De bonsai-kweeksters (1) : het pintritme

Twee vrienden. Ontiegelijk vroeg op de luchthaven. Lachen, plezier maken, vertellen, en de tijd doden tot het vliegtuig opstijgt. Met een ‘croque monsieur’, en ja, beide heren pakken er een pintje bij. Om half zeven ’s ochtends. ‘T is speciaal, en niet voor elke dag, maar het kan wel. Het inzetten van een week vakantie, op een luimige wijze, onder venten. Tijd is een conventie. Het is mij ook al overkomen dat ik om 7u ’s ochtends  tijdens de Gentse feesten nog een glas bier binnen sla op de Vlasmarkt, vooraleer mij in de Irish Coffee’s te smijten. En ja, als ik dan naar huis stap durf ik er ook nog eens een hamburger met uien en mosterd tegen smijten. Alles voor 10u ’s ochtends.

Beetje vent doet daar niet moeilijk over. Doet het ook niet elke dag, en ziet er zeker geen structureel gegeven in. Wij pakken dat soort dingen met wat luciditeit, zelfspot en de goesting van het moment. Met een beetje branie toch ook, durf jij? Ik wel.

Onze helden stonden dus te genieten van hun ochtendlijk avontuur (Twee jongens nemen het vliegtuig), toen daar ineens een boze vrouw tussen kwam. ‘Maar allez, Michel,  dat meent ge niet! Als ge zo gaat beginnen gaat het rap gedaan zijn, dat is toch nergens voor nodig, etc., etc…’ U kunt allen aanvullen, want u hebt uw moeders, eega’s of vriendinnen dat ongetwijfeld ook al een keer horen zeggen. Onze Michel keek, zuchtte, pakte dienblad en pils op, en ging een eind verder staan, om van het gezeik af te zijn. Ze bleef echter volgen. En het strekte de man tot eer. Hij bleef onverstoorbaar verder eten en drinken, en babbelen met zijn vriend. Een eik. De vrolijke sfeer was weg, dat wel.  En toch heeft hij ze ooit graag gezien, en zij hem allicht ook.

Vele vrouwen zijn diep in hun hart eigenlijk  bonsai-kweeksters. Maar dan lichtjes anders.  In plaats van een klein boompje met veel geduld om te vormen tot een mini-boom (wat ze helaas maar al te vaak proberen met hun kinderen), proberen ze het met hun man. Ze zien een prachtige eik, met een geweldig mooie uitstaande kroon, prachtige knoestige takken, brede stam en bast, goed geworteld in de voor de eik zo vertrouwde grond. Die moeten ze hebben! Daar gaan ze werk van maken.

En dan leggen ze het geduld aan de dag van de echte grote bonsai-kwekers. Snoeien, omvormen, anders voeden, bijsnijden, miniaturiseren. Het is een levenswerk, en het maakt niet uit dat het resultaat nooit helemaal af zal zijn, “‘T is immers een levend wezen…”.

Hoe gaat dat in zijn werk? Wortels moeten eerst ingekort, en dan in andere grond.  Een voorbeeld : ” Ik weet niet goed wat gij aan de café vindt, het stinkt daar, ze geven slechte wijn, de muziek staat te luid en dat zijn allemaal boeren.” Dat dat het café is waar manlief al sinds zijn vijftiende met de mannen van de scouts zat, dat heeft allemaal geen betekenis. Hij moet uit dat milieu gehaald worden, met al die slechte invloeden, herinneringen aan vroeger,  schimmen van ex-lieven die toch aanwezig blijven, verleidingen allerhande kortom.

“Maar neen, ik vind dat niet erg dat ge een pintje gaat drinken met de vrienden, maar doet dat ergens waar het plezant is, en waar wij ook soms eens kunnen zitten.  Voor je’t weet zitten ze aan een tafeltje, in een tea-room of brasserie. Twee, drie koppeltjes, de venten aan’t bier, en de vrouwen aan de witte wijn.

Levensgroot dilemma voor de mannen. Hun ‘pintritme’ wordt onderbroken. Ik leg het even uit.  Venten ondereen drinken pintjes. Het ritme waarop ze dat doen wordt bepaald door zowel de traagste als de snelste drinker. Het is zoals de menstruatiecyclus van bonobo’s in groep. Dat aligneert zich. Na drie, vier pinten is er een groepsritme, waarbinnen iedereen meehijst. Zonder te oordelen. wie zijn glas leeg heeft en ziet dat ongeveer de helft van de groep ook droogstaat, die betaalt. Geen gezeur, geen overpeinzingen, vooral ook geen bierbitterende opmerkingen zoals ‘amai, wij trekken er nogal aan door’… In sommige meer diverse gezelschappen is er ook nog de techniek van het tussenpintje, maar dat komt in een andere blog nog wel aan bod.

Terug naar onze knapen aan het tafeltje. Miserie en tactiek halen de bovenhand. Het pintritme wordt immers niet aangehouden als er dames wijn zitten te nippen. Het zou perfect kunnen, maar het gebeurt niet, omdat er, vanaf glas twee, opmerkingen komen, over hoeveel en hoe snel en of ze nog wel een zouden willen, en of ze misschien niet zouden overschakelen op iets anders.Dat is niet leuk. Vinden veel mannen.

Ze kunnen perfect 1 on 1 om met een wijn- of waterdrinkende partner, en zelfs zonder noemenswaardige problemen inschuiven in het tragere zwelgritme, maar van zodra er meerdere mannen rond een tafel zitten is het toch moeilijk. Daarom zie je ze ook overschakelen op grotere volumes. Het wordt een uithoudingswedstrijd. Zo lang mogelijk nippen zonder leeg glas. Nen drieëndertiger is dan toch altijd 8cl meer. En pak dan een bierke waar wat ‘beet’ op zit, een trappistje of een duvelke, dat remt ook af.

De bonsaikweekster ziet de domesticatie aan, en is blij. ‘die van mij kan zich gedragen, hij zit er proper bij’. Die van haar wil eigenlijk niets liever dan in een zweterig, rokerig rokershol rechtstaan en pinten drinken… Maar fase 1 is achter de rug, verpotten in andere grond, met aangepaste zuurtegraad.

Benieuwd naar de andere technieken? come and see next time, ik heb er nog wel wat…(oh, ja, voor ik de vrouwen op mijn nek krijg, Het valt niet uit te sluiten dat mannen ook hun lompe technieken hebben om te proberen hun bloem van een onafhankelijke vrouw (want dat willen wij immers allemaal! tot we ze hebben) onder de knoet te houden, maar dat valt buiten het bestek van dit verhaaltje.

3-vaksbanen op trottoirs?

Ik stap erg snel. Dat heeft te maken met het feit dat ik niet bij de kleinste ben, dat ik ook nog eens dagelijks tussen de 7 en de 10km stap met die beesten van mij, en ongetwijfeld ook nog eens met mijn verleden in jeugdbeweging en zo. Mijn kinderen hebben er ook last van. Daarnaast is het ook zo dat ik steeds dwangmatig op zoek ga naar de kortste weg tussen twee punten. Ik ben een teller. Als er twee route opties zijn, zal ik ze systematisch allebei afgaan en tellen via dewelke ik met het minste stappen op bestemming geraak. Ik mag hopen dat u dat fenomeen kent, en me niet bij de weirdo’s catalogeert. Ik vind ook dat de hiel van elke voet net over de voegrand van de tegels moet vallen en zo, en dan krijg je al gauw een hectisch ritme met te grote passen… want het moet passen.

Ik heb me ook altijd prettig gevoeld met beide benen op begane grond. Ik ben niet zo’n fietser of zwemmer bijvoorbeeld, en vliegen lukt al helemaal niet.

Het valt mij op dat ik, als ik een winkelzone nader, problemen krijg met die stapsnelheid.  De mensen beginnen dan ineens allemaal te slenteren, stil te vallen, en dingen te doen, waardoor het in het honderd loopt op onze trottoirs. Zeer tot mijn ergernis, en allicht ook tot die van jullie.  Daarom, misschien een paar simpele regels, zodat we niet genoodzaakt worden om stapvakken te schilderen op onze voetpaden.

Ik haal de topics één voor één aan.

Positie ten opzichte van de vitrines. De snelle stappers blijven het verst verwijderd van de vitrines, zelfs als het regent. Ik doe dat altijd, omdat het de kans minimaliseert dat ik tussen u en de vitrine geplet wordt, en omdat het mij toch niet erg interesseert.
Zou u dan wel de aimabiliteit willen hebben om uw positie aan te houden en niet onverhoeds achteruit te stappen, het eigen spiegelbeeld aanbiddend en mij daarmee tussen de tramsporen duwend?

Daarover gaat het namelijk, Vloeiende voorspelbare bewegingen, die het ritme van de passanten niet doorbreken.  Belangrijk ook, richting.  U beweegt in een bepaalde richting, blijf dat aanhouden. Besef dat er mensen achter en rond u lopen, die ook een richting hebben, en als u begint af te wijken, dan hindert dat. Het hindert de inhaalbewegingen, het hindert conversaties, het is vervelend. Voor beginners: Probeer  gewoon parallel aan de stoeprand te blijven, dat maakt inhaal manoeuvres éénvoudiger.

Schoeisel. Zeer belangrijk. Doe die schoenen aan waarvan u weet dat u er mee kunt stappen. Het lijkt triviaal, het is het niet. We hebben u wel al gespot, met de hoge ‘glass heels’, tussen de vrouwonvriendelijke stenen. U kunt het niet. Doe een éénvoudige mocassin aan in de Veldstraat en spaar de glass heels voor de lucratieve bezigheden in de vitrine.

Onverhoedse bewegingen zijn te mijden. Zigzaggen is vervelend voor de achter- en tegenliggers, start & stop is ergerlijk, plots omdraaien is al helemaal uit den boze. Houd er rekening mee dat u dat binnenkort een gulp warm brouwsel op het chemisierke oplevert, als we met zijn allen  met de kartonnen bekers van de Starbucks gaan rondzeulen hier in Gent!

Parafernalia. U hebt in Sex in the City gezien dat het erg lekker is om met verschillende tasjes uit de boetiekjes te zeulen. Dat ziet er zo heerlijk ‘urban succesful’ uit. Leer er dan ook mee lopen. Alles heeft te maken met perspectief en inschatting. Denk gewoon iets verder dan uw eigen persoontje. Het is uitdijnend. Net zoals Paraplu’s. U mag dan een hottentot zijn, weet dat uw paraplubaleinen telkens rakelings langs mijn ogen passeren. Dat is niet fijn. Ik woon daarboven.

Uitslaande armen is ook zoiets, dat kan gemeen pijn doen, een neerwaartse zwier ter hoogte van het kruis van een man van gemiddelde lengte. Wij houden daar niet van. Wees u bewust van uw omgeving. En leer het ook uw hondje. Hou het kort, en dicht bij u. Ik weet waarover ik het heb, ik heb er twee en ze zijn groter. De opties zijn duidelijk. Best van al neem je ze niet mee, als het toch moet, besef dan wat het met zo’n beest doet, en met de mensen errond, die zo’n natte neus in hun kruis niet steeds leuk vinden.

Finaal, de manoeuvers. Zoals in elk rijexamen, zijn de manoeuvers het belangrijkst. Gouden regel hier : de hoek van de drukke winkelstraat verbergt meestal een andere drukke winkelstraat. als je dus heel kort door de bocht scheurt, dan riskeer je botsingen. neem de bocht ruim, en kijk. Kijk! Altijd opnieuw sta ik versteld van het aantal mensen dat gewoon in alle richtingen zit te kijken behalve de stap-richting. Mocht je dat in de auto ook doen, dat zou grote problemen opleveren. Hier rekenen jullie er op dat die andere wel uit de weg zal gaan, met respect voor jullie contemplatieve ‘mood’. Wel ik dacht het niet. Ik blijf staan tot u tegen mij opbotst in zo’n geval, liefst van al met een ijsje vooruitgestoken zodat u er ook nog eens een tactiele gewaarwording bij krijgt. Wanneer u beiden innig in discussie bent, ontslaat het u niet van de elementaire beleefdheid om zo heel af en toe eens mee te denken naar de beste oplossing voor het mobiliteitsprobleem. Iedereen wil vooruit, jullie zijn een bewegend obstakel. En dus vervelend.

Dat wou ik gewoon even kwijt.  als iedereen dat nu gewoon doet, ziet het er op slag een stuk simpeler uit in de winkelstraten.

Helder verdriet

Guillaume heeft gezegd dat woorden belangrijk zijn in een context als deze. Ze mogen dan ten enen male tekort schieten om echt en duidelijk te zeggen wat er in je omgaat, schrijven wil nog wel eens lukken.En het wordt geschreven omdat het moet.

Ieder zijn verwerking. Wie vindt dat het getuigt van een verkeerd soort opportunisme, meldt het mij privé maar probeer er niet over te polemiseren, ik heb er geen zin in.

Ik ben slecht in begrafenissen, ik verlies me in mijmeringen, ik betrek het op mijn eigen kinderen, ik beeld me de gedachtes van ouders, vrienden en familie in, en ik ben van slag. Niet alleen voor en tijdens en na, maar nog een hele periode nadien. Wellicht omdat ik een erg grote fan van het leven ben, en de dood doorkruist dat, zonder een zweempje humor.

Ik was vanochtend getuige van helder verdriet, van mensen die samen rouwen, gehuild en gelachen hadden, en dat nu een plaats probeerden te geven. Dat lukte niet, of niet altijd. De stemmen wilden nog wel eens breken na een dappere poging om uiting te geven aan wat men echt voelde.

Maar het was niet donker en somber. En je kreeg op geen enkel moment het gevoel dat je alleen stond met dat verdriet. De teksten waren zinvol, lief en geschreven vanuit gulpende harten. De muziek bood steun, was mooi, en het geheel  reikte schouders aan, ik kan het niet anders zeggen.

Wat opviel, was de sereniteit, de hoop en de vertroosting. Het menselijke. Er is niet echt sprake van aanvaarding in zo’n context, dat kan ook niet. Wat me wel opviel was dat er  getracht werd om een plek, een moment te creëren waarbij ieder  uiting kon geven aan zijn verdriet, zijn medeleven of zijn opstandigheid. Op zijn eigen wijze. En dat was mooi. Het zou nog mooier geweest zijn, mocht je er niet zo een triestig gegeven voor nodig hebben.

Ook alle schijn trok weg. Hier was geen plaats voor vals, voor ons-kent-ons, voor ego trip. De reclame, dat vrolijke bastion van oppervlakkige zelfgenoegzaamheid zag er ineens heel anders uit. Mooie, trotse, lachende mensen, die ineens een ‘coup de vieux’ over zich kregen, en verdriet hadden. Echt verdriet, en medeleven. Met de familie, met de vrienden, wellicht terugdenkend aan eigen kleine of grote persoonlijke drama’s. Grote mannen en vrouwen, dartele meisjes en onbezonnen wilde jongens, die ineens gekrompen leken, bewust van de sterfelijkheid en de fragiliteit.

Een paar uur afstand, een paar uur nadenken over kostbaarheid en vergankelijkheid van het leven. Dat was het.

Op de terugweg heb ik mijn zoon gebeld, om hem te horen, en zonder zwaarte wat over het leven te praten. Ik kan dat gelukkig nog, en het heeft (wat) geholpen.

Starbucks Gent, helaas

Coffee Lover

We zullen er dus ook aan geloven. Binnen afzienbare tijd. Er komt een Starbucks naar Gent. Vind ik dat erg? Ja en neen.

Ik heb daar ook al een keer over geschreven, naar aanleiding van de opening in Antwerpen. Ik vind het echt leuk om rond te lopen met een beker warm of koud van ’t één of ’t ander in mijn knuisten. Zeker in de winter.

Het geeft een urban trendy accentje aan mijn anders nogal troosteloos en grijs bestaan.  Dat vind ik dus leuk. Dat er allicht ook weer een plek bijkomt met gratis wifi en relatief lekkere gebakjes vind ik ook meer dan ok. Werkplekken voor de mobile warriors (courtesy @Danny Devriendt), er kunnen er niet genoeg zijn.

Ik vind het alleen jammer omdat Starbucks geen koffie verkoopt.

Ook niet met beroepsernst, en dat vind ik misschien nog het ergste. De ‘so called koffiekenner’ stapt binnen bij Starbucks, bestelt zich een formaat, al dan niet met cafeine, en begint dan op te smukken. Extra shots dit en dat,  low fat zus, sugar zo, en some cinnamon to top  it off…

En voor ik het vergeet, aan een exorbitante prijs.  Maar laat dat vooral de pret niet drukken. Zoals al gezegd, ik vind het heerlijk om met zo’n container warm, donker vocht rond te lopen.
Want dat is precies het punt, koffie is het niet. Eens we het daarover eens zijn, is er verder geen probleem.

Koffie begint bij lekkere bonen, en bij kleine porties, waarbij een barista erop toeziet dat het hele proces van branden tot schenken en alles daartussen, vlekkeloos verloopt.  Je houdt van zijn koffie, en de manier waarop hij die bereidt, of niet. Dat is ook een vorm van keuze. Ik ga graag naar de mokabon in Gent, dat heeft met sfeer en authenticiteit te maken. Ik zit niet zo graag bij de Barista aan de Vlaanderenstraat. Goesting is koop, zeggen ze in Vlaanderen.   Wat er ook van weze, zo wordt koffie geserveerd en gemaakt. En dan is er suiker, en hier en daar één of andere siroop. Meer is het niet. Of was het niet. Want als ik rond mij kijk, zie ik dat weinigen zich daar iets aan laten gelegen liggen, en misschien maar goed ook.

10 jaar geleden bestelde ik in Milaan na het avondeten nog een cappuccino, waarop mijn italiaanse gastheer geschokt reageerde, of ik misschien homosexueel was, of in de namiddag teveel gedronken had.  Gechargeerd en beledigend, en bedoeld als sexistisch grapje, het kon toen nog, ook al getuigt het van slechte smaak.  Hij vond cappuccino aanvaardbaar tot 11u ’s ochtends nadien niet meer ( mijn excuses, by the way, to the gay community, ik bedoel er verder niks mee, en het is één van die vele clichés die wellicht verdienen om omver gehaald te worden, maar daar zal ik mij een andere keer mee bezig houden)

Het ‘customisen’ en ‘tunen’ van warme dranken, om er hetzij een kleffe, mierzoete shake van te maken, oftewel meer in de richting van heet, thee-achtig te evolueren. Het is misschien wel een fijn marketingplan, om de ‘consumer in control’ te plaatsen, maar het heeft verder geen ene zak met koffie te maken.

Strikte regeltjes zijn nooit goed, het zal mij verder worst wezen of u honing, suiker, confituur of wat dan ook in uw koffie doet, maar ik pleit wel voor een duidelijk  taalgebruik.

Zeg dus niet ‘ Ik ga een koffie halen bij Starbucks’, maar wel ‘Kom laat ons iets warms gaan drinken bij Starbucks’ of desgewenst ‘Kom, we gaan wat kliederen met warm water en suiker’.

Met dank.

Een week van eigen kweek

Eigen kweek

Eigenlijk zou je moeten turven hoeveel keer onze local heroes de revue moeten passeren om dit verhaal vorm te laten krijgen.  Hoeveel keer je per dag Gabriel Rios, Das Pop, en Ozark Henry nodig hebt en waar je ’t allemaal moet gaan zoeken.

StuBru programmeert de week van eigen kweek, ik mag hopen niet om Geert Bourgeois te plezieren. Daarbinnen zie ik wel wat fijne initiatieven, met de poulains en wat al niet meer, maar ik vrees gewoon dat de spoeling wat te dun is om dat een hele week te trekken.  Ik denk dat ide mensen, muzieksamenstellers en programmamakers echt wel weten waar ze mee bezig zijn, en allicht ook al die opmerkingen zelf gemaakt hebben. Wellicht vinden ze het zelfs fijn om duistere pareltjes op te vissen, maar toch…Er is een reden waarom Belgische muziek niet echt ‘hot’ is in Europe. Er zit volgens mij geen hond op te wachten, wegens meer van hetzelfde.

Dat occasioneel hier en daar wel eens iets fantastisch gebeurt,  zoals een doorbraak in Japan,  Frankrijk, Oezbekistan of wat dan ook, ik ben daar ook blij om voor de artiest in kwestie, maar het kan een zekere beperktheid niet helemaal maskeren.

Voor mij is in’t vervolg een weekend van eigen kweek, “het eigenkweekeind” ruim voldoende, er mag zelfs week-in-week-uit een programma aan besteed worden, maar trop is een beetje teveel.

En sorry dat ik het einde van de week niet afgewacht heb om mijn mening te ventileren, ik weet dat het ‘not-done- is, maar zo ben ik nu éénmaal.

De liftende hoer

Ze stond een beetje weifelend te zwaaien. Tenger, meisjesachtig lijf, dik ingepakt in goedkope kleren. Ze liftte. Ik was niet speciaal gehaast dus ik stopte om haar minstens al een eind op weg te helpen. Ze moest in Latem zijn, de Kortrijkse steenweg.

Wie de buurt een beetje kent weet dat daar de uitzuipkroegen van de plaatselijke chaussee d’amour zijn. Waarom zeg ik dat? Waarom zo snel een conclusie die er misschien geen was?

Ik weet het niet, ik heb er geen speciale neus voor, maar het bleek wel te kloppen. Het was een zwarte vrouw, met een te zwaar parfum, intrieste blik en een lijf dat allicht zo skinny gehouden werd om de kansen op de markt te maximaliseren ‘parce que la clientèle apprecie’. Haar humor en levenslust spaarde ze voor haar beroep, zo scheen het. ‘Allez cherie, tu m’offres une petite coupe?’ eerst zuipen en dan proberen de dans te ontlopen en het pezen zo lang mogelijk uitstellen.

Zonder stijlfiguren te willen neerpoten, haar gezicht was minstens dubbel zo oud als de oppervlakkige monstering van haar stekkebeentjes deed vermoeden. En doffere ogen had ik ook al lang niet meer gezien.

Ze zat stil in de auto en vroeg heel plotseling of ik getrouwd was. Ze vond het huwelijk niet evident. En al helemaal niet als er ‘violence’ bij kwam kijken. Geef haar maar eens ongelijk.
Ik moest haar afzetten aan restaurant ‘la grande bouffe’. Vlak ernaast was een bar ‘ Le p’tit faim’. Humor hebben ze wel die pooiers. Daar stapte ze binnen. Waarschijnlijk tot een kot in de nacht, om dan op dezelfde sjofele manier terug te geraken in Gent. Haar nachtmerrie kon beginnen, mijn fantasie begon te werken.

Hoeren, niks klinkt lekkerder bij de niet-geïnformeerde. Wij stellen er ons wulpse sexperts bij voor, met geweldige boezems, die in staat zijn ons alle hoeken van de kamer te laten zien. De realiteit schijnt dus lichtjes anders te zijjn.
Voor we in een verhitte discussie komen over de verkeerde topics, ik veroordeel niks of niemand. Niet de hoeren, niet de hoerenlopers. Misschien wel de pooiers, maar dat zeg ik niet luidop wegens schrik om ‘nen djoef op mijn muil’ te krijgen. Ik ben er ook van overtuigd dat er toffe, echte madammen in de prostitutie zitten, misschien niet veel, maar wel vrouwen met ballen, die er allemaal niet te veel om malen, en gewoon doen wat op dat moment een oplossing leek voor eender welk probleem. Niet vergelijkbaar met meisjes uit godweetwelk land die hier komen ‘dansen’.

Idem dito voor venten die net voor ze huiswaarts keren naar hun dor takkenwijf, nog gauw even binnenwippen bij de raamhoertjes aan t Noord. Het kan maar deugd doen. Aan mij is het niet besteed. Echt niet.  En niet omdat ik het niet lekker zou vinden. Alhoewel, dat weet je nooit, maar omwille van de neuroses.

Te veel onzekerheden, teveel dingen waarvan ik niet weet hoe het moet. Kun je douchen? Of is dat stom? Ik vraag me bijvoorbeeld ook af of die dames een soort menukaart hebben. Of is het eenheidstarief per kwak? A means to an end? Of heb je daar niks over te zeggen. Begrijpt u waar ik heen wil? Moet je daar eerst nog even ‘socialisen’ of is het anderzijds niet beleefder is om maar meteen de snikkel boven te halen, kwestie van de dames niet teveel tijd te doen verliezen.

Plus ook, moet je zo snel mogelijk of juist niet, en wat is het protocol nadien? Teveel vragen en onzekerheden voor de neuroot in mij ( los van een overigens bevredigend relationeel, affectief en lichamelijk leven). Ik ben er bijna zeker van dat ik onaangepast gedrag zou vertonen, zelfs in hun context, want ik vermoed dat die dames wel één en ander gewoon zijn.

Maar het idee dat je gezelligheid koopt?!? Want dat is wat er gebeurt in de uitzuipkroegen, eerder dan in de peeskamertjes van de stationsbuurt.  Bij meisjes/vrouwen die meestendeels liefst hun plastic doorschijnende stiletto hielen dwars door je balzak zouden willen priemen, neen daar kan ik echt niet bij. U wel?

Boeken, klasseren, mijmeren

Ik ben eigenlijk best trots op mijn boeken. Iedereen allicht. Stomme opmerking dus. En toch. Op zoek naar het zoveelste klasseersysteem heb ik ze weer eens allemaal in de hand gehad, mijn boeken. Eindeloze mijmeringen.
Karin heeft me ooit een boekje cadeau gedaan. Ik ben de titel en auteur kwijt, wegens op Cafe aan’t pennen. Op iPhone godbetert.  Ze gaf me dat boekje om mijn horizon wat te verruimen. Geloof me, dat is soms nodig. Als relatief rationele autist had ik immers maar twee klasseermethodes. Alfabetisch op auteur, of van klein naar groot. Ik vond dat onbevredigend, maar elke andere methode zorgde voor kopbrekens. Er zijn nu éénmaal filosofen die politiek meer doorwegen dan filosofisch. En wat doe je bijvoorbeeld met ‘Il principe’ van machiavelli? Politiek, geschiedenis of nog iets anders? Als Maarten ’t Hart een essay schrijft,over vrouwen die niet bestaan, mag ik dat dan elders klasseren dan zijn romans? Dichters, nog zoiets… Ineens krijgen ze de pretentie om te schrijven. Bij mij worstelen die dingen. Ik zie graag het werk van mijn lievelingsauteurs chronologisch geordend, en als ’t even kan allemaal uitgegeven bij dezelfde uitgeverij, in ’t zelfde formaat. En ja, ik geef toe dat ik al eens een boek twee, drie keer gekocht heb, omdat die uitgaves ‘formaatconform’ waren. Één keer heb ik zelfs alles van Ben Elton opnieuw gekocht omdat de nieuwe uitgaves gewoon mooier waren.
Maar toen ik gisteren mijn boeken uit dozen, zakjes, stapels en schappen haalde, was ’t grote liefde.
U moet ook weten dat ik er alles aan probeer te doen om wat ‘losser’ te zijn. Waar dat vroeger betekende dat ik er geen meetlat bijnam om zeker te zijn van de aflopende hoogte, of al eens een slapeloze nacht had over een foute kleuropvolging, ben ik tegenwoordig gewoon roekeloos. Ik kan al eens een fout stapeltje verdragen.
Verdienste van Karin. Haar boeken liggen op organisch-dynamische stapels, en op één of andere manier klopt het. Haar boeken toeven onder vriendjes. Weigering van structuur leidt tot natuurlijke ordening.
Maar nu denk ik dat ik het heb.. Qua systeem. Want voor mij werkt het ‘niet-systeem’ echt niet.
Als ik ze nu eens gewoon op datum van aanschaf klasseer? Min of meer. Het viel me op dat ik bij een dichtbundel van Jules Deelder, nul de botten moeite had met een stukje Chabot, Lanoye en zelfs een strip van Kamagurka. Gewoon omdat het in mijn hoofd allemaal onlosmakelijk verbonden was met ‘Batavia’. Een poezieprogramma dat Tom Lanoye bijeengesprokkeld had op t unief in Gent. Volgens mij heb ik daar ook voor t eerst Slagerij van Kampen aan t werk gezien.
En wat is er mooier dan je interesse in politiek weerspiegeld te zien in je boekcollectie, van Milliband tot Revel, van rechts tot uiterst links? Met een boekje van professor Helmut Gauss over Kondratieffs er tussen door.

Poëzie is ook zo’n mooie.. Dan begin je rustigjes met wat Herman De Coninck en Hans Andreus (voor de jonge lezers, neen het is geen typfout, en het is ook geen opticien), waar je overigens moeiteloos een catalogus van Turner tussenkrijgt, beiden waren immers gebiologeerd door licht, om het te zien evolueren naar rauw, tegenstroom, van Vinkenoog tot Sybren Polet, met Deelder en Chabot er tussen.

Opvallend trouwens dat ik mijn muziek door dichters leer kennen. Chet Baker en Charlie Parker, Brood en the Cocteau Twins en Cabaret Voltaire om van Talking Heads  en Brian Eno te zwijgen.

Het is ook mooi om de lacunes te duiden, en de levensfases. Marquez, Allende, nooit iets moeten van hebben, Castaneda daarentegen.. De Duitsers… Nog zo’n gat. Sporadisch wat gedichten van Heine, een paar obligate Thomas Mann, een steppenwolf en dat zal het wel wezen…

Enfin, u voelt het, boeken vasthouden en wandelen op het strand het inspireert.
Ik denk dat ik het er op waag. Misschien hang ik er wel verklarende bordjes bij, gewoon opdat u niet zou denken dat ik chaotisch ben!

(geheel en in 1 ruk geschreven op #Evernote, met zicht op zee en 1 Duvel)

BMW, What is wrong with their fans???

Den Duits, den Beamer, la BM…

‘T zal allemaal wel. Voor de goede verstandhouding, ik heb ook ooit rondgereden in een 530, dus ik ken het merk wel degelijk. En ik vind er geen zak aan. Sorry!

Maar dat komt omdat ik niet echt een auto mens ben. Ik ben daar te verstrooid en te… ja, te wat voor? Ik weet alleen dat het mij geen ene moer interesseert, behalve dan misschien al een keer iets esthetisch. Maar ook daar moet er niet in overdreven worden, het raadsel van de ‘janten’ ofte de velgen bijvoorbeeld, is altijd aan mij voorbij gegaan. Steevast slaag ik er in om de verkeerde mooi te vinden, in de ogen van de kenners.

Sterker nog, ik zie eigenlijk niet echt een verschil. Enerzijds heb je de plastieken sierdoppen en daarnaast heb je iets in ijzer, met 3,5,7 of 39 spaken.  Eén pot nat. Er is maar één auto waar ik mij prettig in voelde, en dat was mijn Dyane… met zetels van een CX, door mijn broer er in gelast. Dat was een beest! Al de rest is aan mij niet besteed.

Maar die BMW jongens, dat zijn echt fanaten. Net zoals ik niet echt goede chauffeur ben, zijn velen onder hen het ook niet echt (getuige het schrijnend gebrek aan knipperlicht etiquette etc.) maar dat maakt verder geen donder uit. Ze geloven in hun merk, en ze zijn er trouw aan. Zo trouw dat het bij momenten scary wordt.

Zo liep ik vanavond met mijn honden één of andere slaperige villawijk in, waar ik ook prompt weer verloren liep, want naast een kruk in het autorijden ben ik ook nog eens hopeloos in oriëntatie.  Slechte zielen denken nu “Een wijf, quoi!”… en ja, misschien wel.

BMW Schildje

Anyway, ik loop de straat in, het ene kitschkot naast het andere fake-paleis, en groot was dan ook mijn verwondering toen ik op nummer 36 dit aantrof.  Een metalen plaat met een BMW logo. Wie doet zoiets? Wie laat zijn vent/vrouw zoiets doen? En wat wil je er mee zeggen? Het was geen garage, het was een residentieel ding. Het was dus een statement.  Ok, je bent fan… so?

Zouden er ook mensen zijn met BMW tatouages?

Je zet een kot neer van ettelijke honderdduizenden euro’s, inclusief ‘den bekaertdraad’, het dolomiet, en de kempense hekkens, en als sluitstuk zeg je tegen ‘die van ons’ : “en naaa gonnek da plakske van den BMW tegen ons muur hangen! Wa peisde”… Zoiets? En die van ons zegt ‘Doe mor Jos!’…

Ik denk dat ik er niet van ga kunnen slapen… Ik zou het zo graag begrijpen. Net zoals die stickers van ‘Baby on board’… rijden mensen daar dan minder hard tegen? Of juist harder?

Frustratiedrempels

Aaaahhh, Vlaanderen en zijn schotschrift-traditie. Verder dan anekdotiek zal het nooit komen. Het uiten van frustratie via mooi getypte briefjes, netjes in een chemise gestoken, kwestie van weer en wind te kunnen trotseren. Een gulp expressie, maar dan wel netjes verzorgd opgehangen. Wanhoopskreetjes van de burger..

Wederom een fraai exemplaar. We beginnen met het (in mijn ogen) grappigste. Bemerk de fijne uitlijjning links, mooi netjes naast de spleet, of plooi, in de garagepoort.
Neuroten onder elkaar, wij kennen dat. ik durf te wedden dat de man er erg lang over gedaan heeft om de hoogte te bepalen waarop hij zou vastkleven, zoekend naar een referentiepunt, dat hij uiteindelijk gevonden heeft, 1,5 cm onder  het verlengde van de virtuele rechte lijn gemaakt door de resten van de ‘no parking’ sticker, die duidelijk niet afdoende bleek.

En dan de tekst. Forse kapitalen, om aan te geven dat het hem hoog zat.  spaarzaam gebruik van vetjes om duidelijk te maken dat hij niet van het halve soort gediend is. Volledig is volledig, en niet zo nog efkes een half bumperke erover. Rechte, virtuele lijnen, in het verlengde van zijn garage, en daar wordt verder niet aan getornd!. hoe moeilijk kan het toch allemaal zijn! Bende loozers (CC @Crusty).

In de tekst zelf zitten ook nog wel wat pareltjes. Niet vanaf vandaag, of nu, neen, neen, ‘vanaf heden’.  Met een datum erbij, om aan te geven hoe lang dat spelleke al duurt. De man is kwaad.  Vertederend vind ik ook de ‘Ben het kotsbeu’. Geen tijd om ‘ik’ erbij te plakken. ‘ ’t es mij muug, ben het spuugzat…’

En dan gaat het verder, politie-tussenkomsten, dreigen met bijten (waarom anders de vermelding dat hij gevaccineerd is en daarbovenop de assertie van het zelfbeschikkingsrecht. Ik moet geen toestemming vragen, want ik ben eigenaar!!!

Op zich is het allemaal wel wat om te lachen. Ik kan me ook inleven in de frustratie van de man. Je leeft en woont in de stad, betaalt een pokkedure garage en vindt de helft van de tijd een eikel voor je deur staan.  Redenen tot frustratie.

Anderzijds. Ik woonde lang in St Gillis, waar het een sport was om na 22u je auto binnen een straal van 5km van je deur kwijt te geraken, ik vond dat wel iets hebben. Het scherpt het ‘creatief parkeren’ aan.  het is werken op limieten, en ja, dat werkt dan wel al eens tegen de eigenaars van een garagebox.

Ik heb ook in een positie gezeten waarbij ik zelf zo’n box had, of een soort gepriviligieerde plaats voor mijn huis. En mij kon het eigenlijk geen lor schelen dat er al eens een keer iemand hinderde. Het is voor iedereen moeilijk dacht ik dan, we gaan hier geen dikke over draaien.  Mijn vriendin zag dat toen anders, die ging ook helemaal over de rooie als er iemand’s auto hinderde…

Gewoon om te zeggen, ik begrijp het niet, ik begrijp ook de neurobuurvrouw van Karin niet, die er op staat om haar auto op het uiterste randje van hun ‘eigendom’ te parkeren, ook al maakt dat verder geen zak uit, in een woonstraat waar er nooit parking problemen zijn. Ze wil geen stukje van mijn auto zien op haar stuk straat. Hoe moet je zoiets inschatten? Territoriumdrift, bezitsdrang, neuroses…

Allez, ja, gewoon zomaar een random observation of the third kind.

 

 

Chinees Keuken

Gisteren reed ik door het Vlaams Brabantse landschap, in de omgeving van Neerijse, of één of ander gerucht, ik wil er van af zijn.  Fijne observator die ik ben, viel het oog op volgend paneel.

Laat dit niet de plek zijn om ons vrolijk te maken over fouten bij noeste nijveraars; Ik wil het probleem ten gronde tackelen.

In mijn verbeelding ging het als volgt:  Chinees komt bij één of andere panelenboer en geeft het briefje af met de gegevens, van wat er nu precies op zijn bord moet komen. ‘Intake’ noteert, en stelt helaas geen vragen, of erger nog, noteert verkeerd. De order wordt doorgegeven aan de afdeling ‘Lay-out’. Daar zit een een grafisch genie, die de wenkbrauwen fronst (of franstalig is), toch nog even checkt, maar dan de beruchte woorden krijgt. ‘De klant krijgt wat de klant vraagt, en daarmee basta! gij moet niet denken voor de klant, gij moet uw werk doen!’.   Het ontwerp belandt bij de afdeling ‘Productie’, waar de niet van gezond verstand gespeende atelierchef met het potlood achter de oren gromt dat er een fout opstaat… maar de klant wil het ondertussen zo! Quality control zullen we maar overslaan, ’t is een kmo’ke. Alles wordt gemaakt, geleverd, en hopelijk ook betaald, en hopla, het Chinees Keuken is geboren.

Op zo’n momenten heb je toch heimwee naar de vakman die klaar en duidelijk zegt ‘Joengne, ik zou dat zo niet doen, ge moet eu nen halve overslag installeren en die boulongs moeten azu gemonteerd weurden dadde der nog mee eu manivelle bijkeunt, veur as t’er probleme zijn… Kgoa  t’eu ne kie tuuge…keit ba ma thuis uuk  zu gedoane’.

Blind vaar je op dat soort stielemannen, die advies vermengen met technische vakkennis. Waar het fout loopt is het taylorisme van de moderne bedrijven, we delen het ding op in vakjes en niemand heeft nog ownership, maar iedereen heeft wel zijn werk gedaan.

Ook de klant is schuldig, want proactiviteit van de leverancier (neen, ik geloof niet echt in het partneridee, zeker niet uitgesproken, wel in de intentie en de geest) wordt meer dan eens afgestraft.  Klanten die goedbedoelde verbeteringen niet naar waarde weten te schatten, ze lopen dik gezaaid. Helaas. En dus wordt iedereen bang, en doet iedereen braaf wat ie moet doen.

Voor de liefhebbers; een weetje. Ik heb aan beide zijden van het reclamevak gestaan, en ik kan u met zekerheid zeggen dat klanten liefst van al weerwerk en gefundeerde meningen terug willen krijgen van hun bureau. Aan uitvoerende ja-knikkers heeft men meestal een broertje dood. Het is niet verboden om na te denken en uw verstand te gebruiken, echt niet.

Het kan natuurlijk ook zijn dat een Chinese retaurateur als enige vriend in de soms tweetalige zone rond Brussel, een Franstalige bordenmaker had. In een gebied waar hij om politiek taalkundige redenen enkel in het nederlands mag adverteren. En dan is het klassiek geval van de blinde die de dove de straat probeert over te helpen…gehinderd door restrictieve taalwetten. Maar het blijft jammer.

So Valentine

Hij haalde achteloos zijn gitaar boven en tokkelde een liedje, voor haar. Het kostte hem niet echt veel moeite, alles werd gedragen door enthousiasme, of blijheid zo je wil. Nadien zong hij van Skillemedinky.

“Skillemedinky, I love you. I love you in the morning and i love you in the night. I love you in the evening when the stars are shining bright… “

De tekst was een beetje ‘tacky’, maar door de zuiverheid en de openheid waarmee hij het zong, kon het nog net. Het was eigenlijk mooi, gewoon omdat hij er niet teveel kapsones over maakte. Je voelde wel dat hij er over nagedacht had of hij het nu al dan niet zou doen, maar het was evengoed duidelijk dat het een uitgemaakte zaak was, hij moest dat doen, want het was zijn lief. Zij keek hem aan, met grote bewonderende ogen, languit in de rode zitzak en ze zuchtte ‘Ik word hier zo rustig en blij van’.

De woorden waren allemaal oprecht, en simpel, en mooi. Wat het nog opmerkelijker maakt, is het feit dat het over een jongen en een meisje van 10 gaat, die al sinds de kleuterklas samen naar school gaan. Dit is het eerste jaar waar dat niet meer het geval is, omdat de volwassenliefde niet heeft mogen zijn. Het meisje trok met haar mama naar Stabroek. Geen diepe gracht voor de koningskinderen, zo blijkt, want ze zien elkaar nog regelmatig. En ze zeggen in simpele juiste woorden wat ze voor elkaar voelen. Ze willen elkaar blijven zien. Met zuivere ernst, maar van de lichtvoetige soort. Ze maken er geen drama van. Hun ‘forever’ heeft de oneindigheid van ‘Zolang het kan en zinvol is’ en dat is best lang, zeker op die leeftijd.

Het heeft niets met Valentijn te maken, het had op eender welke andere dag kunnen zijn. Maar het vriendinnetje van Robbe kwam na de musical les eten. Dat was al een tijdje geleden afgesproken, vooral ook omdat het laatste uitje niet de gelegenheid had geboden om voluit te babbelen. Een film leent zich daar niet echt toe, dus moest het worden overgedaan.  Met meer tijd voor verhalen, en lachen. ‘En hij moest ook een beetje leren om wat warmer, wat romantischer te zijn’, voegde zij er wijs aan toe, terwijl ze hem een vluchtige jongemeisjes-zoen gaf.  Op slag waren al mijn cynische, high-brow opmerkingen over Valentijn verdwenen. Zo kan het wel.

Al gauw stond ook het meisje te zingen (dat had wel wat meer voeten in de aarde, diva’s hebben zo hun rechten), waarop het zijn beurt was om bewonderend naar haar te kijken. Ze had een erg mooie stem, en ze zong veel en graag, en kon zich moeiteloos verplaatsen in de suikerspinrealiteit van musicals en mooie, grote gevoelens.

Karin had smakelijk gekookt, de tafel was prettig gedekt, met wat rode accentjes, en die kinderen met hun gebabbel en gegiechel, waren heerlijk om bij weg te mijmeren. Ik geloof echt dat de gevoelens diep en integer waren, eenvoudig mooi, en haar opmerking blijft me bezighouden. Waar verliezen kinderen die onschuld, dat gevoel voor juistheid. Wat doen wij als volwassenen, dat we er in slagen om dat te laten vervangen door gehuichel en foute boel? Haar woorden, niet de mijne. Ik heb er geen antwoord op, maar ik voelde me een heel klein beetje bevoorrecht. En zo werd Valentijn toch nog zinvol.

No Valentine… De menuutjes

Ik weet niet waar te beginnen. Eerst dacht ik uitvoerig commentaar te leveren bij de literaire pareltjes die ik her en der tegenkwam, of mij door gelijkgestemde zielen werden toegestuurd. Ik denk dat die beelden voor zichzelf spreken.  Staat u samen met mij even stil bij de opgeroepen sfeer, en ik ben er zeker van dat Valentijnsmenu’s nooit meer hetzelfde zijn. Ik denk ook dat er nog ruimte is voor een hele bespiegeling over grafiek en vormgeving, maar ik heb het nu wel gehad met het thema, en zal dat voor volgend jaar sparen.

Het is erg moeilijk om een favoriet te vinden, maar deze werd mij door @tombogman toegezonden. Ik denk dat we zo wel een licht kunnen werpen op het creatief proces. Men neme een aantal willekeurige referenties naar het thema, zijnde, liefde, zinnelijkheid, cupido, hart, verliefd, etc… Vervolgens pleurt men er wat adjectieven bij, en probeert men ingrediënten en gerechten een omfloerste naam in hetzelfde jargon mee te geven, en dan krijg je dit… Cupido’s mondvermakertjes… Ik weet niet hoe krom Nederlands kan zijn, maar het is een absolute hit. ‘Zwoele aardappeltjes’? Yeah, right! Als er nu iets is wat een absolute verzinnebeelding van de liefde is dan zijn het wel patatten.Toch?  Uiteraard mogen bij het dessert de vurige passie  en de zoetjes niet ontbreken, het geheel zou niet af zijn.

Kromme taal vinden we ook bij de vondst van @blissbohemian. Het is alsof de copywriter van dienst toch enige schroom heeft bij aanvang, maar die terughoudendheid blijft helaas niet duren.

Het raast maar door. Beginnend bij ‘liefdesvolle bubbeltjes in het kelkje van Cupido’. Stelt u er zich maar iets bij voor! Ik wil niet! Ik heb het feit al menigmaal vervloekt dat ik een levendige, visuele fantasie heb, en deze is er over. Het kelkje van Cupido, wat kan dat anders zijn dan… Ook bij het voorgerecht dringen er zich onkuise beelden aan mij op. Hoe kan het ook anders… bij een parelhoen,  knus op een spiesje. Het arme beest dacht daar vast anders over.  Ook hier zijn de petatjes in het spel aanwezig. Ik kan me voorstellen dat in bepaalde kempense gebieden ‘petatje’ een koosnaampje is, maar de knol op zich heeft op zich weinig affiniteit met het liefdesspel.

Prettige bijkomstigheid, de gebruiksaanwijzing. Men probeert een minimum aan directie te geven : het dessertbord (verleidelijk!) mag u delen, en u kunt het menu enkel per twee personen krijgen. Alsof je op je eentje zoiets gaat binnen harken.

Ook de Oosterse broeders hebben het signaal begrepen. Je kunt zelfs een Oosterse Valentijnsrijsttafel krijgen, met dank aan @Mister_wasabi. Al gaan we dan meteen de kinky toer op, met een trio van tortelvoorgerechten.

Gegeven het taalprobleem is men zich hier iets minder te buiten gegaan aan exuberant woordgebruik, maar de commitments zijn er niet minder om. Geen vrijblijvend geflikflooi, maar onmiddellijk een huwelijkssoepje. ‘T is maar dat je weet waaraan je begint.  Verder moet iemand mij eens vertellen wat er wel zo passioneel aan sojascheutjes is… en hoe je een eendenfilet verleidelijk kan maken. Godzijdank eindigen we met zoete versnaperingen, al dan niet door Valentijn zelf geselecteerd…

Waanzinnig mooi was ook de inzending van @Brittaver. We spreken hier over top-poëzie, de zinnelijkheid prikkelend als nooit tevoren. Startend met vloeibare passie, een ejaculatio praecox dus… beetje jammer, maar laat dat vooral de pret niet deren. Vooral niet omdat we overschakelen naar een warme gloed van kip en ham… Ik denk billen.

Het blijft een gesmos. We gaan dansen in een jus van drambuie. Een vettig beeld, dat nog wat versterkt wordt met bruisende bubbels in de buik. ik hoop van ganser harte dat dat dan niets te maken heeft met het metabolisme… Godzijdank werd het toen donker!

Ik stel me dan altijd de vraag hoe dit soort keukentafelpoëzie tot stand komt. Een laatavondbrainstorm tussen chef en sous-chef, waarbij de wonderlijke ingevingen komen van het zaalmeisje dat in haar vrije tijd poëzie schrijft. Of een nors afgeleverd menu van de chef, dat vervolgens kunstig verminkt wordt tot bovenstaande gedrochten door zijn vrouw en haar zuster. Allebei al lang verleerd om romantisch te zijn, maar volop vertrouwd met het ‘boeket-jargon’.

Mooi, erg mooi…allemaal. Bijna net zo mooi als de worp van @mvangrieken, die ik er toch nog even wil bijvermelden, gewoon omdat ik hem leuk vond, een waardige manier om deze cyclus af te sluiten. Smakelijk allemaal morgen! (de liefhebbers kunnen de namen van de restaurants opvragen bij de inzenders, (die daar morgen allicht allemaal zelf ook zitten) en nogmaals van harte bedankt worden voor hun inzet en fijn observatievermogen)

No Valentine : De productjes…

Luuuurrrvv cupcake

‘Hebt U nog botercroissants?’
‘Neen, mijnheer, allemaal op.’
‘En dat daar, wat is dat?’
‘Da’s gewoon ne sandwich, maar in de vorm van een hart, veu de valentoin!’ ‘Neen, dank u’.

Staande voor een toonbank, vol valentijnkitsch, speelde deze dialoog zich af. Ik kijk met groeiende afschuw naar alle moeite die de middenstand zich getroost om toch maar een korreltje mee te pikken van de ‘Valenterie’.

Wederom dezelfde vraag. Is het verstandsverbijstering bij de kleine middenstand? Of is er daadwerkelijk een markt voor? En wie is dat dan?

Je gaat me niet vertellen dat er wijven zijn die blij zijn dat manlief een cupcake, roos geglaceerd met een rood marsepeinenhart, meebrengt naar het ontbijt. Zo iemand flikker je toch gelijk weer buiten? En toon mij die vrouwen, die daar echt blij om zouden kunnen zijn. Of zijn dat die poppemiekes met garfields op hun bed, een kat in huis, en de volledige collectie Friends & AllyMcBeal onder het breedscherm?

Hoe geinig is het om hartvormige sandwiches te eten, of boterkoeken met roze glazuur, ook weer in de vorm van een hart?

Welke ‘shitforbrains’ neemt zoiets mee naar huis? Kan me niet voorstellen dat je nadien vergast wordt op een rondje lekker rollebollen. Eerder een meewarige glimlach en het vriendelijk verzoek om zo snel mogelijk op te rotten, cq. het rotsvaste besluit om het zo snel mogelijk af te taaien.

het bestaat echt!

Ook bij de slager, van ’t zelfde laken. Bij de bereide vleessoorten : Valentijnssalade. Ik vroeg aan het meisje wat dat dan wel was. ‘Oh, cocktail, met garnalen en krab en nog wat, ’t is niet slecht’.  Wat die ingredienten met Valentijn te maken hebben, het zal me (en haar kennelijk ook) worst wezen. Tiens, Samsonworst, maar dan met een roos hartje in plaats van dat idioot beest, misschien wel een markt?

Anyway, ik kocht een potje valentijnssalade om het geheim te doorgronden. En ja hoor… Ik heb het begrepen. Ersatz is het sleutelwoord! Zoals er mensen zijn die nog steeds koffie met chicorei drinken (bitterpee, het ersatzproduct van tijdens de oorlog), zo ook hier. Ersatz is king, en er is een markt voor!

De Valentijns salade bestaat uit roze garnaal, surimistick, cocktailsaus en stukjes ananas uit blik. Ersatz voor smaak dus. Surimi en roze garnaal hebben net zoveel met smaak te maken als valentijn met liefde. Blik ananas, dat lijkt op echte ananas, en geeft er een zoet smaakje aan.

Nu, u kent mij onderhand, ik heb een zwak voor kleinhandel, en ik bewonder de manier waarop ze er telkens weer in slagen om hun graantje mee te pikken en naar godsvrucht en vermogen in te spelen op de trends van het moment, of dat nu borstkanker, halloween, valentijn of kerst is. ‘T zal allemaal wel, en als ’t niet verkocht, ze zouden het niet maken.  Dus bij deze, heren en dames, handelaren, als er zotten voor zijn, go ahead en produceer. Het is niet jullie taak om verstand in de hoofden des menschen te timmeren.

De zotste was de inzending van de onvolprezen Tim Willems, mysantroop van de schoonste soort, die bij de grootdistributie ook zo’n mooi staaltje opmerkte: valentijnsdiner voor twee, of voor drie desgewenst, want t’was van 3 kopen voor de prijs van, op de koop toe.

Het werkt als volgt. Laat bij uw plaatselijke drukker een tienduizendtal zelfklevers maken met dat soort ongein, en kleef ze op elk willekeurig product met lage rotatie, dat zich in uw schappen ligt onledig te houden.

Ik heb het dan over pangasiusfilets, orientaalse schotels, etc… En dan maar bidden dat ze zo misschien wel weer verkocht geraken. Ik wil ze zien, de kopers van zo’n ding. Ik wil er mee praten, en ik zal ze helpen. Eenzaam rukken lijkt me feestelijker dan zo’n maaltijd met twee zitten op te kauwen.

En natuurlijk is de grootdistributie nog maar aan het begin van zijn evolutie met Valentijn. Wat te denken bijvoorbeeld van Valentijn ontstopper (maak alles terug zuiver tussen jullie), Valentijn dweil (omdat samen dweilen met de kraan open zoveel leuker is), Valentijnboenwas (samen glijden, quality time vermijden), Valentijngeurblokjes (geen veestjes, maar feestjes!)…

Trouwens, de textielsector is ons reeds lang voorgegaan in deze. Wat te denken van dit ongetwijfeld ‘romantisch, geinig’ bedoeld presentje. Ik stel me voor dat ik zo rondwandel, terwijl mijn broek zachtjes afzakt… Met dank aan @tombogman, een medestrijder in deze zaak!

Aaaaaah, retail is detail!

No Valentine!

Voor we eraan beginnen, huldig ik nog even mijn levensmotto: iedereen doet maar wat hij of zij zinvol vindt. Maar soms wil ik al wel eens helpen!

Valentijn dus, een niet aflatende bron van ergernis voor me, elk jaar opnieuw, gewoon omdat ik het zo’n aanfluiting van ons verstand vind. Willen we daar nu eens mee stoppen? Volgens mij kan er niemand tegen zijn. De restaurants niet, de venten niet, en de vrouwen niet, tenminste als iedereen een beetje mee wil.

Waarom doen we dat in godsnaam? Wie zijn lief mee neemt naar een Valentijn-diner, verdient het om door het arme kind onmiddellijk gedumpt te worden. Immers, hij heeft bewezen dat ie bloedeloos, licht anemisch de kleinhandelsuggesties omarmt, die hem aangereikt worden om te tonen dat hij het echt meent. Dat ze voor hem de ware is. Geen fantasie, geen zin ook om zijn/haar lief echt te verrassen. Een verplicht nummertje, om zeker niets fout te doen, en binnen de lijntjes te kleuren. Dumpen die handel, voor je in een fermette tegen de parkieten moet praten terwijl hij zijn fiets staat af te kärcheren.

Wie zoiets moet doen van zijn/haar lief, verdient het om het mens onmiddellijk aan de kant te schuiven. Immers, dat zijn de dames van de pronkerige soort, die willen kunnen vertellen hoe romantisch ze ‘verrast’ werden door hun partner. Je kunt er vergif op innemen dat het beste dus nog niet goed genoeg is, en dat er ook nog een rist cadeautjes aan vast moeten hangen. De meer materiële soort. De externe soort ook, die de volgende dag met de vriendinnen staat te kwebbelen over ‘wat die van hun’ gedaan heeft. Als je’t afschrikwekkender wil, dat zijn de meisjes die ook over je sexuele prestaties praten met de anderen: ‘Die van mij is zo voorspelbaar, ne wrijver, denkt alleen aan zichzelf’…

Wat er ook van weze, daar zitten jullie dan. Het eetzaaltje, mooi versierd, en knusjes met Valentijnsattributen stemmig gemaakt. Iedereen ook op hetzelfde moment, graag! Zo kan de service ook vlotter lopen. Wie weet zijn er zelfs twee shifts mogelijk!

Ik kan me niet voorstellen dat je in die context mooie gesprekken kunt hebben. Misschien hebben jullie dat ook niet nodig, maar voor mij werkt het niet echt. Ik heb echt geen opgeklopt schuimsfeertje nodig om mijn lief in de ogen te kunnen kijken en te genieten van hare kop, van haar alles. Dat kan bij een frietje en een pintje, en dat kan evengoed op andere momenten. ik weet wel zeker dat het voor geen van ons beiden kan onder begeleiding. Met van die stemmige, hoerige pianoriedeltjes. Als dat het idee van romantiek en het beleven is van een relatie, sterf dan toch stilletjes?!

Heb je een speciale sfeer nodig om in te praten? Ga naar een parenclub, blijf thuis, doe iets authentiek, maar ga toch niet in de refters van de voorgekookte sfeer zitten genieten van … ja van wat eigenlijk? Voor ‘t eten moet je’t niet doen, voor de ongrijpbare ambiance ook niet. Voor de ongedwongenheid dan? Ik dacht het niet, met een hoopje zieligaards kijken hoever iedereen al gevorderd is, het eigen nummertje afwerken en dan : op naar de waxinelichtjes, de verplichte massage en het zuinig nummertje voor het slapengaan? Doe nou niet!

En laat ons ook even stilstaan bij de chef! Een man die zijn leven gegeven heeft aan het smakelijk koken en die dat nu allemaal gedegradeerd ziet tot een soort catering voor de valse sentimentaliteit. Zijn met zorg bereide amuses worden ineens ‘tongverwenners’. Zijn sausjes en schuimpjes worden ‘liefdesschuim’, ‘eros-sap van de wilde zee’ en nog van dattum. Die mensen zijn daar niet blij mee. Ze moeten mee met een soort van neuzelarij waarbij elk gerecht vertaald moet worden naar tuttifruttigedrag.

Voor mij is het duidelijk. Een beetje chef, die zichzelf respecteert doet dat niet. Die wil dat zijn eten niet aandoen. Bij diegene die het doen, heb ik nog mededogen met pas opgestarte zaken, gewoon omdat die volume nodig hebben. Die mogen het blijven doen, al raad ik het niet aan.

Voor de anderen geldt : u doet mee? U bent niet trots op uw keuken, en daarom zit uw zaak leeg, en daarom denkt u met een trukje volk te trekken. Dat is verkeerd volk! die komen enkel met Valentijn eten. Dat gaat uw zaak niet redden. De oorzaak ligt dieper, u kunt het eigenlijk niet. Word kapper, of een ander eerbaar beroep.

Dus… stuur mij uw foto’s van Valentijnstristesse, ik ga ze publiceren, ik ga ze becommentariëren, laat ons samen ervoor zorgen dat dit het laatste jaar is. Marc Vangrieken bijvoorbeeld,  was zo vriendelijk mij zijn variante op te sturen, en ik denk dat die mens zijn partner nu al blij is met hem. Zo mag je’t van mij altijd beleven… niet dat ik er verder een mening over heb.

De performativiteitstheorie van Van Dyck

Toen ik aan de universiteit zat was formele logica één van mijn lievelingsvakken. Ik vond het fascinerend om het spel van proposities te spelen, de evenwaardigheid van A en nietA als uitgangspunt te nemen, eerder dan een subjectieve en emotionele inkleuring te moeten geloven. Daarnaast geef ik grif toe dat rhetorica een mooi gegeven is, waar ik al menig debat mee gewonnen heb, maar dat is nu niet aan de orde.

Het resultaat van de formele logica en de oefeningen die we daarop kregen, is dat ik in teksten dikwijls naar logische verbanden speur. Wie kan het me kwalijk nemen?  Verbanden die aangegeven worden door ‘en daarom’, ‘vervolgens’, ‘daaruit volgt’. Soms staat dat er expliciet, soms staat dat er impliciet. Soms is dat er gewoon niet.

Neem nu de column van Fons Van Dijck gisteren in De Standaard.  Ik heb nog met Fons samengewerkt, en ik vind dat  echt wel een ok mens, dus zie dit niet als ‘Fons-bashing’. Maar het moet wel ergens over blijven gaan natuurlijk.

Het stuk gaat over Nike, en de inspanningen die het levert om de Franse markt te pakken. Het eindigt met  ‘Slim van Nike’. Automatisch denk ik dan dat er een verband is, en dat mij dat zal uitgelegd worden.

Niet dus. Er wordt wat geschreven over ‘Think Global, Act local’, daar worden nogal wat woorden voor gebruikt, moeilijke woorden, met veel lettergrepen. Als die in hun context juist zijn vind ik dat niet erg.
Integendeel. Die woorden zijn er gekomen om efficient iets te kunnen duiden. Maar als ze er natuurlijk enkel staan om de grote leegte te verdoezelen, is het weer iets anders. Voor de slechte verstaanders, ik wil hier allerminst Fons verdenken van leegte. Absoluut niet. Maar laat ons eerlijk wezen, het spanningsveld tussen global strategy en local execution is niet echt van het nieuwste, hè?    Mij leek het eerder de move van een wereldconcern/merk om een belangrijke afzetmarkt verder te bewerken en te pakken.  Voetbal is ook een beetje een ongelukkig voorbeeld om als lokale cultuur te bestempelen. als hij het over pelote zou hebben, dan volg ik, of over kaatsen, of heibollen, of ganzenrijden, of poldergolf desnoods. Maar voetbal? Lokale cultuur?

Om het stuk verder te onderbouwen wordt er als autoriteitsargument een studie van Ernst&Young bijgehaald, die een eerdere studie van Friedman zou moeten ontkrachten. U ziet stof tot argumenten, tot woord en wederwoord. Alleen… het is er niet. Het gaat alle richtingen uit, maar het is echt niet van A impliceert B en B impliceert C, maar wegens D leidt dat tot F en niet G. Neen.  Ook niet na veel zoeken en met veel goede wil. Ik vind het maar niks.

En als ik dan plompverloren midden in dat stuk iets of iemand hoor orakelen over ‘De globale consistentie en standaardisatie van processen laat toe om best practices  mondiaal door te trekken’. Tja, dan krijg  ik het op mijn heupen. Het is ook mijn tijd!

De klapper bewaar ik voor het einde. Minder kosten en risico’s, meer zichtbaarheid, maar ook een interne vergelijking op het vlak van de performativiteit…  De wat, Fons?

De performativiteit? Het woord performatief bestaat, ik heb het opgezocht, maar in deze context… niet echt. Allez, volgende keer beter hè!

 

It’s a man’s world

Er is een groot verschil tussen jongens en meisjes. Mijn zoon studeert bij mij in Lochristi.  Op dit moment wonen wij er. Twee venten dus. Met twee honden.

Concreet komt dat er op neer dat er niets vuil wordt. Hij zit op zijn kamer, ik in de mijne, de badkamer en de keuken zijn de enige twee plekken die gebruikt worden.  Occasioneel resulteert dat in handdoeken die gewassen moeten worden en het strikte minimum aan eetgerei. Stilzwijgend zijn wij het erover eens dat het minimaliseren van (af)was een goede zaak is. Vuilbakken worden gevuld, en als ze vol zijn in de container gekiept. De regels zijn spartaans en simpel.

Eten is geen ritueel, het is een functioneel gegeven. Get it over with,  en doe daarna iets anders. Wat niet wil zeggen dat er niet gepraat wordt, maar het kan al eens staande gebeuren en dat is niet erg, dat doet geen afbreuk aan onze warme gevoelens voor elkaar. Het hoeft ook niet per se te betekenen dat er geen respect, beleefdheid of wat dan ook is. It just happens. Hoe lang duurt het om een croque monsieur met een klodder ketchup weg te happen?

Hij zit er nu al zo ongeveer drie weken, en dat loopt perfect. Zolang er voedsel in de kasten ligt, en drank in de ijskast, zijn er geen problemen.Soms zijn er kleine misverstanden, zoals gisteren, waarbij hij twee lamsfilets in de plan slaat, daar een bord frieten bij maakt en mij sms’t : “Peter Goossens is er niets bij!”. Ik had andere, verfijndere plannen met dat eten, maar soit. Beunhaas die daar over zeurt.

Hoe anders met meisjes. Zelfs al blijven ze maar een dag, het verandert het huis in een soort knutselatelier/beauty parlour/uitdragerij. Maar wel gezellig, uiteraard!

Gigantische hoeveelheden badlinnen worden er op dat moment doorgedraaid.  Badschuim en shampoo, nog zoiets… je moet welhaast industriële hoeveelheden inslaan en toch is het altijd op. Alsof ze ’t drinken, en schrik hebben van smetvrees.  Tandpasta klodders, nieuwe verpakkingen van omzeggens alles worden aangebroken, alsof het allemaal niet meer zo goed smaakt. Ondergoed alom, haarborstels verschijnen, samen met devices waar we het bestaan niet kunnen bevroeden, stijltangen, haardrogers, en wat dies meer zij. Details die wij niet willen kennen. Tissues ook, heel veel tissues, vooral opgefrommeld. Maar wel decoratief.

Gezelligjes ook, bij de meisjes, met allerhande soorten koekjes, knabbeltjes, drankjes, in potjes, overal in het huis. Overal. Overal potjes, en glazen, grappige glaasjes, kleine glaasjes, flesjes. En nog glaasjes, want je drinkt natuurlijk niet twee keer uit hetzelfde. En je drinkt overal. In je kamer, in de badkamer, waar je 80% van je tijd zit. Oeps, soms zelfs kan zo’n klein glaasje ergens in het toilet best nog een decoratief element zijn… Vergeten!

En dekentjes, en truitjes. Mooi gedrapeerd. Overal. Tegen de kou, en sokjes, die prompt weer uitvliegen, en vervangen worden door andere. Kleine gezellige, kleurige bolletjes kous, die overal liggen, als een soort virtueel geursignaal: ‘ik woon hier’. Het is decoratief… heur sjaals, en doeken, en cachecoeurs, cardigannekes, en hoe heet het al niet… Tegen de kou, ook al zetten ze de thermostaat met graagte op 26 graden ‘voor eventjes… om dan te vergeten’.

En natuurlijk moeten er hapjes gemaakt worden, of cake voor de gezelligheid. Of iets onbestemd, met veel manipulaties en gebruik van keukengerei, kleverig ook bij voorkeur. Of zo… met snoezelige bordjes.  En overal, letterlijk overal, in elk recipient blijft een klutske achter… Het waarom ontgaat me, ’t gebeurt gewoon.

En kaarsjes  worden aangestoken, zodat er kan gepulkt worden met het kaarsvet.  En theelichtjes worden in kleine snoezige potjes gedumpt, zodat het romantisch is. Met kutmuziek vaak… en ‘Gossip girl’ kreetjes en ‘Sex in the city’ tapes, of pyama ‘Ally mcbeal’ toestanden. Gezellig… echt waar. En schattig, het houdt niet op…

En dan zijn ze weg.. en het slagveld blijft. Johannes en ik zuchten, de rust keert weer. Het moet zo zijn.

Fijne mensen

Ik heb het niet voor Bongo-bons. Ik vind dat niet echt geïnspireerd. Toch zijn er onlangs een paar mensen in geslaagd mij er mee te ontroeren. Ik ga er niet flauw over doen.  Het zijn gewoon fijne mensen, zonder veel kapsones.
Wat volgt is een verhaal(tje) over een agentschap zonder pretentie en met hart en verstand op de juiste plaats.

Een paar jaar geleden kreeg ik een lead binnen voor een job waar ons toenmalige bureau niet echt voor uitgerust was. Op aanraden van een vriend en vastbesloten om die klant/lead niet in de steek te laten trok ik met de hele handel naar Vilvoorde, waar een zootje ongeregeld, en kennelijk ook ongeïnteresseerd het hele zaakje aanhoorden. The Parking Lot.  Ze stelden geen vragen, mummelden wat onder elkaar en ik perste een datum uit hun monden, over het wanneer we elkaar zouden ontmoeten. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me weinig illusies maakte. Het was alsof ze er geen zin in hadden, en tegelijkertijd waren ze vrolijk, maakten grappen en grollen. We zouden wel zien.

Een week later werd ik vergast op een professionele en leuke presentatie, zonder poeha, zonder veel gezever over ‘wat hebben wij onthouden van de briefing, wat wil de klant misschien, hoe zien wij de opdracht…’ Niks geen gewauwel, gewoon tien slides met op elk van hen  een sterke, juiste idee. 10 verschillende ideeën ook, geen doorslagjes van elkaar,  die met een paar woorden aan de man gebracht werden.
Onwaarschijnlijk plezant, en juist.

Die presentatie werd vervolgens aan de klant doorgestuurd, die het vakkundig de nek liet omdraaien, eerst door zijn bazen in Nederland, nadien door de bazen van de bazen in Zweden. Er was uiteindelijk geen geld voor. Erg jammer!
De ideeën stonden als een huis, en de jongens van The Parking Lot hebben er ons nooit geld voor gevraagd, wegens ‘fair play’, wij hadden immers ook niets verdiend, en iedereen had het moeilijk. Ik was daar erg blij om, al heb ik dat misschien niet laten merken, toen.

X aantal jaren later, kom ik een oude bekende van me tegen, die tussen neus en lippen fluistert dat ze op zoek is naar een bureau. Ik pols, denk en oordeel, en stel ze voor, jawel aan The Parking Lot, maar ook nog aan twee andere. Ik doe niet aan vriendjes politiek, ik probeer een keuze te maken waar mijn professionalisme niet onder lijdt.

Time goes by, and all of a sudden vind ik in mijn brievenbus een Bongobon, met de korte vermelding:  “pitch gewonnen, dank je, Evan.”

Het mooie is, dat er inderdaad niets afgesproken was. Ik doe dat soort zaken – mensen met elkaar in contact brengen, waarvan ik denk dat ze iets met elkaar kunnen doen –  regelmatig, waarom ook niet.
Het aantal bedankingen dat je daarvoor terug krijgt, of  het aantal blijken van appreciatie is 0,0001.  Als er dan iemand geheel uit zichzelf, en op de juiste manier zoiets opstuurt, tja dan ben ik blij, en dan weet ik dat dat fijne mensen zijn.  Een aanradertje dus!

Keurslager Bart, wij weten waarom

Koffie bij Keurslager Bart

Ik heb een zwak voor de kleine middenstand. Zeker als die kleine middenstand blijk geeft van passie en goesting in de job. Zo wil ik al wel eens voor de fijne vleeswaren binnenstappen bij Keurslager Bart in St Antonius Zoersel.

Je voelt aan alles dat die mens zijn stiel kent.  Vanmorgen was het weer zover. Ik moest een nummertje trekken, want er is discipline bij de keurslager. Het was nummer 68, en ze bedienden op dat moment nummer 33. Toch bleef ik.  Er zijn in Zoersel en omstreken -tig beenhouwers en charcuteriezaken. En toch bleef ik.  Omdat ik verzot ben op hun pastrami, en omdat hun salades nog echte ingredienten bevatten, waarvan de mayonaise maar een deel uitmaakt, en omdat ze zo’n mooi aanbod hebben, en beseffen dat er méér dan één soort salami bestaat. Allemaal waar.

Maar vooral toch omdat ik het daar prettig vind. De bediening is snel, en ze wrijven tussen elke aanraking met het slijk der aarde door, snel wat onsmettingsproduct op hun handen. Ze weten van aanpakken en kennen hun vak.
Slager Bart kwam toevallig vanochtend in de zaak op het moment dat ik mijn nummertje trok, en hij straalde. Je zag hem blij zijn met wat hij opgebouwd had. Ik vind dat fijn om te zien.

Bovendien – en hier zijn we er weer mee – weet hij  zich als geen ander te verplaatsen in de geest van zijn klanten. Hij heeft een koffie-automaat, waar je gratis een lekkere koffie kan nemen. Twee ook als je dat zou willen, maar dat is niet echt nodig, dat weet Slager Bart ook, zo efficient zijn zijn mensen wel.

Het is ook geen excuuskoffiemachine, ’t is lekkere koffie. Zo simpel kan het zijn om frustratie weg te nemen.

Als er ergens een punt van kritiek mag zijn; Keurslager Bart heeft ook wat flatscreens hangen met powerpoint promoties over fijne vleeswaren. Ik apprecieer de grafische inspanningen, maar het zal nooit een goed idee zijn. Gehakt is nu éénmaal niet fotogeniek… maar je hebt wel nog iets te lezen en te bekijken, dat is waar.

En zo blijf ik welgemutst aanschuiven bij Slager Bart, ’t is tenslotte weekend, wat kan mij dat kwartiertje schelen.

De Muide leeft!

Café De Click

Kijk, mijn vrijdag is weer helemaal in orde. Een staaltje CaféCommunicatie, dat gaat er altijd in.

Om precies te zijn, het was niet echt in de Muide, waar ik het zag, ’t was de voormuide, een niet zo chique buurt van Gent.

En dan ineens, hel-oranje, fusion tussen Cécémel en Coca Cola reclame : Een café met een missie. “Wij geven  dorst geen kans”. En ze serveren Bockor pils.  Mooi, mooi en overtuigend. Sorry dat de foto niet geheel duidelijk is, het moest in de vlucht gebeuren.

Het logo aan de voorkant getuigt ook van enig grafisch genie, in een rode cirkel krijg je een remake van het Coca cola logo, maar dan met Café Click… Rood op oranje, hedendaagse fashionista’s zullen met mij beamen dat het gewaagd is maar dat het kan.

Of de toets helgroen Perrier daar kan aan toegevoegd worden is een ander paar mouwen, maar het geheel straalt een zeker  verzorgd ‘jenesaisquoi’ uit, dat ik wel kan pruimen.

En de banner, dat is nogal wat anders dan de vermelding ‘sfeercafé, of smultent’. Dit is een mission statement zoals mission statements moeten zijn. Kort en helder, en de hele organisatie kan er zich achter scharen, om het doel te realiseren. ‘Wij geven dorst geen kans’. En volgens mij nemen ze dat ter harte.  Mooi!

Ik ga er zeker eens een pintje drinken één van de dagen. Lezers uit de buurt die meewillen, let me know.

Ik ben een vendelzwaaiende volksdanser…

…geweest! Ik ben bij de blauwvoetvendels en het VNJ geweest. Ik heb er zelfs leiding gegeven tot ik 18 was. Mijn opa was een collaborateur – ne zwarten zoals ze dat zegden – en mijn vader is een papenvreter die eigenhandig VU afdelingen heeft opgezet en geleid. Een man die in Brussel menig akkefietje had met het FDF, in verhitte kiescampagnes. Ik heb alle betogingen voor amnestie meegemaakt, als kind. Ik heb in Schaarbeek, Voeren en Komen betoogd. Ik ken elke hoek van de IJzervlakte, en heb klaroenen laten weergalmen op het middenplein van het sportpaleis. Broederband wakes, St Joriskring, zelfs Protea was mij niet vreemd, in naam van de grote volksverbondenheid. 11 juli vieringen waren een feest en bij verkiezingen veranderde ons huis steevast in een geel/zwart bastion, zeer tot ergernis van mijn broer en mijzelf. Het was ook de tijd van de autocaravanen, prachtig gewoon.  Tot daar mijn onvervalst pedigree qua vlaamsnationalisme. Ik wil er ook nog aan toe voegen dat ik wellicht in die periode ook menig ‘Vlaams -Belang-Neleke’ een tong gedraaid heb, maar dat is verder niet relevant.

Hé, hé, dat lucht op! Het zal u wellicht interesseren dat ik dit alles afgezworen heb toen ik naar ’t unief vertrok en verder een uitermate losbandig leven heb geleid, met het hart op de juiste plaats (dit even ter geruststelling van mensen die nu heel erg geschrokken, een slokje water moeten drinken, ga uw gang).

En ik laat dus een baard staan.Openlijk, omdat ik wil laten zien dat ik het zat ben. En ik wil dat wel even uitleggen ook.

Mijn ouders, alhoewel beiden erg flamingant, spraken uitstekend Frans. Als ze op vakantie gingen in de Ardennen, spraken ze Frans, en genoten ze van de streek en de mensen. Als ze in Vlaanderen in contact kwamen met Franstaligen spraken ze Frans, omdat dat de beste manier was om vooruit te komen en elkaar te helpen. In Brussel wilde mijn papa nogal eens principieel doen, maar als hij zag dat er goede wil was, of dat hij met iemand van een Berber-volk te maken had, dan begreep hij ook dat hij het onmogelijke niet kon eisen. Mijn ouders zijn tolerante mensen, die opperbeste relaties hadden met Franstaligen, Marokkanen en Turken uit hun buurt. Ze woonden immers in Brussel, ze hadden geen schrik van die stad. Ze kwamen op voor een soort van volksnationalisme dat gericht was op het laten respecteren van hun rechten in een Belgische context. Ja er werd al eens gescandeerd van ‘België Barst, Belgikske, nikske’, maar dat was relatief onschuldig. Ik ben Brusselaar, en ik heb in de rand gewoond, Overijse, ik beheers mijn landstalen en ik heb ze altijd als een middel, een soort vanzelfsprekend instrument tot communicatie gezien. Verworven rechten allicht!

Het hoogtepunt van elke verkiezing, en we keken daar echt naar uit, was het moment waarop de kiesuitslagen binnenkwamen. Mijn pa, broer en ik bleven aan het beeld gekluisterd, en geen kiesdistrict zo klein of het werd van commentaar, hoon of jolijt voorzien. Het was de tijd van professor Picard, een soort Dartagnan van de statistiek.

De discussies  op TV werden hoofs en scherp gevoerd, en de onderhandelingen zouden, net als nu, lang en moeilijk zijn. Het waren wel onderhandelingen! Met mensen die elkaar begrepen, die begrip konden opbrengen voor de gevoeligheden van elke taalgroep. Daar kwamen fijne compromissen uit (ja, ik vind dat een mooi woord, en niet oneervol). Cools, Schiltz, Spaak. Dat verstond elkaar. Er was de retoriek voor achterban en kranten, en er was het besef van staatsmanschap, verantwoordelijkheid en moral/civic duty. Het werd niet minder hard gespeeld, en bij momenten zelfs een stuk intelligenter.

Nu zie ik egoistische scherpslijpers, die gaan uithuilen bij de pers, die manipuleren, en aan hun kleine toekomst denken. Die bovendien ook de verkeerde gevechten voeren. Het gaat al lang niet meer om Vlaams in Brussel, het ‘vlaamsche volk’ heeft de economische hefbomen in handen, is welvarend en begint nu wel heel erg bekrompen te worden.

Ze willen Brussel, maar laten er zich liefst niet te veel zien, tenzij dan voor één of andere high brow culturele manifestatie.  Dat zijn verkeerde, kleine, bekrompen signalen. Werk vanuit zelfbewustzijn.

‘Koloniseer’ desnoods met je nijver, je werklust en je kapitaal stukken van Wallonië, er is daar grond en arbeidskracht genoeg, maar voer geen territorium oorlog voor een immer kleiner stukje welvaart.

Solidariteit is geen hol begrip, ik ben er niet altijd van overtuigd dat alles wat we zelf doen dat we dat beter doen. Ik gruwel van de enge visie op cultuur zoals een Geert Bourgeois die neerzet, ik houd niet van de navelstaarderij van sommige Vlamingen. Ik heb niks met België, tenzij dan misschien dat ik het een prettig  en mooi-absurd artefact binnen Europa vind. Ik zou niks liever hebben dan een los verband van stammen in een Europese context, en hoe minder staat, hoe liever het mij is.  Maar wat hier gebeurt, het polariseren van twee bevolkingsgroepen, met alsmaar sterker wordende frustraties en het op de spits doen lopen van gevoeligheden en problematieken, daar walg ik van. Ik  zie er ook geen oplossing in.

En zoals steeds, twee vechten, twee schuld. het is niet omdat de Franstaligen als één blok naar voor komen dat het beter is.

Heb ik een oplossing? Neen, niet echt, zeker politiek niet. Machtsblokken zijn wat ze zijn, en in een democratie moeten zij ‘ons’ dan maar vertegenwoordigen. Maar ik vind dus wel dat er mag gereageerd, betoogd en geroepen worden tegen de absurditeit van x honderd dagen geknoei over dossiers die in de retoriek van sommigen wat politieke moed vergen. Misschien moeten we  elkaar adopteren, elke Vlaming één Waal en omgekeerd, en twee keer per jaar een feestje bouwen onder elkaar, om tot meer begrip te komen.  En een klein, nationaal/federaal kieskringetje zou dan misschien wel meer impact hebben… Misschien moeten we wat meer in Wallonië rondrijden en vakantie vieren. Het zijn warme, lieve mensen, met een relativerende blik en echt wel wat meer werklust dan de Vlaming uit Rumbeke soms vermoedt…

Ik steun dus het protest, ten dele omdat het wat absurd is, maar ook omdat ik het tijd vind voor een signaal. En dat dat in een sfeer gebeurt van ‘mensen’ die hun talen kennen, en met een monkelende glimlach al eens een keer naar hun Waalse epigonen knipogen, dat is fijn. Daarom heb ik nu even een baard, en kampeer ik virtueel en zal ik wellicht mijn neus ook even laten zien zondag.

Het droevige, alternatieve meisje

Het overkomt mij heel af en toe dat ik het openbaar vervoer neem. Ik zou het vaker moeten doen. Anderzijds, het openbaar vervoer is misschien wel openbaar, maar het vervoert niet zo heel goed, en het pakt verdomd veel tijd. En als ik de twittertjes mag geloven moet ik me meestal gelukkig prijzen, want ik maak de ergste drama’s niet mee.

Nu, ik wou het niet zozeer over de kwaliteit van het openbaar vervoer hebben, als wel over de mensen die het gebruiken. Allerhande pluimage, en best boeiend om daar verhaaltjes bij te verzinnen. Zo zat ik op de bus tussen Lochristi en Gent centrum (eigenlijk best een vlotte verbinding, ik ga die echt nog gebruiken) en tegenover mij zat er een jong meisje, vlotjes in een boekje te schrijven en te lezen. Dan ben ik al meteen geboeid, ik hou van mensen die aantekeningen maken. Die een beetje rusteloos alles in zich opnemen, en dat waarschijnlijk verwerken in woeste, smerige, levensbeschouwelijke verhalen, of kleine lieve aantekeningen over het eigen zijn.

Het meisje schreef en schreef, en keek niet op. Behalve om haar lipjes bij te stiften met een labello. Dat vond ik dan weer mooi. Ze was grof geschat dezelfde leeftijd als mijn oudste dochter, die dan weer veel minder in schriftjes schrijft, maar wel heel open in het leven staat. Soms zelfs wat te open, naar mijn smaak. Soms zou ik ze even ingetogen willen zien als dit meisje. Soms…  Mijn dochter houdt van bloemenjurkjes, van kleuren, van grappige handtassen, van rode schoenen, gele truien, oranje sjaals. Mijn dochter is geen trut, laat ons daar wel duidelijk over zijn,  maar een zelfbewuste, jonge vrouw, met een groot hart, en een fijn werkend verstand. Ze gaat naar Dour in een rood vichyruitjeskleedje, en is bij momenten een hele verzameling Amélie Poulains op heurzelve. Mijn dochter is ook luid, vrolijk en drinkt haar hele vriendenkring op een hoopje als ’t moet, ondertussen snedig opmerkingen lancerend over het leven.

Dit meisje had nooit mijn dochter kunnen zijn. Het was een herfstkleur kind. Ik werd er zelf een beetje treurig van. Alle kleuren moesten vaal zijn, en een beetje donker, en een beetje afgewassen. Ik houd daar niet van. Ik vind het ook iets niet-zo-fris hebben. Is dat omdat het leven lijden moet zijn? Omdat de donkerte van je kleren uitdrukking geeft aan je visie op deze troosteloze aardkloot? Ik mag hopen van niet.  Het meisje was amper twintig, ze had bovendien een erg lief gezicht, en ik ben er zeker van, mocht ze heur haar niet verstoppen onder een vaalkleurig mutsje, en iets meer fruit eten, dat ze er best appetijtelijk zou uitzien. Maar zelfs haar piercings hingen er een beetje neerslachtig bij…

Het is mijn heilige overtuiging dat je een doffe uitdrukking krijgt van linzen en graansoorten eten, zeker als het uit overtuiging gebeurt. Zulke dingen moet je eten omdat je ze graag eet… Soms, en dan weer eens iets anders. Gewoon omdat het lekker is en dat mag.

Ik vermoedde een grote soberheid, droevige reproducties van obscure Oost-Europese artiesten en treurige muziek en vreselijk moeilijke films. Zo van die draken die vroeger de Gouden Palm wonnen, en die na het bekijken ervan uitnodigen tot het nuttigen van liters slechte alcohol, omdat het leven nu éénmaal geen feest is.

Waar is het misgegaan als je al zo vroeg in het leven uiting geeft aan donkerte? Of ben ik te oppervlakkig? Ze heette waarschijnlijk Prunantia of Bérénice of zo, waardoor nog maar eens bewezen is, lieve toekomstige ouders, let toch op met de voornaam van uw aanstormend kindje…

Suggestie van vriendschap?

Ik beloof het, ik zal het kort houden. ‘T is voor iedereen zaterdagavond.  Maar het moet er even uit.
Vandaag al de tweede keer dat het mij overkomt. Van toffe jongens nog wel, maar wel geen jongens waar ik het afgelopen jaar, of zelfs de afgelopen twee jaar een pint mee gedronken heb, of enige andere sociale activiteit heb ondernomen.  Vandaag  suggereerden ze mij een vriend, op facebook! Moest dat nu nog een echte kennis zijn, dan zou ik dat leuk vinden, maar een organisatie? Hun organisatie? En dan nog op anonieme manier, zonder tekst en/of uitleg. Ik dacht het niet!

Ik heb veel zogezegde vriendjes op Facebook. Ik heb er een paar echte, en dan een massa, waar ik verjaardagswensen van krijg, en terug geef, en waar de interactie nul de botten is. Ik heb daar vrede mee, actief, passief, u weet hoe het gaat.Zij vermoedelijk ook. Het zou zelfs kunnen dat er bij die tweede soort familieleden zitten, dat is allemaal niet erg.

Maar als we het over suggereren van vriendschapsconnecties hebben, dan moeten we het helaas weer over netwerken hebben. Geef en u zal gegeven worden.

Wie in een heel jaar geen stom woord tegen mij te zeggen heeft; niet op facebook, niet op twitter, niet op linkedin, of op quora, laat staan in real life, die zou toch vanzelf moeten weten dat er iets niet klopt als hij/zij begint te communiceren met één of ander nauwelijks verhuld commercieel of sociaal-media-strategisch belang in het achterhoofd.Wat gaa nwe doen? passieve zieltjes winnen? Kijk eens met hoeveel apathen we al zijn, zeg! Wat een succes!

Het overkomt mij regelmatig dat ik kennissen of vrienden attendeer op het feit dat deze of gene ook op het netwerk zit. Nooit of te nimmer, heb ik al eens een keer een organisatie platweg, massaal naar de hele zwik gepushed. De gemakkelijkheidsoplossing zeg maar.

Moest men mij vragen om het te doen, dan zou ik het inkleden, uitleggen en er een verhaaltje aan vast knopen, waar ik iets aan heb, of tenminste de mensen die ik daar mee lastig val. Vertel mij waarom ik vriend moet worden van een ‘platform’, of van een DM-bureau, godbetert, als er nu één is die beter zouden moeten weten, dan wel zij!. Ja, jij, ja, die dit nu leest, neem het me niet kwalijk, ik blijf u graag zien, maar ik vond het geen goede move.

Allez, bon, ’t is weekend, dus ik ga het hier bij laten, maar gaan we daar in het vervolg iets oordeelkundiger mee omspringen? Vertel mij waarom en ik doe het misschien, behandel mij als sociaal melkvee en je krijgt een dikke middenvinger. Bij deze!

WC’s, omdat het zo lang geleden is…

even wuiven

U kent onderhand mijn fascinatie voor de  toiletten in menig publieke plaats. Wie dat nog niet wist, nodig ik met aandrang uit om eerdere stukjes te lezen.
Er is iets serieus mis met  het gevoel voor humor van designers en facility managers voor toiletten. Voilà. Het is er uit, het is gezegd.En ik ben het grondig moe.

Ik weet niet hoe het bij de dames is, maar ik ben het beu om te moeten ontdekken waar ik nu al dan niet mag plassen in de toiletten van een stylish gedesigned restaurant of hotel.
U denkt dat ik een grap maak? Ik kan u verzekeren dat menig mooi, lichtgrijs pak bespetterd werd, door hetzij een onoordeelkundig gebruik van de faciliteiten, hetzij een onnauwkeurige plaatsing van het lichaam ten opzichte van het kunstig aangebrachte afwateringssysteem. Designers en facilitymanagers allerhande schijnen immers  uit het oog te verliezen dat die sproeikoppen aankalken. Het gevolg daarvan is dat de sierlijke bedoelde straaltjes die vanaf 3m hoog, de taps aflopende aluminium piswanden dienen te spoelen, niet meer of niet minder doen dan als semi-performant brandalarm de hele ruimte en al wie er zich in bevindt besproeien.

Een vriend van mij heeft het ooit gepresteerd om in zo’n design pissijn te staan plassen in het artefact dat bedoeld was om de handen te wassen, omdat hij het ook allemaal niet begreep. Ik kan hem daar perfect in volgen. In tijden van hoge nood en/of waterdruk moet de oplossing voor de hand liggen.En ons oog is geconditioneerd op die mooie witte porseleinen bakken. Geef ons dat toch, of de kans is niet onbestaand dat we uw verfijnd italiaans stucwerk gaan taggen, of uw prachtige kalkstenen bezetting vernielen met ons wild geplas. Wij zijn simpel, met een primaire drift, en die willen we bevredigd zien.

In de supporterskantine van RSCA vullen ze die witte bakken ook nog eens met ijsblokjes.. Die mensen hebben begrepen waar het echte venten om gaat.. (neen, ik treed niet in de details, het heeft te maken met competitie).

En dan het volgende. Handen wassen. Ik gebruik de faciliteiten van een restaurant niet om een studie te maken over hedendaagse waterspoel technologie en sanitaire plaatsing.
Ik wil zo snel mogelijk terug bij mijn gezelschap, en mijn wijn zijn. Wees mij ter wille. Zorg voor simpele robuuste toestellen waarvan het gebruik -andermaal- voor de hand ligt.  Ik zie nu restaurants waar het personeel met bordjes aangeeft dat het hier om een ‘kniekraan gaat waarbij de bediening dient te gebeuren door het indrukken van de metalen staaf aan de linkerkant onder het wasbakje’.  Waar zijn we mee bezig????  En al die handig ingewerkte blazers, dispensers, doseerders? Maak het toch wat simpeler,  laat die krengen gewoon vlot werken, met behulp van forse mannelijke bedienknoppen, en niet van die nichterige led-verklikkertjes die we de helft van de tijd niet vinden.

Wat je nu ziet is dat het gemiddeld herentoilet van een goedbevolkt restaurant vol staat met molenwiekende, wuivende venten, die zich idioot staan te aan te stellen om ergens een stukje handdoek te bemachtigen of een spoelsysteem in werking te krijgen.
Op papier zag het er ongetwijfeld erg nifty uit, maar het werkt niet, echt niet.

Ik wil niet wuiven op toilet, ik wil daar weg!

Twit-Insomnia

Vrees niet, ik ga er geen wetenschappelijke verhandeling over maken. Ik heb er zelfs geen mening over. Het valt mij wel op dat velen ‘van de sociale media’ er over zeuren. Dat snap ik dan weer niet.  Tenminste ik snap niet dat ze er over zeuren, wel dat ze’t via de sociale media doen, smartphone bij de hand, weet je wel.

Je ziet dat op Twitter. De bravere klagen zo rond een uur of twee dat ze niet in slaap geraken. En de moeilijkere gevallen beginnen zo rond half zes te constateren dat ze wakker zijn. Ze melden dat aan de wereld zoals we dat tenslotte allemaal massaal beginnen doen, als we koorts hebben, of last van ongebonden stoelgang, etc… het hoort er gewoon bij.  Wat ze nadien doen is onbekend. Terug in slaap vallen, iets leuk doen, of hun dag aanvatten.

Ik vind zes uur een mooi uur om op te staan. Niet altijd. Als ik naast mijn lief lig, lijkt me dat een ideaal moment om de liefde te bedrijven, of minstens gezellig te knoerftelen in elkaars lichaamskronkels (ik laat jullie eigen verbeelding hier invulling van geven).

Maar als dat niet het geval is, dan sta ik met plezier op. Genieten van een stil huis, de eerste kop koffie, flardje muziek als ik er aan denk,  en twee honden die, raar maar waar, altijd enthousiast klaar staan om te begroeten en met hun oren flapperend te kennen geven dat een wandeling best leuk zou zijn.  Behalve als het regent.

Op een fijne wijze denk ik het helderst in de ochtend. Ik hoor u zeggen, dat dat inderdaad zichtbaar is aan de rest van mijn denkproces tijdens de dag, en leg die smalende opmerking even naast me neer. Ja, u bent gevat en geestig. We gingen het over insomnia hebben.

Ik vind 2u ook niet zo’n abnormaal laat uur om te slapen, je hebt het idee dat je de avond helemaal gepakt hebt, en zelfs een stukje van de nacht hebt kunnen snoepen vooraleer de sponde op te zoeken. Gulzig leven, het is me wel toevertrouwd.

Wat bedoel ik dan eigenlijk met insomnia? Voor mij is het het onderbreken van de slaap op een minder gewenst moment, gekoppeld aan het onvermogen om opnieuw in slaap te geraken.  Als je alleen leeft heb je minder last van de sociale druk, het zal mijn beesten bijvoorbeeld worst wezen of ik om drie uur ’s nachts terug mijn nest uit kruip en keihard Rammstein speel om mij af te reageren, zij zijn blij. Als ik in Zoersel de sponde deel, ben ik daar iets omzichtiger in.  Meestal beperkt het zich dan tot nachtlamp en boek in bed.  Het gaat er hem dus vooral over wat je ermee aanvangt als je in bed blijft liggen. Naast erover twitteren.

Waar ik het eigenlijk wil over hebben is attitude. Ik merk dat mensen zich ergeren aan het fenomeen, zuchtend vast stellen dat ze niet kunnen slapen, daar getuigenis over afleggen, en er waarschijnlijk diep ongelukkig over worden. Zo zonde. Embrace your enemy…

Hoe gaat het bij mij? Op een doordeweekse avond ga ik slapen wanneer ik daar zin in heb, meestal na avondwandeling en douche, kwestie van wat proper te zijn.  Een boek kan daarna nog, regeltjes zijn er eigenlijk niet.

Morpheus komt, en neemt me mee. Tot daar spreken we van een proces volgens de boekjes. En vanaf dan kan er van alles gebeuren… Maar meestal gebeurt er altijd hetzelfde, na 3 u, 4 u, besef ik dat ik mijn ogen open heb.

Soms word ik wakker in een poel van zweet, wat erg onaangenaam is, maar anderzijds ook wel wat voldoening geeft, zo van: ‘Hard en snel geslapen!  goed zo, mijn jongen!’. U merkt, ik ben een optimist hè, en een sportman in hard en nieren, alles is competitie.

Meestal is het een erg factueel gegeven:’Voila, dat was het voor vannacht’. Zonder frustratie, nogal sereen eigenlijk.
In het begin strubbelde  ik nog een beetje tegen, probeerde ik er tegen te vechten. Zoals met zoveel dingen helpt dat niet.  Ik heb ook geen aanvechting meer om het bed te verlaten. Ik word ook niet lastig van het eventuele slapen van mijn lief, integendeel, het is een rustgevend geluid, zo’n gelijkmatige ademhaling.

En inderdaad, ik neem een iphone om te kijken hoe laat het is, en meestal glijd ik dan even door naar tweetdeck, om vast te stellen dat de tijdslijn zich in de US of A aan het ontwikkelen is, en dat die mensen niet echt zitten te wachten op nederlandse tweets.

Hier en daar ontwaar je al eens een gelijkgestemde of een laat feestbeest, en dan is het wel aangenaam om even over en weer te flitsen met wat berichtjes.
Meestal wentel ik mij echter terug in het donker. (Het is overigens een mythe dat hanen kraaien bij het gloren, die beesten beginnen daar veel vroeger aan, en doen er continu mee verder, zeker als er binnen gehoorsafstand een tweede zit. Maar dit volledig terzijde)

Wat voor mij wel helpt in het proces( hoe moet je’t anders noemen?), is dat ik merk dat we met velen in mijn huis wonen. Er is ik, de Guido. Er is uiteraard ook de kleine kolonel, die op crisismomenten de overhand neemt. Elke vent ontwikkelt al heel vroeg een soort interne dialoog met zijn jongeheer, dat is gewoon zo. Wij geven hem ook een naam, wat ik niet veel dames weet doen bij heurzelves. Maar op zo’n momenten is er niet veel ‘dialogue interne’ met de jongeheer.
Naast hem is er ook een soort dissociatie tussen lichaam en geest, waarbij ik, de originele Guido, als een soort bemiddelaar tussenkom: ‘Jongens, ok, dat de geest wakker is, maar laat het lijf tenminste rusten’. Kid you not, my own personal form of yoga, i guess.

Het is ook de fijnste manier om de kansen tot opnieuw slaap te maximaliseren. Ik ga op mijn rug liggen, om het lijf de kans te geven te ontspannen, en laat de geest wandelen, spelen, piekeren, denken. De regels zijn simpel. Het lijf mag niet zeuren over kriebels, moeilijk liggen of wat dan ook, en de geest moet het lijf gerust laten liggen. Gerust vind ik persoonlijk een mooie in deze context. Geloof het of niet, maar dat werkt.

Meestal trek ik het zo wel tot 6 uur, en kan ik opstaan, douchen, doen wat ik wil, maar soms, heel soms, val ik als vanzelf terug in slaap, en dat is pas echt leuk.
Bovendien – ik geef toe, het is wat vergezocht, maar voor mij werkt het wel – heb ik proefondervindelijk mogen vaststellen dat de benadering van problemen, of stellingen ’s nachts toch altijd iets geladener is, en als het dan dag wordt, heb je ineens veel heldere en simpele oplossingen. Iedereen wint, want je wordt er vanzelf blij om.

U merkt het, insomnia, u moet het met de nodige sereniteit omarmen, en dan is het niet half zo erg.
En ik merk ook dat ik er niet echt veel last van heb, omdat ik een zelfregulerend lijf heb. Heel af en toe slaapt het gewoon als een blok door alles heen.. Kermende, zeikende honden, bronstige lieven, aanbellende postbodes, irriterende wekkers, opspelend schuldgevoel, niks mee te maken. A man in full doesn’t really care.