Niet alsof maar omdat

vdab_logo

U kent mij niet, ’t is de eerste keer dat u iets van mij leest. Dat is altijd een beetje vreemd. Daarom is het allicht gepast om één en ander te verduidelijken.

Oscar Wilde schreef ooit: ‘Vergeef me, maar ik heb zoveel meningen, dat ik er soms wel eens eentje vergeet’. Bij mij is dat ook zo, ik heb veel meningen, ik uit ze graag, en ze zijn niet altijd even correct. Daarvoor nu al excuus, al is het ook wel leuk, omwille van de reacties. Daar leer je nog eens iets van, en zie je hoe andere mensen denken. Eén ding wil ik er wel bij zeggen, het is nooit vilein, en u mag me er om tackelen, ik zou dat zelfs als een compliment en een oprecht teken beschouwen dat mijn opvattingen en schrijfsels u interesseren.

Ik hou van mensen, ik hou van openheid, en ik ben een brutaaltje. Als u dat kan aanvaarden, dan gaan we het zeker goed met elkaar kunnen vinden. Vooral omdat ik uw en mijn meningen ter harte neem. Dat heet ownership, denk ik.

Ownership, ik heb er onlangs een sterk staaltje van beleefd. Ik ken een meer dan stemmig café , in de bossen van Zoersel, waar ik tijdens, of na de wandelingen met mijn hond vaak afzak, om een orgelpunt te zetten achter onze fysieke inspanningen. Ik ken de eigenaar niet, maar ik ken wel één van de gezichten van dat etablissement. De Pol.

Hij werd onlangs omstandig gefêteerd wegens 70 jaar oud en nog steeds verknocht aan de zaak. Ik ga er ook graag als ik weet dat hij er is. Niet omwille van nostalgie, maar gewoon omdat hij weet waar hij mee bezig is. Naar aanleiding van die 70ste verjaardag had de rest van het personeel zelfs een soort viering in elkaar gestoken, de afspanning herdoopt in ‘Chez Pol’ en een verrassingsmenu aangeboden waarvan telkens een stukje afgeroomd werd (financieel dan) om Pol een passend cadeau te kunnen kopen. Groot succes!

Kranten over de vloer, en de meest sprekende krantenkop ooit. ‘Ik speel geen garçon, ik ben garçon!’. Hij is het echt. Hij luistert, trekt het zich aan, geeft advies, heeft kwinkslagen en grapjes klaar, en je merkt bij hem geen verschil tussen goede en slechte dagen. Een man die rust, of liever sereniteit gevonden heeft in het dagelijkse werk. Schoon. En echt. En met resultaat. De zaak bestieren of het de zijne is. Coachen, inspringen, verantwoordelijkheid pakken.

Ik heb ook lang in de reclame gewerkt. Maar ben er uiteindelijk mee gestopt omdat ik het niet meer zo leuk vond. Ook dat had te maken met ownership. Niet dat ik de zaak bezat, maar ik kwam te weinig mensen tegen die nog bereid waren om dat tikkeltje meer te doen. Vergis u niet, reclame is al lang niet meer de pret-en-spel-sector die het ooit geweest is. Er wordt hard gewerkt, door talentvolle, meestal jonge, mensen.

Maar -op het gevaar af om als een oude sok beschouwd te worden- de bezieling is vaak ver te zoeken. Ik weet niet of dat aan de bazen ligt of aan de generaties die zich aanbieden.

Mij lijkt het soms dat ze rot van het talent zijn, maar geen zin of behoefte hebben om dat in die dagtaak daar te investeren. Dat sparen ze voor hun eigen projecten. Hun ‘project on the side’. En dat is een dubbel en tweesnijdend zwaard. Hoe leuker het ‘project on the side’, hoe zinlozer de betaalde job lijkt, en hoe minder erin geïnvesteerd wordt.

Misschien is het beter om dan voluit te kiezen voor dat andere  project, en plaats te ruimen voor andere mensen, die wel die goesting hebben om het volledig in te vullen, die niet spelen alsof ze hun job belangrijk vinden, maar die die job gewoon beregraag doen. Je gaat toch kapot als je’t andersom doet?

Of zie ik dat verkeerd?

 

Mooie Jongens en Clichés

Heel af en toe overkomen er mij dingen die mij in verwarring brengen. Omdat ze mooi zijn, omdat ze niet meteen verwacht worden. Omdat het mij op de één of andere manier vrede schenkt met mijn omgeving. Dan suddert dat een tijdje, om onherroepelijk zijn uitweg te vinden in één of andere schrijfgulp. Zoals nu.

Vrees niets, het heeft niets te maken met een mogelijke bekering tot de Griekse beginselen, maar alles met mijn rotsvaste overtuiging dat mannen altijd jongens blijven. Hoe hard ze ook hun best doen om dat te verbergen. Godzijdank.

Een tijd geleden liep ik in de buurt van de Oudaan, een beetje te slenteren. Een vreemde etalage trok mijn aandacht. Het was wat donker en het hield het midden tussen een tweedehands boekenwinkeltje en een vintage designuitdragerij waar ze nog niet zo heel veel collectie stukken hadden, maar wel veel goesting. Eerste indruk.

De dagen gingen voorbij en het goede voornemen om er een keer binnen te stappen raakte naar de achtergrond, maar nooit helemaal. Op een avond deed ik het dan toch maar, toen ik  er een schemerlampje zag branden. De man achter het bureautje was onverstoorbaar en las verder, het soort cool waar ik een rechterarm voor zou geven.  Ik begreep het niet zo goed, er zat geen lijn in de boeken, geen thema, ze waren min of meer op kleur en formaat gesorteerd, onwerkbaar, van pulp tot dingen die ik zelf staan heb.

De mens achter zijn bureautje keek mij aan… “kan ik helpen?”

“Ja, leg het mij uit, ik worstel ook met het klasseren der boeken, maar hier ben ik niet mee met het systeem…. “begon ik aarzelend.

“Dan kennen wij elkaar, jij bent Guido(oohh), en ik ben de @pravdaman!”.

Ik weet niet wat dat met jullie doet, maar ik ben altijd blij als ik één van mijn virtueel meer stimulerende contacten ook in het echt tegenkom. Dat was nu niet anders. Tom vertelde, zacht, maar boeiend, met zo min mogelijk woorden, wat het nog mooier maakte. Het hele verhaal bleek een pop-up initiatief te zijn, storefront voor een speak-easy die zich achter de winkel bevond, Het Huis Happaert, ter gelegenheid van de 150ste verjaardag van Bacardi. Dat huis op zich is al adembenemend. De sfeer van die bar was zo juist, zo elegant en tegelijkertijd helemaal ongedwongen. Ik kan daar niet veel aan doen, maar als een verhaal juist is, in concept en uitvoering, en als de vent die er mij ook nog eens over vertelt zo totaal klopt in dat plaatje, dan ben ik verloren. “Ne schune pee, gelak of da me zegge in Brussel”.

Ik was meteen verkocht. Zodanig zelfs dat ik er de week later terug ging met twee jongens. Ik noem ze even. Het zijn forse namen, venten-namen die kunnen: Wim en Victor. Heiligschennis in Antwerpen, Victor is een Hollander. Leuke vent, ondernemer, de vleesgeworden empathie. Wim is een soort broer.

De jongens hadden zich aan hun woord gehouden en stonden op het afgesproken uur klaar. De verwondering over het boekenwinkeltje deed ook hier zijn werk, en zette het contrast met de opulente sfeer van de bar extra in de verf. Het is een magische plek, waar gesprekken tot hun recht komen, en dat was ook zo mooi en opvallend.

Zet drie venten op café en je krijgt een brallerige, grappige mix van verhaaltjes over voetbal, vrouwen, auto’s en ongein. Nu niet. Er werd zowaar ‘genipt’ van cocktails, meesterlijk bereid, en er werd gepraat, gediscussieerd, geluisterd. Dat het echte jongens waren bleek uit het debiet, dat niet verminderde. Dat het mooie mensen waren bleek uit het verhaal dat opvallend gelijkmatig verder kabbelde.

En toen ging Victor weg. De man moest immers nog naar Nederland terug. Het was al tien uur, dus dat kon je hem niet kwalijk nemen. Zoals dat gaat onder jongens, werd er afscheid genomen met een stevige handdruk en dat was het. Maar het geeft ook een andere soort intimiteit, als je dan met twee over blijft.

Hij was nog niet goed weg, of Wim vroeg me: “had jij ook zin om bij dat eerste rondje van elkaars cocktail te proeven?”. Uiteraard had ik dat ook overwogen, maar onder venten doe je zoiets niet… Het was ook die conventie, die hem er van weerhouden had om dat te doen. Zeker in het bijzijn van een derde. Ik vind dat mooi, grappig. En al helemaal als je er op het moment zelf wil over praten omdat het je ook wat hoog zit.

En toen we wilden afrekenen, een paar drankjes later, bleek dat onze Victor, die we nu met enige gepaste trots ‘vriend’ noemen, dat hele verhaal al op zich genomen had.  Zonder zeuren, zonder berekenen, gewoon. Omdat hij gruwt van clichés en een echte mens is.

Tom, Wim, Victor. Echte venten, mooie jongens en een feest om te kennen.

Spectre, The Date

Begrijp mij niet verkeerd, ik ben helemaal voor de sociale media. En ik ben blij dat men stilaan beseft dat daar ook iets mee te doen is. Vandaar dat ik mij soms in het gezelschap van illustere reuzen als @boskabout, @dipfico, @houbi en j’en passe, bevind om mijn mening te vormen over één en ander. Op uitdrukkelijke vraag van ‘de andere kant’. Ik sta daar voor open, inderdaad.

Omdat het meestal leuk is, en/of interessant. Het is een andere manier van werken, en van informatie door te geven. Een heel eerlijke ook. Maar er moet ook iets te vertellen zijn. En vooraleer u mij beticht van het ‘in de soep spuwen’. daarover gaat het niet, daarvoor ligt het mij allemaal te na aan het hart. Ik ga er even iets dieper op in.

Een paar weken geleden kreeg ik een verzorgde, mooie, ietwat mysterieuze uitnodiging.  In de vorm van een roodfluwelen hartje, met een handgeschreven tekstje of ik ‘Spectre’ wou ontmoeten. Het enige wat ik daarvoor hoefde te doen, was een mailtje sturen, en ziet.. het wonder geschiedde. Een -naar ik aannam – mysterieuze, en allicht wulpse, welgevormde dame gaf me plaats en tijd door van onze geheimzinnige date.

Voor alle duidelijkheid, ik was op voorhand gewaarschuwd dat er iets zat aan te komen, en dan speelt een mens graag mee, want normaal ben ik niet het type dat op blind dates in gaat. #justsaying.

Allen daarheen, dus op de bewuste dag. Een mooi pand. Prettige verwelkoming.Witte roos opgespeld, en begeleid naar een mooi appartement, alwaar hapjes en drankjes mij toegereikt werden. En waar het best prettig was. Ik moet eens een blogstukje wijden aan de verwarring die ontstaat tussen twitter handles en echte mensen. Je kletst en dolt er dag in, dag uit, mee op twitter, maar je hebt elkaar nog nooit in het echte leven gezien. Dat heeft wel wat, qua ontdekking. Zo ook deze avond.  Die zich voor het overige in niets onderscheidde van een normale, weze het dan bijzonder verzorgde receptie.

En nu moet ik iets bekennen. Ik ben eigenlijk een wijf. Ik weet niks van techniek, ik weet bijvoorbeeld ook niets over ‘janten’. Dat zijn wielnaven, of zo.  Tot op de dag van vandaag heb ik dat ofwel door mijn autoverkoper ofwel door mijn lief laten beslissen. Ik zie het gewoon niet. Ik zie het verschil niet tussen patserwielen en gedistingeerd. Tussen sportief, en oumannekes, tussen mooi en/of ‘niggawheels’.

