De uitzuipkroeg… een droom

Ik heb al meermaals mijn fascinatie voor uitzuipkroegen en de koninginnen van de betaalde liefde toegelicht. En mijn onhandigheid in die materie, wat mijn fascinatie uiteraard niet in de weg staat.

Het toeval wil dat ik op weg naar mijn geliefde  passeer voorbij een uitspanning, met zoals steeds een erg romantische naam, in dit geval ‘Villa Blanca’.

Het pand is duidelijk in verval, heeft zoals altijd een discrete parking, wat mij weer typisch iets Vlaams kleinburgerlijks lijkt. Je mag betalen voor seks, maar het mag wel niet geweten zijn, door de goegemeente, stel je voor. De gedempte neontinten doen vermoeden dat er zich allerlei spannende, het daglicht vermijdende handelingen afspelen, door wulpse deernen in nauwelijks verhullende en onwaarschijnlijk sexy niemendalletjes.

Zo wil het onze fantasie. Ik stel me voor dat je in luxueuze interieurs, onder het genot van stemmige muziek en voortreffelijke drank, verwend wordt door hoogbenige supermodellen, die zich vol overgave kwijten in het lenigen van onze laagste, liederlijke lusten. Ondertussen wordt menige existentiële discussie opgezet over de zin van het leven, met deze bohémiennes puur sang, die schijnbaar op de wereld gezet werden als lustprinsessen en vurige vertolkers van de lichamelijke genotspartituren. Na afloop verdwijnen de hoogblonde gazelles in dure sportwagens naar hun eigen Walhalla om mijmerend bij te komen, bij een glas Chardonnay van onberispelijke kwaliteit, van de intense uitwisselingen met hun geachte clientèle.

Heel af en toe wordt die prachtige droom onderbroken. Vlak in de buurt bevindt zich namelijk een bushalte. Gisteren zag ik twee meisjes het bovengeschetst pand verlaten, met een treurig aldi-tasje. Oei! Weer een illusie aan diggelen…

En toen dacht ik ineens aan dat mooie Angelsaksisch begrip ‘working girls’.  Dit waren working girls. Grauw, midden in een triestig leven, waar ze overgeleverd werden aan de grollen en grillen van waarschijnlijk erg gefrustreerde mannetjes, met niet al te frisse gedachtes over hoe ze hun seksualiteit ten volle kunnen beleven.

Ze sjokten moedeloos naar de bushalte, en hun doffe ogen leenden zich tot weinig meer dan een ver gestaar naar een bus die hun waarschijnlijk via allerhande vergane buurten zou brengen naar een plek waar ze hopelijk wat rust konden vinden om een dag later opnieuw ondergedompeld te worden in de poel van duurbetaalde illusie. Hoogstwaarschijnlijk heb ik het zelfs daar verkeerd voor.

Wat een tristesse. Of neen, allicht waren het de poetsvrouwen, en zijn onze lenige sexkittens gewoon wat eerder in Corvette en Jaguar convertible gesprongen. Het kan bijna niet anders zijn!

Mannen, Jagers? Ik weet het niet.

Ik zit op café. Altijd inspiratie. Alleen deze keer lukt het niet om te schrijven. Er is teveel lawaai. Zou er een verband bestaan tussen dronken en doof? Of is het een reflex, dat zatte mannen, naarmate het spraakvermogen afneemt en wat slepender wordt, luider spreken om toch maar hun waardevol gedachtengoed over te brengen op hun toehoorders?

Het gezelschap naast me. Vier mannen, drie vrouwen. De opluchting van de beginnende vakantieperiode, de zinnenprikkeling van de eerste zonnestralen. Bronstijd. Dat zie je. De jagers hebben hun prooi bijeengedreven. Zo denken ze. Één van hen zal bakzeil halen vanavond en de golden handshake letterlijk krijgen. Alhoewel, t zien er schoolfrikken uit. Mannen met korte hemdsmouwen, ik kan er niet aan doen, het werkt niet bij mij, en ik verzin er meteen triestige hierarchie bij.

Maar jagers dus. Op zoek naar wat ontucht, of wat flirterige egobevestiging. Het maakt niet uit, het gedrag is hetzelfde. Het is overigens zo dat in de prehistorie, of in tribale omgevingen, waar mannen jagers zijn, 90% van het voedsel door vrouwen voorzien werd. De mannen hadden wel mammoets gezien, dat wil niet zeggen dat ze er ook altijd één mee naar huis hadden. ‘Zijn er nog verse bessen in huis, schat? We hebben mooie verhalen te vertellen, den John en ik hadden bijna ne geweldige sabeltand tijger geschoten. Morgen gaan we terug, want we weten hem zitten… En is er nog wat pap, of maiswijn?’ Die stijl!

Ik heb vroeger al gezegd dat mannen die denken dat ze jagers zijn, er eigenlijk niets van begrepen hebben. Maar toch belet me dat niet om een typologie van de jagers te maken aan de hand van wat ik hier aan de toog zie gebeuren. De voornaamste types zijn vertegenwoordigd: de sluipschutter, de braller, de valsen tragen.

De braller is het eenvoudigst te herkennen. Luid, vindt zichzelf fantastisch, is er vast van overtuigd dat iedereen hem geweldig grappig vindt en deinst er niet voor terug om zijn drinkebroers bij tijd en wijle te kakken te zetten. Goede luim, weet je wel, daar moeten ze tegen kunnen!

Hij heeft een simpele verleidingstechniek. Bewondering. Entertainment. Rechtlijnig, éénvoudig, doortastend en brutaal. Hij speelt ook op uithouding, de halve fond. Die anderen zullen wel ontmoedigd worden en hij raapt de brokken op. Doorheen de ‘grappige’ anekdotes weet je alles over hem, en vooral, en veel belangrijker, alles over de materiële welstand. ‘ik herinner mij, in New York…. En ik stap in mijnen Audi, ik heb nen A6… Maar ja, dat gerief om uw zwembad te onderhouden… Pftttt, allez, ik hoop dat ze er haar plezier mee heeft, want na mijn scheiding…. Alles weet je.

Hij moduleert ook, in functie van de prooi, er kan al eens wat cultuur tussen zitten, van het opvallende soort. Hij kan Calatrava aan een discipline, plaats en stijl koppelen, hij kent het grote blufboek, of minstens de methodes die Paul Jacobs, de radiomaker die dat hoogst vermakelijke boekje maakte, ooit bijeen schreef.

Als hij aan het kortste eind trekt is dat niet erg, zijn buit zijn ook de verhalen , al dan niet aangedikt, wie onthoudt dat immers? Het kan hem ook absoluut niet schelen met wie hij op het einde van de avond overblijft. Het gaat immers niet over haar, maar over hem.

De sluipschutter, de grondwerker dat is een ander paar mouwen. Dat is de man die van bij aanvang zorgt voor een goede uitgangspositie. Die heeft al nagedacht, kansen ingeschat en weet dat hij niet over zoveel troeven beschikt. Een schot, do or die.

Hij heeft zijn kansen afgewogen, het gezelschap geëvalueerd. Die ene, dat muurbloempje, die zal het zijn. En de rest is verkoop. En techniek dus.  Openingsvragen, open.  Behoeftebepaling, inzoomen, focussen.

Het wild isoleren, afschermen van de kudde, het intimistische, belangstellende gesprek. De bezwaren aftasten, niet weerleggen, nadenken, concentreren. De zuivere lijn zoeken, qua schootsveld. Hardnekkig, vasthoudend, intens… Ook al ziet het er niet altijd zo uit. Mannen ook met een bijzonder zwaar noodlot. Ze kunnen nooit gaan pissen op café, want dan verbreekt  hun toch al vrij ijle  spanningsboog. Denk aan de jachthut, eens het wild in’t vizier ga je ook niet rap nog even schijten.

Hij bewandelt een dunne lijn, voor je’t weet zeurt hij, dan zoekt de vrouw naar ontspanning, daarvoor was ze hier in de eerste plaats al. En interesse is leuk, maar een hele avond met de zelfde.. Neen, de sluipschutter gebruikt een erg moeilijke techniek. alleen de allergrootsten komen er mee weg.

En dan de derde,  de valsen tragen. Hij doet alsof het hem niet interesseert, doet niet mee met het haantjesgedrag van de braller en is sociaal. Hij babbelt met iedereen, is niet te beroerd om tegelijk ook met de barman wat te keuvelen. De ideale aangever ook voor de braller, die iedere keer de punchline pikt. En vervolgens trots is op zichzelf.

De andere laat het gebeuren.  Tot de braller steekjes laat vallen, allicht ook door de drank. Dan verandert er iets en zie je hoe hij een subtiel spel opzet, lichaamstaal ook, zacht meedeinend op de uitingen van de dames.

Alert voor alle kleine uitingen van afkeuring en ze stante pede uitvergrotend. De mensen vinden hem zacht, beschaafd, een gevoelsmens… Langzaam maar zeker wint hij terrein op de braller, hij pikt al eens een grapje in, hij doet al eens een grap van de ander mislukken. En dan komt het dodelijke wapen boven, kleine, gefluisterde opmerkingen in het oor van de vrouw naast hem. Onweerstaanbaar, ze lacht, hij palmt in, meter na meter wordt de lijn binnengehaald, zonder ogenschijnlijke inspanning. Bewust controlerend, en passant de sluipschutter ook even dwarsbomend. De valse trage wil immers niet alleen een vrouw voor de nacht, hij wil bemind worden door alle vrouwen…

Over schrijven…

Mensen vragen dat soms wel eens. ‘Hoe gebeurt dat eigenlijk dat schrijven?’ of ‘Daar kruipt nogal wat tijd in zeker, altijd opnieuw die stukjes?’

Ik zit daar altijd een beetje verveeld mee, omdat het eigenlijk niet zo is. niet dat ik rot zit van het talent, verre van, maar het gebeurt allemaal nogal intuitief. Ik denk dat ik mijn beste stukjes geschreven heb, half stomend, nog met mijn jas aan, ergens op de hoek van een halfgedekte smerige keukentafel. Gutsend, hamerend op de toetsen van mijn mac. In één gooi, ternauwernood nagelezen. ‘Daar, ’t is klaar, ik zal eens efkes mijn gedacht zeggen’. Nadien attenderen vrienden, fans, en zachte zielen mij op taal- en andere fouten. Simpel zat.

Maar het echte ‘Schrijven’, de Groote Kunst der Letteren, jaaaaah, daar heeft deze jongen wel degelijk systematiek, methode en hulpmiddelen voor.

Soms vind ik het namelijk wel eens leuk om te fantaseren dat ik een schrijver ben. Denk aan de – voor mij – onvergetelijke scene van 37°2 le matin. Zorg zit aan een zuinig verlicht keukentafeltje, in marcelleke, met sigaret losjes in de mondhoek en de fles whisky op de tafelrand balancerend, zijn groot meesterwerk te plegen. Aangezien ik niet over die mens zijn fysieke uitstraling beschik, heb ik een ietwat andere invalshoek. Mijn werktafel moet ook volkomen clean zijn, enige wat in die setting getolereerd wordt is of een schaal groene appels, of een boeket tulpen. De muziek op de achtergrond is een eclectisch mengsel, jazz en klassiek, beetje high brow uitstraling. Mooi glas wijn ernaast. Nog steeds geen letter op papier gepleurd. Graag ook een proper gestreken wit hemd.

Dan de desktop. volledig clean, no clutter. Daar hou ik echt wel van. Zoals plaatje bewijst.

Desktop op kalme momenten

En dan smijten we Ommwriter open. Geweldig programma vind ik dat, en absolute aanrader voor iedereen die geen afleiding kan verdragen. Het lukt mij de laatste tijd ook beter en beter om daar mee te werken, omdat mijn twitterstream zich netjes en prettig ontrolt op het ipad scherm dat naast me ligt.

Daarnaast is het ook zo dat ik op ommwriter het geluid van een oude typmachine kan nadoen, wat u hier even kan checken.

Ik vind dat prettig. Het enige wat ik in die context mis, is het roken. Ik rook niet, maar het schijnt er zo bij te horen. Zelfgedraaide, smerig lekkere sigaretten, die blauwe rook die opkringelt. Tsjonge, ik zou er een linkerlong voor geven om het ook echt lekker te vinden. Nog steeds geen letter geschreven.

En vanaf dan begint de chaos opnieuw te regeren. Want bovenstaand werkt dus eigenlijk voor geen meter. vanaf dan begint de procrastinatie. Even een quote, een stukje tekst, iets opzoeken op google en verdwalen. Of gewoon TV kijken. Vanuit de zekerheid dat het er toch altijd opnieuw uitgulpt als het nodig is.

Het enige wat wel waar is. Het duurt oneindig lang eer ik iets op papier zet. Maar eens de eerste letters aangeslagen, gaat het razendsnel. Om dat te kunnen heb ik twee dingen nodig. De titel en de eerste zin. Vanaf dan lukt het altijd weer. In één keer. Ik loop meestal zo lang op die eerste zinnen te kauwen, dat ik het hele verhaaltje al tien keer in mijn hoofd heb verteld. Ik hoef er niet meer over na te denken tijdens het schrijven, wat prettig is omdat er dan tijd vrijkomt om spelletjes te spelen, en er die woorden in te verwerken die heel toevallig voorbijgedwarreld komen. Extra punten, als het ware.

