Fantasmes in het herentoilet

Tieten-dispenser

Het zal wel aan mij liggen. Een soort diepgewortelde anaal-retentieve fixatie, een overdreven belang voor het toilet. Maar u maakt me niet wijs dat het u nog niet is opgevallen.  Nieuw concept in het ‘papiergebeuren’. De Lotustiet-dispenser.  We hebben al ongeveer alles gehad. Het Unigro-boek aan het touwtje, de krant, het zuinige schuurpapieren rolletje, en de varianten daarop.  Altijd opnieuw met die twee verkeerd geboorde gaatjes, allerschattigst. Toen werd het leuk, in het kader van de productiviteit (welke productiviteit) kwam achtereenvolgens het karrenwiel en de duoslider, waarbij twee rollen alternerend konden gebruikt worden.

Ik wil het hier niet hebben over de ergonomische plaatsing van die dingen, meestal sloeg het nergens op en haalde je je geheid een ontwrichte schouder, alleen over de hardnekkigheid waarmee product-developers meenden te moeten sleutelen aan een utilitaire installatie die eigenlijk al stond als een huis. Het rolleke! En ja, sinds kort mag je dat kreng ook gewoon in de pot dumpen wegens oplosbaar.

Maar de stijlguru’s bij Lotus vonden het blijkbaar nog niet ver genoeg gaan. Daarom kwamen ze op de proppen met bovengetoond ‘ding’. Ik heb echt geen andere naam.  Ben ik dan de enige? Madonna-tieten, jaren ’90, met wc-papier als tepelkwastjes?

Is dit de ultieme gamification? Maken we een spelletje van het grotere toiletgebeuren?  Een combinatie van utilitaire handelingen.. fantaseert u lekker weg op de vorm en de herinneringen? Ik mag hopen van niet.

En dan de ‘dispenser-filosofie’. Er zijn van die wc-papier toestanden waar je velletje per velletje mag gebruiken. Ik weiger categoriek om daar in mee te gaan. Ik wil kunnen rollen en proppen zoals het mij belieft. Boekhoudkundig velletjes stapelen tot ik er statistisch gezien geen risico’s mee loop, dat is aan mij niet besteed. Liever smossen dan kansrekenen.

Bij de nieuwe Lotus dispenser trek je dus ook velletje per velletje uit de tepelhof. Een draak is het. Moet je eerst nog een keer je wc-papier gladstrijken en ordenen voor je tot de daad overgaat. Ik dacht het volstrekt niet.

Wat mij betreft, afvoeren die handel, tenzij ik iets over het hoofd heb gezien.

Ik hou van mannen, vooral als het jongens blijven

Ik heb het er nog niet over gehad. Omdat het nogal veel pijn doet.

Een maand geleden heb ik meegedaan aan de dodentocht in Bornem. 100 km wandelen/stappen en je krijgt er 24u voor. In principe geen probleem. Maar ik heb jammerlijk gefaald. Opgegeven in de helft.

Er zijn verzachtende omstandigheden, die zijn er altijd, maar daar gaat het niet over. