Conversatiekramp

Eerder verschenen in het Engels op De conversation Manager

Het begon onschuldig. Iemand die kritiek had over een videostreamer op de site van StuBru. Je moet weten dat wij die site ontwikkeld hebben en het zo’n beetje het paradepaardje van het agentschap is. De man in kwestie vermeldde er in één adem bij dat de BPM niet goed zaten, en eindigde met: ONE #fail.

Wie een beetje vertrouwd is met de twitterati van deze wereld en #fail in één adem met de vermeende naam van zijn bedrijf leest, weet wat dat doet met een mens. Koortsachtig ging ik op zoek naar de ellende die een fail waard was, en in mijn angstdromen natuurlijk epische proporties zou gaan aannemen. Nog voor het einde van de avond zou ONE een trending topic worden van de verkeerde soort, en alle marketing inspanningen van de afgelopen zes maand zouden voor niets blijken.
Ik vond het filmpje, maar kon er niets verkeerd aan ontdekken, niet in het minst omdat het muziekgenre niet echt meer het mijne is (te oud, te grijs, u kent dat).
Dan maar de confrontatie aangegaan, en ondertussen een aantal van onze developpers in de hoogste staat van paraatheid brengend. Ik stuurde een tweetje naar de wraakengel die alles in gang gestoken had; @awaumans (er is ook geen reden om de man niet te vermelden, five minutes of glory, ze zijn er voor iedereen, en eigenlijk heeft hij me een dienst bewezen en hebben we er nadien ook nog kunnen om meesmuilen), met de vraag om iets explicieter te zijn met betrekking tot de fail, en ik kreeg iets later een antwoord waardoor ik me meteen een minus habens voelde,… ik moest immers toch ook horen dat de beats per minute (ja, hij was zo beleefd om het voluit te schrijven, feilloos aanvoelend dat er hier een oude knar in’t spel zat) niet juist zaten.

Nog nooit in mijn leven heb ik verlegen gezeten om een antwoord, en nu deed ik datgene waarvoor ik elke ‘client representative’ door de telefoon sleur en heelhuids opeet. Ik beuzelde iets in de zin van  “We kijken het na”….
“We kijken het na”, het watermerk van de incompetentie, het onvermogen om zinvolle antwoorden te geven aan je klant. Als de dood ben ik er voor. Als je beslagen op het ijs komt voelen mensen dat en zijn ze tevreden met elke inspanning, maar “we kijken het na”, just doesn’t cut it…
Mijn paniek groeide met de minuut, temeer daar onze jongens ook niet meteen een antwoord vonden. Meer nog, ze vonden zelfs geen fout (want dat moet dan weer wel gezegd worden, qua eigenlof, het development team bij ONE houdt niet echt aan kantooruren).

Terwijl ik van mijn kant tijd stond te rekken en mijn organisatie eigenlijk discrediteerde door nietszeggende antwoorden te geven binnen het publieke forum van een twitterstream (analyse post factum) werd er van de andere kant koortsachtig gezocht.
Met één oog op mogelijke retweets en uitbreiding van het ‘schandaal’ en het andere strak op de telefoon gericht, kreeg ik een voorsmaakje van waar communicatie managers bij NMBS, Telenet, en andere Belgacoms waarschijnlijk  dagelijks mee geconfronteerd worden. Niet leuk. In mijn geval : conversatiekramp.

Plots kwam de verlossing, en ook de vloek. De ONE Sloeg niet op ONE Agency maar op het gelijknamige nummer van de Swedish House Maffia. Een mij totaal onbekend, maar blijkbaar hip groepje. De hoon van de developpers werd nu gelinkt aan het hoofdschudden van de alexander waumansen (DJ & parttime geek) van deze wereld… Wij konden er niets aan doen, ik had stennis en amok voor niets gemaakt…
Licht huilend heb ik de bedstee opgezocht, overtuigd van het feit dat ik de digitale generatie ontgroeid was..

En toch, en toch, ik heb het gezien, ik heb gereageerd, ik heb mijn organisatie in werking gekregen, en het misverstand is uit de wereld geholpen. ergens heb ik de lesjes dan toch goed begrepen? Of niet?

Base, not so basic

Ik ben een administratieve ramp. Ik houd niet van paperassen en facturen, en heb de neiging om daar soms al eens een beetje slordig mee om te gaan. Ik heb hetzelfde met dieseltanken, elke auto waar ik ooit mee gereden heb, heeft al ooit een keer zonder diesel of benzine gestaan. Tanken is essentieel maar heeft niets met rijden te maken. Dingen betalen is essentieel maar heeft niets met werken te maken, en nog minder met vrije tijd. Ik besteed die er dan ook niet graag aan. Dat heeft al meer dan eens tot afgesloten televisie aansluitingen, maar vooral ook tot opgeschorte GSM abonnementen, geleid.

Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat Mobistar en Proximus de enige echte mobile players waren en dat Base eigenlijk een giller was. Economische noodwendigheden (don’t you just love the word), hebben ook mij gedwongen tot een marktanalyse, en een aanbod als 80 euro in de maand, samen met een Blackberry voor 7 euro, daar wil een mens al eens naar luisteren.

Ik heb dat abonnement onderhand vier maand, met alles erop en eraan en ik ben erg tevreden. En gisteren hebben ze me nog meer overtuigd. Het onvermijdelijke gebeurde namelijk. Ik kon niet meer bellen. En dan merk je dus aan alles dat een carrier die low end van de markt probeert te pakken, gewoon veel slimmer nadenkt over hoe hij dat soort frustraties kan oplossen.

Als je bij Mobistar of Proximus in ‘suspension mode’ zit. hoor je een droog “deze oproep is niet toegelaten”, en kun je’t verder schudden. Bij Base krijg je een quasi automatische doorschakeling naar hun klantendienst. Een klantendienst die hoffelijk, en perfect meertalig is, wat ik ook al anders geweten heb.
Ze zijn een klein beetje ‘understaffed’, dat wel, want qua wachttijden is het treurnis, maar dat zal allicht aan het moment gelegen hebben. Ik was immers niet de enige die moest geholpen worden, bleek later.

Erg vriendelijk wordt er dan uitgelegd wat je allemaal kunt doen. Betalen per creditcard of in een Base shop via Bancontact aan de eigen terminal.  Ik koos voor het laatste, omdat ik dat eigenlijk wel eens een keer wou zien en toevallig vlak naast een winkel aan’t bellen was.

Een telefoon shop, dat is qua beleving voor mij ergens te situeren aan de zoveelste hellecirkel, voor je plezier ga je daar niet heen. Dat vermoeden werd bevestigd toen ik binnenstapte in de BASE shop, Brussel Nieuwstraat. Onwaarschijnlijk veel volk, geen blije gezichten, wat hangjongeren die nieuwe gsm’s monsteren en blijkbaar niet veel meer te doen hadden.  Niet echt Delvaux-handtasjes-mensen, if you catch my drift. Qua couleur locale kon het tellen. Qua bedrijvigheid ook.

Maar efficient, en vlot, en professioneel. Een ticketing systeem om verschillende vragen te triëren, wat gewoon een zegen is. Niks ergerlijker dan een bling-bling meisje dat zich uitgebreid moet laten voorlichten over haar nieuwe glitter telefoon terwijl je een eenvoudige vraag hebt, en op deze manier werd er geen tijd verloren. Vooral ook omdat ze het elementaire principe hanteren van ” 4 loketten, 4 bediendes” , en daar niet onnozel over doen. Mooi!

En dan de eigen terminal. Je vraagt je af waarom de anderen dat niet hebben. Uiteraard niet, omdat bij hun clientèle zoiets niet gebeurt, die betalen allemaal prompt hun rekeningen, of laten het doen door hun bedrijfjes, maar toch.

Je gaat naar dat toestel, tikt je eigen telefoon nummer in, geeft het bedrag in en betaalt. Je krijgt een reçuutje en een bevestigings-sms en vijf minuten later activeert de klantendienst je telefoon opnieuw.

Een wereld van verschil met “Uw lijnen worden geactiveerd als uw betaling ons bereikt” of ” De diensten worden geheractiveerd binnen de 24u”.

5 minuten, super service, en nog goedkoop ook.

Base, my personal nonchalance facilitator!

Backpacking of the wrong kind, kroniek van een aangekondigd einde

Op de luchthaven, ’s ochtends vroeg, bij Starbucks uiteraard. Ze is mooi, en verzorgd, en ze heeft nu al de zure,zuinige trekjes om de mond die haar moeder waarschijnlijk ook heeft.

Haar rugzak is nagelnieuw, net zoals haar stapschoenen, die uiteraard niet uit de Decathlon komen. Ze probeert krampachtig om erbij te horen, maar dat is moeilijk, met Burberry, Cartier en Ralph Lauren. I kid you not, het kind vertrekt op een trip per rugzak en heeft haar Cartier horloge aan. Tenzij ze natuurlijk plannen om te kamperen op het strand van Cannes, maar dan klopt er iets niet aan haar vriendje.  Die is namelijk anders. Klein, intelligent, kalm en routineus handelt hij formaliteiten af. Alles aan hem ademt berusting, ervaring uit.  De mentaliteit en de levenshonger ook om te reizen. Zijn kleren zijn robuust en berekend op alle omstandigheden, zijn schoenen ingelopen, en de rugzak draagt de sporen van lange kilometers over verschillende continenten.

Zij wil koffie.. Slaakt kleine kreetjes van verzuchting bij een exotische arabica (alsof ze die hebben bij Starbucks, maar dat terzijde). Hij moet uitleggen dat ze dat niet moeten meesleuren nu. Zij wil een gesofistikeerde frapuccino en allerlei koekjes, hij betaalt en ik zie hem denken dat ze zo nooit het budget houden. Vakantie kan op verschillende manieren ingevuld worden, indulgence versus experience. Hij verrekent, denkt na en ik zie hem mentaal het nieuwe dagbudget vastleggen. Zij kirt op haar bling bling phone met vriendinnen, terwijl ze een Elle doorbladert.

Volgens mij halen ze het einde van de reis niet.

Wat mij stoort aan conversaties

Stumble upon, een prachtige “timewaster” tijdens lunchpauzes en dode momenten waarop je niet echt iets wil aanpakken en toch wil doen alsof je bezig bent het internet in al zijn facetten te ontdekken.

Ineens val je op een cartoon. Zie hiernaast. Niet echt grappig, niet echt slecht, hij geeft een soort tongue-in-cheek-moment waar ik wel van hou. Bekijken en verderklikken. Tot mijn aandacht getrokken werd op ’78 reactions’…. 78, op één f#@%* cartoon?
Toch even kijken wat er aan de hand is.

Het begint zachtjes, met wat toevoegingen, grappige opmerkingen zelfs, wat misverstanden, en zelfs goedbedoelde ingrepen van de auteur, die de juiste toon houden, licht, en mild.Hij converseert dus met zijn publiek, om het in vaktermen te zeggen.

En dan barst het los. Econazi’s, compleet humorlozen, azijnpissers, you name it, het voelt de noodzaak om een reactie te geven. Of het nog iets met het onderwerp te maken heeft, doet verder niet ter zake, “we are voicing our opinion and that’s our goddamn right!”.
Voor mij niet gelaten, maar je wordt er zo moe van… Ik heb het zelf ook al een paar keer mogen meemaken, dat ik op bepaalde , licht badinerende stukjes reacties krijg die zo uit de lezersrubriek van het HLN lijken te komen, of dat er ellenlange tirades komen op een facebook status. Het is niet storend, maar het verwondert.

En ik kan het niet helpen, maar als oude grijsaard, merk ik dan mild op, dat we ’t weer eens een beetje aan’t verkloten zijn (pardon my french). De geloofwaardigheid van de direct mail, in de jaren 80, met de terreur van de Vögele receptuur. De telemarketing nadien, vanuit het perspectief van de ‘heilige leadgeneration’. Eerst de gewone consument het leven zuur gemaakt tijdens het avondeten ‘want dan zijn ze zeker thuis’…  nadien overgekalkt naar B to B omgevingen om daar iedereen het leven en het werken te beletten. Natuurlijk komt het nadien weer goed, blijkbaar moeten we eerst toch even door een exces fase gaan, voor de regulering en het begrip er doorkomen, dus eigenlijk moet ik me er niet eens druk om maken…

Nu zijn we bezig met ‘luisteren naar ons publiek’ en het opzetten van ‘meaningful conversations’,… verbluffende inzichten!

Oh, ik kan er niet aan doen, maar ik denk dat lang, heel lang geleden, een wijze man, David Ogilvy, en nog niet eens zo’n slecht communicatiebeest eens gezegd heeft ‘The consumer is not a moron, she’s your wife’.  Dus zo nieuw is het allemaal ook weer niet.

Maar in weerwil van alle goede inzichten, whitepapers, eindeloze retweets en herkauwingen van the same old stuff doen we’t zelfde; we ondergraven de geloofwaardigheid van het medium.

Het zal wel in de lifecycle zitten, en het zal zichzelf wel weer reguleren, maar toch.
Denk aan het #carglasszuigt verhaaltje, of het ‘Dry board-farmville meisje’. Een stupide opmerking, of een geintje wordt eindeloos versterkt en uitvergroot, en dan komen de ‘selfproclaimed’ specialisten aan het woord, die ons komen uitleggen wat er nu wel en niet had moeten gebeuren.

Wat er had moeten gebeuren is gewoon gezond verstand gebruiken en perspectief houden…

Brief aan vader, 2

Het weekt wat los, zo’n brief. Ik vond het zelf fijn, een beetje ontroerend zelfs, maar ik ben vooral geschrokken van de reacties die ik her en der kreeg, meer dan op mijn normale schrijfsels. Toegegeven, die zijn meestal ook een stuk banaler. Maar de feedback die ik kreeg van vrienden, halve onbekenden,die aangaven dat ze met hetzelfde worstelen. Misschien worden we wel een trend, beste pa, en ook dat heb ik dan aan jou te danken.

Ik heb mezelf altijd als geprivilegieerd beschouwd, omdat ik van ons drie de enige was die voluit heeft kunnen profiteren van wat je ons te bieden had.
Jan is op de verkeerde moment (en allicht met meer intrinsieke intellectuele bagage) vertrokken om zijn hobby te gaan uitoefenen (koken) en kwam terecht in een milieu dat op geen honderd jaar na zo stimulerend was als het nest thuis. Het was warm bij Jenny en Jacques, dat wel, maar het hield geen challenge in. Zeker niet voor Jan, mijn grote broer, waar ik altijd naar op keek, om zoveel verschillende redenen, ook al heeft hij dat nooit willen geloven. Hij had en heeft zoveel meer in zijn mars. Hij was juister, ethischer ook, scrupuleuzer, daar waar ik de schlemiel was, de opportunist die enkel voor eigen rekening reed, was hij warm. Hij schreef poëzie, ik pikte het in De Plukvogel, de boekenwinkel aan de school. Hij zorgde voor mensen in zijn omgeving, ik gebruikte ze. Hij was graag gezien, ik werd gedoogd, gevreesd ook, omwille van mijn ‘scherp blad, mijn nietsontziende oordelen, maar dat maakte me niet meteen geliefd.
Ook Henk kwam te laat, je was altijd meer geïnteresseerd in het meer mondige. Aan liefde en aandacht geen gebrek, ik denk ook niet dat Henk daarover ooit te klagen had als kind, maar toen hij op de leeftijd kwam die voor ons heel stimulerend is gebleken, zo rond ons 16de, 17de was het heilig vuur bij jou al lang verdwenen. Wellicht is dat ook wel ten dele onze fout. Zoals ze dat in het Engels zeggen, ‘you had high hopes for us’, en wij hebben er alles aan gedaan om dat te verklooien. Dat we’t nadien zelf repareerden doet niet ter zake. Voor iemand die heeft moeten woekeren met zijn kansen, die werk, studie en gezin diende te combineren moet het een gruwel geweest zijn, te zien hoe wij gemorst hebben  met onze kansen. Het valt niet uit te sluiten dat je daar  mistroostig van werd. En met je kenmerkende rechtlijnigheid dan ook maar meteen beslist hebt dat dat verder geen zin had. Ook al omdat Henk je daar niet in prikkelde, hij ging gewoon zijn eigen weg.  Voor mij staat in ieder geval vast dat hij niet dezelfde stimuli gekregen heeft, dezelfde intellectuele voedingsbodem, die wij ooit kregen. Misschien had hij daar ook nooit behoefte aan, misschien idealiseer ik het ook, post factum, maar ook dat is niet erg.

Ik heb die begeleiding, die prikkels wel gekregen, en ik voel ook dat ik er iets mee gedaan heb. Ik merk nu ook dat het erg moeilijk is om de premature meningen, vlotgevormde en onvoldragen visies van pubers (mijn pubers) aan te scherpen, bij te sturen en vorm te geven, niet door je eigen mening op te dringen maar door op zwaktes in de interne logica, in de redenering te wijzen.
Jij was daar meesterlijk in. Heelder ontbijt-sessies op zaterdagochtend, overgoten met sloten koffie, soms tot diep in de namiddag, waarbij alles kan en mocht besproken worden, waarbij een probleem in alle mogelijke richtingen gedraaid werd. Het heeft van Jan en mij volleerde debaters gemaakt, die nergens voor terugdeinzen. Wat ik alleszins niet heb meegekregen uit dat verhaal is jouw talent om daar geduldig mee om te springen, en iemand anders naar zijn gelijk te krijgen, te begeleiden. Ik wil zelf te graag. Scoren, blinken, gloriëren.

Meer dan eens zat ik naast je in de auto, en gaf je blijk van een soort existentiële depressie. Zolang je je leven zelf in handen had, reed je een perfect parcours, eentje dat uitmondde in succes na succes. Opgemerkt op school, mocht je als enige van het gezin naar de humaniora. Licentiaatsdiploma in avond onderwijs, omdat je het kon, omdat je het niet als vanzelfsprekend beschouwde. Politieke bewustwording die vertaald werd in het opnemen van verantwoordelijkheden, altijd opnieuw met succes en op een hoger niveau.
Professioneel succes ook, als maatgevend voor maakbaarheid. Je ging eens even bewijzen dat de zoon van de werkmens het wel kon maken. Dat politieke benoemingen dat carrièrepad hinderden heeft je altijd gestoord, talloos waren dan ook de frustratie-momenten, maar onwrikbaar het vasthouden aan de consequenties van je keuze.
Meer dan eens wees ik je er opportunistisch op dat een lidkaart van de CVP ons als gezin veel verder had gebracht. Je was het daar mee eens, maar liet niet toe dat er iets aan je overtuiging werd afgedaan. VU bleef het dus. Een late beloning als kabinetchef was voor jou de bevestiging dat rechtlijnigheid toch tot resultaat leidde. Ik was het daar niet mee eens. Je pad werd meer en meer verstikt door ‘externe factoren’. Al heel vroeg merkte ik ook een soort gelatenheid in de realisaties van je ambities. Alsof het er allemaal niet echt toe deed.  Een tik teveel gekregen van het ‘establishment’.
Ik heb me nooit van de indruk kunnen ontdoen dat je levenslust daar mee een knauw gekregen heeft. Als er iets is waar ik het lastig mee heb, dan is het wel dat. Uitgerekend ik, ga hier dan wel zijn pa op zijn verantwoordelijkheden wijzen. Begrijp me niet verkeerd, ik heb intellectueel geen enkel probleem met het gegeven dat je vindt dat je alles uit het leven gehaald hebt dat er voor je in zou zitten, en dat het dus nu mag stoppen, wat jou betreft. Ik vind je timing verkeerd. Zowel je kleinkinderen als je vrouw hebben het er moeilijk mee dat je afhaakt. Whatever the reasons may be. Die redenen zijn wellicht niet  verkeerd, en daar ben jij niemand verantwoording voor verschuldigd,  maar anderzijds heb je helaas een soort van verplichting tegenover je naasten om die lankmoedigheid te laten varen, of om minstens je zwaarmoedigheid niet al te zwaar te laten wegen op het leven van anderen. Het houdt immers niet op, De beker moet tot op het laatste geledigd worden.

Ik herinner me dat je zo rond je veertigste ook al zoiets had van, ‘ is het dit maar’. Wel ja, het is dit maar, maar het kan zoveel zijn. De man die ooit gulzig naar het leven door de Brusselse nachten flaneerde, vrienden mee bracht en eindeloos door kon feesten, genereus en grootmoedig. Die man is er misschien niet meer, maar de verwachtingen zijn er nog steeds. die verwachtingen heb jij, en jij alleen gecreëerd en die moet je blijven waarmaken, vrees ik.
Zeg maar waar ik fout zit in die redenering, ik voel zelf ook dat hij niet draait, maar ik wacht op je, om het me nog een keer scherp te zeggen, zoals vroeger. Of verdedig je, ik maak met plezier brandhout van je argumenten.  😉

Brieven aan mijn vader, 1

Ik heb lang getwijfeld of ik dit zou bloggen, en verre van me de allure van een  Toledano aan te meten, heb ik door gesprekken met vrienden gedacht dat het misschien toch wel zinvol is. Mijn vader is doof, en ik heb geen contact meer met hem, of alleszins toch niet buiten het banale van doordeweekse conversatie, waar we alletwee een gloeiende hekel aan hebben.
Hij gaat wellicht ook dood binnenkort, en dan heb ik misschien kansen lanten liggen om nog iets te zeggen. Vandaar. Wie geneigd is om dat als verregaand exhibitionisme te zien, so be it.

Papa, Pa, Vader,

misschien is dat wel al tekenend voor onze relatie. Nooit goed geweten hoe dat nu eigenlijk moest. Twee emotioneel inepten, die elkaar wel graag zagen, maar er als de dood voor waren om dat te openlijk te tonen, en daar op de duur wel  heel erg onhandig in werden.

Op mijn dertiende zweerde ik de kus af , want dat was niet stoer, en heel veel later, toen ik zelf al kinderen had, wou ik die kus wel terug, maar bleef het bij een hand. Zoals steeds liet je begaan, niet omdat je er geen mening over had, ik ben er heel zeker van dat je die had, maar vooral  omdat je hem niet wou opdringen, kenmerk van je visie over menselijke relaties.
Ik heb nu hetzelfde met mijn zoon. We doen er lacherig over, maar we zoeken een manier om te tonen dat we elkaar fijn vinden. Totnogtoe hebben we alles geprobeerd, ‘high fiven’, handen, omarmingen, géén zoenen… het lukt niet echt…
Het is ook niet belangrijk, daar gaat het niet echt om.

Al een jaar pieker ik me suf hoe ik het contact met je terug op niveau zou kunnen krijgen. Ik heb altijd graag met je gepraat, altijd graag naar je geluisterd, ook al was ik te zelfingenomen om echt te luisteren, of kwam dat zo over.  Zoveel hadden we wel geleerd, luister en doe er desnoods later iets mee, als je te laf bent om onmiddellijk toe te geven dat het juist is. Ik mis dat nu. Een echt gesprek is niet meer mogelijk. Ik heb geen zin om te schreeuwen en luid en traag te spreken, omdat ik het een belediging vind van je intellect. Jij hebt geen energie meer om de essentie uit het gewauwel te filteren. Een dovemansgesprek, letterlijk, daar heeft niemand iets aan.
Maar ik kan me niet voorstellen dat je gedachten niet meer helder zijn. En ik denk dan terug aan dat mooie kleine precieze handschrift. Ik weet niet hoe schrijfvaardig je nog bent, maar misschien krijg ik wel brieven terug, en kan ik de geest van vroeger beleven, met scherpe, agressieve inzichten over politiek, milde woorden over opvoeding, en juiste terechtwijzingen over mijn stommiteiten.

Je bent doof nu, en sufgespoten door de medicatie.  Je bent niet vriendelijk meer, waarschijnlijk ook omdat je doodgefrustreerd met een heldere,  briljante geest in een aftakelend lijf zit. En dat je dat dus ook beseft. Dat je dat zelf gedaan hebt, dat lijf laten aftakelen, is niet eens relevant. Het gaat om de intensiteit waarmee het leven geleefd werd, en ik denk dat je daar je gelijke niet in gekend hebt.

Je gaat dood. Niet onmiddellijk, misschien niet eens binnen de vijf of tien jaar, maar je gaat dood.Dat is niet erg, dat is een stuk van het leven, zeggen ze dan. Maar het zit er aan te komen.  En voor die tijd moet ik alles gezegd hebben, maar werkelijk alles wat zonen tegen hun vader kunnen zeggen. Ik denk niet dat daar ooit genoeg tijd voor is. Een heel leven advies, en raad, en zwijgen en lachen, laat zich niet samenvatten in een paar A4 tjes met bedankingen.
Niet alleen bedankingen, ook frustraties, twijfels. Vragen zelfs, nu nog.
Als je je nu ineens begint af te vragen waarom dit nu moet en waar het op slaat, denk dan even terug aan de dagelijkse autorit, van Erembodegem en later Mere, naar Brussel. Elke dag, twee keer een uurtje in de auto. Ik heb er meer tegen opgekeken dan dat ik er naar uit keek, maar de kwaliteit van de gesprekken, de overwegingen, hebben onbewust hun weg gevonden. Je was daar nooit  opdringerig, je deelde zelf ook je twijfels, je vragen, ook al wist je dat je van een kind geen juist antwoord krijgt.
Misschien is het wel dat wat ons gemaakt heeft tot wat we zijn. Je gaf ons nooit de indruk dat we kinderen waren. Je gaf ons de volle verantwoordelijkheid van elke mening die uitgesproken werd. Je nam ons au sérieux. Ik weet niet of we dat toen apprecieerden, maar ik denk het wel.  Ik kijk er alleszins nu nog met veel warmte aan terug. En ik wil het nog, nog meer, gewoon meer, en zo lang mogelijk. Ik denk dat zonen altijd zonen blijven, ook al worden ze vader… En ze blijven hun vader nodig hebben.

Ik heb het schrijven van deze brief al maanden voor me uitgeschoven, omdat ik niet wist hoe ik het moest doen, omdat ik niet wist wat te zeggen. En ik merk nu dat het er uit gulpt. In één warme stroom. niet te controleren, niet te beheersen. Het leest allicht niet mooi, het zit wat door elkaar, maar ik heb geen zin om er  aan te schaven. Ik wil terug praten met mijne pa, onder welke vorm ook, en misschien is dit wel de beste.
Als het nog kan, schrijf dan een brief terug, dan heb ik mijn papa weer. Als het niet kan, laat het dan weten, dan schrijf ik gewoon voor mezelf, en dan lees je’t wel een keer…

De Mensen, Ze … Allez “Men”

‘Men’ heeft gezegd dat ‘ze’ het nochtans goed met mij voorhebben. ‘De mensen’, mijn vrienden. Maar ‘men’ heeft ook zo wel wat bedenkingen, over het al dan niet goed bezig zijn.
Ik zou ‘ze’ graag eens op hun nummer zetten. Ik kan ‘ze’ helaas niet vinden, omdat ze zo ongrijpbaar zijn, zo vluchtig, zo moeilijk te vatten, met hun haastig uitgesproken woordjes en oordelen, al dan niet bijkomend ingekleurd voor extra effect.
Het schijnt dat ‘men’ in mijn vriendenkring wel weet wie ‘ze’ zijn. De mensen kennen ‘ze’.
Kent u dat fenomeen? Het is boeiend en erg vervelend. In de golfclub waar ik bij wijle mijn mondaine tijd  verknoei, heb ik ooit de barman horen zeggen tegen een aantal tooghangers en habitués :  “Heren, we praten niet over leden die er niet zijn’. Ik vond dat toen geweldig mooi.
Maar nu denk ik dat het ook anders kan. Roddelen is inherent aan de menselijke natuur.  Iedereen vindt het wel eens lekker om een straffe uitspraak te doen of iets te verkondigen. Ik pleit er voor dat we daar gewoon de namen bij vermelden. “Max zei me gisteren dat hij vond dat je… ”  Zelfs het beoefenen van journalistiek behoort dan tot de mogelijkheden. Iedereen blogt en publiceert, nu kan iedereen ook aan investigative journalism doen : “Max vindt dat u… hebt u daar een reactie op?
Vergis je niet, het wordt er daarom echt  niet saaier  door.
Natuurlijk ligt er enorm veel kracht in het woordje ‘Men’. Want ‘men’, dat kan een persoon zijn, of ook iedereen die je kent…  Maar dat is dan enkel leuk voor de boodschapper, die kan genieten van onthutsing, verwarring en diepe tristesse. Als we daar echter geïdentificeerde kreetjes van maken wordt het gewoon veel leuker. Aansprekelijker ook. En dus voor verwarring zorgend, en voor ruzie. “Neen, ik heb dat niet gezegd, of toch zo niet…” etc, etc… Misschien kunnen we dat ook nog eens op twitter posten.
Op termijn denk ik dat het een positief effect heeft. Volgens mij is de kans niet onbestaand dat het roddelen in no time de wereld uit is als iedereen er meteen een naam op plakt.
Ik begrijp dat men elkaar wil beschermen tegen lelijke verhalen, maar ik denk dat iedereen er bij gebaat is om van iedereen te weten wat ze over je denken. Het kan alleen maar beter worden.
Willen we dat dan zo doen? … niet meer ‘Men’, maar keiharde namen.
En de zon schijnt!

Dmix Juni : Jan Van Aken, de teloorgang van de diepgang

Over echte mensen en het gebrek daaraan

Jan Van Aken is ouder geworden, grimmiger ook. CEO zijn van een internationale communicatiegroep gaat je niet in de koude kleren zitten. Vandaag runt hij het jonge Diogenes. Hij is opnieuw CEO maar deze keer van zijn eigen onderneming. Terwijl ik hem zie binnenwandelen in het Mechelse café waar we afgesproken hebben, besef ik dat dit een erg gekleurd verhaal zal worden. En dat mag.
Van Aken is de man die mij – en zoveel anderen – het vak binnenloodste, die mij draaien om de oren heeft gegeven wanneer dat nodig was, maar die ook altijd klaarstond om te adviseren en te duiden. Dat is Jan Van Aken: een man die iedereen spelenderwijs deed beseffen waar het allemaal over ging, die zich nooit helemaal heeft kunnen neerleggen bij de snelle en oppervlakkige verhaaltjes, de niet-gefundeerde theorieën en het gebeuzel. Ontiegelijk veel talent ontbolsteren met zachte, menselijke hand, een people’s man die mee het succes gemaakt heeft van ‘zijn’ Ogilvy en als ‘beloning’ steeds minder met mensen maar meer met cijfers te maken kreeg, ook dat is Jan Van Aken.

De vijftigjarige socioloog – omringd door vrouwen, één echtgenote en twee vrank en vrij in het leven staande dochters, en een voluntaristische hond – pendelde jaren vanuit het landelijke Hingene naar Brussel. Hij was letterlijk de stroom frisse wind in de toen nog vaak Franstalige, licht gebourgeoiseerde advertisingkringen: werken, praten, coachen. Zijn inspanningen leidden opmerkelijk vaak tot resultaten. Visies die gestoeld zijn op ervaring, op onderbouw, op methode ook. ‘Metier’ pleegt men dat te noemen.

Jan Van Aken startte zijn carrière, zoals veel afgestudeerde pol & soccers – in een slechtbetaald pro-Deostatuut bij het Commisariaat-Generaal voor Toerisme. Wat Jan Van Aken uit die periode bijblijft, is de noodzaak om plannen, nadat ze ontstaan zijn, ook te concretiseren, om mensen het vertrouwen te geven dat ze verdienen en vooral om plezier te hebben in het werk. Van Aken vertelt enkele smeuïge anekdotes over de enige bedrijfswagen die de Dienst voor Toerisme rijk was, een Opel Granada, en wat daar allemaal mee uitgevreten werd. Warme herinneringen ook aan een diensthoofd dat oprecht vertrouwen gaf en mensen met zijn enthousiasme aan het werk kreeg.

Na die start, die ook als vervangende legerdienst dienstdeed, volgde een overstap naar Ketels. Het toenmalige list-brokingbedrijf gold als een begrip in de Benelux, en menig DM-marketeer die nu zijn thuis vindt in de kantoren van WDM, leerde daar het klappen van de zweep. Zijn echte stek bleek Jan Van Aken gevonden te hebben toen hij bij Ogilvy onder de hoede van Philip Greenfield kwam, en erg nauw betrokken werd bij de uitbouw van MDM, het latere Dataconsult. Dat zou later samensmelten met Ogilvy Direct en OgilvyOne worden, de succesrijke poot uit de groep.

De carrières van Jan Van Aken en Philip Greenfield verliepen parallel, waren verbazingwekkend harmonieus en een schoolvoorbeeld van hoe het kan en moet, in een Belgische context. Ze versterkten elkaar en vulden elkaar aan. Philip Greenfield, kamervullend qua présence, Jan Van Aken dan weer kamervullend qua kennis en methodologie. Extravert versus introvert, een bourgeois tegenover een bourgondiër. Ze kregen het zelfs voor elkaar dat Ogilvy in de jaren 1990 de sterkste communicatiegroep van het land werd, met daadwerkelijke implementaties van het zo geroemde maar weinig uitgevoerde 360 gradenconcept. Binnen de groep heeft Jan Van Aken er ook nog eens voor gezorgd dat OgilvyOne de sterkmaker en geldmachine werd.

In 2001 stapte Jan Van Aken over naar The Reference, te verklaren vanuit een nieuwsgierigheid voor wat er kwam aanstormen, maar ook vanuit een verlangen naar kleinschaligheid, echtheid ook. Ook de managementwissels binnen het eigen bedrijf speelden mee. Het avontuur bleek, om uiteenlopende redenen, van korte duur. Maar de ervaring was daarom niet minder boeiend.

Ogilvy, dat mooie eerste lief, sloot hem opnieuw in de armen en hij kwam aan het hoofd te staan van de groep. Met een rechtlijnigheid die hem eigenlijk al zijn hele leven kenmerkt, vertelt hij dit stuk van zijn verhaal: een kroniek van een aangekondigde dood.
Lessons to learn for agencies of the future. Jan Van Aken werd ‘manager’, maar niet zoals vroeger toen het over inhoudelijke trajecten ging. Nu is het ‘serieus’ managen, rapporteren dus. Inhoud maakt plaats voor administratie. Het managen van mensen, het leiden naar enthousiaste teams en goed werk blijken ineens bijna bijzaak. Voor een ‘mensenmens’ zorgt het contact verliezen met je ‘basisgrondstof’ voor een spanningsveld.
Dit jaar zette Jan Van Aken een stap terug om zich te ontwikkelen tot een zelfstandige consultant, die de goesting in zijn metier heeft teruggevonden. Hij verkoopt zijn visie aan CEO’s die met gelijkaardige problemen worstelen.

Gedurende het interview verheft Van Aken zijn stem niet één keer, en steeds weer ontwaar ik monkelend glimlachende lichtjes in zijn ogen, maar ook wat tristesse over de teloorgang van de diepgang. Bij het afsluiten omhelst hij me, zoals vroeger, bijna broederlijk. Met een droog ‘Ik zie het dan wel’ nemen we afscheid. Een schone mens.

Dmix juni : Steven Van Belleghem

Steven Van Belleghem,  Conversation Manager.

Je kon de voorbije maanden geen nieuwsbrief openen, geen twitterclient opstarten, of geen vaktijdschrift meer raadplegen: Insites en Steven Van Belleghem waren omnipresent.

Terecht of ten onrechte, dat doet niet ter zake. ik denk dat er in deze context een aantal interessante opmerkingen kunnen gemaakt worden. Ik wil het boek niet bespreken, dat is uitvoerig gebeurd, en wie dat nu nog niet gelezen heeft, verdient het eigenlijk niet om beloond te worden met een korte samenvatting, die het werk zelf oneer aan doet.

Wat is er wel interessant?
De marketingmachine van InSites Consulting werkt feilloos. De lancering van het boek in Art Cube Gent was zonder meer één van de betere marketing events van dit jaar, het was een feest om de neuzen te tellen en te kijken wie er op het appel ontbrak (vrijwel niemand).
De opvolging na het event was ook foutloos. Een snelle opeenvolging van lezingen, versterkt door de interactieve kanalen, tezamen ook met het gigantisch engagement van Steven en zijn mensen, zorgde ervoor dat de buzzfactor nagenoeg continu steeg. 
Vrij snel volgde dan ook nog eens de Nederlandse lancering, en op dit moment werkt men aan de Engelse versie, met aangepaste voorbeelden (ook dat tekent de grondigheid van het bureau, ze nemen geen genoegen met lokale merken voor de Engelse versie, dus is het zoeken naar nieuwe cases en voorbeelden).

De merite van Steven Van Belleghem ligt op twee niveaus, indien niet meer. Lovenswaardig is dat hij de hele dimensie rond conversation als nieuw paradigma heeft weten te vatten en illustreren in een soort van ‘uitvoerbaar’ systeemdenken binnen een bedrijf en voor een merk. Maar daarnaast – en dat is m.i. velen ontgaan – heeft hij ook nog eens de moeite gedaan om de gekende marketing concepten en visies te actualiseren vanuit dat denken.  Als je dan ook nog eens kunt terugvallen op ijzersterke research, dan heb je een mooie krachttoer gerealiseerd.

Het enige wat nu nog moet gebeuren is dat al diegenen die enthousiast met Steven Twitteren ook nog eens de moeite doen om het boek volledig te lezen. Behalve dat stukje over Club Brugge dan, wat overigens enkel aangeeft dat de man toch mens onder de mensen blijft; dat soort vergissingen wordt hem grootmoedig gegund.

Marc Michils, portret

Neen, hij is niet dood, of zo.  Voor DMix, het vakblad van de BDMA schrijf ik regelmatig , en er is geen reden om die niet ook hier even te publiceren. Vandaar dus…

Exemplaren van Dmix kunnen overigens altijd aangevraagd worden via BDMA.

Mark Michils, of het leven in cirkels.

Mark Michils. Zou er één marketeer zijn in België die hem niet kent?  Een man van vele facetten en gezichten, actief op vele fronten.  Met de vlotheid, jongensachtigheid en toegankelijkheid ook, gekoppeld aan een drang naar perfectie. Garantie voor succes? Onzeker. Garantie voor een rijk leven? alleszins.

Het verbaast mij telkens weer dat ik bij dit soort interviews altijd opnieuw op een ‘jeugd’element stoot dat bepalend is voor de uiteindelijke ontwikkeling van een carrière. Dat was zo bij Jan Vierstraete, bij Rosette Van Rossem,  bij Jan Van Aken. Zo ook bij Mark Michils. Meer dan hij soms wil toegeven waart de vroege dood van zijn vader, toen Mark 6 was, door de carrière van de man. 
Het heeft wellicht te maken met verantwoordelijkheidszin, maar ook met zorgzaamheid, en het is niet de plek om een diep psychologisch portret van hem te maken, maar het is mooi om zien dat hij recent het ouderlijk huis gekocht heeft aan zee. Niets gaat verloren, alles komt terug. De cirkel is quasi rond. 
Cirkels blijken hun belang te hebben in de visie die Mark neerlegt over zijn carrière, zijn leven, zijn gezin, zijn extra curriculaire activiteiten. Elke cirkel is een nieuwe wereld, in elk ervan krijg je de mogelijkheid om je verantwoordelijkheden op te nemen en te excelleren en dat moet je dan ook doen.
Vandaar dat hij – naar eigen zeggen buiten zijn wil om – zo dikwijls de primus, de voorzitter van verengingen en organisaties wordt. Als je iets doet, moet je’t goed doen. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken met een West Vlaming van doen te hebben. Maar ‘t is een Brusselaar, pur sang.
Wel al heel snel verkast naar Veurne, naar eigen zeggen was dat ook de eerste vreemde taal die hij machtig was, het West Vlaams. Hij deelde de humaniora met Jan Loonens en Jean Marie De Decker, maar of daar ook de basis ligt van zijn politiek engagement, valt zeer te betwijfelen. Ook ‘Moeder Rolmops’ de studentenclub die hij mee hielp oprichten voor West Vlamingen in de verre studentenstad, kan veeleer als symptomatisch worden beschouwd: er moet een organisatie zijn, er moeten belangen verdedigd en geuit worden.

Mark studeert SLM in Gent, en ondanks het feit dat hij volgens de familie ‘Toch niet zo slecht studeerde’ koos hij h voor een carrière in de reclame. Nog een discipel van Theo Van Rooy (Koncept, Mechelen), mag hij na  4 jaar aan de slag bij het toenmalige VVL, waar hij de kneepjes van het vak leert, en zijn echte mentor Van Hees beter leert kennen,  en zich ontpopt tot een betrouwbare luitenant met de ambities van een generaal. Ambities die hij overigens zal waarmaken in 1991.

Het sleutelpunt in de carrière van Michils is ongetwijfeld de oprichting van Quattro in dat jaar, samen met Walter Dermul, Jan Vandenberghe en Jan Cordemans . 
Quattro is het verhaal van vrienden, het verhaal van continuïteit ook, en de kristallisatie van de visie die hij heeft op zakendoen. No ‘hidden agenda’s’, drive, passie en ambitie. Daar kom je het verst mee.

De vier quattrozen zetten eigenlijk de eerste golf van succesvolle lokale bureau’s in gang, in navolging van GV-brindfors het bureau van Gerard Govaerts en Bruno Van Spauwen. We weten allemaal hoe het nadien verder ging, met  Famous, Mortier en DG (overigens wellicht niet toevallig geleid door één van de eerste aanwervingen van Mark bij Quattro, Klaus Lommatsch)

Mark Michils interviewen is eigenlijk een feest, maar tegelijk beangstigend. De ogenschijnlijk vlotte causeur heeft een pak notities onder de hand en leidt het interview routineus in de door hem bepaalde richting. Ik vind dat op zich niet erg, maar het zegt veel over de mate van controle die als een soort tweede natuur aanwezig is. In eender welke toneelverenging is deze man niet de hoofdrolspeler, maar wel de regisseur.

Dat komt ook tot uiting in de verhalen over de omvorming van Quattro naar Saatchi, waar hij een ‘reversed take over’ inzette vanuit hun toenmalige positie binnen de DB&B groep.
Met passie legt hij uit hoe je zoiets succesvol doet verlopen. De eigen mensen geruststellen, beslissingen zonder uitstel maken en uitvoeren, en zorgen dat er duidelijkheid is.
Passie, duidelijkheid en autoriteit. Het blijven sleutelbegrippen in het verhaal.
Factoren ook die ervoor zorgen dat hij meestal ook wel zijn zin krijgt. Zowel zakelijk als in het verenigingsleven. Dat dat ertoe geleid heeft dat hij zelf het gevoel heeft dat 100% van zijn tijd opgaat aan zijn job, en daarnaast nog eens 50% aan andere activiteiten neemt hij er graag bij.
Kiesheid gebiedt ons om te zeggen dat we niet verder gepolst hebben naar hoe dat nu in de privé sfeer ging. Dat werd vakkundig afgeblokt met ‘Ik heb een erg intelligente vrouw’ en twee priemende ogen.

Het gesprek kabbelt op een bepaald moment verder en krijgt een meer filosofische wending, als we uitkomen bij zijn visie op management en vriendschap, vooral eigenlijk binnen de context van Quattro/Saatchi.

Elk van de oorspronkelijke oprichters werkt succesvol verder, vanuit zijn sterkte, vanuit zijn opgebouwd verhaal. Jan VDB doet dat in China voor Boondoggle, vanuit zijn passie voor interactieve media. Jan C doet dat binnen het bureau vanuit zijn creatieve insteek. Walter ontpopt zich als een uitstekend merkstrateeg vanuit de luwte die hij zich wenste toe te eigenene, de hectiek van het bureauleven werd er teveel aan. En Mark blijft de coach, die nu vaderlijk toekijkt hoe zijn jonge honden het vak met plezier aan’t leren zijn. En dan hebben we het over het huidige managementteam van Saatchi. Met bezorgdheid, trots en ervaring kijkt hij toe , en stuurt bij waar nodig, maar de laatste tijd meer en meer ‘wanneer erom gevraagd wordt’, en het is goed zo.