Zo ben ik er ook achter gekomen dat ik geen BMW of Mercedes driver ben.  Door er mee te rijden. Je moet daarvoor kunnen rijden. Ik rijd graag met Audi, in permanente 4X4, dat durft al eens iets te vergeven als je nonchalant bent in de bochten. Waarom vertel ik dat? Omdat ik hetzelfde heb met pc’s. en laptops, en macs. Ik weet niet of iets goed of slecht is, ‘t is maar door er mee te rijden/werken dat ik het wel weet. Ik gebruik dat, verder reikt mijn interesse niet. En heel af en toe, in dat gebruik, merk ik dingen op die mij storen, of ergeren, of bijzonder bevallen. Zo werkt het bij mij. ‘Experience’, zoals ze dat nu noemen.

Terug naar ons feestje, dit interludium zal straks duidelijker worden. Ik mocht op een bepaald moment op intieme date met het Spectre geval. Mijn vrees was groot dat er achter de gimmick een techneut zou zitten die mij vanalles ging uitleggen over kloksnelheden, hertzen, processors en giga’s en giga’s geheugentoestanden. Mijn plan was dan om heel ernstig om een technische fiche te vragen ‘om het thuis allemaal nog eens rustig te bekijken’. Zo doe ik dat ook als ik ingewikkelde dingen zoals een televisie moet kopen.

Niets van dit alles, echter. Ik mocht plaats nemen aan een keurig gedekt tafeltje en recht tegenover mij stond een opengeklapte laptop. Ik mocht mijn naam intoetsten, en na wat  over en weer berichtjes was het gedaan. De rest zou ik later wel horen.

Leuk! Terug naar de vriendjes, en kletsen.

En toch weer niet zo leuk. Misschien ben ik wel te ernstig voor dit soort verhaaltjes. Maar ik vind dat er iets mankeert.

Alles was tot in de puntjes verzorgd. De uitnodigingen waren teasing, en prettig, de ontvangst was hartelijk, de hapjes en drankjes waren erg smakelijk. Het aanwezige volk was van het juiste niveau, ik heb me geen seconde verveeld. Ook de mensen van HP – ja ik heb er mee gebabbeld – waren uitermate behulpzaam. En toch ging ik met een kleine kater naar huis.

Ik kan het alleen maar aanmoedigen dat je ‘de stem van het volk’  wil betrekken in de lancering van een product of een nieuwe richting, of wat dan ook, maar doe dat dan meteen goed.

En wat bedoel ik met goed? Ik schrijf dit stukje op een Macbook Pro. Bij mijn weten een erg gebruiksvriendelijk toestel. Als die Spectre inderdaad concurrentie wil zijn voor Mac, laat het ons dan ondervinden, laat ons er mee op stap gaan, de batterij testen, de moeilijkheid of gemakkelijkheid om nieuwe netwerken te ontdekken, en op diverse printers aan te sluiten.

Geef mij zo’n ding voor een week of twee en ik kan er zinvolle dingen over vertellen. Maar laat er mij niet even naar kijken, twee zinnetjes typen, en dan klaar.  Dat is vervelend. Als het echt goed is, dan ga je het horen. En als het niet zo is, dan weet je meteen ook waar het aan schort. En daar draait het toch om?

Maar misschien schrijf ik het wel allemaal op deze manier omdat ik niet de gelukkige was die er één mee naar huis mocht nemen. Dat kan ook.

Gij moogt mijn vriendje niet meer zijn (Amable column)

Het ouderschap, het is nog nooit eenvoudig geweest, maar het wordt er de laatste tijd niet makkelijker op. De kindjes hebben er namelijk een nieuw pestmiddel bij ontdekt. De schuld? Die van ‘t internet en de sociale media, natuurlijk. Vriendjes worden op Facebook, daar gaat het over, dat schone privilege!

Het nieuwe stigma, of ‘t oude, ‘t hangt er van af hoeveel luciditeit je aan de dag legt. Het ‘vriendje’ zijn krijgt immers een totaal nieuwe dimensie. We mogen meespelen met de pubertruken van onze kinderen. Als we niet sympathiek zijn worden we ‘gedefriend’. Het heeft niets te maken met vriendschap, of wat dan ook, de kinderen hebben ontdekt waar het op aankomt, kennis is macht. En door ons te niet toe te laten tot hun ‘inner circle’, hun Facebook kudde, nemen ze macht af. Erger nog, ze brandmerken ons publiekelijk. We mogen geen deel meer uitmaken van de warme wolk van vrienden die onze kinderen omgeven. We worden voor kennissen, vrienden en familie aan de schandpaal genageld… ‘Hoe, zijt gij geen vriend met uw eigen kinderen op Facebook, amai!’ Het is een geseling, een stigma dat duidelijk is, en slechts door weinigen eervol gedragen. En eigenlijk is dat jammer. Want het is onbetekenend.

Er was een tijd dat ouders het totaal niet ambieerden om het vriendje van hun kinderen te zijn. ‘t Was zo al moeilijk genoeg. Opvoeden, kleden en eten geven volstond. En van wat er met de vrienden en vriendinnen gebeurde, daar trokken alleszins mijn ouders zich bitter weinig van aan. Tenminste, ze hadden ons op voorhand richtlijnen en kaders gegeven waarbinnen onze baldadigheden geduld werden. Die richtlijnen hadden te maken met tijdstippen, met hoeveelheden, met locaties. En heel soms met personen. ‘Ge kunt zien dat ge om 12u thuis zijt, niet zat, en als ik u uit ‘De Mascotte’ moet komen halen of ge zit weer bij die onnozele trien van hier twee huizen verder zal ’t uwen besten tijd niet zijn’.

Duidelijk, misschien niet al te subtiel, maar we wisten wel waar de grenzen lagen. Wat we daarbinnen uitspookten, daarvan merkten mijn ouders nuchter op dat het bij de jeugd hoorde, daar gingen ze zich niet druk over maken, ze hadden wel wat anders te doen, en ze wilden zelf ook nog een leven hebben.

En als ze via-via gehoord hadden dat we weer één of andere idiotie hadden uitgespookt, dan regelden ze dat vlot en kordaat, zonder hun bronnen prijs te geven. ‘Twee weken binnen, ge weet wel waarom!’. Wij wisten inderdaad min of meer waarom en accepteerden, omdat niemand er bij gebaat was om de dingen tot op het bot uit te zoeken. ‘t Kon immers alleen maar erger worden.

Achteraf bekeken was dat was eigenlijk fantastisch. Het sociale netwerk bestond toen ook, maar het was iets duister, niet voorgeformatteerd, of volgens bepaalde regeltjes. Nooit ben ik er achter gekomen hoe en waar mijn ouders hun informatie over mijn wandaden bijeenhaalden, maar ze wisten het wel altijd.

Dat is nu anders, het lijkt er soms wel op alsof we debiliseren samen met onze kinderen. ‘Hoe? ik mag geen vriendje van u zijn op Facebook? En uwe papa wel? ‘ Het is een status sysmbool geworden, een teken dat we goed bezig zijn, en op goede voet staan met onze kindjes,best friends forever of zo. Eigenlijk mag je er toch niet aan denken.

En die kleine etterbakjes weten het zo goed, dat ze er hun ouders mee raken. Net die ene die het eigenlijk goed meent. Die heeft het meestal het hardst te verduren.

Misschien ligt daar ook de sleutel voor een mooie Facebook relatie met uw kinderkens. Trek het u vooral niet aan en doe er vooral niets mee. Niet reageren, niet recupereren, niet ‘liken’, en eigenlijk ook niet lezen. Waarom zou je ook? Om door een moeras van taalfouten te waden en in een existentieel niemandsland terecht te komen waar niets gebeurt, tenzij informeren naar de staat van het ademhalingssysteem? ‘Hey, oewist, asemdenog?

Want er is eigenlijk niets veranderd in vergelijking met vroeger. Hun leven, hun leefwereld, hun speeltuin. Kinderen voelen haarscherp aan wat hun ouders al dan niet tolereren, en daar spelen ze mee. Ze weten ook dat die ene in staat is om alle clubfoto’s alle zotte chiromomenten te analyseren en daar A+B+C van te maken, daar waar de andere allicht nooit verder geraakt dan ‘ah ja, ik heb u op ne foto gezien met een jongen’. Liever dan tekst en uitleg te verschaffen proberen ze dat te ontwijken, Niks nieuws onder de zon.

Ik heb mijn hele leven slechts één keer iets gezegd op een foto van mijn zoon toen die een gigantische toeter wiet scheen te roken. Daarvan heb ik gevraagd om dat toch eventjes iets discreter te behandelen. De foto werd vervangen door eentje van hem met zijn zus, allebei met sigaretten en een dikke pint. Minstens even aanstootgevend. Ik had het begrepen. Het is een spelletje, laat je er niet in vangen, want het heeft allemaal zo weinig te betekenen.

De verafgoding van het eten (Amable column)

True Weight, Weightbot, Runkeeper, Calorieteller, Evernote food, Daily Butt Workout, Mynetdiary…  Misschien zegt het u iets, misschien ook niet. Het zijn apps. Apps, die ik, een gezonde vent van ergens in de veertig, op mijn smartphone heb staan. (Dat van die Daily butt workout heb ik verzonnen). Apps die van ver of van dicht iets te maken hebben met gewichtscontrole.

En waarom? Omdat ik een vent ben, met een welvaartsbuikje, en een hekel aan diëten, en een eeuwig schuldgevoel over slechte voedingsgewoontes.

Ik ben Bart De Wever niet. Ik kan geen 40kg afvallen met Pronokal of shakes of wat dan nog van dieet. Maar ik geloof uiteraard wel in apps, want ik ben een vent, met een onwrikbaar geloof in technologie en de wonderen die er door verricht worden.  Boys and their toys.

Het probleem met die dingen is dat ze meestal enkel genadeloos registreren wat je doet of niet gedaan hebt, of op een hele doordringende manier om input verzoeken. Echt corrigeren, zoals  – ik noem maar – een spinning fiets, of drie uur joggen, dat doen ze niet. Tenzij je natuurlijk zelf een beetje de kluit belazert, en er hier en daar een hondertal gram afpitst. Maar dat zijn de anderen, ik doe dat niet!

Het heeft iets kalmerend, elke morgen plichtsbewust je gewicht intikken, om vast te stellen dat het traag maar gestaag in de richting van de honderd kruipt, en dan goede voornemens maken om daar vanaf volgende week iets aan te doen.

Dat is de ene kant van de zaak, apps om gewicht en health te monitoren. Maar er is uiteraard ook een andere kant van de medaille. Het eten zelf, de receptjes, de menu’s, de boodschappen-geïntegreerd-met-de-recepten-en-de-winkel apps.

Ik heb uiteraard de’‘dagelijkse kost-app’, van mijn held, Jeroen Meus, en nog een tiental andere online food related toestanden. dat varieert van Nom Nom Paleo, over Jamie’s recipes, The Photocookbook over Gastro Euregio. Maar ook in de drankensector blijf ik me bezig houden, met DryncWine, Renaissance cocktails,  Je kunt immers nooit genoeg recepten hebben, zeker niet van cocktails en zo. Niet dat ik ze ooit gebruik, tenzij dan om te kijken wat ik niet kan maken, wegens geen ingrediënten in huis. En wel ongelofelijk veel goesting!

Misschien hebben de Maya’s gelijk, en moet deze beschaving er gewoon aan; met zijn bijna decadente interesse voor eten en koken.  Het is niet alleen in de apps wereld zo, het is ook nog eens het geval bij de hele entertainment industrie. Koks zijn de nieuwe rocksterren. En voor elke laag van de bevolking is er wel wat, in televisieland. Van platte uitlachtv op VT4 naar top competitie op BBC, met alle variantes ertussen.  En het eindresultaat is dat iedereen zich vrolijk maakt over de cuisson van zijn viandelle in de frituur en dat topchefs bezwijken onder de druk om steeds vernieuwender te zijn. Het gaat immers al lang niet meer over het streven naar perfectie in smaak en bereiding. Neen, het moet nieuw, verbazend en verrassend zijn. Iedereen heeft immers alles al gezien en geproefd.

Neen, veel gekker moet het niet worden.

25frank voor kinder geluk

LogoVierkant

“Ben ik ouderwets geworden als ik ervan uitga dat lezersbrieven en reacties op blogs, artikels of meningen zouden moeten voldoen aan twee regels: beleefdheid en bijdragen aan het debat?”, vraagt Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, zich af. “Het zou kunnen, maar het maakt het leven alleszins een stuk prettiger.”

Mijn papa en mama schreven beiden brieven naar de krant. Ze genoten op de één of andere manier met volle teugen van hun democratische rechten en van de diverse spreekbuizen die hen geboden werden om hun mening te uiten.

Mama deed het enkel in de vorm van lezersbrieven naar ‘Het Laatste Nieuws’, steevast vergezeld van een gift voor kindergeluk. Mijn vader schreef naar ‘De Standaard’, en daarnaast stelde hij ook parlementaire vragen. Hij ‘zat’ in de politiek.  Mijn vader was een ernstig man, doordrongen van de zwaarte van het leven.

Als kind boezemde mij dat ontzettend ontzag in… Sssst, vader schrijft. Hij deed dat geconcentreerd, rustig, waardig bijna. In een erg precies, fijn handschrift, en omringd door boeken en naslagwerken. Daar lag ook al eens een woordenboek bij. Om zeker te zijn.

Eens alles geschreven, ging het in een enveloppe, en werd het verstuurd. Mijn vader was niet het type van de gele briefkaarten.

Een paar dagen later werd dan nagekeken hoe het stuk in de krant was verschenen. Haast nooit ingekort, en ook nooit erg gewijzigd. Daar was hij trots op. Verder dan dat ging het niet. Geen knipselmappen, geen manische verbetenheid om elke dag, elke week opnieuw zijn naam in de krant te zien verschijnen. Geen zin om over alles een mening te hebben. Alleen bij dingen die er echt toe deden kroop hij in de pen.

Als je dat proces van iets dichterbij bekijkt, dan stel je een aantal dingen vast. Hij las grondig, dacht na, en als het echt niet kon, niet strookte met zijn eigen overtuiging, dan reageerde hij. Dat reageren was afgemeten, juist en factueel. Nooit impulsief. Nooit de man, altijd de bal. Ook met respect voor de argumenten van de overkant, die hij netjes weerlegde of op de gepaste manier ontkrachtte.

Sinds kort smaak ik de eer en het genoegen om voor deze publicatie mijn stukjes te plegen. Op mijn blog is dat anders, daar schrijf ik voor kennissen, vrienden, fans. Die het zelden of nooit met mij eens zijn, maar dat wel nog helder geformuleerd krijgen, op een manier dat er een integere discussie ontstaat.

Als ik kijk hoe er vandaag gereageerd wordt, op fora, in online kranten platformen, dan schrik ik toch. Het is me toch een geschimp, boers en platvloers.

Maar dat tot daar, ook al is het niet prettig om zoiets te lezen. Het gebrek aan ernst, aan net dat ietsje dieper doordenken, wat het verschil maakt tussen het begin van discussie en scheldproza. Dat vind ik zo jammer. Het naast de kwestie reageren ook.

Is het dan echt zo moeilijk om je te verplaatsen in wat de steller wil zeggen? Eerder dan hem te proberen pakken op iets uit de marge? Is dat het niveau van het debat  in Vlaanderen? Dan is het droevig gesteld.

Neem nu de zogezegde aanval van Bart De Wever op de media. Ik heb niets met die mens, behalve dan dat iedereen schijnt te vergeten dat jaren geleden er maar twee mensen in staat waren (en het lef hadden) om Filip Dewinter weerwoord te bieden: hij en Karel De Gucht. Ik ben die mens daar nog steeds dankbaar voor. Sceptici kunnen zeggen dat het van ongezond bruin evolueert naar een andere gradatie, maar tot nader orde hebben ze daar en toen als ‘fatsoenlijk rechts’ de steun van de kiezer verdiend gekregen.

Maar zelfs al zou ik de meest diepgewortelde antipathie hebben voor BDW, dan nog zou het niet in mij opkomen om hem ‘den dikken, de vieze vetjoep’ of ander fraais naar het hoofd te slingeren. Mij hebben ze altijd geleerd dat je het uiterlijk van een mens niet mag gebruiken in een discussie, omdat dat te gemakkelijk is, en bovendien kan die mens daar niets aan doen. Concentreer je op de inhoud.

En ook daar gaat het mis. Het zal allemaal wel, dat je de mens niet los kan koppelen van de functie en het mandaat, maar maakt dat meteen dat wat hij zegt onjuist is? Gewoon omdat hij toevallig N-VA-kopstuk is? Er is toch wel iets van aan, dat de jacht op de primeur ten koste gaat van de zorgvuldigheid? En dat dat een zorgwekkend gegeven is?

Als je de oorspronkelijke speech leest, dan haal ik daar een stuk bezorgdheid uit naar functioneren van de journalistiek in tijden waar snelheid de bovenhand zou kunnen halen op het controleren van de feiten. Ik vind het niet verkeerd dat iemand daar soms eens op wijst.

Ik begrijp als geen ander dat het misschien als politicus van een partij die onder vuur ligt omwille van de losse pollekes, minder opportuun is, maar dat ontkracht zijn verhaal toch niet?

Ik wil maar één ding zeggen. Formuleer spits, formuleer raak en haal de juiste punten aan, het is te verkiezen boven scheldproza en het is voor iedereen prettiger om te lezen.

DM Column : Het onnavolgbare volgen

DM COLUMN Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, is dol op Twitter. Maar hij ergert zich toch een beetje aan de ‘followers’ en het fenomeen van ‘terugvolgen’.

Op Twitter heb je ‘followers’ en word je ‘gefollowed’. Het zijn afschuwelijke woorden voor de vrijgevochten intellectuelen die we allen pretenderen te zijn. Ik vind dat ze daar een andere term moeten voor bedenken. Omdat het niet echt klopt. Of toch wel? Ik heb er alleszins mijn bedenkingen bij.

Voor mensen die Twitter niet kennen, heel kort waarover het gaat. De micro-blogdienst laat toe om berichtjes van maximum 140 karakters de wereld in te sturen, over zowat alles waar een mens tegenwoordig een mening over kan, mag en wil hebben. Je maakt een account aan op www.twitter.com en je kan aan de slag. Simpel zat. Alleen moet je natuurlijk wel een publiek opbouwen dat bereid is te luisteren naar je ongein, en daar knelt vaak het schoentje. Het aantal volgers als maat voor de aantrekkelijkheid van uw zieleroerselen. En hoe je zoiets moet aanpakken.

Het zegt u niet nog steeds niet zoveel en dat mag best. Voor sommigen is het echter een substantieel deel van hun leven, en zelfs van hun sociale contacten. Je kan daar vraag- en uitroeptekens bij plaatsen, het is gewoon niet anders. En het is ook niet verkeerd.

Zelf ben ik verslingerd op het medium. Mijn ochtendhumeur, de kwaliteit van mijn stoelgang, de ergernis bij weer een onverklaarbaar kleinhandelsfenomeen, ik kan het er allemaal kwijt. Sterker nog, er wordt op gereageerd. Ik krijg steunbetuigingen door gelijkgestemde neuroten, en word afgezeken door anderen. Het hoort er allemaal bij. Fijne oppervlakkige vrienden zullen we maar denken. Er zitten ook echte goede vrienden tussen, ja zelfs familie. Allemaal geïnteresseerd in mijn rijk innerlijk leven. Geweldig toch?

Op zich is dat natuurlijk een iets te simpel beeld van het gebruik van het medium. Ik gebruik het ook als doorgeefluik voor informatie en nieuws, voor de verspreiding van artikels en blogposts die ik schrijf, en simpelweg omwille van de geestige gevatheid van veel twitterati. Je leert nog eens iets, en je leert nog eens iemand kennen. Want het is al bij al een vrij democratisch medium.

Het is ook een erg eerlijk medium. In die zin dat je meestal gewoon doodgezwegen wordt als je niets interessant te vertellen hebt. Ik vind dat een geruststellende gedachte. Een kwiet die dag in dag uit zijn gram wil halen over groot voetbalonrecht, aangedaan aan FC Locomotief Genoelselderen, is meestal geen lang leven beschoren.

Omgekeerd ook. Vlaanderens bekendste prostituee, Hot Marijke, kan mij tot haar lezers rekenen. Gewoon omdat ze (soms) zinvolle dingen zegt, en soms dingen waar ik het totaal niet mee eens ben, waar ik dan ook meteen in de contramine ga. Je leert op die manier een heel klein beetje de mens achter een fenomeen kennen.

Anderzijds, fijne denkers, politici en hoogleraren die occasioneel een tipje van de sluier oplichten van wat hen privé bezighoudt en daardoor ergens wat toegankelijker worden. Ik kan het wel smaken, zo’n Geert Noels die het eens niet over de Griekse crisis heeft maar over die andere passie van hem, het fietsen.

Grappig ook hoe het allemaal wat verweven blijft. En lokaal. Mensen die we kennen, die we leren kennen. Neem bijvoorbeeld onze noorderburen met hun ‘open’ en brutale mond. Ik zie ze graag verschijnen om na een tijdje aan te geven dat ik het niet echt hoef, hun online scheldpartijen, en grote bek opzetten tegen elkaar. Dat hoeven wij niet, hier in Vlaanderen.  Andere cultuur, mijnheer. En eten uit de muur bovendien. En zo blijft de wereld toch maar lekker een dorp, met occasioneel wat verplaatsingen naar het buitenland, onder de vorm van Engelstalige tweets.

Wie mij beter kent, weet dat ik zo’n stukjes nooit schrijf zonder een opborrelend ergernisje. Nooit erg, nooit vervelend, maar een ergernisje, desalniettemin. De volgers dus, en het fenomeen van terug volgen.

Zoals een goede vriend van mij onlangs formuleerde: “De leerling kiest de leraar”. Dat is ook zo op twitter. En maar best ook. Een keuze gebaseerd op ‘kwaliteit’ van de inhoud. Mensen mogen daarbij zelf bepalen wat ze als kwaliteit zien. Voor de ene is dat humor en spitse taal, voor de andere is dat het herkauwen van white papers. Vrijheid, blijheid, je doet maar.

Maar ram het ons niet door onze strot, of probeer het ons niet op een slinkse wijze te verkopen. Want los van de semantiek, van het ‘volgen’, waar ik als heftig rebellerend mens toch mee worstel, Twitter heeft op dat vlak wel wat nadelen.

Hoe meer en beter je tweet, hoe meer mensen je beginnen te volgen. Die pikken dat op omdat je verhaaltjes verspreid worden, maar ook omdat ze op basis van erg specifieke zoekwoorden op zoek zijn naar mensen met bepaalde interesse.

Als je in een berichtje het woord koffie gebruikt, kun je er vergif op innemen dat je meteen ‘gevolgd’ wordt door een tiental koffieaccounts, die waarschijnlijk ingefluisterd kregen dat ze op deze manier ‘conversaties monitoren en deelnemen aan diezelfde conversaties’. En beleefdheidshalve (iets wat onze mama en papa ons geleerd hebben) wordt je dan geacht terug te volgen, wat betekent dat je hun berichtjes in je twitterstroom ziet opduiken.

