaas

Coffee Lover

We zullen er dus ook aan geloven. Binnen afzienbare tijd. Er komt een Starbucks naar Gent. Vind ik dat erg? Ja en neen.

Ik heb daar ook al een keer over geschreven, naar aanleiding van de opening in Antwerpen. Ik vind het echt leuk om rond te lopen met een beker warm of koud van ’t één of ’t ander in mijn knuisten. Zeker in de winter.

Het geeft een urban trendy accentje aan mijn anders nogal troosteloos en grijs bestaan.  Dat vind ik dus leuk. Dat er allicht ook weer een plek bijkomt met gratis wifi en relatief lekkere gebakjes vind ik ook meer dan ok. Werkplekken voor de mobile warriors (courtesy @Danny Devriendt), er kunnen er niet genoeg zijn.

Ik vind het alleen jammer omdat Starbucks geen koffie verkoopt.

Ook niet met beroepsernst, en dat vind ik misschien nog het ergste. De ‘so called koffiekenner’ stapt binnen bij Starbucks, bestelt zich een formaat, al dan niet met cafeine, en begint dan op te smukken. Extra shots dit en dat,  low fat zus, sugar zo, en some cinnamon to top  it off…

En voor ik het vergeet, aan een exorbitante prijs.  Maar laat dat vooral de pret niet drukken. Zoals al gezegd, ik vind het heerlijk om met zo’n container warm, donker vocht rond te lopen.
Want dat is precies het punt, koffie is het niet. Eens we het daarover eens zijn, is er verder geen probleem.

Koffie begint bij lekkere bonen, en bij kleine porties, waarbij een barista erop toeziet dat het hele proces van branden tot schenken en alles daartussen, vlekkeloos verloopt.  Je houdt van zijn koffie, en de manier waarop hij die bereidt, of niet. Dat is ook een vorm van keuze. Ik ga graag naar de mokabon in Gent, dat heeft met sfeer en authenticiteit te maken. Ik zit niet zo graag bij de Barista aan de Vlaanderenstraat. Goesting is koop, zeggen ze in Vlaanderen.   Wat er ook van weze, zo wordt koffie geserveerd en gemaakt. En dan is er suiker, en hier en daar één of andere siroop. Meer is het niet. Of was het niet. Want als ik rond mij kijk, zie ik dat weinigen zich daar iets aan laten gelegen liggen, en misschien maar goed ook.

10 jaar geleden bestelde ik in Milaan na het avondeten nog een cappuccino, waarop mijn italiaanse gastheer geschokt reageerde, of ik misschien homosexueel was, of in de namiddag teveel gedronken had.  Gechargeerd en beledigend, en bedoeld als sexistisch grapje, het kon toen nog, ook al getuigt het van slechte smaak.  Hij vond cappuccino aanvaardbaar tot 11u ’s ochtends nadien niet meer ( mijn excuses, by the way, to the gay community, ik bedoel er verder niks mee, en het is één van die vele clichés die wellicht verdienen om omver gehaald te worden, maar daar zal ik mij een andere keer mee bezig houden)

Het ‘customisen’ en ’tunen’ van warme dranken, om er hetzij een kleffe, mierzoete shake van te maken, oftewel meer in de richting van heet, thee-achtig te evolueren. Het is misschien wel een fijn marketingplan, om de ‘consumer in control’ te plaatsen, maar het heeft verder geen ene zak met koffie te maken.

Strikte regeltjes zijn nooit goed, het zal mij verder worst wezen of u honing, suiker, confituur of wat dan ook in uw koffie doet, maar ik pleit wel voor een duidelijk  taalgebruik.

Zeg dus niet ‘ Ik ga een koffie halen bij Starbucks’, maar wel ‘Kom laat ons iets warms gaan drinken bij Starbucks’ of desgewenst ‘Kom, we gaan wat kliederen met warm water en suiker’.

Met dank.

Een week van eigen kweek

Eigen kweek

Eigenlijk zou je moeten turven hoeveel keer onze local heroes de revue moeten passeren om dit verhaal vorm te laten krijgen.  Hoeveel keer je per dag Gabriel Rios, Das Pop, en Ozark Henry nodig hebt en waar je ’t allemaal moet gaan zoeken.

StuBru programmeert de week van eigen kweek, ik mag hopen niet om Geert Bourgeois te plezieren. Daarbinnen zie ik wel wat fijne initiatieven, met de poulains en wat al niet meer, maar ik vrees gewoon dat de spoeling wat te dun is om dat een hele week te trekken.  Ik denk dat ide mensen, muzieksamenstellers en programmamakers echt wel weten waar ze mee bezig zijn, en allicht ook al die opmerkingen zelf gemaakt hebben. Wellicht vinden ze het zelfs fijn om duistere pareltjes op te vissen, maar toch…Er is een reden waarom Belgische muziek niet echt ‘hot’ is in Europe. Er zit volgens mij geen hond op te wachten, wegens meer van hetzelfde.

Dat occasioneel hier en daar wel eens iets fantastisch gebeurt,  zoals een doorbraak in Japan,  Frankrijk, Oezbekistan of wat dan ook, ik ben daar ook blij om voor de artiest in kwestie, maar het kan een zekere beperktheid niet helemaal maskeren.

Voor mij is in’t vervolg een weekend van eigen kweek, “het eigenkweekeind” ruim voldoende, er mag zelfs week-in-week-uit een programma aan besteed worden, maar trop is een beetje teveel.

En sorry dat ik het einde van de week niet afgewacht heb om mijn mening te ventileren, ik weet dat het ‘not-done- is, maar zo ben ik nu éénmaal.

De liftende hoer

Ze stond een beetje weifelend te zwaaien. Tenger, meisjesachtig lijf, dik ingepakt in goedkope kleren. Ze liftte. Ik was niet speciaal gehaast dus ik stopte om haar minstens al een eind op weg te helpen. Ze moest in Latem zijn, de Kortrijkse steenweg.

Wie de buurt een beetje kent weet dat daar de uitzuipkroegen van de plaatselijke chaussee d’amour zijn. Waarom zeg ik dat? Waarom zo snel een conclusie die er misschien geen was?

Ik weet het niet, ik heb er geen speciale neus voor, maar het bleek wel te kloppen. Het was een zwarte vrouw, met een te zwaar parfum, intrieste blik en een lijf dat allicht zo skinny gehouden werd om de kansen op de markt te maximaliseren ‘parce que la clientèle apprecie’. Haar humor en levenslust spaarde ze voor haar beroep, zo scheen het. ‘Allez cherie, tu m’offres une petite coupe?’ eerst zuipen en dan proberen de dans te ontlopen en het pezen zo lang mogelijk uitstellen.

Zonder stijlfiguren te willen neerpoten, haar gezicht was minstens dubbel zo oud als de oppervlakkige monstering van haar stekkebeentjes deed vermoeden. En doffere ogen had ik ook al lang niet meer gezien.

Ze zat stil in de auto en vroeg heel plotseling of ik getrouwd was. Ze vond het huwelijk niet evident. En al helemaal niet als er ‘violence’ bij kwam kijken. Geef haar maar eens ongelijk.
Ik moest haar afzetten aan restaurant ‘la grande bouffe’. Vlak ernaast was een bar ‘ Le p’tit faim’. Humor hebben ze wel die pooiers. Daar stapte ze binnen. Waarschijnlijk tot een kot in de nacht, om dan op dezelfde sjofele manier terug te geraken in Gent. Haar nachtmerrie kon beginnen, mijn fantasie begon te werken.

Hoeren, niks klinkt lekkerder bij de niet-geïnformeerde. Wij stellen er ons wulpse sexperts bij voor, met geweldige boezems, die in staat zijn ons alle hoeken van de kamer te laten zien. De realiteit schijnt dus lichtjes anders te zijjn.
Voor we in een verhitte discussie komen over de verkeerde topics, ik veroordeel niks of niemand. Niet de hoeren, niet de hoerenlopers. Misschien wel de pooiers, maar dat zeg ik niet luidop wegens schrik om ‘nen djoef op mijn muil’ te krijgen. Ik ben er ook van overtuigd dat er toffe, echte madammen in de prostitutie zitten, misschien niet veel, maar wel vrouwen met ballen, die er allemaal niet te veel om malen, en gewoon doen wat op dat moment een oplossing leek voor eender welk probleem. Niet vergelijkbaar met meisjes uit godweetwelk land die hier komen ‘dansen’.

Idem dito voor venten die net voor ze huiswaarts keren naar hun dor takkenwijf, nog gauw even binnenwippen bij de raamhoertjes aan t Noord. Het kan maar deugd doen. Aan mij is het niet besteed. Echt niet.  En niet omdat ik het niet lekker zou vinden. Alhoewel, dat weet je nooit, maar omwille van de neuroses.

Te veel onzekerheden, teveel dingen waarvan ik niet weet hoe het moet. Kun je douchen? Of is dat stom? Ik vraag me bijvoorbeeld ook af of die dames een soort menukaart hebben. Of is het eenheidstarief per kwak? A means to an end? Of heb je daar niks over te zeggen. Begrijpt u waar ik heen wil? Moet je daar eerst nog even ‘socialisen’ of is het anderzijds niet beleefder is om maar meteen de snikkel boven te halen, kwestie van de dames niet teveel tijd te doen verliezen.

Plus ook, moet je zo snel mogelijk of juist niet, en wat is het protocol nadien? Teveel vragen en onzekerheden voor de neuroot in mij ( los van een overigens bevredigend relationeel, affectief en lichamelijk leven). Ik ben er bijna zeker van dat ik onaangepast gedrag zou vertonen, zelfs in hun context, want ik vermoed dat die dames wel één en ander gewoon zijn.

Maar het idee dat je gezelligheid koopt?!? Want dat is wat er gebeurt in de uitzuipkroegen, eerder dan in de peeskamertjes van de stationsbuurt.  Bij meisjes/vrouwen die meestendeels liefst hun plastic doorschijnende stiletto hielen dwars door je balzak zouden willen priemen, neen daar kan ik echt niet bij. U wel?

Boeken, klasseren, mijmeren

Ik ben eigenlijk best trots op mijn boeken. Iedereen allicht. Stomme opmerking dus. En toch. Op zoek naar het zoveelste klasseersysteem heb ik ze weer eens allemaal in de hand gehad, mijn boeken. Eindeloze mijmeringen.
Karin heeft me ooit een boekje cadeau gedaan. Ik ben de titel en auteur kwijt, wegens op Cafe aan’t pennen. Op iPhone godbetert.  Ze gaf me dat boekje om mijn horizon wat te verruimen. Geloof me, dat is soms nodig. Als relatief rationele autist had ik immers maar twee klasseermethodes. Alfabetisch op auteur, of van klein naar groot. Ik vond dat onbevredigend, maar elke andere methode zorgde voor kopbrekens. Er zijn nu éénmaal filosofen die politiek meer doorwegen dan filosofisch. En wat doe je bijvoorbeeld met ‘Il principe’ van machiavelli? Politiek, geschiedenis of nog iets anders? Als Maarten ’t Hart een essay schrijft,over vrouwen die niet bestaan, mag ik dat dan elders klasseren dan zijn romans? Dichters, nog zoiets… Ineens krijgen ze de pretentie om te schrijven. Bij mij worstelen die dingen. Ik zie graag het werk van mijn lievelingsauteurs chronologisch geordend, en als ’t even kan allemaal uitgegeven bij dezelfde uitgeverij, in ’t zelfde formaat. En ja, ik geef toe dat ik al eens een boek twee, drie keer gekocht heb, omdat die uitgaves ‘formaatconform’ waren. Één keer heb ik zelfs alles van Ben Elton opnieuw gekocht omdat de nieuwe uitgaves gewoon mooier waren.
Maar toen ik gisteren mijn boeken uit dozen, zakjes, stapels en schappen haalde, was ’t grote liefde.
U moet ook weten dat ik er alles aan probeer te doen om wat ‘losser’ te zijn. Waar dat vroeger betekende dat ik er geen meetlat bijnam om zeker te zijn van de aflopende hoogte, of al eens een slapeloze nacht had over een foute kleuropvolging, ben ik tegenwoordig gewoon roekeloos. Ik kan al eens een fout stapeltje verdragen.
Verdienste van Karin. Haar boeken liggen op organisch-dynamische stapels, en op één of andere manier klopt het. Haar boeken toeven onder vriendjes. Weigering van structuur leidt tot natuurlijke ordening.
Maar nu denk ik dat ik het heb.. Qua systeem. Want voor mij werkt het ‘niet-systeem’ echt niet.
Als ik ze nu eens gewoon op datum van aanschaf klasseer? Min of meer. Het viel me op dat ik bij een dichtbundel van Jules Deelder, nul de botten moeite had met een stukje Chabot, Lanoye en zelfs een strip van Kamagurka. Gewoon omdat het in mijn hoofd allemaal onlosmakelijk verbonden was met ‘Batavia’. Een poezieprogramma dat Tom Lanoye bijeengesprokkeld had op t unief in Gent. Volgens mij heb ik daar ook voor t eerst Slagerij van Kampen aan t werk gezien.
En wat is er mooier dan je interesse in politiek weerspiegeld te zien in je boekcollectie, van Milliband tot Revel, van rechts tot uiterst links? Met een boekje van professor Helmut Gauss over Kondratieffs er tussen door.

Poëzie is ook zo’n mooie.. Dan begin je rustigjes met wat Herman De Coninck en Hans Andreus (voor de jonge lezers, neen het is geen typfout, en het is ook geen opticien), waar je overigens moeiteloos een catalogus van Turner tussenkrijgt, beiden waren immers gebiologeerd door licht, om het te zien evolueren naar rauw, tegenstroom, van Vinkenoog tot Sybren Polet, met Deelder en Chabot er tussen.

Opvallend trouwens dat ik mijn muziek door dichters leer kennen. Chet Baker en Charlie Parker, Brood en the Cocteau Twins en Cabaret Voltaire om van Talking Heads  en Brian Eno te zwijgen.