Bij het afsluiten lijkt het alsof hij even loslaat, er wordt wat gepraat over de fijne geneugten van het leven, over lange lunches in de Osteria, over vriendschap ook, en het belang om mensen duidelijkheid te geven, zowel in de appreciatie als in de ‘aandachtspunten.

Hij mijmert wat verder en sluit af met de prachtige zin ‘Je laat het toeval toe’. Ik ga er van uit dat dat niet geregisseerd was.

Smartphones, de electronische enkelband van deze tijd

Consumer in control, dat zeggen ze. Ik geloof dat niet meer.
Iedereen en alles spant samen opdat het toch niet zo zou zijn. Techniek en slechte wil niet in het minst.

Hebt u dat ook? Als je vroeger op restaurant ging werd het als hoogst storend ervaren als iemand luid gesticulerend zat te telefoneren. Het getuigde van slechte smaak, het was vervelend, en de man in kwestie was een hork. Een restaurant was een plek voor verfijnd genot, waar de kunst van de conversatie tussen consommé en crême brulée fijnzinnig ontspon.

Tegenwoordig is het anders. Maar niet echt beter. De smartphones, die electronische enkelbanden van de kantoorslaafjes, maken het spel een stuk perfider. Niet alleen is er de ‘always on’ mentaliteit; bereikbaarheid en ‘aanwezigheid in de cloud’ voor alles. er moet nu ineens ook een pak administratie opgeknapt worden.
Want we zijn mobiel, debiel.

“Ik kan hier niet inchecken!” is een vaak gehoorde klacht wanneer je weer eens iemand ziet treuzelen voor de ingang van het restaurant. Foursquare of Gowalla dus. En dat inchecken moet wel, want je moet laten weten waar je eet, en liefst ook met wie. Dat geeft prestige!
Daarmee is het niet afgelopen.
Eerst is er het over en weer getjilp over een mogelijke groesptwunch (jargon voor lunch onder twitterati) en dan volgt de volgende fase in het ritueel. Via eat.ly moet je ook nog een ‘trail’ laten over wat je aan’t eten bent. er moeten dus snapshots gemaakt, en die snapshots worden gedeeld met de foodie followers. Een punthoofd krijg je ervan.

Vervolgens wordt de wijnkeuze via iDrync, een wijndatabase geverifieerd en doorgestuurd naar de ‘vinotwats’, die daar dan weer kennis van nemen.
Met wat pech kun je ook nog een keer een heuse zuipschuit meehebben, die het nodig vindt om zijn persoonlijk cocktailrecept te willen hebben en drifftig staat te zwaaien met de iphone onder de neus van de bartender. ook Leuk!

Zo komt het dat je mensen steeds vaker ziet eten met één hand, onderwijl hun instrument beroerend.  Beetje boertig toch? Administratie heeft inderdaad nog nooit tot diepgang geleid in het gesprek.
Het is ook koud, het is alsof het interessanter is om met je community te praten en te tweeten dan een levensecht gesprek te voeren. Pure zonde.

Volgens mij is het ook dat wat zaalpersoneel en keuken voelen. Ik zat onlangs ergens iets te eten en bekloeg me tot drie keer toe, bij drie verschillende kelners, over de kwaliteit van iets. ‘Men ging het even in de keuken bekijken’.
Nooit meer iets van gehoord.
Het misprijzen voor de consument is nog nooit zo groot geweest, en dat heeft hij voor een groot gedeelte aan zichzelf te danken. 
Hij is er per  slot van rekening ook niet echt, hij zweeft ergens in de cloud, te schijnen, te “bwabbelen”, te vermijden om echt te zijn en diepgang te tonen.
Keukenchefs en Technologie, één front tegen de controle door de consument, en gelijk hebben ze!

(ook verschenen in Dmix van de maand jui2010, column : GEdacht)

Customer Delight part 2

U, beste lezer, bent mijn klant.

En ik zal er alles aan doen om dat zo te houden. Dat betekent dat mijn mensen, mijn wereldwijd strak geleid concern, continu op zoek is naar middelen om mijn blog aangenamer, leesbaarder en interessanter te maken.

Eén van onze talentscouts kruiste zo het pad van  een beloftevolle jonge snaak, Jochen Van der Stighelen, die spontaan en zonder het minste eigenbelang aanbood om mijn schrijfsels te verluchten met zijn cartoons.

De dingen zijn leuk, en goed getekend, en ik kan alleen maar hopen dat u er evenveel plezier aan beleeft als wij. Er zijn er voorlopig nog maar drie, maar de rest volgt 😉

I give you… vanaf nu, exclusief bij JustGuidooohh! : Jochen Van der Stighelen!

Geef de man een applaus!

Affichage : De Fietstap

Ja, ja... de fietstap, 't zal wel...

Ik houd van reclame. Ik vind het fascinerend hoe scherpe geesten spelen met een idee, een product en dat op een originele juiste manier weten te verkopen. Binnen het vak houd ik nog het meest van affichage, the great outdoors…
Waarom? Omdat het voor mij de haiku van de advertising is.
Het heeft niets vandoen met een groot logo op een bord, wat natuurlijk ook kan.
Goede affichage geeft een idee, een concept door, in een oogopslag.

Affichage is niet hetzelfde als een uitvergrote print advertentie, echt niet… Elke drager heeft zijn beperkingen en zijn mogelijkheden.

Van een instituut als het BIVV, dat al jaar en dag sensibiliseert over alle mogelijke domeinen zou je kunnen verwachten dat ze het medium ‘Affiche” beheersen, en dat ze wellicht ook een basis communicatie know-how hebben. Niet echt dus, als ik het zo even bekijk.

Ik erger me mateloos als ik dit soort ondingen zie.  Tenzij misschien omdat ze’t bewust gedaan hebben. Maar je vraagt je toch af hoe zoiets tot stand komt.
Ik gok even met u mee, en we doorlopen het beslissingsproces.

Alles ontstaat rond het gebrek aan bellen op de fietsen van wielertoeristen. Een alternatief moet gezocht worden (je kunt je afvragen warom, maar we zijn niet tegen de vooruitgang, en wellicht is een groter geluidsvolume wel een goede zaak. Eén of andere clevere jongen vindt een armband uit, met een toestel dat ee ngeluid van 93dB kan produceren. De fietstap! De fietstap heeft dus niets te maken met een soort mannenvrijgezellenfuifje, waarbij een rijdende tap op wat fietsen gemonteerd wordt.  Het is een veiligheidsinstrument; Er moet dus gensensibiliseerd worden. So far so good.  Sensibiliseren, dat weet iedereen, gebeurt door  campagnes te voeren.

Hoe pakken we dat aan? Eerste reflex. Neem een ‘personality’, dat geeft geloofwaardigheid aan het verhaal. Iemand die met de problematiek geconfronteerd wordt, en naar wie opgekeken wordt. Vanuit de initiatiefnemer Landbouwkrediet is dat al snel Sven Nijs geworden. Dat de man meer in’t veld dan op de weg ploetert, daar gaan we gemakshalve aan voorbij.

Aangezien het BIVV als enige over de borden langs de wegen kan beschikken is het medium ook snel gekozen, affichage (waarschijnlijk komen er nog andere golven mediageweld aanzetten, maar ik heb die nog niet gezien).

En dus zetten we Nijs met kampioenentrui op een affiche, met een fietstap rond de arm. Het geeft niet echt dat je dat nooit maar dan ook nooit kan zien. Het is de ‘gestalt’aanpak die telt.

En daarnaast komt dan een slogan… Een slogan, de poëzie van de marketing, de quintessens van de elevatorpitch, het summum van commercieel geschrijf, het waarmerk van de allergrootsten in dit vak. En wat wordt dat hier?

‘Laat van je horen met de fietstap’…. het is van een bloedeloosheid, een tristesse.

Het is ook fout, want er is geen hond die weet wat de fietstap is.. en uit de zorgvuldige compositie op de affiche kun je’t ook niet afleiden. Slecht gebrieft, slecht begrepen en knullig uitgevoerd, of een combinatie van die factoren.

En dan komt het echte stuntwerk. De opbouw van de affiche. Nijs, à la limite, een slogan hebben we al, het product hebben we niet echt zichtbaar gekregen, tot daar aantoe, maar hoe kunnen we nu ook nog eens de leesbaarheid om zeep helpen? Grote denkers en vormgevers hebben zich hierover gebogen. Ik heb op de site van het BIVV gezocht naar het campagnebeeld, om u – de lezer – te sparen. Ik heb het niet gevonden, dus moeten we het doen met mijn life frustratie gistermiddag (cf. boven)

Wat zien we? een Belgische tricolor, met naast hem een groene vlek, met wat lettersoep.

Je moet echt van goede wil zijn en traag rijden, om alles te kunnen lezen, wat wellicht een slimme zet was van de campagnemakers. Groen op groen? wie verzint zoiets?  En dan nog in een soort vals comic fontje, om de leesbaarheid helemaal optimaal te krijgen?

Ogilvy heeft ooit ‘gedecreteerd’ dat zwarte letters op wit het beste werkt, en geloof me, die mens was niet stom. Variantes zijn toegelaten maar “ton sur ton” werkt beter in de mode.
Bij J.C.Decaux hebben ze bovendien een handige software, die het resultaat van het creatief proces inpast in life situaties, zodat je kan zien of er iets aan schort. Bij gebreke daaraan helpt gezond verstand ook.

Voor wie het wil weten, op 5 juni worden ze gratis meegegeven met de krant die graag wielerwedstrijden sponsort, dus allen naar de krantenboer, zodat we onze omgeving tot een hel kunnen maken met helle alarmgeluiden.

En nu ga ik mij naar aloude gewoonte even toeleggen op de verkiezingsaffiches, want daar zitten ook altijd pareltjes bij. Wie er goede vindt uit zijn streek, mag ze me altijd doorsturen (guidooohh@gmail.com)

Consumer in control?

geurige zonde

smakelijke zonde

Ze zeggen zoveel. Ze zeggen nu overal op het internet dat de consumer in control is.
Ik geloof dat niet. En al helemaal niet na vorig weekend. Nochtans voelde ik me helemaal ‘in control’. Bij herhaling zelfs, en in mijn hoofd nog meer.
Ik schets het beeld even. Ik zit op een terrasje in de zon. U kent dat, mooie zondag, borreltijd, de zon schijnt, de belofte van zoveel meer wenkt achter elk nieuw glas fonkelende rosé.
Het gezelschap is aangenaam, de gesprekken inspirerend.Een knabbeltje moet erbij komen! Ik bestel wat ‘vlammetjes’ en ‘shrimps’. De immer vrolijke en efficiënte kelner neemt met zwier de bestelling op en komt nauwelijks een kwartiertje later met de gefrituurde heerlijkheden. Zonde geurt lekker.