Ik wens die verlichte geesten allemaal prettig irritante huidziektes en geweldig korte armpjes. Dat is geen conversatie volgen, dat is kortzichtig en opportunistisch omspringen met de zaken in de hoop op één of ander korte termijn gewin. Quod non. Bij mij toch niet (meer). Het resultaat is immers frustratie, ergernis en ruis. En dat is jammer. Door het ontbreken van echtheid, authenticiteit. En dat werkt dus eerder contraproductief.

Ik raad die mensen dan ook aan om dringend het uitstekende boek van Steven Van Belleghem te lezen, ‘De Conversation Company’, misschien gaan ze het dan wel begrijpen. Het is niet enkel een spelletje van veel mensen bereiken, het is vooral een verhaal van geloofwaardigheid en juistheid.

Wie mij niet gelooft, doe de test met volgend zinnetje en kijk wat voor onheil het je oplevert: “De Nigeriaanse transseksuele hoer bestelde nog een gin tonic terwijl ze cash ontving voor haar laatste blowjob”. Gegarandeerd lachen. En denk er in het vervolg aan, wij zijn geen volgvee!

Met drie in bed, liever niet (Bloovi column)

Ik ben verzot op het internet. Altijd al geweest. Hoe dikwijls maak je het immers mee in je leven dat een nieuw mediatype opduikt? Ik herinner me dat ik nog geprobeerd heb met een inbel-modem om de eerste site van het Louvre te bezoeken. Van 20u tot 22u wachten op het lijn per lijn inladen van de Mona Lisa.  Ik had een AOL account, en zelfs een village.uunet account.

Als er iets nieuws te proberen was, dan was ik er als de kippen bij. Legendarische vergissingen heb ik nog gemaakt. Second Life, ik word er nog om uitgelachen. Ik was er echt van overtuigd dat dat de toekomst zou zijn.

En altijd, altijd opnieuw blijk ik een haat-liefde relatie met het medium te hebben. Ik probeer, word enthousiast en dan besef ik de futiliteit, het tijdsverslindend karakter en ik haak af, of herleid het tot zijn ware proporties.

Heel af en toe, gebeurt dat ook door een externe factor. Ik heb net een heel betoog gepleegd over het ‘cheatgedrag’ bij het spelen van spelletjes zoals  wordfeud. Maar dat is niet de enige reden waarom ik afhaak.

Want vergis u niet, ik vind het zalig om contact te leggen met wildvreemden via een spelletje. Je komt al eens boeiende mensen tegen, elk met hun eigen verhaal, en meestal met een mooie dosis humor. Ik was op een gegeven moment een erg fervente Wordfeud speler, zoveel mogelijk partijtjes tegelijk, omdat ik dan niet hoefde te wachten. Serieel spelen, terwijl je aan’t schrijven of werken bent. Zalig gewoon.

Maar soms haalt mijn levendige fantasie het, en dan begin ik me van alles voor te stellen.

Zo was ik met een vriend op een avond een potje aan’t scrabblen, zo rond elf uur. Plots kreeg ik een invite van zijn echtgenote, ook een toffe madam, die goed met woordjes overweg kan. In principe maakt het niet uit met wie je speelt, misschien word ik zelfs niet geacht te weten dat het een koppel is, maar ik weet het wel. En het kan altijd dat hij op zakenreis is, en zij thuis, of omgekeerd, maar de vrouw in mij moet  het wel weten. Het is een verderfelijk trekje, ik weet het.  Beiden speelden niet onverdienstelijk, dus ik heb echt geprobeerd om het op zijn beloop te laten.

Na drie spelbeurten begon het echter te draaien in mijn kopWat bezielt een koppel om naast elkaar in de zetel te liggen scrabblen met een derde?  Ik heb behoefte aan het idee van fysieke verwijdering, en ja, van een stuk alleen zijn als ik zo’n spelletjes speel. Het komt nooit in mij op om wordfeud te spelen als mijn madam naast me zit. Dan kun je andere dingen doen. Dan moet je je laven aan mooie gesprekken, goede wijn en muziek. bijvoorbeeld. En ik weet dat dat achterhaald is, want er is ook niets sociaal aan het samen lezen van boeken, toch geeft dat een andere soort rust dan het getokkel op tablets.

 

Nieuwsgierigheid haalt het dan altijd bij mij. Ik moet het gewoon weten. Discreet polsen aan beide kanten  Bleek dat het koppel naast elkaar in bed lag, hij met de iphone, zij met de ipad. Wat een eindeloze tristesse. Het liefdesnest als plek van verveling en tijdverkwisting. en deze mens weer een illusie armer.

En dan haak ik af. Two is company, three is a crowd in deze.


Ontgoocheling, enorme ontgoocheling, but then again.

Het heeft niet mogen zijn. Ik had een oscar speech in de achterzak, een fris gewassen hemd aan, en de K woman stond aan mijn zij om de mediastorm te begeleiden die mij ongetwijfeld zou overvallen.

In mijn hoofd een quasi zekere landslide. Een historische overwinning van de man die nu al meer dan twee jaar zijn diepste zieleroerselen  en organische bespiegelingen blootgeeft aan de wereldwijde interweb gemeenschap.

Zo dacht ik er over. Niet zo de vakjury, en u het publiek.

Ik begrijp dat, en ik leg me er bij neer. Temeer daar de drie ‘finale-finalisten’ in de categorie ‘personal’ fijne mensen zijn.  Met geweldig leuke blogs om te volgen en ook nog aangenaam om te leren kennen in het echte leven.

1. Madamezsazsa.blogspot.com
2. www.disfunctionelehuisvrouw.be
3. www.houbi.com 

En het was een fijn feestje, waar verder niet veel aan toegevoegd dient te worden, behalve dat de twitterati die ik eigenlijk niet zo goed kende in het echt ook bleken mee te vallen. Allemaal.

Ik vond het fijn om genomineerd te worden, ik vond het fijn om bij de finalisten te zitten, het is niet anders, ik wil daar ook niet flauw over doen. Een bedankje voor alle stemmers; sharers (vurrukulluk nederlands woord!) en sympathisanten  is op zijn plaats.

Oh ja, en ik baal als een stier dat ik het niet gehaald heb bij die laatste drie. Dat zeg ik er even eerlijk bij. Het wordt een slechte dag! 😉

Ik kan overigens iedereen aanraden om via dit artikel die andere blogs eens te gaan bezoeken. Altijd de moeite waard. Ook aan franstalige zijde overigens.

 

Social Gaming, smerige bedriegers allemaal

DM COLUMN Hoe sociaal zijn ‘social games’ eigenlijk? Dat vraagt Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, zich af. Niet bijzonder, blijkt.

In de sociale media wordt er al eens gepraat over ‘gamification’. Een mooi woord waarmee bedoeld wordt: het toevoegen van een spelconcept aan een andere (meestal saaiere) activiteit, met de bedoeling de aantrekkelijkheid ervan te verhogen. Punten verdienen! De boel wat opleuken.

Mijn stelling? De mens is niet te vertrouwen, en daarmee uit. We moeten ons daar toch eens over bezinnen. Die continue neiging om de boel naar de verdommenis te helpen door de regeltjes te omzeilen, wie help je daar nu mee?

Het stopt namelijk niet bij ‘gamification, er is alweer iets nieuw ontdekt in de sector: ‘social gaming’! De boerenjongen in mij vraagt zich dan af of er ook ‘asocial gaming’ bestaat. Dat is dan waarschijnlijk die eenzaat die maniakaal probeert zijn oog-hand coördinatie te verbeteren door zijn spelconsole te bedienen terwijl zijn andere hand een blik Red Bull en wat chips beroert.

Maar ‘social gaming’ dus. Samen spelen, gebruik makend van de menigvuldige ‘sociale’ platforms die de interwebs aanreiken. En waar het meteen ook misloopt. En waarom ik mij er in opwind.

Zo’n jaar geleden was er een spelletje: Wordfeud. Een soort eigentijdse Scrabble. Je speelt het tegen iemand anders, online, op een Scrabblebord. En tussendoor kan je nog gezellig keuvelen ook. Chatten heet dat dan. Een absoluut jeukwoord, maar dat terzijde. Een erg leuke actualisatie van een fijn spel. Ik was er meteen voor gewonnen, want ik hou wel van spelletjes.

Nu ben ik zelf redelijk goed met woordjes. En mijn vriendin ook. Toch kregen wij keer op keer op onze donder van mensen die we kenden via Twitter en er daar nooit in slaagden een tweet de wereld in te sturen zonder taalfouten. Het zegt niets, maar het zegt toch iets. Want op Wordfeud ontpopten ze zich tot heuse taalvirtuozen, die monsterscores haalden met de woordjes die ze op het bord smeten. Ik begreep er niets van en begon licht existentiële problemen te vertonen.

Tot mijn vriendin me wees op het bestaan van allerlei hulpapplicaties: kleine programma’s waarin je jouw lettertjes kan ingeven, soms zelfs met een zicht op het spelbord, en vervolgens toverden de apps de meest lucratieve woorden tevoorschijn. De vooruitgang van de technologie hé. Je hebt er geen verweer tegen.

Mijn lijdzaam verzet bestond er uit om systematisch éénlettergrepigen te produceren. Een zachte blinde in het land van de veelogen. Ik juichte hun gebruik van taal immers toe, ze konden er misschien iets van leren. Mijn vriendin gooide het spelletje gewoon toe. Als we het nu nog eens spelen, dan is het live rond het bord, met haar zoontje erbij en een glas wijn op tafel. Veel leuker, socialer en vooral eerlijker.

En toen ontdekten we Draw Something. Pictionary, maar met twee. Slim uitgedacht ook, want je speelt als het ware samen naar een recordaantal beurten. Hoe beter je tekent, hoe sneller de tegenspeler kan raden en vice versa. Hoe moeilijker het woordje dat je kiest, hoe meer punten je krijgt. Ik ben Picasso niet, dus kies ik meestal redelijk voorzichtig. Wat ik niet kan tekenen, daar begin ik niet aan, het is al moeilijk genoeg.

Groot was dan ook mijn verwondering toen bleek dat men ook daar de kluit aan ’t belazeren was. Gewoon door het te raden woord neer te schrijven. Niet eens als een rebus. Neen, gewoon schaamteloos, alle lettertjes netjes op een rijtje. Wat is dan nog de bedoeling? Een record bijeenharken op slinkse wijze? Wie bedrieg je daarmee? Ben ik dus ook mee gestopt.

In mijn honger naar ‘social games’ en de daar bij horende sociale contacten dacht ik het later nog eens gevonden te hebben: SocialChess! Ik vind het niet uit, het bestaat echt! Online schaken tegen een wildvreemde, maar wel met dien verstande dat je min of meer op eigen ELO rating kan kiezen.

Ik hou van schakers. Het zijn intelligente mensen, integer ook. Met liefde voor het spel. Die vinden het spel zo edel dat ze niet, nooit zouden ‘cheaten’. Zij hebben zelfs een erecode, de koning wordt niet van het bord genomen.

Wat had je gedacht. Het viel mij al op dat bepaalde spelers systematisch opgaven als ze met wit mochten beginnen. Onlogisch, omdat je daar toch een zet voorsprong mee hebt. Ze wonnen echter iedere keer weer tegen me, als ik met wit begon. En weet je hoe dat kwam? Omdat ze de partij naspeelden met een computer naast zich. Stromannen in een virtueel schaakspel, hoe triest kan je leven eruit zien. En dat alles om te winnen.

Neen, geef mijn portie maar weer aan Fikkie. Ik zal wel weer naar pornosites surfen. Op zich is dat wellicht ook sociaal te noemen.

DM Column : Don’t Push it

DM COLUMN “Is er een verband tussen Zazoo-condooms en een nieuwe televisiezender zoals TNT?”, vraagt Guido Everaert, blogger, marketeer en consultant, zich af. “Ja dat is er: de reclamemaker is dezelfde en de manier waarop hij zich bedient van het internet om een viraal effect te hebben verschilt ook niet veel.” Waarna een mens zich kan afvragen hoe spontaan of oprecht zo’n ‘viraal effect’ op internet is.

Het is ondertussen al een aantal jaar geleden, maar ik herinner het me nog als gisteren. Guillaume Van der Stighelen komt ons kantoor binnengestapt, destijds bij Duval Guillaume, klapt zijn pc open en toont een spotje, zonder iets te zeggen. 30 seconden later zit iedereen met een grote glimlach te gniffelen. Het spotje haalde vervolgens zilver in Cannes, het grote reclamefestival, en de rest is geschiedenis.

Waarom moet ik daar nu aan denken? Naar aanleiding van de commotie in datzelfde online- en reclamewereldje over het TNT-filmpje, waarvan ik het linkje ook toegevoegd heb. Omdat er zoveel parallellen zijn. Zelfde bureau, zelfde aanpak, zelfde resultaat: talk of the day.

Het condoomspotje was één van die spotjes waarvan de klant eigenlijk ook wel vond dat het geniaal was, maar hij had of noch het budget, of de durf en het gezag om het ding voluit ‘airplay’ te geven. Dus zocht men een manier gezocht om de wereld toch te laten meegenieten. David tegen de rest. Calimero maakt het verschil.

Het filmpje werd met graagte door de creatieve gemeenschap en de vrienden van de vrienden doorgestuurd en geshared, omwille van zijn creatieve en taboedoorbrekende aanpak,  en kreeg in no-time de aandacht die een creatief pareltje verdient. Eerst in België, dan daarbuiten.

Nu, zoveel jaar later, doet datzelfde bureau de stunt nog eens over.  Binnen de week is het filmpje een absolute hit en scoort sterker dan de meeste superbowl spots. Bravo! En toch is dit filmpje anders, en een ietsje minder geloofwaardig.

Wat stoort er mij? Ik ben niet zo sullig te geloven dat er destijds ook niet aan ‘seeding’ gedaan werd, alleen leek me dat minder gestructureerd dan nu. En het Calimero-effect ontbreekt deze keer. Niet dat dat er altijd bij hoort, alleen geeft het te denken over de kunstmatige aard van het ‘virale’ effect.

Ik heb een bijna kinderlijk geloof in sociale media, omdat het zo’n mooi, eerlijk en direct medium is. Een medium dat de kracht van echte ‘word-of-mouth’ in zich draagt, waarbij goede creatieve uitingen, grappige en goede vondsten altijd naar boven komen. Zoals goede blogposts hun weg vinden en slechte doodgezwegen worden. Geloof me, ik kan er over meespreken.

Dat het ‘push-filmpje’ een hit zou worden, dat kon bijna niet anders. Het is leuk gemonteerd, je bent benieuwd naar de afloop en het het is gewoon grappig. Waar ik wantrouwig word, is het moment waarop ik vaststel dat het na minder dan een week al zo’n hoge toppen scheert.

Want TNT, wat is dat eigenlijk? Het is niet de pakjesdienst. TNT is deel van Turner, de groep die ook eigenaar is van CNN, Turner sports, TCM (Turner Classic Movies) en dan noem ik maar de belangrijkste. Geen kleine jongen dus.

En zie, daar prijkt het filmpje trots op de homepage van Turner.com. Iemand met meer verstand dan ik, zal allicht wel kunnen uitvogelen hoeveel hits dat oplevert, vooral ook als de lancering – weze het dan ironisch – aangekondigd wordt als ‘TNT launches with a big bang in Belgium’. Goeie truken van de foor.

Ook op Youtube is het filmpje niet klakkeloos neergepoot, maar door met zorg uitgekozen partners. Niks verkeerd aan. In een recordtempo krijgt het beestje het aantal views waardoor iedereen zich op de borst kan kloppen. Daar gaat het mijns inziens een beetje fout. Kijk eens hoe goed ons creatief werk, kijk eens hoe goed wij het medium begrepen hebben.

Ik vind dat spijtig, om twee redenen. Ten eerste omdat het de authenticiteit van ‘word-of-mouth ondergraaft. Je kunt in principe niet voorspellen wanneer je een ‘viral’ verhaal gaat maken. Het ontstaat. Door appreciatie. Door erkenning van originaliteit, van kwaliteit. De cynische medemens zegt nu, terecht, dat ik een dromer ben. Dat is dan maar zo.

Daarnaast vraag ik me ook af wie dat filmpje nu wel gezien heeft. Het is bedoeld voor televisiekijkend België. Toch? Meer dan 20 miljoen hits. Hoeveel komen er uit Belgie, en hoeveel uit de buitenlanden?

Nogmaals, niks van wat ik zeg is maatgevend voor het creatief brein en voor het planningsgenie, want wellicht ligt daar het echte snufje genialiteit; ‘de metacommunicatie’ over ‘most viewed’ samen met een terugkoppeling naar die thuismarkt. Ik voel me echter een beetje bekocht, ja, zelfs gemanipuleerd, en daar houd ik niet van.

#justsaying

Hartstochtjes, boeken en vrienden (Amable Column)

Toen het nieuwe boek van Kees Van Kooten uitkwam, De Hartstochtjes, moest ik het uiteraard meteen hebben. Mijn hele leven lang is gekleurd door de stukjes van de man. Het is begonnen aan de universiteit, met de grote bescheurkalenders en de kleine stukjes, en iedere keer weer kijk ik halsreikend uit naar een nieuw boek. Met Ben Elton heb ik dat ook. Ik zou wekelijks checken in de boekenhandel. Ook deze keer was het meteen raak.

Het eerste stukje ging – hoe kan het ook anders – over een gedeelde bezorgdheid, onze boeken. Het ging over veel meer, maar dit komt nu even van pas. En één van de dingen die hij vertelde was zijn methode om komaf te maken met een teveel aan boeken. Niet omdat je ze niet meer wil, maar gewoon om een stukje ‘clutter’ weg te werken. Van Kooten doet dat door in het wilde weg, waar hij ook komt een boek in de brievenbus te stoppen bij wildvreemde mensen. Geef toe, wie zou er niet blij zijn, of minstens geïntrigeerd.

De copycat in mij begon na te denken. En wou ook zoiets doen. Stukken moeilijker dan het er uitziet, afstand doen van je boeken. Vooral ook omdat ik het niet kon verdragen om mijn boeken bij wildvreemden binnen te gooien. Stel je maar eens voor dat ze er niet goed voor zorgen, of erger nog, dat ze ze wegsmeten. Het moesten minstens bekenden zijn, mensen met een hart voor boeken.

Eerst smeet ik het onnadenkend op Twitter: wie ze hebben wil die mag ze komen halen. Dat was buiten de waard gerekend van de moderne mens… Wanneer? welke boeken? hoeveel? Zijn ze in goede staat? Waar moet ik ze komen halen? De administratie die de nieuwe media mij dreigden te bezorgen deed mij al gauw besluiten dat het niet de juiste modus operandi was.

Nu maak ik boekpakketjes voor vrienden. Iedere keer ik weet dat ik iemand ga ontmoeten van wie ik weet dat zijn/haar hart wel wat mooie zinnen kan verdragen, maak ik een Delhaizetasje klaar.

Ook dat is niet makkelijk. Enerzijds moet je nadenken over wat die andere dan wel zou kunnen smaken uit jouw aanbod, wat op zich nog wel een prettige gedachte is. Je kunt dat opvoedend of entertainend bekijken, je kunt ook gewoon vanuit het verlengde van de gekende interesses nadenken. Meer van hetzelfde dus.

Wat je ook kiest als invalshoek,vroeg of laat komt het moment waarop je met een boek in de hand staat te filosoferen.

Ja, jij, oude rakker… wat heb je voor mij betekent? Heb je uberhaupt iets betekent? En dan wordt het ineens erg moeilijk. Je legt het boek terug bij de vriendjes. Neen, je mag nog niet weg. Het was te leuk, toen ik je las daar op die luchthaven, of op dat zonnebedje aan het strand.

Neen, nu nog niet, die kaft is gewoon te mooi. En ik kan het die schrijver toch niet aandoen, ik heb alles, alle broertjes van dat ene boek, zou ik die nu echt scheiden?

Soms geef je met plezier, omdat het meteen klopt, hoe mooi het boek ook, omdat je weet dat je’t wel opnieuw koopt, en op andere momenten zijn de herinneringen te sterk, en kun je’t niet over je hart verkrijgen.

Soms ga je ook gewoon lui in de zetel zitten en begin je er opnieuw in te lezen. Niet alles, gewoon hier en daar een flard, om er terug wat in te komen, of omdat je bepaalde namen niet meer herinnert. Fijne middagen zijn dat.

Boeken kado doenNa veel krabben, terugleggen en overwegen heb je dan eindelijk een tasje klaar. Een pakket waar je trots op bent… En dan komt het volgende stukje genot. Dat van het geven. En de verrukking op het gezicht van de andere. En dan weet je dat je iets goed gedaan hebt.

Het is ook een geruststellende gedachte, op de één of andere rare manier, dat je je boeken bij vrienden weet. Dat ze daar een tweede leven krijgen, een beetje als een vader die zijn kinderen loslaat, ook al zijn het niet echt de jouwe, je hebt er toch een stukje weg mee afgelegd.

En dan zie je ze ineens tussen de boeken van die andere staan, en dat geeft een leuk gevoel. Soms zie je die zak echter ook gewoon ergens in een bijkeuken staan, nog niet uitgepakt, en dat doet dan weer pijn. Dan heb je ook gewoon zin om de hele handel weer mee te nemen, maar dat zijn gelukkig de uitzonderingen.

Het zal nooit simpel zijn tussen mij en de boeken…

Gent: mijn eeuwig, lelijk lief

Wie mij kent weet dat ik zelden een goed woord over heb voor de stad waar ik gestudeerd heb.  Stad van de lege pleinen, de mediocre restaurants en de lelijke mensen.  Kort door de bocht, en wat uitleg waard.

Lege pleinen, omdat ik met weemoed terugdenk aan de heerlijke anarchie van het Veerleplein. Hoe vol ook, er was altijd plaats voor nog een auto meer. Lege pleinen, omdat ik me de commotie van het lussenplan herinner, en het verkeersluw maken van de stad, zodat het – zeker bij aanvang – erg leek op een stad met speruur.

En heerlijk ook hoe anarchistische Gentenaren het vertikten om hun auto aan de stadsrand te laten. Gevolg was dat iedereen via een ingewikkeld netwerk van sluipwegjes – ja mijnheer wij kennen onze stad als onze broekzak – toch binnen de 10 meter van zijn bestemming parkeerde.

Mediocre restaurants ook. De Gentenaar blieft niet alles, doet niet mee aan de modekes en houdt niet van experimenten. Ugetso monogatari, voorwaar een monument, heeft het niet overleefd. Le Baan Thai was lang het enige thaise restaurant, die naam waardig. Italianen, dat beperkte zich tot de pizzahoeren van het zuid. En daarnaast wat mooie experimenten in het Patershol, uiteraard naast de bourgeoiskeuken die zowat overal in Gent een constante was en is. (En ja ik ken(de) Apicius, Blauwe Zalm, Grade, Food Affair, len al die andere, ees even met mij mee, eerder dan mij op fouten te willen betrappen)

Lelijke mensen. Gent is Antwerpen niet, Gent is Leuven niet. Gent is rood (en blauw) en alternatief. En bij alternatief hoort wat grauwigheid, wat snot en onverzorgd, spuwen op het  materiële van mooie kleren. Latem is Gent niet. Gent is Muide, Brugse poort, de Kuip, alles wat bezongen wordt in ‘9000’ .

Ik heb het altijd heel erg gevonden dat Gentse academici (denk aan een Aubin Hendrickx, toxicoloog met wereldfaam, Etienne Vermeersch, scherper denker vind je niet (toegegeven ’t is een aangespoelde, maar hij is wel van ons)) altijd zo volks en banaal klonken op de radio. Eerst de Gentse tongval, dan pas het Nederlands. Qua inhoud zat het altijd goed. En ja, we hebben ook politici van wereldklasse, zeker in de categorie ‘schonemenseninhunlelijkheid’.

Gisteren liep ik in de vooravond even door mijn stad, te voet, het was lang geleden. Ik heb genoten. Genoten van een stad die behoedzaam, organisch bijna, aan stadsvernieuwing doet. Waar ik lege pleinen zie veranderen in keuveloorden waar iedereen, iedereen tegenkomt en stopt voor een babbeltje.  Waar ik oude verlepte studentenbuurten zie opleven, zonder hun eigenheid te verliezen. Waar winkelstraten tergend langzaam, in een eindeloze kadans van afbraak en verbouw, hun eigenheid houden en meewerken aan een mooi stadsbeeld. Waar buurten cyclisch terug in de belangstelling komen. Toen ik student was, was de Meerseniersstraat ‘trending’ om nadien een toeristische baggerpoel te worden. Nu zijn er daar in de buurt  terug hippe, leuke, kleine restaurants, cafeetjes en winkels.

Over die restaurants overigens nog dit. Ik heb in de inleiding gezegd dat er alleen maar mediocre zijn. Ik denk dat Gent ondertussen culinair één van de meest interessante steden aan’t worden is, waar je zowat alles kunt vinden, in elke mogelijke prijsklasse. Het is alleen allemaal wat bestendiger. Onze restaurants zijn er om te blijven, niet om een modebeeld te versterken. En dus gaat het wat trager, maar ’t is er ondertussen wel. En ’t is lekker en echt.

En de mensen, tja die blijven wie ze zijn. Ga naar de Vooruit, het Damberd of de Vagant, en je komt er nog steeds dezelfde types tegen. En dat is eigenlijk best mooi. Vrank en vrij, en op hun eigen.

Toen ik gisteren het Lichtfestival parcours afdweilde, moest ik daar aan denken, en ik werd er zowaar vrolijk van. Ik houd van deze stad, van de gezelligheid, van de tegenstelling mooi/lelijk. Lichtsculpturen om de lelijkheid te verdoezelen. Gentenaars die bij wijze van spreken op straat leven tijdens die periode en voluit inkijk leveren in hun huizen door alle lichten aan te steken en de gordijnen te openen. Vrank en vrij.

Toeristen ook die naar de verkeerde dingen kijken. Met hun kop omhoog naar de straatnaambordjes, om de weg niet te verliezen. De weg verliezen in Gent. Het kan niet echt, en het is bovendien bij het mooiste wat er is, verdwalen in de straten.

Toeristen ook die dat hele lichtspektakel alleen maar gezien hebben door het schermpje van hun smartphone. Hoe jammer. Je moet daar geen foto’s van maken, je moet dat met al je zintuigen voelen. Wat je moest doen is onderdompelen, ondergaan, en het evenement beleven. Genieten van de spitsvondigheid van de stadsgidsen, die zichzelf als ‘verlichte geesten’ onschreven. Genieten van het opportunisme van winkeliers en neringdoenders, die gastvrijheid koppelden aan geldgewin. Genieten van de creativiteit van de kunstenaars, die kindjes in een kaleidoscopisch dansje projecteren tegen een kerkgevel.

De mooiste bevestiging zag ik bij een gezellig dikke man. Totaal onaangedaan door de drukte, rechtover de universiteitsaula, uitgerekend de plek waar op straat enkel maar een file te bewonderen viel,  zat hij een pannenkoek binnen te werken. Op het terras, met een koffie en een patersbier, zich niets aantrekkend van de drukte. Vrank en vrij, en op zijn eigen.

Gent zal altijd mijn lief blijven, en wee, wie er iets verkeerd over zegt!

Room with a view: Wedelhütte

Ik hou niet van reclamepraatjes, ik heb ze ook altijd geweerd van deze blog, omdat jullie daar niet echt van gediend zijn, en ook niet echt komen zoeken. Maar heel soms, dan mag het volgens mij toch wel. Zoals nu, omdat het nogal sprookjesachtig is. En dat heeft ook met de omstandigheden te maken.

ik zit in Oostenrijk, Hochzillertal, met wat echte journalisten. Dat op zich is sowieso al leuk, maar daar ga ik jullie niet mee vervelen, of misschien later, in een andere context. Er werd ons gezegd dat we de nacht zouden doorbrengen in een berghut, redelijk hoog, zo’n 2350m.

Ik ski graag en ik heb vroeger, privé ook al dat soort toestanden gekend. Eens de skipiste gesloten is, ben je dan alleen op de berg, met het gezelschap dat in die hut verblijft. Dat kan meevallen, dat kan tegenvallen. Als het tegenvalt is er altijd nog de drank, om het te doen meevallen. Meestal valt het gewoon mee, en zijn het fijne vakanties, zonder al te veel kapsones, en met de nadruk op die ski ervaring.

Ik weet ook wat ik me bij zo’n hutten moet voorstellen. Kraaknet, warm, maar al bij al rudimentair qua comfort. Als extra dimensie kwam daar gisteren bij dat ik vreesde dat het voor wat betreft de internet connnectie allicht nogal zou tegenslaan, als die er uberhaupt al was. Dat is het soort van dingen dat mij al op voorhand een beetje humeurig maakt, zeker met de blog van MLF, waar ik dan achterstand zou oplopen, en het gevoel van redelijk incommunicado te zijn.

Mijn humeur werd er niet beter op toen bleek dat we naar de hut gebracht werden in de achterbak van een sneeuwruimer. Nogmaals, als het echt vakantie is, dan deert dat niet, integendeel, hoe gekker en onorthodoxer, hoe liever, maar gisteren niet. Zo’n bak wordt gebruikt om de hotelvoorraden aan te slepen, gisteren was dat duidelijk vis, en eens je er in zit, zie je niets meer. Het was donker, het sneeuwde, het was een hels kabaal, het werkt enorm desoriënterend. En het is niet bevorderlijk voor het humeur.

Maar dan. We stopten en werden uitgeladen (je kunt het niet anders noemen). Dit had niets met een berghut te maken, het was een ultramodern, stijlvol ingericht, paradijsje.  Met alles wat je je maar kon wensen aan modern comfort, en verwentoestanden, gaande van jacuzzi en infraroodcabines over een heuse wijnproeverij-ruimte.

Ik kreeg een kleine kamer (sic),… amper 50 vierkante meter!! Een kamer die de vergelijking met veel gereputeerde, internationale prestigeketens met gemak zou kunnen doorstaan.

Het eten was ontzettend verfijnd en naarmate de avond vorderde kwam de uitbater een praatje maken. Sympathieke mens, die met dit verhaal zijn ultieme droom gerealiseerd had. De Wedelhutte, onthou die naam, als je er ooit een keer op uit wil trekken om in optimale omstandigheden op een skidomein te verblijven.

Omdat kritische zin en een beetje zagerij niet mag ontbreken,  had ik meteen ook een aantal vragen die opborrelden in mijn hoofd, die niet in het minst met mezelf te maken hadden.

Is het normaal dat je blij bent om iets wat eigenlijk puur materieel is, en niets maar dan ook niets met de kwaliteit van je ski ervaring te maken heeft. Ben ik dan toch gewoon een oppervlakkig materiëel lulletje dat dat soort verwennerij wel kan appreciëren? Dat houd ik nog een beetje voor mezelf.

Is het een afbreuk van de authenticiteit van de ‘bergbeleving’, om dit soort paleisjes op te trekken in een omgeving die eigenlijk een stuk ruwheid moet uitstralen? Ik ben daarover met de uitbater in discussie getrokken en het mooie eraan is dat ze zich erg bewust zijn van die problematiek ne dat ook uiterst behoedzaam benaderen. Ze willen hun bergen niet transformeren tot mondaine ‘hang’oorden voor de rich and bored, integendeel, ze betrekken lokale producenten, boeren, wijnbouwers, bij het verhaal. En hier en daar in Oostenrijk willen ze een signaal geven dat er wel meer te beleven is dan lederhozen en dirndls. In dat opzicht was het meer dan geslaagd te noemen, wegens uitermate respectvol tegenover de natuur en de omgeving.

in laatste instantie stelde ik me vragen over de manier waarop hier naar het leven gekeken wordt en de impact die dat heeft op het familiale. Tijdens het seizoen ziet de uitbater kind, familie en vrienden, quasi niet. Het seizoen loopt van december tot april. Dan is het even rustig, en juli/september zit hij weer boven op de berg.

En toch is het de realisatie van zijn ultieme droom, hij kon zich niets mooier wensen, en zijn zusje, die het samen met hem uitbaat ook niet.  Het geeft te denken over ondernemerszin, arbeidstijd, enerzijds,  en familiale omstandigheden en het opvoeden van een kind anderzijds. Niet dat ik er een mening over zou hebben, ik ben nog teveel aan ‘t genieten van de omgeving.

 

Oh ja, en de andere bloggers die mee spelen in dit verhaal, vertellen hun wedervaren hier : @houbi, @Ysabje, @aardbeiwormpje …

Ik hou van mannen, vooral als het jongens blijven

Ik heb het er nog niet over gehad. Omdat het nogal veel pijn doet.

Een maand geleden heb ik meegedaan aan de dodentocht in Bornem. 100 km wandelen/stappen en je krijgt er 24u voor. In principe geen probleem. Maar ik heb jammerlijk gefaald. Opgegeven in de helft.

Er zijn verzachtende omstandigheden, die zijn er altijd, maar daar gaat het niet over. Het resultaat is dat ik het niet gehaald heb. Ik kan hier oeverloos blijven mompelen over te dikke kousen, en daardoor al vanaf km 2 problemen met mijn tenen. Ik zou uren kunnen vertellen over mijn rugzak, die ik normaal nooit gebruik als ik tochten doe, en waar voor deze keer twee boeken, twee kledingsetjes, voedsel voor een week en een hele veldapotheek inzat, maar dat ga ik niet doen. Ik ga me ook niet verschuilen achter mijn competitiedrift, waardoor ik van bij aanvang met de betere meestapte, om al na 30 km te merken dat ik mezelf overschat had. Het is immers in mijn hoofd dat de hubris ontstond om te denken dat ik er al rond 15u zou zijn.  Op basis van de eerste 50km zou dat ook een realiteit geweest zijn.  Ik wil het ook niet verder hebben over mijn persoonlijke Deus ex Machina, de K-woman die mij om 7u ’s ochtends in Steenhuffel kwam trakteren op een koffietje, waardoor ik finaal verkoos om de rest van de dag in andere oorden door te brengen.  U, mijn beste lezer, bent niet gediend van voorwaardelijke wijzes en excuses. Ik bespaar ze u dus… uit respect! U zal me er niet meer over horen, maar volgend jaar sta ik er weer! en kom ik aan! Binnen de tijd! Ruim binnen de tijd…

Eén van de mooiste herinneringen heb ik overgehouden aan dat uurtje voor de start. Cool, calm and composed, zat ik in een plaatselijke afspanning een boek te lezen, doordrongen als ik was van het besef dat ik een wereldprestatie, nooit gezien in de geschiedenis van de dodentocht, zou neerzetten.  Naast mij streken 6 rumoerige scoutsleiders/jeugdclubtyconen neer, die met veel misbaar zware Duvels bestelden en met die kenschetsende brallerige humor, eigen aan onzekere mannen/jongens, hun demonen probeerden te bezweren.  Er was leute, er was lawaai, er waren boude uitspraken en grappige opmerkingen, er werden foto’s genomen van de helden, de gladiatoren. Allen voor de eerste keer aan de start, maar de jeugd heeft de toekomst. Ze gingen dit varkentje wel eens even wassen.