Als ik één advies zou mogen geven aan mensen die zich ook schrijven willen wagen, maar twijfelen, dan is het wel dat: Gewoon schrijven, associëren, vertellen. niet teveel nadenken. Aanpassen en opschonen kun je altijd later nog doen.

En dan is er nog de kwestie van de inspiratie. Heel eerlijk, die ontbreekt nooit. De bronnen zijn veelvuldig. Ik haal de vier voornaamste aan, in stijgende volgorde van belangrijkheid.

Wandeltochten met Spike. Waar men gaat langs Vlaamsche wegen komt men inspiratie tegen. hetzij de kleinburgerlijkheid, of de heerlijke absurditeit van situaties, maar meestal worden die tochten gebruikt om bestaande verhaaltjes aan te scherpen, situaties anders te bekijken, het voorbereidende schrijfwerk.

Water. Douche en zee… ik weet niet wat het is, maar water inspireert. Het is altijd zo geweest. Oplossingen voor problemen, onderhandelingen, briljante vondsten, ze komen bij mij onder de douche. Nooit in bad, dat is te statisch, te warm. Maar een douche, dat doet het. De zee ook. ‘T is alsof het water in beweging moet zijn.

Drank en café’s. Ok, beschuldig mij maar van alle slechte dingen. Ik drink graag. En misschien soms te veel, maar laat dat dan ook één van mijn weinige zondes zijn. Ik vind dat gewoon lekker. Er is een magistrale scene in West Wing, waarbij de stafchef van het witte huis die onder vuur ligt omwille van alcoholverslaving, vertelt dat hij mensen niet begrijpt die kunnen stoppen met drinken; hij houdt van de klank van ijs in een glas, het geluid van de whisky, en snapt niet dat mensen kunnen zeggen dat ze genoeg hebben. ik heb dat altijd een erg mooi beeld gevonden.

Wellicht drink ik meer dan goed voor me is. Ik denk eerlijk gezegd dat het nogal meevalt, en ik kan niet ontkennen dat het inspireert. Niet altijd het betere werk, maar alleszins wel de meest originele invalshoeken. En als het de volgende dag de herlezing doorstaat heb je meestal een winner. Ook de cafés zijn plekken waar observaties, verhaaltjes altijd opnieuw voor het rapen liggen. soms moet je ze uitvinden, maar de dranklokalen die ik betreed zijn van die aard dat gesprekken met wildvreemden nooit ver achter blijven. Mits een twist worden dat altijd opnieuw mooie stukjes. vind ik.

De grootste bron van inspiratie is en blijft echter de verwondering van de K-woman. Ik ben er niet beschaamd over om te zeggen dat de scherpste observaties en snedigste beelden erg dikwijls van haar komen. Ze heeft op de één of andere manier de gave om zich te verwonderen, niet verloren en dat levert heel erg dikwijls rake ‘soundbites’ op. Opportunist die ik ben, zet ik dan om in teksten. Het is niet anders. Ik weet ook niet of ik daar beschaamd om moet zijn. Ik schrijf ze nog steeds zelf, maar de pieken in appreciatie, tja die kan ik wel duiden. Mijn probleem, niet het uwe…

De verafgoding van het eten (Amable column)

True Weight, Weightbot, Runkeeper, Calorieteller, Evernote food, Daily Butt Workout, Mynetdiary…  Misschien zegt het u iets, misschien ook niet. Het zijn apps. Apps, die ik, een gezonde vent van ergens in de veertig, op mijn smartphone heb staan. (Dat van die Daily butt workout heb ik verzonnen). Apps die van ver of van dicht iets te maken hebben met gewichtscontrole.

En waarom? Omdat ik een vent ben, met een welvaartsbuikje, en een hekel aan diëten, en een eeuwig schuldgevoel over slechte voedingsgewoontes.

Ik ben Bart De Wever niet. Ik kan geen 40kg afvallen met Pronokal of shakes of wat dan nog van dieet. Maar ik geloof uiteraard wel in apps, want ik ben een vent, met een onwrikbaar geloof in technologie en de wonderen die er door verricht worden.  Boys and their toys.

Het probleem met die dingen is dat ze meestal enkel genadeloos registreren wat je doet of niet gedaan hebt, of op een hele doordringende manier om input verzoeken. Echt corrigeren, zoals  – ik noem maar – een spinning fiets, of drie uur joggen, dat doen ze niet. Tenzij je natuurlijk zelf een beetje de kluit belazert, en er hier en daar een hondertal gram afpitst. Maar dat zijn de anderen, ik doe dat niet!

Het heeft iets kalmerend, elke morgen plichtsbewust je gewicht intikken, om vast te stellen dat het traag maar gestaag in de richting van de honderd kruipt, en dan goede voornemens maken om daar vanaf volgende week iets aan te doen.

Dat is de ene kant van de zaak, apps om gewicht en health te monitoren. Maar er is uiteraard ook een andere kant van de medaille. Het eten zelf, de receptjes, de menu’s, de boodschappen-geïntegreerd-met-de-recepten-en-de-winkel apps.

Ik heb uiteraard de’‘dagelijkse kost-app’, van mijn held, Jeroen Meus, en nog een tiental andere online food related toestanden. dat varieert van Nom Nom Paleo, over Jamie’s recipes, The Photocookbook over Gastro Euregio. Maar ook in de drankensector blijf ik me bezig houden, met DryncWine, Renaissance cocktails,  Je kunt immers nooit genoeg recepten hebben, zeker niet van cocktails en zo. Niet dat ik ze ooit gebruik, tenzij dan om te kijken wat ik niet kan maken, wegens geen ingrediënten in huis. En wel ongelofelijk veel goesting!

Misschien hebben de Maya’s gelijk, en moet deze beschaving er gewoon aan; met zijn bijna decadente interesse voor eten en koken.  Het is niet alleen in de apps wereld zo, het is ook nog eens het geval bij de hele entertainment industrie. Koks zijn de nieuwe rocksterren. En voor elke laag van de bevolking is er wel wat, in televisieland. Van platte uitlachtv op VT4 naar top competitie op BBC, met alle variantes ertussen.  En het eindresultaat is dat iedereen zich vrolijk maakt over de cuisson van zijn viandelle in de frituur en dat topchefs bezwijken onder de druk om steeds vernieuwender te zijn. Het gaat immers al lang niet meer over het streven naar perfectie in smaak en bereiding. Neen, het moet nieuw, verbazend en verrassend zijn. Iedereen heeft immers alles al gezien en geproefd.

Neen, veel gekker moet het niet worden.

Mannekes, we zijn het uit handen aan’t geven.

Stel u voor. Een feestje. Mensen lopen door elkaar, mannen en vrouwen staan ontspannen te keuvelen.  De tijd, die lange stille stroom, meandert  geholpen door sloten alcohol en hapjes. Het is gezellig! Zomeravonden zoals ze moeten zijn. Met openspattende lachsalvo’s, blije gezichten, opgeruimde sfeer.

Ineens, oorverdovend, het schrille gefluit van een voetbalhooligan. De gesprekken verstommen, iedereen kijkt op. De vrouw in kwestie, haalde haar vingers uit de mond,  had aan één blik genoeg en sprak de gevleugelde woorden uit: ‘T is tijd voor de kinderen!’.

Zonder boe of ba, vertrokken drie van de aanwezige venten om allerhande kinderen op te halen van een scoutstoestand. Bedremmeld, als schooljongens. zonder iets terug te mompelen. Betrapt op hun gebrek aan planning en time management. want het was tijd voor de kindjes, en ze hadden beloofd dat ze er gingen voor zorgen. De sfeer tussen de venten was totaal kapot, mentaal konden ze dit even niet aan. alcohol en een volledige hergroepering van de rangen was nodig om het evenwicht te herstellen.

De vrouwen waren alweer aan’t keuvelen. De amazone van het fluitsignaal schonk zich nog een glas in en hernam de conversatie waar ze ze een fractie eerder had afgebroken, met een allerbeminnelijkste glimlach.

Twee dagen later. Een terrasje in de Kempen. Ik overdrijf niet, maar vijf keer op rij kwam er een mooie wagen aangereden, telkens een vrouw aan het stuur, met naast zich haar vent. Nog net goed genoeg om de handtas aan te geven bij het uit stappen.

Jongens, waar gaat dat naar toe? Waar is de tijd dat we ’t voor ’t zeggen hadden? dat wij met de dikke bakken reden? etc etc…

Vergis u niet, de fluitvrouw, petite, as they say, was geen hooligan. Ze is doctorandus in de fysica, heeft er nog een andere master bovenop geplakt en danst bovendien als geen ander. Daarnaast zorgt ze ook nog eens voor het feilloos ineenpuzzleen van de naschoolse activiteiten van haar progenituur en is ze niet te beroerd om desgewenst die andere buur, vent en vader van een vriendje uit de nood te helpen als er early babysits moeten geregeld worden. Want hij heeft veel werk, en ’t is allemaal niet zo makkelijk te regelen, met enkel maar een poetsvrouw en de mama die komt helpen.

Lezers dezer kolommen, weten hoe na het mandom mij aan het hart ligt. Nooit zal er een onvertogen woord over mijn lippen komen om onze soort imagoschade toe te brengen, maar ik denk dat we verkeerd bezig zijn jongens.

Met onze ‘we regelen dat wel’ konden we het halen zolang we ‘den auto en de gsm’ hadden en een schare van vrienden om in de improvisatie mee te werken. Maar die vlieger gaat niet meer op. De ‘maskes’ studeren beter, organiseren beter en scoren beter.

En eerlijk, hun conversaties zijn boeiender. Zet vijf venten bijeen, in een gezelschap waar vrouwen rondlopen, en na een kwartier gaat het over auto’s, of mountainbikes. Is het dat maar?

We moeten opletten. Als ze straks ook nog grappiger worden is het gedaan, hebben we geen rol van betekenis meer te spelen. Willen we daar allemaal wat aan denken? En een fijn weekend gewenst!

25frank voor kinder geluk

LogoVierkant

“Ben ik ouderwets geworden als ik ervan uitga dat lezersbrieven en reacties op blogs, artikels of meningen zouden moeten voldoen aan twee regels: beleefdheid en bijdragen aan het debat?”, vraagt Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, zich af. “Het zou kunnen, maar het maakt het leven alleszins een stuk prettiger.”

Mijn papa en mama schreven beiden brieven naar de krant. Ze genoten op de één of andere manier met volle teugen van hun democratische rechten en van de diverse spreekbuizen die hen geboden werden om hun mening te uiten.

Mama deed het enkel in de vorm van lezersbrieven naar ‘Het Laatste Nieuws’, steevast vergezeld van een gift voor kindergeluk. Mijn vader schreef naar ‘De Standaard’, en daarnaast stelde hij ook parlementaire vragen. Hij ‘zat’ in de politiek.  Mijn vader was een ernstig man, doordrongen van de zwaarte van het leven.

Als kind boezemde mij dat ontzettend ontzag in… Sssst, vader schrijft. Hij deed dat geconcentreerd, rustig, waardig bijna. In een erg precies, fijn handschrift, en omringd door boeken en naslagwerken. Daar lag ook al eens een woordenboek bij. Om zeker te zijn.

Eens alles geschreven, ging het in een enveloppe, en werd het verstuurd. Mijn vader was niet het type van de gele briefkaarten.

Een paar dagen later werd dan nagekeken hoe het stuk in de krant was verschenen. Haast nooit ingekort, en ook nooit erg gewijzigd. Daar was hij trots op. Verder dan dat ging het niet. Geen knipselmappen, geen manische verbetenheid om elke dag, elke week opnieuw zijn naam in de krant te zien verschijnen. Geen zin om over alles een mening te hebben. Alleen bij dingen die er echt toe deden kroop hij in de pen.

Als je dat proces van iets dichterbij bekijkt, dan stel je een aantal dingen vast. Hij las grondig, dacht na, en als het echt niet kon, niet strookte met zijn eigen overtuiging, dan reageerde hij. Dat reageren was afgemeten, juist en factueel. Nooit impulsief. Nooit de man, altijd de bal. Ook met respect voor de argumenten van de overkant, die hij netjes weerlegde of op de gepaste manier ontkrachtte.

Sinds kort smaak ik de eer en het genoegen om voor deze publicatie mijn stukjes te plegen. Op mijn blog is dat anders, daar schrijf ik voor kennissen, vrienden, fans. Die het zelden of nooit met mij eens zijn, maar dat wel nog helder geformuleerd krijgen, op een manier dat er een integere discussie ontstaat.

Als ik kijk hoe er vandaag gereageerd wordt, op fora, in online kranten platformen, dan schrik ik toch. Het is me toch een geschimp, boers en platvloers.

Maar dat tot daar, ook al is het niet prettig om zoiets te lezen. Het gebrek aan ernst, aan net dat ietsje dieper doordenken, wat het verschil maakt tussen het begin van discussie en scheldproza. Dat vind ik zo jammer. Het naast de kwestie reageren ook.

Is het dan echt zo moeilijk om je te verplaatsen in wat de steller wil zeggen? Eerder dan hem te proberen pakken op iets uit de marge? Is dat het niveau van het debat  in Vlaanderen? Dan is het droevig gesteld.

Neem nu de zogezegde aanval van Bart De Wever op de media. Ik heb niets met die mens, behalve dan dat iedereen schijnt te vergeten dat jaren geleden er maar twee mensen in staat waren (en het lef hadden) om Filip Dewinter weerwoord te bieden: hij en Karel De Gucht. Ik ben die mens daar nog steeds dankbaar voor. Sceptici kunnen zeggen dat het van ongezond bruin evolueert naar een andere gradatie, maar tot nader orde hebben ze daar en toen als ‘fatsoenlijk rechts’ de steun van de kiezer verdiend gekregen.

Maar zelfs al zou ik de meest diepgewortelde antipathie hebben voor BDW, dan nog zou het niet in mij opkomen om hem ‘den dikken, de vieze vetjoep’ of ander fraais naar het hoofd te slingeren. Mij hebben ze altijd geleerd dat je het uiterlijk van een mens niet mag gebruiken in een discussie, omdat dat te gemakkelijk is, en bovendien kan die mens daar niets aan doen. Concentreer je op de inhoud.

En ook daar gaat het mis. Het zal allemaal wel, dat je de mens niet los kan koppelen van de functie en het mandaat, maar maakt dat meteen dat wat hij zegt onjuist is? Gewoon omdat hij toevallig N-VA-kopstuk is? Er is toch wel iets van aan, dat de jacht op de primeur ten koste gaat van de zorgvuldigheid? En dat dat een zorgwekkend gegeven is?

Als je de oorspronkelijke speech leest, dan haal ik daar een stuk bezorgdheid uit naar functioneren van de journalistiek in tijden waar snelheid de bovenhand zou kunnen halen op het controleren van de feiten. Ik vind het niet verkeerd dat iemand daar soms eens op wijst.

Ik begrijp als geen ander dat het misschien als politicus van een partij die onder vuur ligt omwille van de losse pollekes, minder opportuun is, maar dat ontkracht zijn verhaal toch niet?

Ik wil maar één ding zeggen. Formuleer spits, formuleer raak en haal de juiste punten aan, het is te verkiezen boven scheldproza en het is voor iedereen prettiger om te lezen.

Den ouwe ging eens naar een techno feestje : Fuse Replay

Een bekend Duits charmezanger zei ooit ‘Waarover men niets weet daarover moet men zwijgen!’. Hij had allicht gelijk. Ik zou dus beter mijn mond houden. Maar ’t is te sterk… omdat ik er niets van begreep, en dus mijn toevlucht zoek tot vergelijkingen en modellen die ik wel ken. Om het te begrijpen.

Vorige week naar Fuse replay geweest. Een soort revival van de welhaast mytische feestjes in de Fuse, onder de bezieling toen, en nu nog steeds van de ongekroonde koning van de techno in vlaanderen, Peter Decuypere. Ik mag de man ‘mijn vriend’ noemen. Het contact is tot stand gekomen over filosofie, wijn en politiek. Wist ik veel wie hij was en wat hij allemaal gerealiseerd heeft voor de technomeute hier te lande. Een ‘scene’ die eerlijk gezegd ook nooit de mijne geweest is.

Ik ben een muzikale barbaar die bekend staat om legendarische vergissingen, in ongeveer alle genres. Maar als ik het mooi vind dan kan het genre mij niet echt veel schelen. Meestal ontdek ik goede muziek ook pas jaren na de trend. Ik denk dat Massive Attack al gesplit was toen ik de eerste CD kocht. Ook Daft Punk heb ik eerder toevallig gezien, op Pukkelpop notabene, waar ik eigenlijk voor iets anders kwam (droge kousen brengen aan mijn zoon, uit bezorgdheid) Zo pik ik wel eens wat mee.

En Peter vind ik interessant en geestig, zonder dat ene facet echt te kennen. Maar de man startte een tijd geleden Fuse replay en nog zo wat toestanden op, en dus bevond ik me timewarp-gewijs terug in de clubs die ik vroeger ook wel eens bezocht.

Alwaar ik Peter als een ware volksmenner een toch wel redelijk indrukwekkende menigte zag opzwepen tot… ja tot wat? Tot dansen, of huppelpasjes maken, allemaal met het gezicht naar het podium, waar ene Jeff Mills (onthoud die naam, maar u kent hem allicht al) zijn opwachting maakte. Het paste, het klopte, het was juist. Ik was het anachronisme, hij niet (Peter dus). Integendeel. En ik probeerde maar te begrijpen waar de fun zat, en wat ik miste.

Er is ontzettend veel over te zeggen en te vertellen. Techno party of niet, het is eigenlijk net hetzelfde als een chirofuif. Bij het binnenkomen zie je jongens aan de bar, die veilige haven voor de dans-analfabeten. Moed indrinkend voor voor ze de arena betreden om met hun moves iemand te bekoren. Zo was het toen ik jong was, zo is het nu nog steeds. Alleen gaat het er hier een ietsje sneller aan toe. De jongens die binnenkomen hebben er stuk voor stuk zin in. Dat sommigen daarbij al redelijk strak staan van de geestesverruimende substanties doet niet echt ter zake.

En de meisjes, vrouwen, bitchas… Zo schoon. Altijd weer moet ik aan Stijn Meuris denken. Het is weer druk in Leuven. Meisjes die op de jaagweide gaan staan, meisjes die willen dansen en zich amuseren, meisjes die willen behagen. Het is en blijft fascinerend.

“de meisjes, jongens, ze keuren
de borsten bol en de vuisten gebald”

En daartussen stond ik. Boer in mijn eigen geboortestad wegens het totaal niet begrijpen van de codes. Niet de dresscode, niet de danscode, zelfs niet de drankcode (ik dronk een pintje uit een glas, omdat ik dat nog steeds het meest fris en het lekkerste vind). Ik begreep niets eigenlijk. Ik kende er ook nog wel wat mensen, die stuk voor stuk wel erg enthousiast waren, vooral ook om het ‘revival’ aspect (dat is wat oneerbiedig, want het had niets met een retro-ding te maken).

Op een bepaald moment zag een vriend de ontreddering in mijn ogen en hij lachte me toe ‘ Hebben ze dat liedje al eens niet gespeeld?’. En ik keek hem schaapachtig aan. Wist ik veel? Achteraf bekeken een erg leuk grapje.

In de rokersruimte boven ging het iets beter, daar speelden ze ‘acid’,… of zo. Pak mij niet op de termen, voor ’t zelfde geld was het iets anders. Daar kon ik me wel wat in vinden, tenminste, ik stelde me voor dat je daar wel op kon dansen, lang zelfs, eens je in de mood kwam. Al bleef ik één ding ontberen, want geloof me, ik ben er lang gebleven en ik heb me steeds weer opnieuw proberen op te peppen om het leuk te vinden, om te snappen wat ik miste.

Mij ontbrak de fun. Het zich in vraag stellen. Het met elkaar lachen en dansen en plezier maken. Het was opzwepend. Het zat barstensvol energie, maar ik kon me niet van de idee ontdoen dat iedereen vooral met zichzelf bezig was. Maar misschien hoort dat bij het genre.

Ja, oud worden, het is niet altijd even makkelijk.

Ontgoocheling, enorme ontgoocheling, but then again.

Het heeft niet mogen zijn. Ik had een oscar speech in de achterzak, een fris gewassen hemd aan, en de K woman stond aan mijn zij om de mediastorm te begeleiden die mij ongetwijfeld zou overvallen.

In mijn hoofd een quasi zekere landslide. Een historische overwinning van de man die nu al meer dan twee jaar zijn diepste zieleroerselen  en organische bespiegelingen blootgeeft aan de wereldwijde interweb gemeenschap.

Zo dacht ik er over. Niet zo de vakjury, en u het publiek.

Ik begrijp dat, en ik leg me er bij neer. Temeer daar de drie ‘finale-finalisten’ in de categorie ‘personal’ fijne mensen zijn.  Met geweldig leuke blogs om te volgen en ook nog aangenaam om te leren kennen in het echte leven.

1. Madamezsazsa.blogspot.com
2. www.disfunctionelehuisvrouw.be
3. www.houbi.com 

En het was een fijn feestje, waar verder niet veel aan toegevoegd dient te worden, behalve dat de twitterati die ik eigenlijk niet zo goed kende in het echt ook bleken mee te vallen. Allemaal.

Ik vond het fijn om genomineerd te worden, ik vond het fijn om bij de finalisten te zitten, het is niet anders, ik wil daar ook niet flauw over doen. Een bedankje voor alle stemmers; sharers (vurrukulluk nederlands woord!) en sympathisanten  is op zijn plaats.

Oh ja, en ik baal als een stier dat ik het niet gehaald heb bij die laatste drie. Dat zeg ik er even eerlijk bij. Het wordt een slechte dag! 😉

Ik kan overigens iedereen aanraden om via dit artikel die andere blogs eens te gaan bezoeken. Altijd de moeite waard. Ook aan franstalige zijde overigens.

 

Carambole in de Kempen

In de Kempen zijn café’s nog wat ze moeten zijn. Ontmoetingsplekken, dranklokalen, waar ze perfecte pinten serveren en voor de gezelligheid instaan. Café Den Toerist, Wechelderzande. Waar ze de Wechelse tripel serveren.

Je kunt je afvragen hoe je in zo’n gat verzeild geraakt, dat heeft alles te maken met honden en grote routepaden. Verder is dat niet belangrijk. Feit is dat ik er zat. Iets dronk en wat couleur locale opsnoof. In dit geval, twee mannen die biljarten, carambole. Het was mooi om naar te kijken. Omdat er een soort patsergedrag bij komt kijken wat ik wel kan smaken.

Carambole, drie ballen, trefzekere stoten, zacht tikken en ketsen en vooral krijten. Monsterend krijten, bedenkelijk krijten, inschattend, op automatische piloot maar routineus wordt er gekrijt.  Niet alsof het een café spel is. The Crucible meets Raymond Ceulemans en Ludo Dielis.

Zwijgen ook. Twee venten, misschien buurmannen, misschien collega’s, allicht vrienden. Maar geen woord. Niet nors, maar gewoon zwijgen, omdat er toch niets te zeggen valt.

Geen van beiden speelt echt goed, geen van beiden vindt dat erg. Dat maakt het spel niet minder ernstig. Er is een rist van redenen te bedenken waarom het vandaag gewoon niet goed gaat, maar daar beginnen ze niet aan. Stoot na stoot wisselen ze af, er worden geen series neergezet, hoogstens twee, drie keer na elkaar blijft dezelfde aan beurt.

Doodt het de tijd? Neen, dat hoeft niet, ze hebben tijd. Ze hebben zelfs niet de ambitie om te verbeteren. Ze spelen zelfs niet tegen elkaar, maar tegen zichzelf. Golf binnenskamers, als het ware.

De mooie macho-rituelen ook van het spel. Heerlijk om te zien hoe er monsterend naar de keu gekeken wordt bij weer een mislukt shot. Hoe er minutieus met het krijtje gewerkt wordt om toch maar niets aan het toeval over te laten. Heel af en toe een pluisje weghalend, dat de accuratesse had kunnen beinvloeden, en ja, even door de knieën om te zien of de tafel toch niet wat afhelt. Tegenwind is niet te veronderstellen.

‘Plakken ze?’ als twee ballen erg dicht bijeen liggen. De ene houdt met een kennersblik de hand boven het laken om te kijken, terwijl de andere zuchtend om de tafel loopt om de ideale plek te kiezen voor weer een successtoot.  Rug naar de tafel, krijtend, zeker van zijn stuk. Hij gaat er voor. Behalve als ze zouden ‘plakken’, natuurlijk!

Mooi ook, hoe je slechte spelers herkent aan hun gave om het spel ingewikkelder te maken dan het is. Ze spelen risicovolle stoten, waar het ook simpel kan. Soms omdat ze het simpele niet zien, soms ook gewoon omdat het waarderend is. Een moeilijk stoot die gemist wordt, dat kan altijd. Een moeilijke stoot die lukt, dan ben je een heerser. Applaus is niet je deel, maar waarderende kennersblikken en zacht gemompel, de ovatie van de stillen.

Zwijgend wordt een nieuw bier aangedragen. Vijf minuten pauze voor een goedkeurende smaakzwelg, en het spel gaat verder.

Een oud koppel onderbreekt mijn geschrijf. ‘Ge zit aan ons tafel, gij zijt niet van hier hè?’.

 

Zo kan het ook, ordehandhaving

 

Flikken. Honden. Loslopen. Het zijn drie woordjes die meestal niet erg goed samengaan. Pas op. Voor u denkt dat u hier een betoog gaat krijgen van een fervent hondenliefhebber, doorspekt met kreten als ‘hij heeft nog nooit iemand gebeten” en “de mijnen doet dat niet”. Dat is niet zo. Ik ben de eerste om te weten dat ik mijn hond niet echt zo goed in de hand heb als mijn hoofd soms denkt.

Ik ben er ook voorstander van dat mensen die beesten willen ook de moeite zouden mogen doen om naar een hondenschool te gaan, en ik ben er in één moeite door ook van overtuigd dat ze die scholen niet voor de honden hebben uitgevonden maar voor de baasjes, die gedragsspiegeltjes voorgehouden krijgen. Hé, hé, dat lucht op.

Bovendien, mijn hond, dat is een toonbeeld van vleesgeworden, rauwe anarchie en bloedonderdenagelshalend pestgedrag. Voornamelijk naar mij, laat dat duidelijk zijn.   Maar loslopen in Zoerselbos,  of aan zee, of ergens langs de grote routepaden, dat gaat erg goed. Paarden, schapen, koeien en occasionele mountainbikers zullen daar wellicht anders over oordelen, maar daar gaan we het nu verder niet over hebben.

Wat er ook van weze, het monster liep los te snuffelen, en daar kwamen onze blauwe vrienden aangetuft. We spreken Kempen, vooravond, geen kat op straat, just me , my dog and them!

Ik heb zelf niet zo’n al te beste verhouding met het gezag, dus ik zette me al schrap voor gevatte snijdende opmerkingen aan het adres van onze blauwe potentaten. Ik kan er niet aan doen, ’t is de hond in mij. Ik moet ze niet echt. Het is een probleem dat er mij al vele opgeleverd heeft, waarbij menigmaal de verzuchting geslaakt werd ‘houd toch uw bakkes, ’t was gezellig’. Het lukt niet, het is niet anders.

Kempenflik 1 stapte uit, monsterde de situatie, ‘Goeienavond, uwen hond?’  Flik 2 kwam er bij staan, met een glimlachje, dat ik al meteen interpreteerde als ‘HA, we hebben er ene, nu gaan we er eens wat mee spelen, en onze spierballen laten rollen. In plaats van echte misdaden op te lossen!

Stijf van de adrenaline, met bloeddoorlopen ogen en een batterij opmerkingen over kleinzierigheid en  gebrek aan gezond verstand, snapte ik, ‘ja, mijnen hond ja,daar lijkt hij toch op!’

‘Schoon beest, maar straks toch beter aan de lijn houden, ge weet maar nooit, en ne goeienavond nog!’.

En weg waren ze. Ordehandhaving op zijn Kempisch. Vriendelijk, relativerend, to the point. Ik heb Spike aangelijnd. Ik hou van Kempische flikken!

Regenkapjes

Plastic Regenkapjes. Mijn oma. Onafscheidelijk.
Ik moest er meteen aan denken toen ik ze zag, vorige zondag. Ik dacht dat het niet meer bestond.

Met de K-woman, couleur locale aan’t opsnuiven in het Haspengouwse. Niet dat ik iets heb met bloesems of zo, maar het nuttige wordt soms aan het aangename gekoppeld. Het beest wordt buitengelaten, en dan bedoel ik mijn hond. Tegelijkertijd zijn er de ‘foto besognes’. Ik voel me soms meer ‘assistent-location-scouter’ voor de betere weddingplanner, maar dat terzijde. Het zijn onvergetelijke namiddagen, en ik heb er al prachtige stukjes België mee ontdekt. Of herontdekt, want wij waren geen lor geïnteresseerd toen onze ouders er met ons heengingen. Jeugdzondes, ’t is niet voor niets dat het zo heet.

Het leuke aan zo’n ietwat landerige namiddagen is het lonkend ‘avontuur’ op het einde. Soms is het dat echt. Het is moeilijk om uit te leggen aan mensen die zo niet ineen zitten, maar ik kijk daar altijd naar uit. Niet omwille van het genot, maar omwille van de onvoorspelbaarheid. Pinten drinken in de lokale herberg, en kijken waar de mensen, de verhalen en de omstandigheden ons brengen. We zijn daar beiden goed in. Het opsnuiven van sfeer, het fantaseren van verhalen, het luisteren en kijken naar mensen. En tijd verdwijnt, is onbelangrijk. Voor haar een evidentie, voor mij niet zo.

Toen kwamen ze binnen. Ik hoefde niets te zeggen. De foto was al gemaakt, en het begon te kolken in mijn hoofd. Twee vriendinnen, twee weduwes, twee zusters. Ik houd het op weduwes, vriendinnen, die elkaar al lang kennen, die regelmatig bij elkaar op de koffie gaan, om een beetje sociale media te spelen van hun dorp. Vroeger heette dat roddelen, maar nu zijn dat status updates.

Arlette en Josiane, zo noem ik ze. Vrouwen voor wie de ritmes van de dagen, weken, seizoenen nog iets betekenen. Maandag,wasdag. Vrijdag, visdag. De grote schoonmaak als als ankerpunt. De jaarmarkt een hoogdag en het kerkbezoek een automatisme. Milde strengheid als één van de kinderen het wekelijks bezoek overslaat want ‘het zijn ook onze kleinkinderen!’ En kraaknette huizen, die ruiken naar boenwas, zeep en verse soep.

En vandaag deden ze frivool. Het huis lag aan kant en het was zondagmiddag in Helshoven… een wandeling kon. Tot de regen tussenkwam, en daar werden de kapjes bovengehaald. Uiteraard hadden ze die bij. En het alternatieve plan werd ingeschakeld. Koffie en vlaai heet dat hier. Vlaai is taart. Taart is niet altijd vlaai, daarentegen.  En als het bleef regenen, dan volgde er nog een schoon biertje. Dat mocht, op hun leeftijd.

Arlette en Josiane. Want Franse namen, dat was nog in de mode toen. En ze vertelden, en keken, en in hun hoofden werden de geluksmomenten aaneengeregen, als een paternoster, met hier en daar een zwart pareltje. Volgende week naar ’t kerkhof.

Hun regenkapjes waren ze vergeten. Veel van hun herinneringen niet.

Het Periodiek Vergeten

U weet, het verschil tussen de sexes, het laat mij nooit onberoerd. Het fascineert mij. En ik merk in heel veel dingen dat er verschillen zijn. Neem nu het geheugen.

Ik denk dat mannen dat niet of nauwelijks hebben, of extreem functioneel. Ik durf dan al eens vermoeden dat dat te maken heeft met hoe wij ineen steken. Wat nu belangrijk is, wat we nu kunnen, wat we nu nodig hebben. Mannen zijn surfers. Een golf, blij… feest. En dan peddelen naar het strand en iets anders doen… Geen golf? Ok, gewoon peddelen en dan iets anders doen. Oh, kijk, toch nog een golf… lekker, we blijven nog even… En nog één… Yummie-opportunisme. Een beetje dommig ook, maar wel lief. En zeker niet gestructureerd. Mannen zullen zich ook wel dingen herinneren, maar ze hebben er niet echt een systeem voor.

Vrouwen hebben geweldige geheugens. Ze onthouden alles. Alles wat ooit gezegd werd.  Met wie je het ooit gedaan hebt, hoe je je er toen uitlulde en wat je die dag droeg, dat weten ze jaren na datum nog. Oh wee, als die naam terug opduikt op facebook of twitter, zo’n tien jaar later. Ze weten nog precies wat en hoe.

Ze onthouden ook moeiteloos alle kledingmaten van kinderen, neven, nichten, tot vijf graden ver en tien jaar lang. Ze kunnen je perfect naar een restaurantje sturen waar ze zeven jaar geleden gegeten hebben, in het historisch stadsdeel van eender welke grootstad. Ze herinneren zich stukken van films die jullie samen gezien hebben en heelder lappen conversatie. Alle woorden.

En toch. Toch is er iets met hun geheugen. En ik denk dat het is omdat vrouwen fundamenteel cyclisch zijn.

Bij vrouwen ligt het systeem in de repetitie, in de herhaling. De cyclus dus. Van leven en dood, van bloei en verval. Al wat je maar wil, maar het komt terug, altijd opnieuw. Misschien niet altijd herkenbaar, maar wel zonder ontkomen. Een onverbiddelijkheid die rigoureus gerespecteerd wordt. Een genadeloos systeem van ophalen en loslaten. want wie zegt onthouden, zegt dus ook vergeten. Daar ligt de essentie van het ‘geheim vrouw’. Ze onthouden alles, maar ze vergeten systematisch. Ik probeer het uit te leggen met een paar voorbeelden.

Er is de extreem korte cyclus, waarbij ongeveer om het kwartier iets gevraagd wordt  in de trand van ‘gade nu nog enen drinken? of ‘ Marcel, we gaan dan naar huis hè, voor de kinderen..’. Voor veel mannen lijkt het alsof tussen twee zure oprispingen enkel stilte en wachten zit, dat is niet zo. Vrouwen zijn in staat om dat te zeggen, omdat het hen stoort of zo. En dan doen ze iets anders. En een kwartier later stoort het hen nog steeds, en dan zeggen ze het opnieuw. Alsof ze het tussendoor vergeten waren. Zo lijkt het op zagen. Ik zeg wel ‘lijken’.

Maar ook in de dodelijkste aller cycli, de maandelijkse, komt dat terug. Geen man kan stellen dat hij nog niet in contact kwam met een passionaria die hem van alles naar het hoofd slingerde, inclusief fysieke dingen, om zich twee dagen later te verontschuldigen. En dat ze dat vergeten? Dat ze überhaupt in staat zijn om een maand later te roepen en te tieren als je nog maar durft te veronderstellen dat ‘het er ook maar iets mee te maken heeft!’

Ik noem het het ‘periodiek vergeten’. Cruciaal in het begrijpen! Het is voorbij, en het komt terug, maar er is geen manier ter wereld waarop je kan en mag verwachten dat het onthouden wordt, wegens onbelangrijk in het groter geheel van wat vrouwen te onthouden hebben.

Venten snappen dat niet. Wij voelen ons gekrenkt en dat blijft dagen nazinderen. Vrouwen weten de volgende dag al niet meer waarom we nu lopen te mokken.

Het periodiek vergeten is ook de uitleg voor de nog langere termijn cyclus, die van de verwaarlozing en sleur.

Er valt toch niet te verklaren waarom anders altijd dezelfde vragen in quasi dezelfde volgorde terugkomen? Een greep uit het aanbod:  ‘Vroeger zag je mij liever’, ‘Gij doet niets meer voor onze relatie’, ‘Uw vrienden zijn belangrijker, dan uw vrouw’ En ga zo maar door.

Zelfs in het positieve gebeurt dat. De prijzende en gemeende woordjes van liefde, bewondering en trots? Want die zijn er immers ook. En we blijven het vreemd vinden want ze doen zelfs geen moeite om andere formuleringen te vinden. Het is alsof ze die woorden nog nooit uitgesproken hebben.

En wij, klutsers, staan er bij en denken:  ‘Dat heeft ze toch al eens gezegd?’ of ‘Gaat ze dat nu blijven zeggen???’

En we snappen niet wat er ons echt gezegd wordt. Een superieur ras, ik zeg het u. ZE gaan het nog ver brengen!

Toiletiquette

Als kleine zelfstandige ben ik één en ander gewoon. Ik ben flexibel, doe niet moeilijk over werkomstandigheden, deadlines, zelfs karige betaalvoorwaarden. Het voordeel om over je eigen tijd te beschikken en van thuis uit te werken, het is immers zoveel waard. U kent het allemaal wel.

Soms is het echter ook leuk om in een team te werken, intra muros bij een echt bedrijf. Er is één ding dat ik echter uit het oog verloren was doorheen de jaren. De luxe en het comfort van een eigen toilet. Het klinkt banaal en het is het ongetwijfeld ook, maar het moet mij van het hart. Thuis met het katabolisme bezig zijn geeft toch een heel ander gevoel dan in een groot bedrijf, waar ik nu mijn productiviteit botvier. Het heeft wat te maken met privacy, onder andere, maar ook met beleefdheid.  Ik heb het er lastig mee, en het ligt echt niet aan mij deze keer. Bloednerveus word ik er zelfs van, en ik ga dat nu voor eens en voor altijd uit de wereld helpen. Regeltjes moeten er zijn.

We gaan chronologisch te werk. In bepaalde contreien noemen ze een toilet: het gemak. Jonge vaders, overal te lande, kunnen zich daar iets bij voorstellen. Het is de enige plek in huis waar je op een bepaald moment nog ongestoord iets kunt lezen, zonder jengelende kleuters of ander luidruchtig gebroed.  Ik denk dat het gemak, het gemak heet, omdat het onontbeerlijk is voor een gladde transit en een ongehinderd afvoeren van de onverteerde victualia.  Een proces dat niet gebaat is bij het lomp willen opentrekken van de deur. Daar begint het immers!

Sinds wanneer is het niet meer nodig om even te kloppen op de toiletdeur? Hebt u – ja u daar – die aan de andere kant, weliswaar in hoge nood verkerend, maar wel met uw broek niet op uw enkels, daar al eens bij stilgestaan? Ik kan daar niet tegen. Enerzijds, omdat er toch altijd die vrees is dat je’m niet op de knip hebt gedaan en dat is vervelend. Anderzijds omdat de illusie van alleen zijn, onontbeerlijk voor goede darmperistaltiek, wreed doorbroken wordt. Knijpkramp en afgebroken prestaties zijn het resultaat! Dank u, ook voor het overdreven en helaas nooit echt doeltreffend geprop en geveeg dat er onherroepelijk op volgt.

Vreemd is echter ook dat het omgekeerde meer en meer gebeurt. Ik klop netjes en er komt geen antwoord. Is dat dan zoiets als wurgsex? Mensen die er op kicken dat er wild aan de deur getrokken wordt zodat ze hun ‘productie’ ineens kunnen afknijpen? Ik wil het eigenlijk niet eens weten.

De regel is simpel. Er is een deur, als die toe is, dan klop je. Als je een klopje hoort zeg je bezet. Zo simpel. Geen nodeloos gesleur meer, geen hartinfarcten en dus een mooi, soepel lopend proces.

Wat mij verder nog van het hart moet! Beste jongens, remspoortrekkers. U hebt er geen last van, diegene na u wel! Ik kom binnen en ik zie als het ware uw ‘signature dish’, of de retstanten ervan. Het interesseert mij niet! Ik wil het niet zien, het mag uw allerindividueelste expressie zijn, al dan niet van uw allerindividueelste emotie, maar het is de mijne niet, ik wil er niet mee geassocieerd worden.

En nu verplicht u mij, om uw rommel op te kuisen. Met het borsteltje, inderdaad. Het staat, er, maar kennelijk niet voor u. Hoe irreëel ook, uw bruin accent verstoort voor mij de illusie van blank canvas. Mijn scheppingsproces wordt gehypothekeerd. En niet alleen dat. Ik moet het ook nog eens een keer wegwerken, op straffe van associatie met uw geklieder. Dat is niet leuk, het verstoort mijn creatie. Hier is de regel niet: doe wel en kijk niet om. Eerder integendeel. doe wel, en kijk vooral nog even om! Hoe moeilijk is het?

Tot slot nog een paar kleinere ergernissen.

Uw ‘nadrup’ kan u dan misschien wel voorkomen als hemelse dauw, het is het ten enen male niet. Vermijd dat. Denk er gewoon aan dat ik u weet wonen, de volgende keer dat onze wegen elkaar kruisen in de nabijheid van het kleinste kamerke. Of denkt u echt dat klamvochtige billen een plezier zijn?

Uw gefermenteerde dubbele gisting zorgt voor iets meer methaanontwikkeling dan wenselijk is. Het kan de beste overkomen, echt waar wel. Maar zorg er dan tenminste voor dat u de verluchting zo goed en zo kwaad als het kan probeert te reguleren. Er zullen alleen maar blije gezichten volgen. Het ‘veestconcours’, dat is van bij de studenten hè.

Over papier zullen we het maar niet hebben zeker? Net zo min als doorspoelen nog echt een issue zou mogen wezen.

Regeltjes. Eenvoudige, maar te volgen. Gewoon doen! Voor mij!

Hartstochtjes, boeken en vrienden (Amable Column)

Toen het nieuwe boek van Kees Van Kooten uitkwam, De Hartstochtjes, moest ik het uiteraard meteen hebben. Mijn hele leven lang is gekleurd door de stukjes van de man. Het is begonnen aan de universiteit, met de grote bescheurkalenders en de kleine stukjes, en iedere keer weer kijk ik halsreikend uit naar een nieuw boek. Met Ben Elton heb ik dat ook. Ik zou wekelijks checken in de boekenhandel. Ook deze keer was het meteen raak.

Het eerste stukje ging – hoe kan het ook anders – over een gedeelde bezorgdheid, onze boeken. Het ging over veel meer, maar dit komt nu even van pas. En één van de dingen die hij vertelde was zijn methode om komaf te maken met een teveel aan boeken. Niet omdat je ze niet meer wil, maar gewoon om een stukje ‘clutter’ weg te werken. Van Kooten doet dat door in het wilde weg, waar hij ook komt een boek in de brievenbus te stoppen bij wildvreemde mensen. Geef toe, wie zou er niet blij zijn, of minstens geïntrigeerd.

De copycat in mij begon na te denken. En wou ook zoiets doen. Stukken moeilijker dan het er uitziet, afstand doen van je boeken. Vooral ook omdat ik het niet kon verdragen om mijn boeken bij wildvreemden binnen te gooien. Stel je maar eens voor dat ze er niet goed voor zorgen, of erger nog, dat ze ze wegsmeten. Het moesten minstens bekenden zijn, mensen met een hart voor boeken.

Eerst smeet ik het onnadenkend op Twitter: wie ze hebben wil die mag ze komen halen. Dat was buiten de waard gerekend van de moderne mens… Wanneer? welke boeken? hoeveel? Zijn ze in goede staat? Waar moet ik ze komen halen? De administratie die de nieuwe media mij dreigden te bezorgen deed mij al gauw besluiten dat het niet de juiste modus operandi was.

Nu maak ik boekpakketjes voor vrienden. Iedere keer ik weet dat ik iemand ga ontmoeten van wie ik weet dat zijn/haar hart wel wat mooie zinnen kan verdragen, maak ik een Delhaizetasje klaar.

Ook dat is niet makkelijk. Enerzijds moet je nadenken over wat die andere dan wel zou kunnen smaken uit jouw aanbod, wat op zich nog wel een prettige gedachte is. Je kunt dat opvoedend of entertainend bekijken, je kunt ook gewoon vanuit het verlengde van de gekende interesses nadenken. Meer van hetzelfde dus.

Wat je ook kiest als invalshoek,vroeg of laat komt het moment waarop je met een boek in de hand staat te filosoferen.

Ja, jij, oude rakker… wat heb je voor mij betekent? Heb je uberhaupt iets betekent? En dan wordt het ineens erg moeilijk. Je legt het boek terug bij de vriendjes. Neen, je mag nog niet weg. Het was te leuk, toen ik je las daar op die luchthaven, of op dat zonnebedje aan het strand.

Neen, nu nog niet, die kaft is gewoon te mooi. En ik kan het die schrijver toch niet aandoen, ik heb alles, alle broertjes van dat ene boek, zou ik die nu echt scheiden?

Soms geef je met plezier, omdat het meteen klopt, hoe mooi het boek ook, omdat je weet dat je’t wel opnieuw koopt, en op andere momenten zijn de herinneringen te sterk, en kun je’t niet over je hart verkrijgen.

Soms ga je ook gewoon lui in de zetel zitten en begin je er opnieuw in te lezen. Niet alles, gewoon hier en daar een flard, om er terug wat in te komen, of omdat je bepaalde namen niet meer herinnert. Fijne middagen zijn dat.

Boeken kado doenNa veel krabben, terugleggen en overwegen heb je dan eindelijk een tasje klaar. Een pakket waar je trots op bent… En dan komt het volgende stukje genot. Dat van het geven. En de verrukking op het gezicht van de andere. En dan weet je dat je iets goed gedaan hebt.

Het is ook een geruststellende gedachte, op de één of andere rare manier, dat je je boeken bij vrienden weet. Dat ze daar een tweede leven krijgen, een beetje als een vader die zijn kinderen loslaat, ook al zijn het niet echt de jouwe, je hebt er toch een stukje weg mee afgelegd.

En dan zie je ze ineens tussen de boeken van die andere staan, en dat geeft een leuk gevoel. Soms zie je die zak echter ook gewoon ergens in een bijkeuken staan, nog niet uitgepakt, en dat doet dan weer pijn. Dan heb je ook gewoon zin om de hele handel weer mee te nemen, maar dat zijn gelukkig de uitzonderingen.

Het zal nooit simpel zijn tussen mij en de boeken…

Joggers with an attitude problem

Normaal gezien hou ik mijn zure oprispingen bij de ochtendwandeling enkel voor wielertoeristen en bonsaikoppels. Vandaag breid ik het even uit. Joggers… meerbepaald full-gear, zure, hoekige lopers. Ja, U!

Ok, ik geef toe, ik heb niet meer het lijf van een getraind atleet, maar ik blijf een held in ’t diepst mijner gedachten als het op lopen aankomt. Een keer of 7 meegedaan aan de 20 van Brussel, een jeugd versleten in atletiekclubs, zelfs in het leger mocht ik nog meespelen met de jongens van de sportschool. Ik denk dat ik dus wel iets weet over rennen. Zelfs nu in de nadagen van mijn sportieve leven draai ik mijn hand niet om voor een ‘joggingske van een kilometer of 9′, al gaat het dan minder snel.

Meer zelfs, als ik mezelf nu voel joggen, met de trage, overvette sjok van een gedesillusioneerde veertiger die krampachtig probeert de ruine’s van zijn eens zo rijzige tempel te handhaven, dan weet ik dat het geen zicht is, dat het niet prettig is om naar te kijken. Ik ben zelf de eerste die – als ik zo iemand langs de watersportbaan zie – dan meewarig denkt: ‘jongen, meisje… wat moet jij nu pijn hebben!’. Ik weet hoe het voelt. Vandaar dat ik het nu voor het ochtendgloren of ’s avonds laat doe. Het is geen verheffend schouwspel en dat soort onesthetische aanblik bespaar je best iedereen. Maar ik veroordeel niemand die daarvoor een publiek nodig heeft, verre van.

Maar na al die jaren dat ik kilometers afgemalen heb, weet ik één ding. Als je – wedstrijden buiten beschouwing gelaten – niet in staat bent  tot een hoofdknikje, een lachje, of een hartelijke goedemorgen, dan ben je verkeerd bezig. U bent niet aan het verzuren, u bent gewoon zuur!

Stel je voor. Een helder kraakvrieskoude ochtend in januari, langs de oevers van de Leie. U hebt er zelf voor gekozen, u hebt top materiaal, vestjes, hesjes truitjes in de juiste materialen, lightweight schoeisel, en u bepaalt zelf of u dat wil doen of niet. Wat zit er dan verkeerd in uw kop?

En dan komt u mensen zoals ik tegen, die luidop ‘goedemorgen’ zeggen, omdat het dat ook is. En niks komt er terug alleen die verkrampte, getergde blik van ‘zie je niet dat ik afzie voor mijn sport! Dit is ernstig, ik heb geen energie voor begroetingen…’

Ga toch fietsen! In elk beginnersboekje staat dat je een looptempo moet aanhouden om iets of wat conversatie aan te kunnen houden. Aan uw loopstijl te zien weet ik gewoon dat u zich niet voorbereidt op een olympisch minimum.

Be happy, of begin aan een andere sport… Mijn goedbedoeld advies

Man in de uitverkoop, bijna niet gebruikt..

Sommige mannen zijn helden! Martelaars van en voor hun relatie. Stielbedervers ook, die – in naam van het lijdzaam toekijken – de boel voor ons verzieken. Ons, daarmee bedoel ik dan die andere mannen, die niet willen meespelen. Die toorn riskeren, en de stille verwijten er als cliché op de koop toe bij nemen, als een soort geuzennaam. U raadt het al, ik ben geen moderne man. En ik houd niet van shoppen, en al helemaal niet van ‘de soldekes, de uitverkoop’, of hoe je’t wil noemen.
Want daar gaat het over. Ik was toevallig in de stad, op het moment van de eerste koopjesmomenten. Zelf moest ik niet zo meteen deelnemen aan dit jaarlijks terugkerend festijn, maar ik heb toch wat extra tijd genomen om één en ander te bekijken. De mooiste en meest schrijnende momenten uit het leven menig man!

Koopjesmannen zijn helden, die volgens mij geen kik zouden geven als je ze levend op de brandstapel zette, hun lijf overdekt met open wondes, ingewreven met pekel. Geen zucht gaat er over hun lippen, geen kreun wordt opgemerkt, stoicijns dragen zij hun lot. Ik bewonder ze, maar deel dat lot niet, nooit (meer)!

Wie als man zegt dat hij dat nooit gedaan heeft is een huichelaar. We zijn allemaal al eens een vrouw ter wille geweest, zij het dan om de verkeerde redenen, en we hebben allemaal al wel eens een keer zo’n koopjeshelletocht meegemaakt. Maar ik doe het niet meer, maar sympathiseer met hen die hun lot waardig dragen.

Want ik herken de tekenen, en ik weet dat zij allen hetzelfde lot beschoren krijgen ….het nakend falen.

Om te beginnen is er de hubris van de fysieke meerwaarde. Mannen denken dat vrouwen moe worden van het shoppen, en proberen het in eerste instantie op uithouding. Dat is de eerste misrekening. Vrouwen krijgen er maar geen genoeg van, en op het einde van de dag, lopen de echtgenoten er bij als geslagen honden, met struikelend over hun tong, die ergens tussen hun veters hangt te bengelen. Topsport, en de mannen hebben het verkeerde trainingschema gekregen.

Tweede vergissing. Hopen dat een snelle aankoop in het eerste halfuur de rest van de koopdrift zal temperen. Ernstige fout! Het is niet omdat er een beetje gekocht is dat de behoefte afneemt. Integendeel, het wordt gezien als een goed teken, dat er nog vele mooie koopjes te doen zijn, en de rest van de winkelstraten wordt even grondig afgeschuimd. Kans is niet ondenkbaar dat het gezinsbudget serieus ontregeld wordt.