Het is ook mooi om de lacunes te duiden, en de levensfases. Marquez, Allende, nooit iets moeten van hebben, Castaneda daarentegen.. De Duitsers… Nog zo’n gat. Sporadisch wat gedichten van Heine, een paar obligate Thomas Mann, een steppenwolf en dat zal het wel wezen…

Enfin, u voelt het, boeken vasthouden en wandelen op het strand het inspireert.
Ik denk dat ik het er op waag. Misschien hang ik er wel verklarende bordjes bij, gewoon opdat u niet zou denken dat ik chaotisch ben!

(geheel en in 1 ruk geschreven op #Evernote, met zicht op zee en 1 Duvel)

BMW, What is wrong with their fans???

Den Duits, den Beamer, la BM…

‘T zal allemaal wel. Voor de goede verstandhouding, ik heb ook ooit rondgereden in een 530, dus ik ken het merk wel degelijk. En ik vind er geen zak aan. Sorry!

Maar dat komt omdat ik niet echt een auto mens ben. Ik ben daar te verstrooid en te… ja, te wat voor? Ik weet alleen dat het mij geen ene moer interesseert, behalve dan misschien al een keer iets esthetisch. Maar ook daar moet er niet in overdreven worden, het raadsel van de ‘janten’ ofte de velgen bijvoorbeeld, is altijd aan mij voorbij gegaan. Steevast slaag ik er in om de verkeerde mooi te vinden, in de ogen van de kenners.

Sterker nog, ik zie eigenlijk niet echt een verschil. Enerzijds heb je de plastieken sierdoppen en daarnaast heb je iets in ijzer, met 3,5,7 of 39 spaken.  Eén pot nat. Er is maar één auto waar ik mij prettig in voelde, en dat was mijn Dyane… met zetels van een CX, door mijn broer er in gelast. Dat was een beest! Al de rest is aan mij niet besteed.

Maar die BMW jongens, dat zijn echt fanaten. Net zoals ik niet echt goede chauffeur ben, zijn velen onder hen het ook niet echt (getuige het schrijnend gebrek aan knipperlicht etiquette etc.) maar dat maakt verder geen donder uit. Ze geloven in hun merk, en ze zijn er trouw aan. Zo trouw dat het bij momenten scary wordt.

Zo liep ik vanavond met mijn honden één of andere slaperige villawijk in, waar ik ook prompt weer verloren liep, want naast een kruk in het autorijden ben ik ook nog eens hopeloos in oriëntatie.  Slechte zielen denken nu “Een wijf, quoi!”… en ja, misschien wel.

BMW Schildje

Anyway, ik loop de straat in, het ene kitschkot naast het andere fake-paleis, en groot was dan ook mijn verwondering toen ik op nummer 36 dit aantrof.  Een metalen plaat met een BMW logo. Wie doet zoiets? Wie laat zijn vent/vrouw zoiets doen? En wat wil je er mee zeggen? Het was geen garage, het was een residentieel ding. Het was dus een statement.  Ok, je bent fan… so?

Zouden er ook mensen zijn met BMW tatouages?

Je zet een kot neer van ettelijke honderdduizenden euro’s, inclusief ‘den bekaertdraad’, het dolomiet, en de kempense hekkens, en als sluitstuk zeg je tegen ‘die van ons’ : “en naaa gonnek da plakske van den BMW tegen ons muur hangen! Wa peisde”… Zoiets? En die van ons zegt ‘Doe mor Jos!’…

Ik denk dat ik er niet van ga kunnen slapen… Ik zou het zo graag begrijpen. Net zoals die stickers van ‘Baby on board’… rijden mensen daar dan minder hard tegen? Of juist harder?

Frustratiedrempels

Aaaahhh, Vlaanderen en zijn schotschrift-traditie. Verder dan anekdotiek zal het nooit komen. Het uiten van frustratie via mooi getypte briefjes, netjes in een chemise gestoken, kwestie van weer en wind te kunnen trotseren. Een gulp expressie, maar dan wel netjes verzorgd opgehangen. Wanhoopskreetjes van de burger..

Wederom een fraai exemplaar. We beginnen met het (in mijn ogen) grappigste. Bemerk de fijne uitlijjning links, mooi netjes naast de spleet, of plooi, in de garagepoort.
Neuroten onder elkaar, wij kennen dat. ik durf te wedden dat de man er erg lang over gedaan heeft om de hoogte te bepalen waarop hij zou vastkleven, zoekend naar een referentiepunt, dat hij uiteindelijk gevonden heeft, 1,5 cm onder  het verlengde van de virtuele rechte lijn gemaakt door de resten van de ‘no parking’ sticker, die duidelijk niet afdoende bleek.

En dan de tekst. Forse kapitalen, om aan te geven dat het hem hoog zat.  spaarzaam gebruik van vetjes om duidelijk te maken dat hij niet van het halve soort gediend is. Volledig is volledig, en niet zo nog efkes een half bumperke erover. Rechte, virtuele lijnen, in het verlengde van zijn garage, en daar wordt verder niet aan getornd!. hoe moeilijk kan het toch allemaal zijn! Bende loozers (CC @Crusty).

In de tekst zelf zitten ook nog wel wat pareltjes. Niet vanaf vandaag, of nu, neen, neen, ‘vanaf heden’.  Met een datum erbij, om aan te geven hoe lang dat spelleke al duurt. De man is kwaad.  Vertederend vind ik ook de ‘Ben het kotsbeu’. Geen tijd om ‘ik’ erbij te plakken. ‘ ’t es mij muug, ben het spuugzat…’

En dan gaat het verder, politie-tussenkomsten, dreigen met bijten (waarom anders de vermelding dat hij gevaccineerd is en daarbovenop de assertie van het zelfbeschikkingsrecht. Ik moet geen toestemming vragen, want ik ben eigenaar!!!

Op zich is het allemaal wel wat om te lachen. Ik kan me ook inleven in de frustratie van de man. Je leeft en woont in de stad, betaalt een pokkedure garage en vindt de helft van de tijd een eikel voor je deur staan.  Redenen tot frustratie.

Anderzijds. Ik woonde lang in St Gillis, waar het een sport was om na 22u je auto binnen een straal van 5km van je deur kwijt te geraken, ik vond dat wel iets hebben. Het scherpt het ‘creatief parkeren’ aan.  het is werken op limieten, en ja, dat werkt dan wel al eens tegen de eigenaars van een garagebox.

Ik heb ook in een positie gezeten waarbij ik zelf zo’n box had, of een soort gepriviligieerde plaats voor mijn huis. En mij kon het eigenlijk geen lor schelen dat er al eens een keer iemand hinderde. Het is voor iedereen moeilijk dacht ik dan, we gaan hier geen dikke over draaien.  Mijn vriendin zag dat toen anders, die ging ook helemaal over de rooie als er iemand’s auto hinderde…

Gewoon om te zeggen, ik begrijp het niet, ik begrijp ook de neurobuurvrouw van Karin niet, die er op staat om haar auto op het uiterste randje van hun ‘eigendom’ te parkeren, ook al maakt dat verder geen zak uit, in een woonstraat waar er nooit parking problemen zijn. Ze wil geen stukje van mijn auto zien op haar stuk straat. Hoe moet je zoiets inschatten? Territoriumdrift, bezitsdrang, neuroses…

Allez, ja, gewoon zomaar een random observation of the third kind.

 

 

No Valentine… De menuutjes

Ik weet niet waar te beginnen. Eerst dacht ik uitvoerig commentaar te leveren bij de literaire pareltjes die ik her en der tegenkwam, of mij door gelijkgestemde zielen werden toegestuurd. Ik denk dat die beelden voor zichzelf spreken.  Staat u samen met mij even stil bij de opgeroepen sfeer, en ik ben er zeker van dat Valentijnsmenu’s nooit meer hetzelfde zijn. Ik denk ook dat er nog ruimte is voor een hele bespiegeling over grafiek en vormgeving, maar ik heb het nu wel gehad met het thema, en zal dat voor volgend jaar sparen.

Het is erg moeilijk om een favoriet te vinden, maar deze werd mij door @tombogman toegezonden. Ik denk dat we zo wel een licht kunnen werpen op het creatief proces. Men neme een aantal willekeurige referenties naar het thema, zijnde, liefde, zinnelijkheid, cupido, hart, verliefd, etc… Vervolgens pleurt men er wat adjectieven bij, en probeert men ingrediënten en gerechten een omfloerste naam in hetzelfde jargon mee te geven, en dan krijg je dit… Cupido’s mondvermakertjes… Ik weet niet hoe krom Nederlands kan zijn, maar het is een absolute hit. ‘Zwoele aardappeltjes’? Yeah, right! Als er nu iets is wat een absolute verzinnebeelding van de liefde is dan zijn het wel patatten.Toch?  Uiteraard mogen bij het dessert de vurige passie  en de zoetjes niet ontbreken, het geheel zou niet af zijn.

Kromme taal vinden we ook bij de vondst van @blissbohemian. Het is alsof de copywriter van dienst toch enige schroom heeft bij aanvang, maar die terughoudendheid blijft helaas niet duren.

Het raast maar door. Beginnend bij ‘liefdesvolle bubbeltjes in het kelkje van Cupido’. Stelt u er zich maar iets bij voor! Ik wil niet! Ik heb het feit al menigmaal vervloekt dat ik een levendige, visuele fantasie heb, en deze is er over. Het kelkje van Cupido, wat kan dat anders zijn dan… Ook bij het voorgerecht dringen er zich onkuise beelden aan mij op. Hoe kan het ook anders… bij een parelhoen,  knus op een spiesje. Het arme beest dacht daar vast anders over.  Ook hier zijn de petatjes in het spel aanwezig. Ik kan me voorstellen dat in bepaalde kempense gebieden ‘petatje’ een koosnaampje is, maar de knol op zich heeft op zich weinig affiniteit met het liefdesspel.

Prettige bijkomstigheid, de gebruiksaanwijzing. Men probeert een minimum aan directie te geven : het dessertbord (verleidelijk!) mag u delen, en u kunt het menu enkel per twee personen krijgen. Alsof je op je eentje zoiets gaat binnen harken.

Ook de Oosterse broeders hebben het signaal begrepen. Je kunt zelfs een Oosterse Valentijnsrijsttafel krijgen, met dank aan @Mister_wasabi. Al gaan we dan meteen de kinky toer op, met een trio van tortelvoorgerechten.

Gegeven het taalprobleem is men zich hier iets minder te buiten gegaan aan exuberant woordgebruik, maar de commitments zijn er niet minder om. Geen vrijblijvend geflikflooi, maar onmiddellijk een huwelijkssoepje. ‘T is maar dat je weet waaraan je begint.  Verder moet iemand mij eens vertellen wat er wel zo passioneel aan sojascheutjes is… en hoe je een eendenfilet verleidelijk kan maken. Godzijdank eindigen we met zoete versnaperingen, al dan niet door Valentijn zelf geselecteerd…

Waanzinnig mooi was ook de inzending van @Brittaver. We spreken hier over top-poëzie, de zinnelijkheid prikkelend als nooit tevoren. Startend met vloeibare passie, een ejaculatio praecox dus… beetje jammer, maar laat dat vooral de pret niet deren. Vooral niet omdat we overschakelen naar een warme gloed van kip en ham… Ik denk billen.

Het blijft een gesmos. We gaan dansen in een jus van drambuie. Een vettig beeld, dat nog wat versterkt wordt met bruisende bubbels in de buik. ik hoop van ganser harte dat dat dan niets te maken heeft met het metabolisme… Godzijdank werd het toen donker!

Ik stel me dan altijd de vraag hoe dit soort keukentafelpoëzie tot stand komt. Een laatavondbrainstorm tussen chef en sous-chef, waarbij de wonderlijke ingevingen komen van het zaalmeisje dat in haar vrije tijd poëzie schrijft. Of een nors afgeleverd menu van de chef, dat vervolgens kunstig verminkt wordt tot bovenstaande gedrochten door zijn vrouw en haar zuster. Allebei al lang verleerd om romantisch te zijn, maar volop vertrouwd met het ‘boeket-jargon’.

Mooi, erg mooi…allemaal. Bijna net zo mooi als de worp van @mvangrieken, die ik er toch nog even wil bijvermelden, gewoon omdat ik hem leuk vond, een waardige manier om deze cyclus af te sluiten. Smakelijk allemaal morgen! (de liefhebbers kunnen de namen van de restaurants opvragen bij de inzenders, (die daar morgen allicht allemaal zelf ook zitten) en nogmaals van harte bedankt worden voor hun inzet en fijn observatievermogen)

No Valentine : De productjes…

Luuuurrrvv cupcake

‘Hebt U nog botercroissants?’
‘Neen, mijnheer, allemaal op.’
‘En dat daar, wat is dat?’
‘Da’s gewoon ne sandwich, maar in de vorm van een hart, veu de valentoin!’ ‘Neen, dank u’.

Staande voor een toonbank, vol valentijnkitsch, speelde deze dialoog zich af. Ik kijk met groeiende afschuw naar alle moeite die de middenstand zich getroost om toch maar een korreltje mee te pikken van de ‘Valenterie’.

Wederom dezelfde vraag. Is het verstandsverbijstering bij de kleine middenstand? Of is er daadwerkelijk een markt voor? En wie is dat dan?

Je gaat me niet vertellen dat er wijven zijn die blij zijn dat manlief een cupcake, roos geglaceerd met een rood marsepeinenhart, meebrengt naar het ontbijt. Zo iemand flikker je toch gelijk weer buiten? En toon mij die vrouwen, die daar echt blij om zouden kunnen zijn. Of zijn dat die poppemiekes met garfields op hun bed, een kat in huis, en de volledige collectie Friends & AllyMcBeal onder het breedscherm?

Hoe geinig is het om hartvormige sandwiches te eten, of boterkoeken met roze glazuur, ook weer in de vorm van een hart?

Welke ‘shitforbrains’ neemt zoiets mee naar huis? Kan me niet voorstellen dat je nadien vergast wordt op een rondje lekker rollebollen. Eerder een meewarige glimlach en het vriendelijk verzoek om zo snel mogelijk op te rotten, cq. het rotsvaste besluit om het zo snel mogelijk af te taaien.

het bestaat echt!

Ook bij de slager, van ’t zelfde laken. Bij de bereide vleessoorten : Valentijnssalade. Ik vroeg aan het meisje wat dat dan wel was. ‘Oh, cocktail, met garnalen en krab en nog wat, ’t is niet slecht’.  Wat die ingredienten met Valentijn te maken hebben, het zal me (en haar kennelijk ook) worst wezen. Tiens, Samsonworst, maar dan met een roos hartje in plaats van dat idioot beest, misschien wel een markt?

Anyway, ik kocht een potje valentijnssalade om het geheim te doorgronden. En ja hoor… Ik heb het begrepen. Ersatz is het sleutelwoord! Zoals er mensen zijn die nog steeds koffie met chicorei drinken (bitterpee, het ersatzproduct van tijdens de oorlog), zo ook hier. Ersatz is king, en er is een markt voor!

De Valentijns salade bestaat uit roze garnaal, surimistick, cocktailsaus en stukjes ananas uit blik. Ersatz voor smaak dus. Surimi en roze garnaal hebben net zoveel met smaak te maken als valentijn met liefde. Blik ananas, dat lijkt op echte ananas, en geeft er een zoet smaakje aan.

Nu, u kent mij onderhand, ik heb een zwak voor kleinhandel, en ik bewonder de manier waarop ze er telkens weer in slagen om hun graantje mee te pikken en naar godsvrucht en vermogen in te spelen op de trends van het moment, of dat nu borstkanker, halloween, valentijn of kerst is. ‘T zal allemaal wel, en als ’t niet verkocht, ze zouden het niet maken.  Dus bij deze, heren en dames, handelaren, als er zotten voor zijn, go ahead en produceer. Het is niet jullie taak om verstand in de hoofden des menschen te timmeren.

De zotste was de inzending van de onvolprezen Tim Willems, mysantroop van de schoonste soort, die bij de grootdistributie ook zo’n mooi staaltje opmerkte: valentijnsdiner voor twee, of voor drie desgewenst, want t’was van 3 kopen voor de prijs van, op de koop toe.

Het werkt als volgt. Laat bij uw plaatselijke drukker een tienduizendtal zelfklevers maken met dat soort ongein, en kleef ze op elk willekeurig product met lage rotatie, dat zich in uw schappen ligt onledig te houden.

Ik heb het dan over pangasiusfilets, orientaalse schotels, etc… En dan maar bidden dat ze zo misschien wel weer verkocht geraken. Ik wil ze zien, de kopers van zo’n ding. Ik wil er mee praten, en ik zal ze helpen. Eenzaam rukken lijkt me feestelijker dan zo’n maaltijd met twee zitten op te kauwen.

En natuurlijk is de grootdistributie nog maar aan het begin van zijn evolutie met Valentijn. Wat te denken bijvoorbeeld van Valentijn ontstopper (maak alles terug zuiver tussen jullie), Valentijn dweil (omdat samen dweilen met de kraan open zoveel leuker is), Valentijnboenwas (samen glijden, quality time vermijden), Valentijngeurblokjes (geen veestjes, maar feestjes!)…

Trouwens, de textielsector is ons reeds lang voorgegaan in deze. Wat te denken van dit ongetwijfeld ‘romantisch, geinig’ bedoeld presentje. Ik stel me voor dat ik zo rondwandel, terwijl mijn broek zachtjes afzakt… Met dank aan @tombogman, een medestrijder in deze zaak!

Aaaaaah, retail is detail!

De performativiteitstheorie van Van Dyck

Toen ik aan de universiteit zat was formele logica één van mijn lievelingsvakken. Ik vond het fascinerend om het spel van proposities te spelen, de evenwaardigheid van A en nietA als uitgangspunt te nemen, eerder dan een subjectieve en emotionele inkleuring te moeten geloven. Daarnaast geef ik grif toe dat rhetorica een mooi gegeven is, waar ik al menig debat mee gewonnen heb, maar dat is nu niet aan de orde.

Het resultaat van de formele logica en de oefeningen die we daarop kregen, is dat ik in teksten dikwijls naar logische verbanden speur. Wie kan het me kwalijk nemen?  Verbanden die aangegeven worden door ‘en daarom’, ‘vervolgens’, ‘daaruit volgt’. Soms staat dat er expliciet, soms staat dat er impliciet. Soms is dat er gewoon niet.

Neem nu de column van Fons Van Dijck gisteren in De Standaard.  Ik heb nog met Fons samengewerkt, en ik vind dat  echt wel een ok mens, dus zie dit niet als ‘Fons-bashing’. Maar het moet wel ergens over blijven gaan natuurlijk.

Het stuk gaat over Nike, en de inspanningen die het levert om de Franse markt te pakken. Het eindigt met  ‘Slim van Nike’. Automatisch denk ik dan dat er een verband is, en dat mij dat zal uitgelegd worden.

Niet dus. Er wordt wat geschreven over ‘Think Global, Act local’, daar worden nogal wat woorden voor gebruikt, moeilijke woorden, met veel lettergrepen. Als die in hun context juist zijn vind ik dat niet erg.
Integendeel. Die woorden zijn er gekomen om efficient iets te kunnen duiden. Maar als ze er natuurlijk enkel staan om de grote leegte te verdoezelen, is het weer iets anders. Voor de slechte verstaanders, ik wil hier allerminst Fons verdenken van leegte. Absoluut niet. Maar laat ons eerlijk wezen, het spanningsveld tussen global strategy en local execution is niet echt van het nieuwste, hè?    Mij leek het eerder de move van een wereldconcern/merk om een belangrijke afzetmarkt verder te bewerken en te pakken.  Voetbal is ook een beetje een ongelukkig voorbeeld om als lokale cultuur te bestempelen. als hij het over pelote zou hebben, dan volg ik, of over kaatsen, of heibollen, of ganzenrijden, of poldergolf desnoods. Maar voetbal? Lokale cultuur?

Om het stuk verder te onderbouwen wordt er als autoriteitsargument een studie van Ernst&Young bijgehaald, die een eerdere studie van Friedman zou moeten ontkrachten. U ziet stof tot argumenten, tot woord en wederwoord. Alleen… het is er niet. Het gaat alle richtingen uit, maar het is echt niet van A impliceert B en B impliceert C, maar wegens D leidt dat tot F en niet G. Neen.  Ook niet na veel zoeken en met veel goede wil. Ik vind het maar niks.

En als ik dan plompverloren midden in dat stuk iets of iemand hoor orakelen over ‘De globale consistentie en standaardisatie van processen laat toe om best practices  mondiaal door te trekken’. Tja, dan krijg  ik het op mijn heupen. Het is ook mijn tijd!

De klapper bewaar ik voor het einde. Minder kosten en risico’s, meer zichtbaarheid, maar ook een interne vergelijking op het vlak van de performativiteit…  De wat, Fons?

De performativiteit? Het woord performatief bestaat, ik heb het opgezocht, maar in deze context… niet echt. Allez, volgende keer beter hè!

 

Fijne mensen

Ik heb het niet voor Bongo-bons. Ik vind dat niet echt geïnspireerd. Toch zijn er onlangs een paar mensen in geslaagd mij er mee te ontroeren. Ik ga er niet flauw over doen.  Het zijn gewoon fijne mensen, zonder veel kapsones.
Wat volgt is een verhaal(tje) over een agentschap zonder pretentie en met hart en verstand op de juiste plaats.

Een paar jaar geleden kreeg ik een lead binnen voor een job waar ons toenmalige bureau niet echt voor uitgerust was. Op aanraden van een vriend en vastbesloten om die klant/lead niet in de steek te laten trok ik met de hele handel naar Vilvoorde, waar een zootje ongeregeld, en kennelijk ook ongeïnteresseerd het hele zaakje aanhoorden. The Parking Lot.  Ze stelden geen vragen, mummelden wat onder elkaar en ik perste een datum uit hun monden, over het wanneer we elkaar zouden ontmoeten. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me weinig illusies maakte. Het was alsof ze er geen zin in hadden, en tegelijkertijd waren ze vrolijk, maakten grappen en grollen. We zouden wel zien.

Een week later werd ik vergast op een professionele en leuke presentatie, zonder poeha, zonder veel gezever over ‘wat hebben wij onthouden van de briefing, wat wil de klant misschien, hoe zien wij de opdracht…’ Niks geen gewauwel, gewoon tien slides met op elk van hen  een sterke, juiste idee. 10 verschillende ideeën ook, geen doorslagjes van elkaar,  die met een paar woorden aan de man gebracht werden.
Onwaarschijnlijk plezant, en juist.

Die presentatie werd vervolgens aan de klant doorgestuurd, die het vakkundig de nek liet omdraaien, eerst door zijn bazen in Nederland, nadien door de bazen van de bazen in Zweden. Er was uiteindelijk geen geld voor. Erg jammer!
De ideeën stonden als een huis, en de jongens van The Parking Lot hebben er ons nooit geld voor gevraagd, wegens ‘fair play’, wij hadden immers ook niets verdiend, en iedereen had het moeilijk. Ik was daar erg blij om, al heb ik dat misschien niet laten merken, toen.

X aantal jaren later, kom ik een oude bekende van me tegen, die tussen neus en lippen fluistert dat ze op zoek is naar een bureau. Ik pols, denk en oordeel, en stel ze voor, jawel aan The Parking Lot, maar ook nog aan twee andere. Ik doe niet aan vriendjes politiek, ik probeer een keuze te maken waar mijn professionalisme niet onder lijdt.

Time goes by, and all of a sudden vind ik in mijn brievenbus een Bongobon, met de korte vermelding:  “pitch gewonnen, dank je, Evan.”

Het mooie is, dat er inderdaad niets afgesproken was. Ik doe dat soort zaken – mensen met elkaar in contact brengen, waarvan ik denk dat ze iets met elkaar kunnen doen –  regelmatig, waarom ook niet.
Het aantal bedankingen dat je daarvoor terug krijgt, of  het aantal blijken van appreciatie is 0,0001.  Als er dan iemand geheel uit zichzelf, en op de juiste manier zoiets opstuurt, tja dan ben ik blij, en dan weet ik dat dat fijne mensen zijn.  Een aanradertje dus!

Keurslager Bart, wij weten waarom

Koffie bij Keurslager Bart

Ik heb een zwak voor de kleine middenstand. Zeker als die kleine middenstand blijk geeft van passie en goesting in de job. Zo wil ik al wel eens voor de fijne vleeswaren binnenstappen bij Keurslager Bart in St Antonius Zoersel.

Je voelt aan alles dat die mens zijn stiel kent.  Vanmorgen was het weer zover. Ik moest een nummertje trekken, want er is discipline bij de keurslager. Het was nummer 68, en ze bedienden op dat moment nummer 33. Toch bleef ik.  Er zijn in Zoersel en omstreken -tig beenhouwers en charcuteriezaken. En toch bleef ik.  Omdat ik verzot ben op hun pastrami, en omdat hun salades nog echte ingredienten bevatten, waarvan de mayonaise maar een deel uitmaakt, en omdat ze zo’n mooi aanbod hebben, en beseffen dat er méér dan één soort salami bestaat. Allemaal waar.

Maar vooral toch omdat ik het daar prettig vind. De bediening is snel, en ze wrijven tussen elke aanraking met het slijk der aarde door, snel wat onsmettingsproduct op hun handen. Ze weten van aanpakken en kennen hun vak.
Slager Bart kwam toevallig vanochtend in de zaak op het moment dat ik mijn nummertje trok, en hij straalde. Je zag hem blij zijn met wat hij opgebouwd had. Ik vind dat fijn om te zien.

Bovendien – en hier zijn we er weer mee – weet hij  zich als geen ander te verplaatsen in de geest van zijn klanten. Hij heeft een koffie-automaat, waar je gratis een lekkere koffie kan nemen. Twee ook als je dat zou willen, maar dat is niet echt nodig, dat weet Slager Bart ook, zo efficient zijn zijn mensen wel.

Het is ook geen excuuskoffiemachine, ’t is lekkere koffie. Zo simpel kan het zijn om frustratie weg te nemen.

Als er ergens een punt van kritiek mag zijn; Keurslager Bart heeft ook wat flatscreens hangen met powerpoint promoties over fijne vleeswaren. Ik apprecieer de grafische inspanningen, maar het zal nooit een goed idee zijn. Gehakt is nu éénmaal niet fotogeniek… maar je hebt wel nog iets te lezen en te bekijken, dat is waar.

En zo blijf ik welgemutst aanschuiven bij Slager Bart, ’t is tenslotte weekend, wat kan mij dat kwartiertje schelen.

De Muide leeft!

Café De Click

Kijk, mijn vrijdag is weer helemaal in orde. Een staaltje CaféCommunicatie, dat gaat er altijd in.

Om precies te zijn, het was niet echt in de Muide, waar ik het zag, ’t was de voormuide, een niet zo chique buurt van Gent.

En dan ineens, hel-oranje, fusion tussen Cécémel en Coca Cola reclame : Een café met een missie. “Wij geven  dorst geen kans”. En ze serveren Bockor pils.  Mooi, mooi en overtuigend. Sorry dat de foto niet geheel duidelijk is, het moest in de vlucht gebeuren.

Het logo aan de voorkant getuigt ook van enig grafisch genie, in een rode cirkel krijg je een remake van het Coca cola logo, maar dan met Café Click… Rood op oranje, hedendaagse fashionista’s zullen met mij beamen dat het gewaagd is maar dat het kan.

Of de toets helgroen Perrier daar kan aan toegevoegd worden is een ander paar mouwen, maar het geheel straalt een zeker  verzorgd ‘jenesaisquoi’ uit, dat ik wel kan pruimen.

En de banner, dat is nogal wat anders dan de vermelding ‘sfeercafé, of smultent’. Dit is een mission statement zoals mission statements moeten zijn. Kort en helder, en de hele organisatie kan er zich achter scharen, om het doel te realiseren. ‘Wij geven dorst geen kans’. En volgens mij nemen ze dat ter harte.  Mooi!

Ik ga er zeker eens een pintje drinken één van de dagen. Lezers uit de buurt die meewillen, let me know.

Ik ben een vendelzwaaiende volksdanser…

…geweest! Ik ben bij de blauwvoetvendels en het VNJ geweest. Ik heb er zelfs leiding gegeven tot ik 18 was. Mijn opa was een collaborateur – ne zwarten zoals ze dat zegden – en mijn vader is een papenvreter die eigenhandig VU afdelingen heeft opgezet en geleid. Een man die in Brussel menig akkefietje had met het FDF, in verhitte kiescampagnes. Ik heb alle betogingen voor amnestie meegemaakt, als kind. Ik heb in Schaarbeek, Voeren en Komen betoogd. Ik ken elke hoek van de IJzervlakte, en heb klaroenen laten weergalmen op het middenplein van het sportpaleis. Broederband wakes, St Joriskring, zelfs Protea was mij niet vreemd, in naam van de grote volksverbondenheid. 11 juli vieringen waren een feest en bij verkiezingen veranderde ons huis steevast in een geel/zwart bastion, zeer tot ergernis van mijn broer en mijzelf. Het was ook de tijd van de autocaravanen, prachtig gewoon.  Tot daar mijn onvervalst pedigree qua vlaamsnationalisme. Ik wil er ook nog aan toe voegen dat ik wellicht in die periode ook menig ‘Vlaams -Belang-Neleke’ een tong gedraaid heb, maar dat is verder niet relevant.

Hé, hé, dat lucht op! Het zal u wellicht interesseren dat ik dit alles afgezworen heb toen ik naar ’t unief vertrok en verder een uitermate losbandig leven heb geleid, met het hart op de juiste plaats (dit even ter geruststelling van mensen die nu heel erg geschrokken, een slokje water moeten drinken, ga uw gang).

En ik laat dus een baard staan.Openlijk, omdat ik wil laten zien dat ik het zat ben. En ik wil dat wel even uitleggen ook.

Mijn ouders, alhoewel beiden erg flamingant, spraken uitstekend Frans. Als ze op vakantie gingen in de Ardennen, spraken ze Frans, en genoten ze van de streek en de mensen. Als ze in Vlaanderen in contact kwamen met Franstaligen spraken ze Frans, omdat dat de beste manier was om vooruit te komen en elkaar te helpen. In Brussel wilde mijn papa nogal eens principieel doen, maar als hij zag dat er goede wil was, of dat hij met iemand van een Berber-volk te maken had, dan begreep hij ook dat hij het onmogelijke niet kon eisen. Mijn ouders zijn tolerante mensen, die opperbeste relaties hadden met Franstaligen, Marokkanen en Turken uit hun buurt. Ze woonden immers in Brussel, ze hadden geen schrik van die stad. Ze kwamen op voor een soort van volksnationalisme dat gericht was op het laten respecteren van hun rechten in een Belgische context. Ja er werd al eens gescandeerd van ‘België Barst, Belgikske, nikske’, maar dat was relatief onschuldig. Ik ben Brusselaar, en ik heb in de rand gewoond, Overijse, ik beheers mijn landstalen en ik heb ze altijd als een middel, een soort vanzelfsprekend instrument tot communicatie gezien. Verworven rechten allicht!

Het hoogtepunt van elke verkiezing, en we keken daar echt naar uit, was het moment waarop de kiesuitslagen binnenkwamen. Mijn pa, broer en ik bleven aan het beeld gekluisterd, en geen kiesdistrict zo klein of het werd van commentaar, hoon of jolijt voorzien. Het was de tijd van professor Picard, een soort Dartagnan van de statistiek.

De discussies  op TV werden hoofs en scherp gevoerd, en de onderhandelingen zouden, net als nu, lang en moeilijk zijn. Het waren wel onderhandelingen! Met mensen die elkaar begrepen, die begrip konden opbrengen voor de gevoeligheden van elke taalgroep. Daar kwamen fijne compromissen uit (ja, ik vind dat een mooi woord, en niet oneervol). Cools, Schiltz, Spaak. Dat verstond elkaar. Er was de retoriek voor achterban en kranten, en er was het besef van staatsmanschap, verantwoordelijkheid en moral/civic duty. Het werd niet minder hard gespeeld, en bij momenten zelfs een stuk intelligenter.

Nu zie ik egoistische scherpslijpers, die gaan uithuilen bij de pers, die manipuleren, en aan hun kleine toekomst denken. Die bovendien ook de verkeerde gevechten voeren. Het gaat al lang niet meer om Vlaams in Brussel, het ‘vlaamsche volk’ heeft de economische hefbomen in handen, is welvarend en begint nu wel heel erg bekrompen te worden.

Ze willen Brussel, maar laten er zich liefst niet te veel zien, tenzij dan voor één of andere high brow culturele manifestatie.  Dat zijn verkeerde, kleine, bekrompen signalen. Werk vanuit zelfbewustzijn.

‘Koloniseer’ desnoods met je nijver, je werklust en je kapitaal stukken van Wallonië, er is daar grond en arbeidskracht genoeg, maar voer geen territorium oorlog voor een immer kleiner stukje welvaart.

Solidariteit is geen hol begrip, ik ben er niet altijd van overtuigd dat alles wat we zelf doen dat we dat beter doen. Ik gruwel van de enge visie op cultuur zoals een Geert Bourgeois die neerzet, ik houd niet van de navelstaarderij van sommige Vlamingen. Ik heb niks met België, tenzij dan misschien dat ik het een prettig  en mooi-absurd artefact binnen Europa vind. Ik zou niks liever hebben dan een los verband van stammen in een Europese context, en hoe minder staat, hoe liever het mij is.  Maar wat hier gebeurt, het polariseren van twee bevolkingsgroepen, met alsmaar sterker wordende frustraties en het op de spits doen lopen van gevoeligheden en problematieken, daar walg ik van. Ik  zie er ook geen oplossing in.

En zoals steeds, twee vechten, twee schuld. het is niet omdat de Franstaligen als één blok naar voor komen dat het beter is.

Heb ik een oplossing? Neen, niet echt, zeker politiek niet. Machtsblokken zijn wat ze zijn, en in een democratie moeten zij ‘ons’ dan maar vertegenwoordigen. Maar ik vind dus wel dat er mag gereageerd, betoogd en geroepen worden tegen de absurditeit van x honderd dagen geknoei over dossiers die in de retoriek van sommigen wat politieke moed vergen. Misschien moeten we  elkaar adopteren, elke Vlaming één Waal en omgekeerd, en twee keer per jaar een feestje bouwen onder elkaar, om tot meer begrip te komen.  En een klein, nationaal/federaal kieskringetje zou dan misschien wel meer impact hebben… Misschien moeten we wat meer in Wallonië rondrijden en vakantie vieren. Het zijn warme, lieve mensen, met een relativerende blik en echt wel wat meer werklust dan de Vlaming uit Rumbeke soms vermoedt…

Ik steun dus het protest, ten dele omdat het wat absurd is, maar ook omdat ik het tijd vind voor een signaal. En dat dat in een sfeer gebeurt van ‘mensen’ die hun talen kennen, en met een monkelende glimlach al eens een keer naar hun Waalse epigonen knipogen, dat is fijn. Daarom heb ik nu even een baard, en kampeer ik virtueel en zal ik wellicht mijn neus ook even laten zien zondag.

Het droevige, alternatieve meisje

Het overkomt mij heel af en toe dat ik het openbaar vervoer neem. Ik zou het vaker moeten doen. Anderzijds, het openbaar vervoer is misschien wel openbaar, maar het vervoert niet zo heel goed, en het pakt verdomd veel tijd. En als ik de twittertjes mag geloven moet ik me meestal gelukkig prijzen, want ik maak de ergste drama’s niet mee.

Nu, ik wou het niet zozeer over de kwaliteit van het openbaar vervoer hebben, als wel over de mensen die het gebruiken. Allerhande pluimage, en best boeiend om daar verhaaltjes bij te verzinnen. Zo zat ik op de bus tussen Lochristi en Gent centrum (eigenlijk best een vlotte verbinding, ik ga die echt nog gebruiken) en tegenover mij zat er een jong meisje, vlotjes in een boekje te schrijven en te lezen. Dan ben ik al meteen geboeid, ik hou van mensen die aantekeningen maken. Die een beetje rusteloos alles in zich opnemen, en dat waarschijnlijk verwerken in woeste, smerige, levensbeschouwelijke verhalen, of kleine lieve aantekeningen over het eigen zijn.

Het meisje schreef en schreef, en keek niet op. Behalve om haar lipjes bij te stiften met een labello. Dat vond ik dan weer mooi. Ze was grof geschat dezelfde leeftijd als mijn oudste dochter, die dan weer veel minder in schriftjes schrijft, maar wel heel open in het leven staat. Soms zelfs wat te open, naar mijn smaak. Soms zou ik ze even ingetogen willen zien als dit meisje. Soms…  Mijn dochter houdt van bloemenjurkjes, van kleuren, van grappige handtassen, van rode schoenen, gele truien, oranje sjaals. Mijn dochter is geen trut, laat ons daar wel duidelijk over zijn,  maar een zelfbewuste, jonge vrouw, met een groot hart, en een fijn werkend verstand. Ze gaat naar Dour in een rood vichyruitjeskleedje, en is bij momenten een hele verzameling Amélie Poulains op heurzelve. Mijn dochter is ook luid, vrolijk en drinkt haar hele vriendenkring op een hoopje als ’t moet, ondertussen snedig opmerkingen lancerend over het leven.

Dit meisje had nooit mijn dochter kunnen zijn. Het was een herfstkleur kind. Ik werd er zelf een beetje treurig van. Alle kleuren moesten vaal zijn, en een beetje donker, en een beetje afgewassen. Ik houd daar niet van. Ik vind het ook iets niet-zo-fris hebben. Is dat omdat het leven lijden moet zijn? Omdat de donkerte van je kleren uitdrukking geeft aan je visie op deze troosteloze aardkloot? Ik mag hopen van niet.  Het meisje was amper twintig, ze had bovendien een erg lief gezicht, en ik ben er zeker van, mocht ze heur haar niet verstoppen onder een vaalkleurig mutsje, en iets meer fruit eten, dat ze er best appetijtelijk zou uitzien. Maar zelfs haar piercings hingen er een beetje neerslachtig bij…

Het is mijn heilige overtuiging dat je een doffe uitdrukking krijgt van linzen en graansoorten eten, zeker als het uit overtuiging gebeurt. Zulke dingen moet je eten omdat je ze graag eet… Soms, en dan weer eens iets anders. Gewoon omdat het lekker is en dat mag.

Ik vermoedde een grote soberheid, droevige reproducties van obscure Oost-Europese artiesten en treurige muziek en vreselijk moeilijke films. Zo van die draken die vroeger de Gouden Palm wonnen, en die na het bekijken ervan uitnodigen tot het nuttigen van liters slechte alcohol, omdat het leven nu éénmaal geen feest is.

Waar is het misgegaan als je al zo vroeg in het leven uiting geeft aan donkerte? Of ben ik te oppervlakkig? Ze heette waarschijnlijk Prunantia of Bérénice of zo, waardoor nog maar eens bewezen is, lieve toekomstige ouders, let toch op met de voornaam van uw aanstormend kindje…

Suggestie van vriendschap?

Ik beloof het, ik zal het kort houden. ‘T is voor iedereen zaterdagavond.  Maar het moet er even uit.
Vandaag al de tweede keer dat het mij overkomt. Van toffe jongens nog wel, maar wel geen jongens waar ik het afgelopen jaar, of zelfs de afgelopen twee jaar een pint mee gedronken heb, of enige andere sociale activiteit heb ondernomen.  Vandaag  suggereerden ze mij een vriend, op facebook! Moest dat nu nog een echte kennis zijn, dan zou ik dat leuk vinden, maar een organisatie? Hun organisatie? En dan nog op anonieme manier, zonder tekst en/of uitleg. Ik dacht het niet!

Ik heb veel zogezegde vriendjes op Facebook. Ik heb er een paar echte, en dan een massa, waar ik verjaardagswensen van krijg, en terug geef, en waar de interactie nul de botten is. Ik heb daar vrede mee, actief, passief, u weet hoe het gaat.Zij vermoedelijk ook. Het zou zelfs kunnen dat er bij die tweede soort familieleden zitten, dat is allemaal niet erg.

Maar als we het over suggereren van vriendschapsconnecties hebben, dan moeten we het helaas weer over netwerken hebben. Geef en u zal gegeven worden.

Wie in een heel jaar geen stom woord tegen mij te zeggen heeft; niet op facebook, niet op twitter, niet op linkedin, of op quora, laat staan in real life, die zou toch vanzelf moeten weten dat er iets niet klopt als hij/zij begint te communiceren met één of ander nauwelijks verhuld commercieel of sociaal-media-strategisch belang in het achterhoofd.Wat gaa nwe doen? passieve zieltjes winnen? Kijk eens met hoeveel apathen we al zijn, zeg! Wat een succes!

Het overkomt mij regelmatig dat ik kennissen of vrienden attendeer op het feit dat deze of gene ook op het netwerk zit. Nooit of te nimmer, heb ik al eens een keer een organisatie platweg, massaal naar de hele zwik gepushed. De gemakkelijkheidsoplossing zeg maar.

Moest men mij vragen om het te doen, dan zou ik het inkleden, uitleggen en er een verhaaltje aan vast knopen, waar ik iets aan heb, of tenminste de mensen die ik daar mee lastig val. Vertel mij waarom ik vriend moet worden van een ‘platform’, of van een DM-bureau, godbetert, als er nu één is die beter zouden moeten weten, dan wel zij!. Ja, jij, ja, die dit nu leest, neem het me niet kwalijk, ik blijf u graag zien, maar ik vond het geen goede move.

Allez, bon, ’t is weekend, dus ik ga het hier bij laten, maar gaan we daar in het vervolg iets oordeelkundiger mee omspringen? Vertel mij waarom en ik doe het misschien, behandel mij als sociaal melkvee en je krijgt een dikke middenvinger. Bij deze!