Ik ging naar toilet en kruiste daar één van de knapen. Hij bekeek zijn wilde haardos in de spiegel en sprak de welhaast profetische woorden ‘Joenge, joenge, zijde gij oek zoe zenuwachtig? Ik schet bekanst in man broek van de zeene! Kgon dat verleves nie kunne, en ze gon ma eutlache, doemme toch!’  Je kunt daar niets aan toevoegen, dat hoeft ook niet. ik lachte even, en zei dat het voor iedereen even ver is. De ‘schoon weer vandaag’ cliché voor sportmanifestaties.

Ik ging weer naar mijn tafeltje. Hij ook, en niets verried dat hij blij was dat hij zijn hart even had kunnen luchten. Het was weer de luidste braller van toen net. Zo hoort het.  Dat soort kwetsbaarheid is niet voor de vrienden, en toch weer wel. ik ben er zeker van dat ze allen, wij allen met dezelfde twijfels en stress zaten, en dat we ons groot hielden door stoer gedrag.

En het mooiste van al. Dertig kilometer later hoorde ik er toevallig één bellen naar het thuisfront. ‘Met mij gaat het nog, maar de Jerre heeft een probleem. Allez, ’t is te zeggen, t heeft niets met zijn conditie of zo te maken, maar hij gaat het waarschijnlijk niet kunnen uitlopen, iets met zijne knie…’ Schoon, heel schoon!

Dat is het toch? Echte vrienden zullen het eventuele falen van één der kameraden toedekken, afschermen en begrijpen. Ze zijn opgelucht dat het hun niet overkomt, maar ze zullen op zo’n moment nooit de draak steken met die onfortuinlijke. Daarvoor zijn we maten, voor ’t leven.

En nadien, in de warme geborgenheid van het dorpscafé zullen er stoere indianenverhalen verteld worden over lijden, afzien en heroïek, maar nooit zal die ene te kakken gezet worden. Hij maakt deel uit van het genootschap dat er was.

What happened in Bornem stayed In Bornem. Helden worden niet verguisd.

Wandelen, trekken en wielertoeristen

Wielertoerisme by @blissbohemian (www.bliss.be)Toen ik over Pocahontas en Heidi blogde, had ik het essentieel over een imagoverhaal. Zoals Oostenrijk een land is met een perceptieprobleem, zo is ook de wandelsport – en ik gebruik het woord ‘sport’ met opzet – opgezadeld met een huizenhoog stoffig imago. Bij Oostenrijk heeft het misschien nog te maken met de naam van dat land. Een ‘rijk’, dat klinkt al meteen wat ongeloofwaardig. Misschien moeten ze, naar het voorbeeld van de nieuwe Afrikaanse republieken, beginnen met een nieuwe naam, die dezelfde blijft in alle talen, Ostrialië of zoiets.  Branding experts zullen dat wel kunnen oplossen.Ik zie een trend aankomen, binnenkort is Vlaanderen-België-Walubrux  immers aan de beurt.

Terug naar de ‘wandelsport’. Het beeld dat in mij opkomt, is dat van oude mensen, lelijke outfits, K-way op de rug, en een verbeten marsritme. De weg naar het zoveelste abdijbier is erg pijnlijk en moeizaam. Bijkomend, ze verplaatsen zich in hordes, op afgesproken tijdstippen, en ze hebben iets principieel over zich. Principieel is in sommige gevallen wel ok, maar niet als het op vrije tijd aankomt. Dan moet het mogen, en plezant zijn vooral.

De wandelsport in Vlaanderen, dat ziet er niet altijd even plezant uit voor buitenstaanders.  En eigenlijk is dat jammer. Ik leg even uit waarom. Ik doe het zelf ook. There, i said it. Ik stap. Hard en veel. Ik draai mijn hand niet om voor tochten van 30 à 40 km, met een strak tempo van 10min/km. En ik zie dan overigens erg mooie dingen. Mijn biotoop is het GR-netwerk (de roodwitte balkjes), die je ook in Vlaanderen vindt. Geen volk, geen fietsers, geen massa’s en een strikt minimum aan woonkernen (helaas niet altijd).

Dat ‘kunnen stappen’ is een overblijfsel van vroeger. De (foute) jeugdbeweging, de dagelijkse tocht naar de auto van mijn papa, waarvoor we Brussel moesten doorkruisen. De vakanties in Spa, op zoek naar de bronnen van talrijke Ardennenstroompjes. Ik heb altijd graag gestapt. En ik heb er ook nooit moeite mee gehad.

Een lief in Nieuwvliet? Ik stapte van het station in Knokke tot daar. Mijn voeten waren mijn bondgenoten, en als het vlug en verder moest gaan dan lifte ik tussendoor. Ik snap het gedoe er ook niet rond. Het is gewoon, de ene voet na de andere zetten. Op je eigen ritme. nu heet dat aëroob, qua inspanning,in tegenstelling tot anaëroob, da’s dan rennen. Ook niet zo moeilijk.

Nu ik er over nadenk, mijn broer en ik, we hebben nog atletiek gedaan, voor de fun, bij HAC, de Hekelgemse Atletiekclub. We deden dat niet eens zo slecht. Zozeer zelfs dat we er tot voor kort nog beiden in slaagden om mee te doen aan de 20km van Brussel zonder noemenswaardige voorbereiding en dat ding ook nog in een redelijke tijd uitliepen. Jupiler was de sportdrank die we gebruikten, zowel voor als na.

Als ik aan wandelen en stappen (Vlaams, niet Nederlands) denk, denk ik ook aan de parallel tussen fietsen en wielertoerisme. Fietsen, dat doe je met vrouw en kind, korte trage tochtjes. Wielertoerisme dat is afzien, echte sport, ok biking. Wielertoerisme. Nog zo’n foute naam. De meeste wielertoeristen zijn verdoken competitiebeesten, en maniakaal met hun materiaal bezig, maar het heeft niets met toerisme te maken. En toch is wielertoerisme populair en een markt waar geweldig veel geld in omgaat. In wandelen niet zo, als je kijkt naar wat er in Vlaanderen rondloopt.

Maar als wandelsport ineens trekking heet, dan hebben we het over iets anders. Trekking gebeurt in het buitenland. Denk ik.  Want bij trekking springen de beelden van onherbergzame oorden, woeste berglandschappen (neen, geen Oostenrijkse, dat zijn immers perceptiegewijs ‘suikerbergen voor oude mensen’), vitale, viriele venten en supersportieve, sexy chicks.

Rugzak aan, en voet na voet, op paden doorstappen tot je ergens komt waar je kunt rusten, eten of slapen. Wandelen dus. In trekking gaat wel veel geld om. Denk maar aan de AS Adventures van deze wereld, die worden daar rijk van. De juiste schoenen, kleren, het materiaal… fingerlicking.

Dus net zoals voor Ostrilanië, laat ons niet meer spreken over wandelsport maar over Trekking. De voordelen zijn legio: imago verbetering, betere en mooiere outfits en dus ook een stuk landschapsverfraaiing, en de economie draait er beter door. Ik  zal er me zelf ook een stuk beter bij voelen. In plaats van het oubollige wandelen doe ik vanaf nu immers aan trekking…Ik ga nu een geruit hemd aantrekken en mijn Meindls staan klaar voor een tochtje. De hond kwispelt, hij mag mee, los.

Trekking in Vlaanderen. Het leent zich ook beter voor grapjes. In één ruk… er op los trekken, etc. kwestie van u voor te zijn qua spitse commentaar.

Over Marketinghoeren en Boeren

Ik ben een marketinghoer, en een aandachtsslet. Wie mij kent, of bezig ziet op de sociale platformen en op de diverse hoogmissen van ons métier, zal dat beamen.  Zelf denk ik daar anders over, maar dat doet niet ter zake. Ik weet dat je animo rond je profiel moet houden op de diverse netwerken, anders tuimel je zo de vergeetputten van het wereldje in. En ik wil aandacht, aandacht voor mijn stukjes, die ambachtelijk geschreven zijn, en waar ik best wel trots op ben.

Onlangs ben ik mijn absolute antipode tegengekomen. Een kaasmaker uit Salzburgerland. Hij werd ons aangekondigd als een jonge boer, die erg succesvol bezig was, hoog op de alm, met een kaasmakerij.

Wat we te zien kregen was een helder uit de ogen kijkende, getaande alpenkop, die met een mok koffie en een sigaret voor zich, met nauwelijks verholen afgrijnzen keek naar het stelletje ‘journalisten’ voor hem.

Hij had een pracht van een uitbating, en dat zeg ik zonder een zweem van ironie en ik som even op wat hij op de verschillende locaties als didactische uitleg meegaf.

In de kaasmakerij : “Dit is de kaasmakerij, als u vragen hebt, dan luister ik.”

In de winkel : “Hier verkopen we kaas, boter en spek. Proeven?”

Bij de ovens : “Het rookt omdat ik spek rook, dat gaat niet zonder rook”.

In de kelder: “Mijn kazen gaan bijna kapot van dat geflits!”

Bij zijn toeristenverblijven : ” Het zijn oude, opgeknapte huizen, dat is leuk voor de toeristen”

Hilarisch en juist was het. De man leefde in en voor zijn producten, en al de rest deed er geen zak toe. Hij liep in hetzelfde kloffie rond dat hij al jaren aantrok, gaf zo kort mogelijk antwoord en wilde eigenlijk niets liever dan dat we zo snel mogelijk opkrasten, en hem lieten verder werken.

Was hij onvriendelijk? Neen. Hij had alleen geen zin om zich met bijzaken bezig te houden. En zo hoort het. De kaas was verrukkelijk, de koffie was lekker en ik durf te wedden dat er aan de uitbating van het hof ook niets verkeerd was, alles zat vol, en het ontbijtbuffet zag er heerlijk uit. Meer moet dat niet zijn. Word of mouth, storytelling en conversationmanagement, his way.

Over Pocahontas en Heidi

We gaan allemaal graag op reis. Dat verbreedt onze achtergrond, onze voeling met de cultuur en zo. Liefst van al gaan we wel naar  quasi uitgestorven beschavingen en uitdagende gebieden. Anders vinden we er niks aan. De zee is voor jonge families met bleitkinderen, de Ardennen is voor ‘treehuggers’ en depressieven, en Spanje is voor het klootjesvolk. Oh ja, en Oostenrijk is voor oude, rechtse, dikbuikige wandelaars. Met lelijke outfits en verkeerde nostalgie naar een tijd toen alles netjes georganiseerd was.

Misschien is dat toch niet helemaal juist. Ik liep gisteren op de alm met Gerhard Wolfsteiner. Ik laat de naam met opzet vallen, niet omdat ik daar extra punten mee scoor, maar omdat ik ook wel zo zou willen heten. Gerhard, je hoort de alpengalm zo al. En Wolfsteiner, hoeveel meer kracht kan een naam niet hebben. Wolf und Stein! man, man man…

Anyway, ik liep daar zo wat te kuieren en bedacht me dat het eigenlijk idioot is dat je met geweld eerst maar even in Nepal wat trekking gaat doen, als je in het Alpengebied over perfect valabele alternatieven beschikt. Wat is er mis met dit land, waarom is het niet sexy?

Als we een Peruviaanse bondgekleurde  vrouw in traditionele klederdracht zien, sturen we trots foto’s naar het thuisfront. Als we een Dirndlmeisjes zien beginnen we meesmuilend Edelweiss te zingen en foute grapjes te vertellen over uitzichten en balkons.

Een gaucho oogst bewonderende blikken. Een alpenboer in lederhozen wordt vergeleken met Bart De Wever. hoe juist is dat eigenlijk?