Meteen komen we bij de derde vergissing van menig man. Ze denken dat een oppervlakkige scan van de winkel alle koopjes meteen aan het licht brengt. Niets is minder waar. zorgvuldig wordt van rek naar rek gemonsterd, gekeurd en betast. Zelfs de kleine maatjes – dat doet dromen – en uiteraard ook de grotere maten. Stel je voor dat je een vriendin kunt betrappen met uitgerekend die ene jurk in de afslag waarvan je weet dat ze enkel in de ruimere maten nog voorhanden was. Niks 36… eindelijk ontmaskert als dikke!

Ja, ja, een beetje afgunst hoort er bij. Om maar te zeggen dat die vrouwen op zo’n moment minutieus nauwgezet het aanbod in zich opslaan, om nadien nog beter te kunnen beslissen of er al dan niet een goede koop werd gedaan. Autosuggestie en daaropvolgende spendeerdrift.

En de man, hij sjokte voort. De handen berustend achter de rug, zichzelf uitputtend in nulliteiten-commentaren die van hem verwacht worden. ‘Jaa, dat kleedt schoon af… Ik vond dat groene precies mooier… hebt ge al niet zo’n rok?’Alles, werkelijk alles is toegestaan, als het maar vagelijk lijkt op betrokkenheid. Met doffe, dode blik zie je hoe ze zich krampachtig iets proberen voor te stellen bij aubergine, saumon en apricot. Het is geen eten, het schijnen kleuren te zijn. Net zoals taupe, en eischaal…

Enig mooi vind ik telkens weer : Het Breekpunt. En het breekpunt, dat doet zich voor bij elke man. Meestal net voor de middag, soms in de vroege namiddag, maar dat het komt staat als een paal boven water.  De sterksten houden het uit tot net voor het sluitingsuur…

Het breekpunt komt er als ze beseffen dat – ondanks al hun inspanningen – ze er eigenlijk niet toe doen. Ze moeten er bij zijn, maar dat wil niet zeggen dat hun input, of hun inspanningen geapprecieerd worden.  Dan zie je ze letterlijk breken. En vrouwlief onderlijnt het fijntjes door op dat moment het nekschot toe te dienen: ‘Ge moet niet mee binnengaan, deze keer, geef mij maar gewoon uw portefeuille’.

Ontmand en verweesd kijkend blijven ze achter, doffe ogen vangen die van een gelijkgestemde die zichzelf ook een houding probeert te geven…Dat zijn de mannen die buiten aan de winkels staan te wachten.

Het zwakke geslacht. In de koopjesperiode is het erg duidelijk.

Eerder verschenen op blog van Amable

Gent: mijn eeuwig, lelijk lief

Wie mij kent weet dat ik zelden een goed woord over heb voor de stad waar ik gestudeerd heb.  Stad van de lege pleinen, de mediocre restaurants en de lelijke mensen.  Kort door de bocht, en wat uitleg waard.

Lege pleinen, omdat ik met weemoed terugdenk aan de heerlijke anarchie van het Veerleplein. Hoe vol ook, er was altijd plaats voor nog een auto meer. Lege pleinen, omdat ik me de commotie van het lussenplan herinner, en het verkeersluw maken van de stad, zodat het – zeker bij aanvang – erg leek op een stad met speruur.

En heerlijk ook hoe anarchistische Gentenaren het vertikten om hun auto aan de stadsrand te laten. Gevolg was dat iedereen via een ingewikkeld netwerk van sluipwegjes – ja mijnheer wij kennen onze stad als onze broekzak – toch binnen de 10 meter van zijn bestemming parkeerde.

Mediocre restaurants ook. De Gentenaar blieft niet alles, doet niet mee aan de modekes en houdt niet van experimenten. Ugetso monogatari, voorwaar een monument, heeft het niet overleefd. Le Baan Thai was lang het enige thaise restaurant, die naam waardig. Italianen, dat beperkte zich tot de pizzahoeren van het zuid. En daarnaast wat mooie experimenten in het Patershol, uiteraard naast de bourgeoiskeuken die zowat overal in Gent een constante was en is. (En ja ik ken(de) Apicius, Blauwe Zalm, Grade, Food Affair, len al die andere, ees even met mij mee, eerder dan mij op fouten te willen betrappen)

Lelijke mensen. Gent is Antwerpen niet, Gent is Leuven niet. Gent is rood (en blauw) en alternatief. En bij alternatief hoort wat grauwigheid, wat snot en onverzorgd, spuwen op het  materiële van mooie kleren. Latem is Gent niet. Gent is Muide, Brugse poort, de Kuip, alles wat bezongen wordt in ‘9000’ .

Ik heb het altijd heel erg gevonden dat Gentse academici (denk aan een Aubin Hendrickx, toxicoloog met wereldfaam, Etienne Vermeersch, scherper denker vind je niet (toegegeven ’t is een aangespoelde, maar hij is wel van ons)) altijd zo volks en banaal klonken op de radio. Eerst de Gentse tongval, dan pas het Nederlands. Qua inhoud zat het altijd goed. En ja, we hebben ook politici van wereldklasse, zeker in de categorie ‘schonemenseninhunlelijkheid’.

Gisteren liep ik in de vooravond even door mijn stad, te voet, het was lang geleden. Ik heb genoten. Genoten van een stad die behoedzaam, organisch bijna, aan stadsvernieuwing doet. Waar ik lege pleinen zie veranderen in keuveloorden waar iedereen, iedereen tegenkomt en stopt voor een babbeltje.  Waar ik oude verlepte studentenbuurten zie opleven, zonder hun eigenheid te verliezen. Waar winkelstraten tergend langzaam, in een eindeloze kadans van afbraak en verbouw, hun eigenheid houden en meewerken aan een mooi stadsbeeld. Waar buurten cyclisch terug in de belangstelling komen. Toen ik student was, was de Meerseniersstraat ‘trending’ om nadien een toeristische baggerpoel te worden. Nu zijn er daar in de buurt  terug hippe, leuke, kleine restaurants, cafeetjes en winkels.

Over die restaurants overigens nog dit. Ik heb in de inleiding gezegd dat er alleen maar mediocre zijn. Ik denk dat Gent ondertussen culinair één van de meest interessante steden aan’t worden is, waar je zowat alles kunt vinden, in elke mogelijke prijsklasse. Het is alleen allemaal wat bestendiger. Onze restaurants zijn er om te blijven, niet om een modebeeld te versterken. En dus gaat het wat trager, maar ’t is er ondertussen wel. En ’t is lekker en echt.

En de mensen, tja die blijven wie ze zijn. Ga naar de Vooruit, het Damberd of de Vagant, en je komt er nog steeds dezelfde types tegen. En dat is eigenlijk best mooi. Vrank en vrij, en op hun eigen.

Toen ik gisteren het Lichtfestival parcours afdweilde, moest ik daar aan denken, en ik werd er zowaar vrolijk van. Ik houd van deze stad, van de gezelligheid, van de tegenstelling mooi/lelijk. Lichtsculpturen om de lelijkheid te verdoezelen. Gentenaars die bij wijze van spreken op straat leven tijdens die periode en voluit inkijk leveren in hun huizen door alle lichten aan te steken en de gordijnen te openen. Vrank en vrij.

Toeristen ook die naar de verkeerde dingen kijken. Met hun kop omhoog naar de straatnaambordjes, om de weg niet te verliezen. De weg verliezen in Gent. Het kan niet echt, en het is bovendien bij het mooiste wat er is, verdwalen in de straten.

Toeristen ook die dat hele lichtspektakel alleen maar gezien hebben door het schermpje van hun smartphone. Hoe jammer. Je moet daar geen foto’s van maken, je moet dat met al je zintuigen voelen. Wat je moest doen is onderdompelen, ondergaan, en het evenement beleven. Genieten van de spitsvondigheid van de stadsgidsen, die zichzelf als ‘verlichte geesten’ onschreven. Genieten van het opportunisme van winkeliers en neringdoenders, die gastvrijheid koppelden aan geldgewin. Genieten van de creativiteit van de kunstenaars, die kindjes in een kaleidoscopisch dansje projecteren tegen een kerkgevel.

De mooiste bevestiging zag ik bij een gezellig dikke man. Totaal onaangedaan door de drukte, rechtover de universiteitsaula, uitgerekend de plek waar op straat enkel maar een file te bewonderen viel,  zat hij een pannenkoek binnen te werken. Op het terras, met een koffie en een patersbier, zich niets aantrekkend van de drukte. Vrank en vrij, en op zijn eigen.

Gent zal altijd mijn lief blijven, en wee, wie er iets verkeerd over zegt!

Deadmau5 : De muis is dood…

Als je aan de rand van een bos woont wil het al wel eens gebeuren dat er een klein knaagdier op zoek komt naar proviand voor de donkere winteravonden. Op zich niet zo’n probleem, mocht het dan ook weer vertrekken, maar dat doen die beestjes meestal niet. Het is warmer, droger en eenvoudiger om in de wintermaanden aan voedsel te komen, in huis. Dus de beestjes nestelen zich. Vorig weekend was dat het geval, bij de K-woman.

Zij is best kranig en zo’n muisje, dat deert haar niet. ‘T is niet dat ze gillend op een stoel om hulp schreeuwde, verre van. Eerder het tegendeel, voor ik het wist kreeg ik een exposé over alle mogelijke vernietigingsmethodes, met hun voor- en nadelen. Op zo’n momenten val ik achterover van de efficiëntie van die vrouw. Een val waar je ze levend in te pakken krijgt, dat is niet goed voor hun hart, dan kunnen ze doodgaan van de stress, langzaam en pijnlijk. Vergif is helemaal uit den boze, traag en pijnlijk. De buurt zit vol katten, maar dat geldt enkel voor de beestjes die buiten zitten, binnen heb je daar niets aan, los van het feit dat zo’n snorrebaard ook niet bepaald ‘Gaiesk’ te werk gaat… zachtjes dood maar eerst wat spelen!

Er werd mij bovendien ook opgedragen dat – indien ik het beest levend te pakken kreeg, ik het minstens twee kilometer verder moest deponeren, zodat het niet terug kwam. En toen ging ze slapen. Ik bleef achter met de muis en de nacht. Gezien bovenstaande bleven mij weinig verdelgingsmogelijkheden over, en ik geloof niet in een intelligent, tot rede brengend- gesprek tussen mens en knaagdier.

Blijft over, het oude muizenvalletje dat – indien juist gebruikt – echt wel ok is. Korte slag en het nekje is gebroken, en het muisje dood, het schijnt realtief pijnloos te zijn, al kan ik dat niet meteen beamen. En ik denk ook dat mensen die voorbereid werden op de guillotine, weinig troost hadden aan dat soort uitspraken en troostende

Ik kom uit een generatie waarbij het als een eer gold om samen met opa het konijn uit te kiezen dat geslacht diende te worden. Nooit last van flauwe emoties gehad, de beesten werden gekweekt om op te eten, dat was toen nog heerlijk simpel, er werd niet gedacht in termen van ecologische voetprint, of plaatsvervangende sojaschaamte. Dat waren erg lekkere konijntjes bovendien. Of lammetjes, of duifjes. Ook kippen heb ik nog vast gehouden terwijl mijn vader probeerde om ze de nek over te snijden, met een oud broodmes, onder het geamuseerd toekijken van de buren. Ik maal daar niet om.

Maar ik wou toch even kijken wat voor iets het was. Dus met de zaklamp onder de kast, en ja, daar zat het, een mooi klein grijs veldmuisje/bosmuisje. Het was erg mooi, erg rustig, en een beetje schelms zat het me aan te kijken… Het (misplaatst) vertrouwen van één zoogdier tov een ander, don’t look into the eyes, unless you wanna fuck or fight (S.Morgan). Dat ging hier dus gebeuren… dat vechten.

En kijk, er gebeurde iets vreemd, vertedering trad op. Op zo’n momenten verfoei ik Disney en Pixar. Ik kreeg het moeilijk. Ratatouille! Ratten, muizen, dat maakt niet veel verschil. Het beestje kreeg iets menselijk, ik verbeelde me zelfs dat het me iets wou duidelijk maken.

Ik begon het verder laten leven van het muisje te verrechtvaardigen, te overwegen. Ik hoopte zelfs dat het vanzelf weg zou gaan. Op zo’n moment bewijst zo’n beest godzijdank zijn stommigheid, het begon aan wat kabels te knagen. Oorverdovend geluid! Tja, nu moest ze wel dood.

Het was een strijder! 3 muizenvallen opgevuld met stukjes kaas en spek, en een uur later waren de vallen leeg, en het muizenbuikje vol.  Een waardige strijd.  En ik wou hem een kans geven. Meer dan een beetje sympathie.