Ik proef, bespeur een geur van ammonia en bedank voor de garnalen. Mijn ‘zon’genote doet nog even of het aan mij ligt, maar komt bij de tweede hap tot dezelfde conclusie.
Wij laten het schoteltje onaangeroerd. De kelner komt afruimen en vraagt of het smaakte. Tja, als ‘t moet kan ik wel expliciet zijn. Niet dus. 
‘Hij bekijkt het wel even met de keuken’.
Een half uur gaat voorbij, niets gebeurt. Geen nieuwe portie, geen excuses, niets. We waren nochtans duidelijk, twee garnalen opgegeten, de rest onaangeroerd.

Ik besluit een andere kelner aan te spreken. Per slot van rekening zijn we hier als Belgen in Nederland serieus aan’t potverteren. Kelner nummer twee neemt zijn job ook heel erg ter harte, en gaat even overleggen met de keuken. Niet dus.
Op zo’n moment gebeurt er iets raar in mijn kop. Ik wil winnen. Ik wil dat iemand mijn klacht au sérieux neemt. ik verwacht geen nieuwe gratis portie, ik verwacht geen compenserende drankjes, geen vouchers, drank- of tegoed-bonnetjes, of wat dan ook, ik wil gewoon dat iemand de fout toegeeft en zich er voor verontschuldigt. Dat moet kunnen.

Ik speur nu naar nummer drie, en ik wil een überkelner. Ik krijg haar in het vizier, en ga ervoor. Zij gaat het ook even met de keuken bespreken. Ik weet al hoe laat het is.
Ik weet niet wat er zich in de keuken afspeelt, misschien zijn het wel erg vieze mannen, erg gewelddadig ook, maar niemand van het zaalpersoneel is ooit ongedeerd met een klacht uit de keuken teruggekeerd.
‘Kitchen is in control, consumers are given the impression of power’. We mogen klagen, dat wel, en zoals vroeger, mogen we beslissen om nooit meer terug te komen, maar verder dan dat gaat het niet. Daar ligt onze macht, alleen krijgen we nu de illusie dat we een stem hebben.

Adres op aanvraag, we kunnen hun reputatie nog met zijn allen om zeep helpen.  But then again, voor een bordje garnalen?

Customer Delight

Om te winnen moet je vissen

In Gent was er vroeger een prachtige viswinkel in het historische centrum: Vishandel Meersschaut.
Altijd volk, geweldig lekkere vis, en geheel en al gedragen door het charisma van de uitbater en zijn medewerkers. Grappen, grollen, volks, en onderlegd. Ik kwam er graag. Stedebouwkundige en andere overwegingen dreven de man weg uit het centrum, naar Ledeberg. De zaak bleef, het enthousiasme ook, maar ik kwam niet zo graag in dat stukje van Gent. Ik ben dan maar naar De Haan verhuisd, wat verder niks met die vishandel te maken heeft. Come to think of it, meestal zijn visboeren wel gezellige mensen. In De Haan heb je Sven, en die is naast FCB supporter ook geweldig fijn om vis bij te bestellen en ‘een klapke te doen’.

Nu woon ik in Lochristi, en zag de naam Meersschaut weer opduiken.

Een nieuwe zaak, erg mooi, maar ook met traiteurservice. Een traiteurservice, dan denken we aan mayonnaise bereidingen, vislasagna (ja, het bestaat), en st jacobsschelpen voor in de oven, beetje klef.
De schrik sloeg me om het hart, omdat ik op dat vlak niet zo een nieuwlichter ben.
Stick to your knitting. als je vis verkoopt en je doet dat goed, blijf dat dan vooral doen. But then again, who am i?

Ik besloot er even binnen te gaan om een stukje vis te kopen. Ronduit heerlijk! Niet de vis, want dat wist ik toen immers nog niet, maar wel de winkel.  Ze zitten er nog steeds bovenop. Medewerkers, die enthousiast zijn, grollen en grappen, je naam onthouden en leven voor hun zaak, hun producten. Ik vroeg naar iets specifiek, wat ze niet hadden, maar wel nog zou geleverd worden.

Toen ik het twee uur later wou ophalen, kreeg ik niet alleen uitgebreide excuses, maar ook nog eens de vraag om mijn adres te geven dan zouden ze het brengen. Klantendienst! Ik weigerde beleefd en zou een paar uurtjes later wel langskomen.
Toen ik voor de derde keer de winkel binnenkwam, mocht ik als compensatie voor het gedoe iets proeven uit de traiteurbalie, en lag alles netjes klaar. Fijne mensen!

Waarom schrijf ik dit? Omdat er één ding is wat mij nog veel meer charmeerde. Aan de entree hebben ze iets gedaan wat zowel simpel als erg leuk is, en erg juist. Een viskraampje met eendjes ‘vijf eendjes vissen, één snoep’. Welke moeder/vader kan daar aan weerstaan?

Klantendienst, Gezond verstand, het gaat hand in hand met creativiteit.

Vishandel Meersschaut

Twitter, het nieuwe Farmville?

follow, please don't follow me

Ik heb een hatemail gekregen. Tenminste, zo kwam het over. Je zou ook kunnen zeggen dat het ruzie op de speelplaats is.

Gisteren heb ik wat orde op zaken gesteld in mijn twitter followers en de mensen die ik volg. Er zijn er die zeggen dat dat niet nodig is, ‘the more the merrier’, maar ik houd het graag overzichtelijk. Ik heb geen zin om door duizenden tweets te baggeren, om ergens iets zinvol op te pikken.  Via managetwitter was dat in een handomdraai gepiept, en had ik zo’n 200 niet erg actieve of niet bijzonder interessante ‘twitterati’ verwijderd.

Niet lang nadien kreeg ik een mailtje, van iemand die min of meer zei: ‘jij hebt mij ‘unfollowed’, awel, dan doe ik het zelfde met jou’. De néh, en de uitgestoken tong fantaseert u er zelf wel bij.

Ik wist helemaal niet dat het een spelletje ‘om ter meest was’! Stom van mij. Het is natuurlijk een hele andere insteek. En ik ga er ook niet aan mee doen. Het is toch totaal oninteressant om followers te willen sprokkelen? Net zoals bij het virale is dat een gevolg van de kwaliteit van je posts, of zou dat toch moeten zijn.

Het gaat voor mij om twee dingen: content en glimlach. Added value, quoi.

Tijdens de ronde van Frankrijk wil ik Lance Armstrong volgen. op dit moment  ben ik totaal niet geinteresseerd in zijn trainingschema’s, zijn kinderen, zijn nieuw lief, zelfs zijn charity initiatieven kunnen me niet boeien. Ik volg die man dus niet.

Ik volg met plezier absurditeiten, die niks toevoegen aan de business maar doen nadenken over de relativiteit der dingen.  Ik volg de kleine huishoudelijke beslommeringen van vrienden en vriendinnen. Zonder voorbehoud, en met inbegrip van taal- en spellingsfouten. Onvoorwaardelijk.

Voor al de anderen geldt: ‘amaze me, entertain me, surprise me, teach me, help me ‘. Wat er niet tussen staat, is ‘bore me’.
Ik heb geen behoefte aan navelstaren over de dagelijkse weerkerende strijd om uit bed te komen, ik geef er geen zak om dat je in restaurant het ‘floeren foefke’ zit, tenzij je me weet te vertellen dat de zwezerik daar uitermate geslaagd is.  Ik wil geen baby foto’s zien, echt niet. Wat niet betekent dat ik het totaal niet heb voor observaties, in tegendeel. Maar zoals in alles, moet er balans zijn.

Ook professioneel zit ik met wat issues. Ik leg het even uit.
Wie in ons vak niet weet wie Guy Kawasaki is (voor of tegen, daar gaat het nu even niet om), waar Mashable voor staat, of wie  een aantal self-proclaimed guru’s niet volgt, is eigenlijk niet goed bezig.

Wie de tweets van die mensen retweet, wil dus eigenlijk vooral indruk maken op de ‘minus habensen’ (latijn voor intellectuele onderdeur) van deze wereld.  Als groot fan van de Darwin Awards, ben ik daar eigenlijk niet zo blij om. Dommigheid moet uitgemendeld worden en niet in stand gehouden. Een warme oproep om dat niet meer te doen.
Dat je met de informatie van bovenstaande aan de slag gaat en daar iets leuk mee doet, valt daarentegen alleen maar aan te moedigen. volgens mij ben je dan aan een soort conversatie bezig (term schijnt in de mode te zijn, levert extra punten op!).

Retweets zouden juweeltjes moeten zijn, pareltjes van overwegingen, uit je eigen netwerk, die je de moeite waard vindt van een overpeinzing. Een teken van appreciatie ook. geen geslijm maar het sharen van inzichten en ideeën.

Oh ja, en de eerste die nog eens afkomt met 10 reasons to, 5 things that, 7 ass remarks to make, die kan het ook schuiven.

Willen we dan zo overeenkomen, dat we dat vanaf nu allemaal iets minder doen om nieuwe vriendjes te krijgen, maar meer bezorgd zijn om de inhoud? Willen we dat dan doen? Prettig weekend.

Over vlaggen en ladingen

Ik kreeg vandaag een tweet onder ogen, waarbij mijn aandacht getrokken diende te worden op een geweldige viral campaign.

Op zo’n momenten slaan de stoppen lichtjes door, en wil ik precies het omgekeerde doen. Ik heb altijd gedacht dat iets viral werd doordat je a) de juiste kanalen gebruikt b) de juiste mensen aanspreekt c) de juiste boodschap hebt, en die bovenal d) onweerstaanbaar impactvol, grappig of gewoon mooi maakt (ja, ook dat laatste kan).Daardoor krijg je (h)erkenning, appreciatie, brand-sympathy, whatever…

Tiens, als ik het bovenstaande bekijk, dan ligt dat verdacht nauw bij wat ik al jaren ken als goede communicatie, maar dat zal wel de cynicus in mij zijn.

Als iemand mij daarentegen iets doorstuurt en daar al meteen bij zegt dat het viral is, dan voel ik mij misbruikt. Dan heb ik al geen zin meer.  Wie bepaalt er mijn recht en beoordelingsvermogen om al dan niet iets door te sturen?

Onlangs liep ik in Gent voorbij een winkel die beetje knullig reclame maakte voor ‘echt pittige quiches’. Ik geloof dat niet. Ik denk dat het aan de consument is om te bepalen of iets volgens hem pittig, lekker, of wat dan ook is, niet aan degene die ze maakt. Pas op, de mensen doen wat ze niet laten kunnen hè, maar voor mij werkt het niet.

Ik heb het er in een eerder blogje al eens over gehad. Het is wellicht ook een verschil tussen Europa en Amerika (Starbucks ). Maar net zoals met koffie, heb ik de illusie dat ik mijn eigen smaak heb, en ik zoek een koffiebar, die me de koffie levert die ik lekker vind zonder aan de kwaliteit van de barrista te moeten twijfelen. Not the other way around. En net zoals ik van de barrista niet verwacht dat hij/zij zich aan mij aanpast, wil ik ook niet dat iemand anders mij vertelt wat ik al dan niet mooi/lekker/interessant moet vinden.

Kunnen we dat afspreken? Filmpjes die mij al op voorhand als ‘viral masterpieces’ worden voorgesteld, ze komen er niet door. (tenzij ze briljant genoeg zijn om die weerzin te overstijgen).