Is Oostenrijk een anachronisme in Europa? Ik dacht het niet, overal heb je tradities, authenticiteit en misschien nog belangrijker, levenscondities die ervoor zorgen dat bepaalde ontwikkelingen er zijn of niet.

Het gehalte oude, tandeloze maar bijzonder fotogenieke vissers, die aan de kaaien hun net zitten te herstellen is hier bijvoorbeeld bijzonder klein. Anderzijds beseffen ze hier maar al te goed dat ongeveer 1/3 van hun bruto regionaal product (in Salzburg) afkomstig is uit het toerisme. Hoe je dat invult is dan weer een andere zaak, maar ze doen dat allesbehalve slecht, en ze beseffen dat het prijsgeven van die authenticiteit een troefkaart minder is.

Wij kunnen het ons misschien niet voorstellen, maar de anekdote werd me verteld, dat een groep Japanners er werkelijk van uitging dat de Alpenhutten gebouwd werden, speciaal  voor het toerisme. Dat is al even fout, als denken dat je met een hoop achterlijke boeren te maken hebt.

Ik heb hier alleen maar vriendelijke en nuchtere mensen ontmoet… en veel eten, dat ook, ja.

Erst das fressen und dan…

Ramsau, Schladming. Het is grappig hoe namen blijven vastzitten in je hoofd. Mijn allereerste wintersportevaring deed ik op als kind in deze streek. Er was nog geen sprake van maximumfacturen en een bende 11 jarigen ging vrolijk op sneeuwklassen met het vliegtuig. Een belevenis.  Inclusief een busreis vol kotsende kinderen. Het waren andere tijden, waar het onderwijzend personeel volop van genoot (op dat kotsen na dan)

Ik bespaar u de details over vernederingen, frustraties en ongemakkelijkheden , als jongens van gewone komaf met  te grote trainingsbroeken en slecht aangepaste regenjasjes een week in de sneeuw zitten. Dat is voor een andere keer. Ik wil het ook niet hebben over groepsdouches, slecht passende pyama’s en dat soort ongemakken. Misschien wel een heel klein beetje over het eten. Toen exotisch, wegens soms onbekend, nu niet meer.

Wat er ook van weze, 35 jaar later sta ik hier weer, in een ietwat vreemde maar verre van onaangename context.

En er is niets veranded op het eerste zicht. Uiteraard heb ik tussendoor ook al wel wat Oostenrijk gezien, voornamelijk de skigebieden dan, terwijl het hier toch eerder een Nordic en langlauf gebied is (Ramsau dan), maar dat telt  even niet mee.

Wat wel meetelt is de herinnering aan mijn tweede ski ervaring (na de sneeuwklassen). Met mijn toenmalig lief naar Elbigenalp in het Lechtal, georganiseerd door Ultra Montes. De katholieken hadden toen ook reisbureaus, met dat soort stichtende namen. Het was even traumatisch voor mij, want als werkstudent had ik er eigenlijk het geld niet voor, en dus werd gekozen voor dit soort oplossing. Met de bus, waarvan mijn  toekomstige schoonvader de reisleider was. Ik kreeg dus ook zicht op alle égards waarmee de notabelen van het toerisme behandeld werden.

Toen werd je hartelijk ontvangen na de reis, met schnaps en een biertje, en warme schouderkloppen. Het leek een toeristenstukje, het was echt. Nu is het dat nog steeds. Men is hier hartelijk, men heet je welkom, en men wil het je naar de zin maken. Kraaknet en ferme waterdruk op de douches! Zo hoort het. Und Grosse Bieren.

Toen ik vanochtend een wandeling maakte (als je niet kunt slapen is het hier wel zalig, dan zie je’t licht worden in de bergen, alleen jammer dat het grijs en druilerig is) heb ik de perfecte samenvatting gezien van hoe je deze regio kan ‘plaatsen’ qua food experience.

Het is gemoedelijk lekker, en niet fancy. Je hoopt ook dat ze daar nooit aan beginnen. Laat ze ’t in godsnaam simpel en smakelijk houden, daar is iedereen bij gebaat. Mijn persoonlijke favoriet blijven hun soepen, die altijd opnieuw origineel gegarneerd zijn.Gisteren lag daar bijvoorbeeld een stuk spek op. Het mag misschien niet volgens de fat control foodies, maar het is gewoon lekker.

En nu ga ik ontbijten! Bis später

Een beetje reizen

'Rails untraveled' by @blissbohemian (www.bliss.be)

Ik heb het altijd gehad, voor ik op reis vertrok, ook al was het maar naar “Dardennen”, of “De Zee”. Zenuwachtige kriebels. Het gevoel ook van een nieuwe start, een nieuw leven.

Veel had er als kind natuurlijk mee te maken dat er nieuwe dingen gekocht werden. Je vertrekt niet op reis met een lege tube tandpasta. En laat ons maar even gek doen, meteen vervang je ook die oude tandenborstel. En nieuwe onderbroekjes, die kregen wij ook mee als we op kamp gingen met de jeugdbeweging. Of een nieuwe pyjama. In spons. ‘Voor in spanje’.

En we gingen voor het slapen uitgebreid in bad, want ’s morgens was daar geen tijd voor, dan moesten we zo snel mogelijk vertrekken, om toch maar uitgerust aan ‘De Ring rond Parijs, die oninneembare vesting (Copyright Youp Van’t Hek) te kunnen beginnen, voor de file.

Ook een mooie eigenaardigheid van mijn moeder, bijdragend tot het ‘nieuw-leven-gevoel’: er werden verse lakens opgelegd, vlak voor we zouden gaan slapen. Stel je voor dat we verongelukten en er kwamen vreemde mensen in ons huis, dan mochten die toch niet denken dat we vuilaards waren. Als je er maar een paar uur in geslapen had, dan kon dat nog net.

De reis was ook meticuleus voorbereid. Om de zoveel kilometers rusten, daar eten en drinken. De route was gememoriseerd. In Lille niet verkeerd rijden, Porte de Bagnolet, Porte d’Italie, Route du Soleil, stadscentrum Lyon vermijden, Perpignan….De uitstapjes lagen vast, dit met de trein, dat met de auto, dan rusten aan het zwembad. En alles werd vereeuwigd met de super 8 camera.  Agfa filmkes van 5 minuten. Voor later. Dat was moderner dan diassen.

En nu?  Er blijft niet veel over. We maken achteloos onze tassen. We kijken nauwelijks waar we heen gaan. We hebben immers GPS als het met de wagen is, of we zien het wel op de luchthaven, of in het station, wapperend met ons E-ticket. De verwondering is weg. De spanning en de voorbereiding ook. Een beetje reizen is saai geworden.

Behalve deze ene keer… Ik moet iets onbestemd gaan doen in Oostenrijk. Een soortement schattenjacht. Ja, ze spreken wel over ‘geocaching’ en moeilijke dingen en zo, maar ik houd het op een groot avontuur… In een land dat ik associeer met Lederhosen, Alpenweides, Schnitzels und Grosse Bieren, en een zweempje BDW. Niet zo fijn dus.

En toch… het is nostalgie, en het is een beetje spannend. Niet in het minst omdat ik gevraagd werd een rugzak mee te nemen. Wat ik niet heb. Het pakken voelt meteen anders aan. En morgen vertel ik er meer over. Of overmorgen, het is immers allemaal onbekend. Hebben ze daar stroom? Of internet? Wie zal het zeggen?

De liftende hoer

Ze stond een beetje weifelend te zwaaien. Tenger, meisjesachtig lijf, dik ingepakt in goedkope kleren. Ze liftte. Ik was niet speciaal gehaast dus ik stopte om haar minstens al een eind op weg te helpen. Ze moest in Latem zijn, de Kortrijkse steenweg.

Wie de buurt een beetje kent weet dat daar de uitzuipkroegen van de plaatselijke chaussee d’amour zijn. Waarom zeg ik dat? Waarom zo snel een conclusie die er misschien geen was?

Ik weet het niet, ik heb er geen speciale neus voor, maar het bleek wel te kloppen. Het was een zwarte vrouw, met een te zwaar parfum, intrieste blik en een lijf dat allicht zo skinny gehouden werd om de kansen op de markt te maximaliseren ‘parce que la clientèle apprecie’. Haar humor en levenslust spaarde ze voor haar beroep, zo scheen het. ‘Allez cherie, tu m’offres une petite coupe?’ eerst zuipen en dan proberen de dans te ontlopen en het pezen zo lang mogelijk uitstellen.

Zonder stijlfiguren te willen neerpoten, haar gezicht was minstens dubbel zo oud als de oppervlakkige monstering van haar stekkebeentjes deed vermoeden. En doffere ogen had ik ook al lang niet meer gezien.

Ze zat stil in de auto en vroeg heel plotseling of ik getrouwd was. Ze vond het huwelijk niet evident. En al helemaal niet als er ‘violence’ bij kwam kijken. Geef haar maar eens ongelijk.
Ik moest haar afzetten aan restaurant ‘la grande bouffe’. Vlak ernaast was een bar ‘ Le p’tit faim’. Humor hebben ze wel die pooiers. Daar stapte ze binnen. Waarschijnlijk tot een kot in de nacht, om dan op dezelfde sjofele manier terug te geraken in Gent. Haar nachtmerrie kon beginnen, mijn fantasie begon te werken.

Hoeren, niks klinkt lekkerder bij de niet-geïnformeerde. Wij stellen er ons wulpse sexperts bij voor, met geweldige boezems, die in staat zijn ons alle hoeken van de kamer te laten zien. De realiteit schijnt dus lichtjes anders te zijjn.
Voor we in een verhitte discussie komen over de verkeerde topics, ik veroordeel niks of niemand. Niet de hoeren, niet de hoerenlopers. Misschien wel de pooiers, maar dat zeg ik niet luidop wegens schrik om ‘nen djoef op mijn muil’ te krijgen. Ik ben er ook van overtuigd dat er toffe, echte madammen in de prostitutie zitten, misschien niet veel, maar wel vrouwen met ballen, die er allemaal niet te veel om malen, en gewoon doen wat op dat moment een oplossing leek voor eender welk probleem. Niet vergelijkbaar met meisjes uit godweetwelk land die hier komen ‘dansen’.

Idem dito voor venten die net voor ze huiswaarts keren naar hun dor takkenwijf, nog gauw even binnenwippen bij de raamhoertjes aan t Noord. Het kan maar deugd doen. Aan mij is het niet besteed. Echt niet.  En niet omdat ik het niet lekker zou vinden. Alhoewel, dat weet je nooit, maar omwille van de neuroses.

Te veel onzekerheden, teveel dingen waarvan ik niet weet hoe het moet. Kun je douchen? Of is dat stom? Ik vraag me bijvoorbeeld ook af of die dames een soort menukaart hebben. Of is het eenheidstarief per kwak? A means to an end? Of heb je daar niks over te zeggen. Begrijpt u waar ik heen wil? Moet je daar eerst nog even ‘socialisen’ of is het anderzijds niet beleefder is om maar meteen de snikkel boven te halen, kwestie van de dames niet teveel tijd te doen verliezen.

Plus ook, moet je zo snel mogelijk of juist niet, en wat is het protocol nadien? Teveel vragen en onzekerheden voor de neuroot in mij ( los van een overigens bevredigend relationeel, affectief en lichamelijk leven). Ik ben er bijna zeker van dat ik onaangepast gedrag zou vertonen, zelfs in hun context, want ik vermoed dat die dames wel één en ander gewoon zijn.

Maar het idee dat je gezelligheid koopt?!? Want dat is wat er gebeurt in de uitzuipkroegen, eerder dan in de peeskamertjes van de stationsbuurt.  Bij meisjes/vrouwen die meestendeels liefst hun plastic doorschijnende stiletto hielen dwars door je balzak zouden willen priemen, neen daar kan ik echt niet bij. U wel?