De muizenvallen werden opnieuw gezet, Eentje spande ik niet op ( ja, ik gunde het  beest wel een bonus brokje.  Eentje was er toch kapot gegaan, dus daar lag ook wat kaas op (call me a sucker), maar het derde, het verst uit de buurt van het vermoedelijke muizenleger, werd vakkundig klaargemaakt voor de wrede taak…

Nauwelijks een uur later was de strijd gestreden. De muis is gegaan, maar wel met extreem voldaan gevoel (denk ik). Geen bloed, geen tranen, geen bloemen, noch kransen.  Ik heb het wel mooi begraven in de tuin, dat had het verdiend.

Ben ik nu wreed? Dat houdt me al drie dagen bezig. Zijn er andere manieren om zo’n beestjes weg te krijgen? Wie het weet mag het me zeggen.

Oh ja, en excuses voor alle Deadmau5 liefhebbers!

De dikke vrouw

De zee, een wandeling, en ja daar hoort een terrasje bij. Ik zat, zij kwamen aan. Een mooi gezelschap. Een viertal. Met één dikke vrouw. Echt dik. Ik kan het niet anders zeggen, niet storend,  in zoverre dat ik daar geen mening over heb. Maatje meer, volslank, goed voorzien van oren en poten, nen tank, u mag kiezen. Ik heb daar niet meteen behoefte aan. ‘T leek mij  gewoon een vrolijke vrouw. Los van het cliché dat dikkere vrouwen noodzakelijkerwijs gezellig en grappig zijn, daar geloof ik ook niets van. Ze had een erg mooi gezicht, en was erg verzorgd, in alles.

En ik keek wat verder. Het was zo simpel. Haar ‘vriendin’, was zo’n mager ding, hologig en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid getrouwd met een tofu-asceet die ook niet kon lachen. Links, verantwoord en als’t enigszins kon ook nog eens gortdroog. Beiden.

De mannen waren broers. Dat kon je zien. Die van het spichtje stond, jawel, u raadt het, in het onderwijs – kop er af als het niet waar zou zijn. Dat zag je aan de wandelkaarten die hij bij had,  aan de voorbereiding, de schoenen, de ribfluwelen broek, dat zag je aan alles. Een gevaarlijk mens om mee te converseren, voor je’t weet krijg je een ‘Ik duld het niet dat er op deze wijze tegen mij gesproken wordt’ om de oren. Compleet met zo’n zuinig ringbaardje. En een geruit hemd onder de parka.

De andere had het  misschien niet  zo getroffen  qua vakantiedagen en arbeidsduur, maar was wel gelukkig, zo zag hij er tenminste uit. Hij deed iets onbestemd in de administratie, en het was duidelijk dat hij andere en leukere prioriteiten had in zijn leven. Eten en lachen met vrienden en kinderen, niet in het minst.

Ze gingen aan het tafeltje naast het mijne zitten. De volslanke had zin in iets lekkers, dat kon je zien, ze ging met graagte de kaart af, maar wachtte even af wat de anderen deden. Het liet niet lang op zich wachten, De leerkracht nam een koffie, zijn vrouw een watertje…

De zwager slikte even en bestelde dapper een pilsje. Ik had hem toch eerder als een trappisten-man ingeschat. Met haar alleen had hij dat waarschijnlijk ook gedaan, met een kaasplankje erbij. Het licht doofde, in de ogen van de dikke vrouw… Niet zozeer omwille van de behoefte aan eten of drank, maar omdat ze gewoon gezellig wilde zijn.

Ik had met haar te doen. Ik begrijp het ook. Niet dat je verplicht grote hoeveelheden drank of  kleffe hap moet binnen slaan, maar iets drinken na een strandwandeling… en dan water bestellen, daar word je toch vanzelf chagrijnig van? Water houdt iets eindig in, je kunt dat niet blijven drinken. Een gezelschap dat neerstrijkt en lekkere dingen bestelt, daar kan je van op aan, de gesprekken beginnen, de sfeer zit er in en het wordt een gezellige boel, of het dan verder ontaardt of niet, doet niet ter zake. Maar water, dat impliceert functionele dorst, iets drinken en weer weg. Tenminste voor mij, de connotatie van gezelligheid is ver te zoeken.

De dikke vrouw had een besluit genomen. Ze nam een Irish Coffee. Eten en drinken samen, en toch nog redelijk beschaafd. Volgens mij had ze zin in pannenkoeken en nog meer lekkers, en/of een fijn wijntje. En ze begon te vertellen… geanimeerd, van haar kant toch. De asceten vonden het te oppervlakkig, of niet boeiend genoeg, en zwegen.

Het gesprek bleef horten tussen de stiltes. De dikke vrouw had het ondertussen ook opgegeven, en reikte naar haar man. Na zovele jaren nog steeds gelukkig, dat is leuk.  En dat zag je. Hij keek haar liefdevol aan, goesting in lekkers en rollebollen, in eender welke volgorde en zij gaf non-verbaal aan dat ze’t nu echt wel gehad had met zijn broer en zijn teringwijfje.

Ze ging zich even verfrissen en op haar weg naar het toilet maakte ze grapjes met ongeveer iedereen die ze tegenkwam. Opluchting over normaal kunnen doen. Ze had een mooie lach, ze leefde graag. En ik vermoed dat ze gewoon leuk gezelschap was, maar niet hier, dat ging niet.

Toen ze terugkwam stonden de ernstigen op en hadden ze hun jassen al dichtgesnoerd. Haar Irish coffee mocht ze nog net opdrinken. Maar nu moest ze weer mee, Jan Van Genten spotten, en duingras bekijken.

De vierschaar voor architecten

België is een lelijk land. Volgebouwd, lintbebouwd, lelijk bebouwd. Dat hebben we voor een groot deel aan onszelf te danken. Want we willen allemaal een huisje, en we willen dat bij voorkeur zelf bouwen, eerder dan iets op te kopen en te verbouwen/vernieuwen ‘Ge koopt een ander zijn miserie, hè, mijnheer!’.

So far still so good. Er is niet veel tegen in te brengen dat mensen huizen bouwen. Waar je wel een probleem mee kunt hebben is de ondingen die ze dan neerpoten. Heel de Kempen staat vol Spaanse hacienda’s. Ja, Spaanse, met rare dakpannen, ronde vormen, en lelijke stenen. Overal in semi-landelijke omgevingen vinden we uiteraard fermettes, al dan niet met ingemetseld wagenwiel en opgeblonken koperui op het torenspitsje, en het obligate ronde venster.  In de steden krijg je nu overal luxeappartementen ‘in loftstijl’, wat dan meestal wil zeggen dat de vloer uit gepolierd beton bestaat en dat er een aluminium keuken in staat. Kortom, de nep regeert.  En het wordt nog erger, de gevreesde trendwatcher K-woman heeft mij al gewezen op de nieuwe gedrochten : Elzas-Schilde-New-Chic… Gruwelijk is het, binnenkort in een verkaveling dicht bij u.

Toen ik zelf zo rond mijn dertigste de kans kreeg een lapje grond te verwerven, in de betere buurten buiten Gent, ben ik er mee naar mijn architect getrokken. Vooraleer het te kopen. Hij keek even rond en sprak toen de prachtige zin ‘Dit ga je echt leuk vinden Guido, een beetje tuin en ’s zaterdags allemaal samen met de buren de auto’s wassen’.

Ik begreep het meteen. In plaats daarvan hebben we een huis gebouwd in een simpele straat, een gerieflijk huis, maar anoniem en passend in het straat beeld, of dat toch minstens niet verstorend.  Pas op, ik laat nog steeds iedereen doen waar hij/zij zin in heeft. Ik pleit zeker niet voor het Nederlands model, al valt er iets te zeggen voor hun respect voor omgeving en landschap, maar onze gezellige chaos vind ik ook wel iets hebben.

Waar ik wel voor pleit, is voor architecten, die hun vak kennen en hun verantwoordelijkheid nemen, zoals de mijne dat indertijd deed, hij heeft het zich daar niet makkelijker mee gemaakt, integendeel. Een beetje goede smaak bijbrengen op architecturaal vlak, ze hebben er tenslotte voor gestudeerd.

Zo is er een fijn, gezellig straatje, vlak bij mijn woonst, waar charmante burgerhuisjes staan. Niet groot en protserig, maar gewoon mooie huizen. En daar zijn ze nu een nieuwbouw aan het optrekken, appartmentjes waarschijnlijk, ter vervanging van één van die huizen.

Lélijk! Echt Lélijk!! En ik begrijp dat niet. Als ik het al zie, dan moet zo iemand dat toch ook zien? Wie laat zo’n man begaan? Hij heeft tenslotte toch iets voorgesteld aan de bouwheer?  En cruciaal aan zijn vak moet toch ook zijn dat hij mensen kan bijspijkeren als ze’t even kwijt zijn?

En dan denk ik, we moeten streng en rechtvaardig worden, en ons patrimonium, of wat er van rest, beschermen. En ja, het ‘berufsverbot’ wenkt. Ik stel voor dat we architecten na 5 jaar actieve carrière voor een vierschaar brengen met ernstige mensen, die hun werk mogen beoordelen. Wie dat moet zijn, daar kunnen we dan te gepaste tijden een boom over opzetten, dat is nu nog even niet aan de orde. We hebben het over het concept.

Eén keer een fermette, om den brode, dat wordt toegelaten, je moet tenslotte het vak leren.  Elk dorp volpleuren, elke opdracht in die richting invullen, sorry, ga maar even  iets anders doen.

Moderne, stuitende ‘contemporary’ architectuur, iedere keer opnieuw er in slagend te choqueren en als een tang op een varken in het straatbeeld te passen (In Gent zijn er zo wel wat staaltjes te vinden)… Sorry! Misschien terug tekenaar worden? Rijk worden met eenheidsworst, ja, maar dan wel in de projectmarkt hè, niet meer door onze ogen pijn te doen.

Wat denkt U? Mits succes kan het ook op andere sectoren toegepast worden… Marketingh managers die de line extension als groei model prediken,… zat sectoren waar we stilaan iets strenger moeten worden.

Begrafenisondernemers hebben het moeilijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Belgische uitvaartsector klaagt. Er sterven te weinig mensen, en de uitvaartsector is op sterven na dood. Ok, ok, flauwe geintjes, en ik zal me er van weerhouden.

Maar toch, je zal maar marketing manager zijn in de uitvaartsector. Hebben ze dat daar? Laat ons er van uitgaan van wel. Dat maakt het nog zo leuk. Hoe zwengel je de vraag aan? Het klinkt immers te onkies om te zeggen ‘hoe krijgen we meer doden?’.

Uiteraard, het knippen in de sociale zekerheid, en de zorg, zal op lange termijn wel zijn steentje bijdragen tot het gezond krijgen van deze sector. Maar dat kan niet echt de bedoeling zijn. Bovendien jaagt dat enkel de low-end van de markt aan, arme sloebers die dan zo’n OCMW begrafenis krijgen.  Zonder het decorum en de schone schijn van prachtig mooie autobanden vol bloemen. Daarmee redden we het niet. Stopzetten van alle Go for zero initiatieven, dat lijkt me ook niet zo verstandig, teveel collateral damage. Ze moeten echt dood zijn, niet gewond, en daar zijn te weinig garanties voor.

We zijn te gezond, daar gaan we niks kunnen aan veranderen. Toch niet op korte termijn. We vergrijzen en er zit geen dynamiek meer in onze populatie. Misschien toch ook niet oproepen tot meer kindjes maken, los van het feit dat dat ook niet meteen een snelle oplossing is.

Deseizoenalisering, zoals met roomijsproducten, lukt dat? Moeilijk toch maar weer. De dood laat zich niet commanderen, al zijn tax stimuli misschien wel een mogelijkheid. Net zoals een boreling fiscaal het gunstigst is in december (een heel jaar ten laste), zou je een aflijvige ook een regime kunnen geven dat hij best in januari sterft, om nog een heel jaar mee te kunnen tellen in de aanslagen. Koppel daar een soepeler euthanasiewetgeving aan, en een paar andere gunstmaatregelen en we komen er misschien wel. Maar het blijft gedabber in de marge.

Promoties, twee kopen, één betalen. Koop nu, sterf later… ik weet het niet. Dat je zo’n doodskist dan in je garage houdt om er voorlopig nog wat skimateriaal in op te bergen, het kan natuurlijk.  Multi functie kistjes…. met bagagerek-clips. En stapelmogelijkheden…

Het brengt ons naadloos bij de aanbodzijde?  Ik zie wel wat mogelijkheden.

We kunnen de hype van de markt volgen en voor experience marketing gaan. Een Death Theme park, mega uitvaartbeurzen (fotgraferen toegelaten, life acts on stage (sic).  ‘Open coffin days bij de diverse handelaren, alternatieve mixes bij crematie (I smoked my buddy with Columbian Red or Afghan Black)…

Productvernieuwing. Inspelend op de eco-trend. Biodegradable coffins, er moet toch iets mee te doen zijn. De ultimate recycler, met actief natrium, fosfaat en stikstof.