De kop is er af…

Maarten Gabriels

Koning in 2008, Keizer in 2010

Neen, ik wil er geen reclame voor maken, ik wil het zelfs heel stil houden. Tegelijkertijd ben ik razend enthousiast. De ‘stille’ competitie van een aantal polderdorpen in de Antwerpse haven, te mooi om niet over te vertellen, maar ook te mooi om te grabbel te gooien.

Alles is er. Vlaanderen zou Vlaanderen niet zijn, mocht het evenement niet gedrenkt zijn in een poel van bier en lekker slecht eten, van tikkeneikes met spek tot lackmans (een lokale antwerpse specialiteit, waar zij veel spel van maken, maar wat met moeite linkeroever haalt).  De culinaire rand is echter bijzaak, het gaat over echte mensen, over volkse humor, die zo heerlijk scherp en snel gebracht kan worden met de nietsontziende zachtheid van het geen aanstoot nemen. Het gaat ook over een bloedserieus te nemen wedstrijd, die je – willen of niet – binnen het half uur volledig in de ban heeft.  Het gaat ook een beetje over communicatie, iedereen grapt en grolt met iedereen, een half woord is voldoende om weg te dwalen in babbelmomenten en overpeinzingen.

Het gaat over intense beleving, over ruiters, met verbeten trekken en geconcentreerde blikken, met slechts één doel. Over experts, die vol overgave kijken hoe en of de juiste snedes in het net gemaakt worden.  Die hun ‘vereeniging’ door dik en dun aanmoedigen, monkelend en tegelijk bloedserieus, zoals het verenigingsleven moet zijn.

“Il palio in de polder”, met heftig verdedigen van de kleuren, componeren en luidkeels brullen van liederen, opzwepen van de eigen ruiters, en het met kennersblik analyseren van de ‘snok’ van deze of gene. Heerlijk!

Typerend ook; geen gezever, alleen maar daadkracht en actie. Het evenement is nog niet voorbij of er staat al een bord langs de weg ‘See you in Zandvliet next year’. Geen uur later zijn de websites netjes à jour gezet, hoeveel bier er ook gevloeid is tijdens de wedstrijd. Tijdens het evenement vliegen de status smsjes over en weer, er zijn zelfs twitteraars aanwezig. Never underestimate de polderdorpen, die bij deze wat mij betreft, een olympische status mogen krijgen.

Ik overweeg een boerenpaard te kopen en te verhuizen. En neen, ik ga niet zeggen waarover het gaat, voor je’t weet beginnen ze er met de aanleg van loges en vip dorpen (courtesy Rob C.)

Volgend jaar weer… hoop ik.

Bang van een piercing

piercing

Angstjes, angstjes, ik kan er honderden noemen. Ze zijn zo vermoeiend, maar vooral beperkend. Business unit managers bijvoorbeeld, camoufleren met een deken van procedures hun angst voor de baas, maar maken het leven van leveranciers, collega’s en ondergeschikten zuur. Mensen die je niet rechtuit zeggen wat ze denken, houden er achter je rug een wel erg duidelijke mening op na, maar verbergen hun angst voor de confrontatie achter hun pokerface.

Angst draagt niet alleen een stuk hypocrisie in zijn leden. Er is meer. Wie tijdens een creatief proces weigert op te komen voor zijn mening – uit angst belachelijk gevonden te worden door peers or bosses  – veroorzaakt iets. Of liever veroorzaakt iets ergs.  Een inferieur resultaat vindt zijn weg naar de markt.

Ik pleit hier niet voor een ‘f#@%k the system’-attitude. Ik pleit voor een assertieve houding. Het is goed om voluit voor je standpunten te gaan. Verdedig je ideeën en visie.

Ook tijdens een gesprek over de impact van social networks op rekrutering met een hr-manager steeg de geur van angst op. Kandidaten zijn bang dat hun – al dan niet compromiterende foto’s op facebook  – een belemmering zouden zijn in een aanwerving. Blijkt dat hr-managers ook actief op zoek gaan naar materiaal van kandidaten. Stel je voor wat je allemaal in huis haalt. Zij zijn tenslotte verantwoordelijk voor de rekrutering van ‘goede’ kandidaten.

Beide partijen in dit verhaal zijn angsthazen. Ze bewijzen niemand een dienst met hun angstreacties. Een student die zijn hele studententijd nodig heeft om wat onderscheidingen bijeen te sprokkelen en daardoor het sociale leven aan hem voorbij ziet gaan, dat is toch gewoon een drama om in je bedrijf te hebben? Een selectie verantwoordelijke die voor de grijze muizen kiest, laat misschien echt talent aan zijn neus voorbij gaan.

Ogilvy zei het al: “i don’t want politicians, but independent mavericks, proud of their beliefs”.

Stel,  je mag kiezen tussen een vent die actief was in de studentenorganisatie, een MBA heeft van een gereputeerde universiteit, en op facebook te zien is in het gezelschap van wulpse deernes, vrolijke vrienden en grote potten bier, en een immense vriendenkring heeft, uit alle landen en lagen. Kandidaat twee heeft min of meer hetzelfde studie parcours afgelegd, heeft geen uitbundig sociaal netwerk, kennelijk ook geen actief sociaal leven, of schermt het extreem af. Misschien kun je je dan ook nog een keer de vraag stellen of nummer twee iets te verbergen heeft (angst, weet je wel). Het enige wat je weet is dat hij minstens even solide is om de job te doen. Over de extra troeven van nummer één weet je alleszins meer.  Om het plat te zeggen, iemand die zich steendood drinkt tijdens de nacht maar er desondanks toch in slaagt schitterende studieresultaten te behalen, lijkt mij meer stamina en stressbestendigheid te hebben, but then again, het kan ook op persoonlijke voorkeuren gestoeld zijn.

En omgekeerd? Waar wil het echte talent werken? In bedrijven die scrupuleus je gangen nagaan, en door procedures allerhande ervoor zorgen dat iedereen binnen de lijntjes kleurt? Ik denk dat het Godin was die zei dat het wellicht verstandiger is om talentvolle mensen sowieso binnen te halen, om dan te kijken hoe je ze zinvol in je bedrijf kunt passen in plaats van naar een profieltje te zoeken dat min of meer past in de vooropgestelde tekening.

Doorwinterde hr- mensen gaan mij allicht met tal van theorieën om de oren slaan. Bespaar je de moeite. Ik ben immers geen expert. Ik geloof het allemaal wel. Het gaat mij om de beperking die angst en bekrompenheid veroorzaken.

De liftster die gisteren in mijn auto stapte, zat er een beetje verslagen bij. Haar sollicitatie was op een sisser afgelopen omdat ze een piercing droeg. Dat het kind actief was in tal van domeinen, sociaal erg bewogen was, ervaring zat had, uitermate taalvast en zeker niet dom was,  het deed allemaal niet ter zake. Ze ging niet passen in de bedrijfscultuur. Ze had immers een piercing…

Seth Godin: “Anxiety is nothing…but repeatedly re-experiencing failure in advance. What a waste.”

George Orwell: “In a time of universal deceit, telling the truth is a revolutionary act.”

Recepties en het gezwets , part 2

Een vervolg op een eerdere post

Ik hield ze de hele tijd in het oog. niet omdat het me boeide, maar omdat ik me ergerde. u kent dat, de zoveelste receptie, de zoveelste schotel gefrituurde hapjes en kleffe toastjes.

Maar dit evenement was anders, ik kende niemand. Dat overkomt me niet dikwijls.  Het koppel dat het dichtst bij me stond, begon te praten, en ik had meer dan duidelijk gezien dat de mogelijkheid bestond om minstens met één van hen in contact te komen, wegens vaag bekend, of voorkennis over haar bedrijf en dus alleszins een nuttige link.

Dat lukte dus niet. Ze knikten goedendag, keken me aan alsof ik van een andere planeet kwam, accepteerden wel de uitgestoken hand, maar negeerden me verder feestelijk.

Omdat ik ook nog zoiets als trots heb, en met mijn ellebogen aanvoelde dat ik niet echt op prijs gesteld werd, ging ik dan maar even in een hoekje staan, en maakte me klaar voor een nieuwe toenaderingspoging, bij andere slachtoffers.

Maar eigenlijk was dit te interessant. Moet je nagaan. Iedereen op zo’n receptie is daar omwille van zijn professionele hoedanigheid. Je vertegenwoordigt er niet zozeer jezelf als wel je bedrijf. Je werkgever verwacht daar alleszins toch ook enige return van,  indien niet in termen van nuttige contacten, dan alleszins in termen van PR en uitstraling. Ik heb meer dan eens een kudde accounts uiteen gedreven omdat ze samen stonden neer te kijken op de rest van de aanwezigen, onderwijl rustig bubbels nippend. En hier hadden we twee werknemers die – om het plat te zeggen – stonden te hijsen op kosten van de zaak.

Mag je geen oude bekenden opzoeken?  uiteraard wel, liefst zelfs. Mag je niet genieten van aangenaam gezelschap, en daar even verder mee doorgaan? het zou onvergeeflijk zijn.

Dit koppel was anders, van bij aanvang kwamen ze naar elkaar gewandeld, en na een halfuurtje was’t lachen, brullen, gieren, en witte wijnen binnen slaan. Erg leuk, voor henzelf.

Ik heb al gepleit voor de juistheid van woordjes, en eigenlijk is dit ook een klassiek geval. Zou het niet veel leuker/verstandiger/prettiger geweest zijn om met een zinnetje als “Zeg, dit is erg leuk, ik ben blij je nog eens ontmoet te hebben, laat ons daar in een ander, fijner kader een vervolg aan breien”

Je maakt me immers niet wijs dat je in de aanwezigheid van 500 vakbroeders in staat bent tot zinvolle amoureuze of andere bespiegelingen. Daar dient zo’n receptie overigens ook niet voor. En dat is dan nog maar alleen het persoonlijk niveau. Stel je voor hoeveel nuttige contacten die mensen hebben laten liggen, en hoeveel mensen niet hebben kunnen profiteren van hun expertise en eventuele briljante ingevingen. Puur zonde.

Bovendien, qua networking, hoeveel goeds hadden ze kunnen doen, door die ene eenzame ziel, die al zijn moed bijeen geraapt had, vriendelijk belangstellend even te woord te staan?  Niemand pijn, iedereen blij.

Daarom, en daarom alleen, als je ooit op een receptie een eenzame mens ziet staan, en je weet dat het geen vervelende Benny is (en mijn uitdrukkelijk excuus aan alle interessante Bennies) is die totaal oninteressant gaat bazelen, doe dan even moeite en leer hem kennen. Het is niet omdat het geen tafelspringer is dat de man/vrouw in kwestie niet boeiend kan zijn. En de kans is erg groot dat de sympathie die je opwekt vroeg of laat opbrengt.

Conversation management, quoi !

Niet zuipen en versieren, maar werken.

(Oh, en voor zij die niet echt veel verbeelding hebben, alle personages en gebeurtenissen zijn fictief, en neen, mij moet je niet aanklampen of helpen op een receptie, het lukt uitstekend, dank u.)

Dringend Lezen!

Gelieve mij ASAP terug te bellen. Graag dringend contact! Status : Urgent.

U kent het, ik haat het. Ik heb het sowieso niet voor de inflatie van de woordjes. Woorden die in se duidelijk genoeg zijn om als woord te functioneren, die een betekenis, een sluitende betekenis hebben, worden uitgehold door onzorgvuldig gebruik. En wat overblijft , dat zijn de uitroeptekens, het onderlijnen en uiteindelijk het lege, betekenisloze.

Guillaume heeft ooit gezegd dat  het aandachtspunt de acné van de copywriter is. Ik denk dat de uitroeptekens de typografische maagzweer van de gecrispeerden is.

Dringend is enkel dringend als het dringend is, niet als dat betekent dat je iemand optrommelt om jouw ‘gebruiksgemak’ te realiseren en/of tijdsgebruik te optimaliseren..

ASAP betekent niets meer of niets minder dan “As soon as possible”, en niet “As soon as you receive it, and by god i will be annoyed, ill tempered and mad at you, if for any reason whatsoever you do’nt react within 15 minutes after receiving this”.

Zo ook, in een totaal andere context – vraag ik me soms af wat er mis is als ik ‘Dank u’ zeg. Ik zeg dat uit de grond van mijn hart. Ik vind dat éénvoudige, mooie woorden, die door hun éénvoud, weergeven wat er bedoeld wordt. Als ik dat zeg, bij het ontvangen van een cadeautje, een attentie of wat dan ook, kijkt men mij aan of ik net iets gedeponeerd heb in het bakje van de kat. Blijkbaar is het duidelijker om te zeggen: ‘maar, oooh, maar zeg, allez, neen, maar enfin, maar dat had ge nu echt niet moeten doen, ’t is echt super, mega, ooooh ik ben zo blij, maar allez, zeg… dat had ik niet verdiend”.

Ik doe dat dus niet.

En ik zou het apprecieren als we met z’n allen ons best doen om de echte woordjes weer in ere te herstellen.

Dank u 😉

Ik spreek Vrouws

Ik spreek vrouws

Vrouwen weten van aanpakken. Ze zijn georganiseerd op het efficiënt uitvoeren van taken. Ik heb het hier niet over slap gelul zoals multitasking. Neen, ik heb het over “getting things done “. Op tijd, en zoals verwacht. Het is verbazingwekkend.
Ooit vroeg ik  een vrouwelijke collega om even iets voor me te doen, en ik kreeg een staalharde “neen”. Of liever, ik kreeg een poeslieve glimlach en de melding dat ze dat niet ingepland kreeg wegens volledig georganiseerd voor de komende vier weken met haar eigen werk en prioriteiten. Het was nog waar ook, elke taak stond minutieus in de agenda.  Er waren ook geindexeerde to do lijstjes, met prioriteiten en kleurtjes.

Daarmee vergeleken is mijn agenda een studie in Japanse esthetiek en soberheid, hier en daar een naam, een telefoonnummer, een verdwaalde notitie, een goedbedoelde intentie om minutieus te acteren waarover mijn leven gaat.  Waar ik een druk leven leid, hebben zij het druk. Waar ik bezig ben, doen zij dingen. Waar ik puffend een deadline haal, of net niet, warmen zij zich al op voor de volgende taak.
Aan de universiteit was dat al zo, ik zat panisch en koortsachtig de hele cursus door te vlooien op een halve dag van het examen en mijn vriendin ging even fietsen, want ze was klaar. Hoe kun je ooit klaar zijn?  Ze haalde bovendien vlotjes onderscheidingen.

Ja, ik bewonder ze. Daarvoor. En voor de lichtvoetige elegantie en de pasklare oplossingen op onoverkomelijke mannelijke problemen.  Maar niet altijd. En al helemaal niet als ze spreken. Echt waar niet! Ik begrijp ze niet. Het gaat niet over de woordjes, het gaat niet over de complexiteit van hun zinswendingen, het gaat over effect van communicatie, over zin en onzin van de verstrekte informatie, over het vullen van ether met, met, ja met wat? mededelingen waar ik verder niets mee kan. En het ergst van al, ik weet niet eens hoe ik er moet op reageren?

U kent dat ook. Na een dag werk, krijg je de gevreesde vraag, waar bij mijn weten geen enkele man al juist op heeft geantwoord; “Hoe was je dag, schat?” Het antwoord is bij mij onveranderlijk “Goed”, of “Saai”, of “t was ok”.
Er is bij mijn weten geen enkele man, of hij moet van bloemschikken houden, die daar al ooit meer op geantwoord heeft.
En dan krijgen we verhalen. Verhalen over die ene die wat zei, tegen die andere, en toen zei zij weer, waarop ik zei, “ik zeg nog, zeg ik tegen hem. Waarop hij tegen mij zegt, dat het toch wel ongelofelijk is “

Dames, dat is te moeilijk, dat is herbeleven van conversaties, van heelder momenten uit jullie persoonlijke biotoop, en wij – de mannen – kunnen daar niets mee. Dacht ik.
Een goede vriendin heeft me namelijk uitgelegd hoe je daar mee om moet gaan. Je moet luisteren als een zusje. Zo simpel is het. En het is inderdaad zo simpel. Het gaat er namelijk niet om dat we iets toevoegen, het gaat er gewoon om dat we het verhaal zijn beloop laten, op een actieve participerende wijze. Het instrumentarium dat je daartoe dient te gebruiken zou je kunnen omschrijven als ondersteunend geknor, maar het is belangrijk dat je betrokkenheid toont, dus niet zomaar instemmend meegrommen.
Ik denk spontaan aan woordjes  als  “Maar, enfin?!”, “Meen je dat nu echt?”, “Goh, en wat zei jij toen?” en dies meer. U merkt het, de vraagvorm is essentieel, en helpt bij het verder formuleren van de stellingen, ideeën en theorema’s. In de geneeskunde noemt men dat de client centered therapie van rogers, maar ik zou nooit zover durven te gaan om te beweren dat vrouwen nu als patienten moeten beschouwd worden. Ik kan alleen maar zeggen dat het werkt.  Sinds ik het doe, gaat de kwaliteit van mijn relatie er met sprongen op vooruit, en kan ik met recht en rede zeggen dat ik vrouws spreek. Men zegge het voort!

(column ook verschenen in DMix, het vakblad voor marketeers met een open vizier)

Zeep…

Zeep 2.0?

Het blijft mij ontroeren. Ik wou net mijn handen wassen toen mijn aandacht getrokken werd op de zeepdispenser. Er hing een etiketje aan, om aan te geven van wie de flacon was. Het labeltje was zo schattig. Klever dezes had er alles aan gedaan om er voor te zorgen dat het etiketje niet opging in het algeheel design. Het moest opvallen! Deze zeep was van PKF, en kon niet zomaar door iedereen gebruikt worden. Zou het dat zijn? Wat bezielt iemand om in een bedrijfstoilet de zeep te willen personaliseren? Soap 2.0?

Mijn hoofd begint dan te tollen, fantasie slaat toe. Ik zie de man, de initiatiefnemer, bijna letterlijk voor me zitten, aan een mooi geordend bureau, met bakjes,… voor in en out. De lade met de potloden, allemaal mooi gescherpt, misschien zelfs op aflopende grootte. Een labeltje op de perforator, de nietjesmachine en wellicht ook de schaar. Vier magic markers, van elke kleur één, en alle vier doen ze het. Met een beetje geluk ligt er ook een gommetje, en om helemaal nostalgisch te worden, verstevigingsringetjes…

Het is een Erik. Erik is een nette mens. Thuis, bij hem in de garage, zie je de steeksleutels ook netjes ophangen, hij heeft er een lijntje rond getrokken, om zeker te zijn dat ze er altijd allemaal hangen, en dat je meteen ook ziet als er iets ontbreekt. Ik twijfel, als er eens echt eentje weg is, koopt hij dan meteen een nieuwe set, of doet ie het toch met eentje, ook al blinkt die dan misschien net iets meer? Drama’s, dilemma’s. Erik heeft ook een stofzuiger voor zijn gazon, en een hogedrukspuit. Altijd paraat

Maar terug naar het kantoor. Het toilet meerbepaald. Er stond al een zeep dispensertje, maar dat was kennelijk niet goed genoeg. We zullen het nooit weten. Is de geur niet lekker, is de schuimfactor onvoldoende? Dus heeft hij wellicht en flesje van thuis meegebracht, wellicht zelfs een onkosten nota binnengebracht? Neen zo is Erik niet, hij doet het voor het goede van de zaak.

Maar aangezien het toilet door meerdere bedrijven gebruikt wordt, moeten er toch wel voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Stel je voor dat anderen schaamteloos van de (veel lekkerder geurende) zeep zouden profiteren. Neen dat kan niet, daar moeten we iets aan doen. Ownership moet geclaimd worden,

Een labeltje dus. En binnenkort ook een spreadsheet, om het geschat verbruik te registreren. Ik zie de communicatiegolf volledig escaleren.

Binnenkort zet Erik elke ochtend streepjes op het flacon, om het dagverbruik te meten. En dan volgt er wellicht een labeltje met een uitroepteken “PKF!” Omdat een uitroepteken zo lekker roept! “Het is van ons, blijf er af!”. En nog later krijgen we van die formele berichten.

“Beste bezoeker, uiteraard stellen wij het op prijs dat u uw handen wast bij het verlaten van de toiletten, maar gelieve daarvoor de algemene zeep te gebruiken.” Hier wordt dan kundig gebruik gemaakt van powerpoint fonts, word art en plastic mapjes van Esselte.

En voor je ’t weet krijg je de reactie van de anderen. Stekelige kleine pesterijen. Opmerkingen die ruwweg in balpen gekribbeld worden,  namen die doorstreept worden, god beware ons, misschien wel schunnige opmerkingen…

Fysieke agressie ook, waarbij de mensen van andere bedrijven telkens stiekem op de dispenser duwen, een zielig kwakje achterlatend op het aanrecht. Erik ziet het gebeuren, begrijpt niet wat hij ontketent heft en sterft een stille dood.

De sfeer in het bedrijf geraakt onder nul, de werknemers van PKF worden een beetje uitgelachen,

Communicatie, het blijft een gevaarlijk iets in handen van onbevoegden…

(blog die ook opgenomen werd in het nieuwe iAct nummer, het vakblad van de BDMA)
(http://www.ccmonline.nl/iAct/Home.aspx)

Recepties en het gezwets

networking-meeting-of-bus-007

 

Recepties: ik doe dat eerlijk gezegd wel graag. Ik denk dat ik zelfs weet hoe het hoort. Het hele punt is elkaar niet te vervelen. Niet meer, niet minder. Straks details, voor hen, die denken hier iets te kunnen leren.

Het uitgangspunt is simpel : niemand gaat uit vrije wil naar een receptie. Voor sommigen is het ronduit vervelend en staat het haaks op hun wereldbeeld. Voor anderen is het een verzoeking, geconfronteerd te worden met mensen die oppervlakkigheid klaarblijkelijk als credo hebben.Voor nog anderen is het een sociaal aanvaard alibi voor hun drankprobleem. Lees verder