Ook evenementiëel, waarom enkel een uitvaartplechtigheid, en daar stoppen? A near-death celebration behoort ook tot de mogelijkheden. Met feestelijke receptie.  De bijna-dood-borrel… Ook in drukwerk en print zijn er mogelijkheden tot categorie expansie… Denk aan kalenders, aftellen tot D-day…

Zo zie je maar weer, met  wat creativiteit kan elke marketeer toch helpen om één van onze handelsactiviteiten van de ondergang te redden.  Gaat u rustig verder op mijn elan…

(voor ik het vergeet, het is niet de bedoeling mensen te kwetsen die met leed geconfronteerd worden, ik mijmerde gewoon ziek verder op een nieuwsbericht van vorige vrijdag, that’s all. Met uitdrukkelijke excuses voor de slechte smaak)

Oude lust roest niet

Een dorpscafé. Ik kan er zo moeilijk aan weerstaan. Een toog die patina kreeg door morsige glazen, de herkenbare geur van cigaretten en verschaald bier, de troosteloosheid van de lokale dorpsaffiches. Heerlijk is het.

Ik ging aan de toog zitten en bestelde een pintje. Zoals het hoort vroeg de vrouw achter de bar of het een boerke, een ribbeke of een vazeke moest zijn. Met stip in de top tien! Voor mij liefst ribbekes, perfect getapt, lichtjes parelend.

Ze had al meerdere oorlogen meegemaakt in haar taverne. Huid, ogen en handelingen waren de stille getuigen van talloze nachten in het gezelschap van venten die liever hier zaten dan thuis bij hun wijf. Een Vlaamse waardin, goed voorzien van oren en poten, ‘ne stevige achteruit’ en op stiletto’s. Want ’t was zondag.

Hij kwam binnen, en ik werd getroffen door de troosteloze sleep in zijn pas. Ondanks het feit dat het café quasi leeg was, ging hij aan een tafeltje zitten. Alleen. Een beetje triest voor zich uitkijkend.

Ze ging er heen, met een fris getapt fluitje en bleef op gedempte toon even met hem praten. Bezorgd legde ze een hand op zijn arm, en kneep er bemoedigend in. Hij keek even op en lachte flauwtjes terug. Zijn stem klonk aarzelend, gebroken.

De man was oud, ergens achteraan de zestig en gaf een erg uitgebluste indruk. Het verlies drukte zwaar, hij kon niet wennen aan het alleen zijn en zocht allicht de warmte van het café op om te ontsnappen aan de eenzaamheid thuis en het opgeklopt vermaak van de TV. Dat maakte ik er van. Temeer daar de waardin hem zorgelijk bleef aankijken en mij met een blik van verstandhouding aangaf dat ze er mee te doen had. Ik stelde maar geen vragen, dat hoort ook niet.

Na een tijdje tapte ze een vers pilsje. “Hier, nog eentje van mij, ’t is goed dat ge terug onder de mensen komt, ge moet vooruit in uw leven!’. Hij keek haar aan, glimlachte even, bedankte vriendelijk en kort en bleef verder in zijn glas staren.

Het moet wat met je doen, als je je levensgezellin, je vrouw je maatje op die leeftijd kwijt raakt. Weten dat het komt, allicht na een lange slepende ziekte, of met wat geluk heel plots, en zonder lijden. Maar we moeten elkaar niets wijsmaken. Dood en belastingen, ze zijn onontkoombaar. Hoe ouder je wordt, hoe meer je er van doordrongen geraakt.  Waarschijnlijk ook net de kinderen op bezoek gehad die het niet kunnen opbrengen om ‘vake’ meer dan eens in de week op te zoeken, wegens carrières en eigen drukke levens met kindjes en allerhande projectjes. Dat gaat zo.  En nu was het zondagavond, alleen, met Witse. Hem restte niets meer dan op zijn beurt te wachten op de dood, want rijk van de duiven ging hij niet meer worden.

Ik ging naar ’t toilet, en plots stond hij naast me.

‘Ferm wijf hè jong, ons Nicole,… achter den toog?’ Ik keek hem verrast aan en hij ging verder.

‘Die van ons is een maand geleden gestorven, maar ik ben nog ne ferme vent, en ik peis, als ik hier zo nog een weekske triestig kom zitten doen, da’k wel kans maak om ze in mijnen nest te trekken! Allez, we gaan zien, neen heb ik al, maar ik peis toch dat ik mij ermee ga kunnen amuseren! En dan kan ik mij terug aan den toog placeren!’

Nog een schone avond gewenst.. met deze hint van de onvolprezen @benpittoors

Het strelen van boeken

Er zou een woord moeten voor bestaan. De liefde bedrijven is het niet, maar puur fysiek genot ondervinden door het aanraken van boeken, dat zou toch een naam moeten hebben?

Ik heb een paar boekenplankjes geinstalleerd, en dat krijg je weer dat eeuwige gevecht. wie mag er op, en hoe? Ik heb er vroeger al eens over geblogd, dat dat een allesbehalve éénvoudige taak is. Welk keuze criterium? Een paar plankjes, dat is geen bibliotheek oefening, ’t is niet dat je alles onder handen neemt. Neen, nu zijn er wat? 40, 60 boeken die promotie krijgen. Die van het stapelen verdwijnen naar de verhevenheid van de plank. Publieksspelertjes. Blijvertjes, Klasbakken.

Maar ook daar moeten er regels en rechtvaardigheid zijn. Ok, dat boekje van Finkielkraut is mooi, en het staat scherp om het gelezen te hebben, maar wat heeft het met je gedaan? De emotionele weging is te beperkt. Locke daarentegen, in de goedkoopste uitgave ooit, is een certitude. Net zoals die ene goedkope uitgave van Lijmen/Het Been niet hoeft te vrezen. Ja, boeken hebben een ziel, en net zoals in Toy Story, denk ik dat je ze pijn kunt doen door verwaarlozing.

Van meet af aan is duidelijk dat het een arbitraire keuze wordt. Een keuze die bepaald zal worden door omslag, kloutscore van de auteur, likeability van het onderwerp, en dan last but certainly not least… Wat heeft het boek gedaan met mij.

En dan begint het strelen, en de gewoontesex. Op zich wellicht een metafoor voor iets anders. Zo’n Oscar Wilde, die weet met zekerheid dat hij terug promotie maakt. Het is goed even te toeven onder de andere boeken, maar de complete works, tja, dat moet gewoon terug in ’t zicht liggen, klaar om te doorbladeren, een quote op te zoeken, bij de hand te hebben… Hij weet het, ik weet het, hij weet ook dat het een kwestie van tijd is voor ie weer op het nachtkastje belandt, de hautaine slet.

Neen dan heeft zo’n Brouwers of Coupland het moeilijker. Mooi, of boeiend, maar ze raakten mij niet. Net zoals ik dweep met Hermans en Reve, kan Mulisch mij gestolen worden. Ook al heb ik er quasi alles van gelezen, hij pakt mij niet. Wolkers wel. En Vestdijk, die oude schurk, komt vanuit de achterhoede terug opzetten, eindelijk klaar voor…

Dichtbundels. Moeilijk! Dan neem je zo’n Zwarte jager van Jules Deelder nog eens vast, op slag dertig jaar jonger, en de grijsaard komt boven. Was het werkelijk zo groot als poëzie? Eerlijker word je ook op deze leeftijd. De Coninck, Claus, meesters van de taal. Deelder en Chabot, punkpoëts en meester van ritme en performance, maar is het een boekje dat op het schap moet? Ondertussen heb ik het opnieuw uit… Toch maar niet, of wel, het is zo mooi, die gebeitelde kop van Jules, en het overweegt niet… het kan er quasi nonchalant tussen. Vooruit dan maar.

Het gaat door, boek per boek, en altijd trager. Het hangen van de plankjes kostte een uurtje tijd, het selecteren van de boeken een dag, en ik ben nog niet tevreden. Of toch wel, want ik heb een heerlijke tijd gehad. Hier en daar een herinnering, een oude bladwijzer, een kattenbel of een post it. Sepia dat opnieuw verlevendigt, herinneringen die aan kleur winnen, een simpel geluk. Of overdrijf ik?

Help, ongeneeslijk zieke kinderen…

Pas vandaag is het  echt doorgedrongen… Mijn kinderen, alle vier, ernstig ziek. Een bijzonder mysterieuze ziekte, vandaar ook dit schrijven, een oproep naar andere ouders, misschien hebben jullie er ook ervaring mee, en hebben jullie wel aangepaste medische oplossingen kunnen vinden. Alle hulp is welkom.

Het ziektebeeld laat zich éénvoudig samenvatten : spieratrofie, partieel geheugenverlies, aandoening van centraalzenuwstelsel waardoor de oog-hand coördinatie faalt, dit alles gecombineerd met selectief chronisch vermoeidheidssyndroom. Niet om te lachen dus, en wellicht helpt een betere omschrijving van de symptomen om mij in de richting van een oplossing te sturen. Het is echt dringend, dus wie kan helpen…

Spieratrofie: de spierkracht van mijn kinderen is beperkt in tijd, het lukt soms nog net om bijvoorbeeld iets op de vaatwasser te plaatsen, maar de extra inspanning om dat er in te zetten, dat wil niet altijd meer lukken. De deur is te zwaar! Het is alsof er maar zoveel kan binnen een bepaalde tijd.

Hetzelfde gebeurt met WC rolletjes. Allicht heeft dat er mee te maken dat alle zuurstofrijk bloed zich dan ter hoogte van de sluitspier verzameld heeft, want de volledige handeling volmaken lukt niet. Vegen gaat hopelijk nog net, maar dat lege rolletje, dat belandt wel op de grond, of soms zelfs in een bakje, maar dan is het ook echt op. De puf om een nieuwe rol (dat gewicht ook!) op de houder te steken, neen, dat gaat niet. U begrijpt dat het als ouder, iedere keer weer als een dolksteek door het hart gaat om je kind te zien lijden. Ze proberen iets te eten, de wikkel valt op de grond, en de pijnscheut in hun ogen verraadt dat ze wel willen bukken om het op te rapen, maar dat het éénvoudigweg fysiek niet mogelijk is. Ik heb echt medelijden, ik wil een oplossing.

Coördinatiestoringen: allicht is het ook door die spieratrofie dat de rest moeilijker wordt. Neen, ik heb het niet over handdoeken of kleren op de grond, dat is normaal bij kinderen en adolescenten.
Ik heb het over simpele dingen, zoals het inschenken van cola, wat niet meer zonder morsen kan. U kunt zich dat ook niet voorstellen hoezeer ze daar zelf onder lijden, messen met choco die op het aanrecht vallen, en waarvoor ze niet meer de kracht hebben om die terug los te trekken.

Ik kan wel huilen bij zoveel ellende, ik had ze dit zo graag bespaard… Wij kunnen ons niet voorstellen hoe pijnlijk het moet zijn om het stuk hout, waar eens een magnum rond hing, niet meer te kunnen tillen, en dat dan uit eerlijke schaamte tussen de zetelkussens te moeten proppen. Die vernedering, het niet meer in staat zijn tot elementaire hygienische leefregels, verschrikkelijk uitputtend, voor mijn bloedjes.

Amnesie: Het moet een hel zijn om als jonge adolescent rond te waren in een huis dat je van a tot z kent, en toch telkens weer te moeten vragen ‘waar staat/ligt dat?’. Gewoon omdat het geheugen niet meewil. Ik heb het over alledaagse gebruiksvoorwerpen hè, stofzuigers, bezems, leibanden, ja, soms zelfs gewoon borden en bestek.

Schrijnend hoe ze dan in zo’n keuken staan, overmand door onbeholpenheid, en zoekend, tergend langzaam zoekend, niet geholpen door enige vorm van logica, maar echt klutsverloren. Beetje ouder huilt dan, bij zoveel ellende.

Ik denk ook dat hun spraakvermogen soms aangetast wordt door datzelfde fenomeen, maar daar wil ik nog niet op vooruitlopen, zolang we maar liefdevol kunnen communiceren, al is’t met gebaren, is er op dat vlak nog veel mogelijk. En ’t blijven tenslotte je kinderen. Of ze nu al dan niet medeklinkers kunnen uitspreken, ik wil daar niet moeilijk over doen, als ze maar eerst genezen voor het overige.

CVS : En dan dat CVS, dat toch ook de kop opsteekt, zij het dan cyclisch. Nooit op avonden in het weekend, altijd op voormiddagen in het weekend. Quasi nooit tijdens uithuizige vakanties, altijd tijdens de schooldagen. Hoe kunnen die jonge mensen nu toch ooit tot een fatsoenlijk leven komen, zoveel handicaps, op weg naar succes?

Echt waar, alle hulp is welkom. Want de goede wil is er, ze komen thuis en gaan echt vol moed voor hun pc zitten, een beetje proberen te volgen wat er bij de vrienden aan de hand is, maar dan onherroepelijk, slaat de vermoeidheid toe, ze moeten gaan liggen. Godzijdank hebben ze nu allemaal een laptop, zodat ze die kunnen blijven hanteren als ze plat gaan, maar ik houd mijn hart vast als die spierziekte ook hun vingertoppen bereikt, wat gaan we dan moeten uitvinden?

Mensen die bij hun kinderen of kennissen hetzelfde hebben ondervonden, alsjeblieft, laat mij iets weten, het zou erg veel voor me betekenen…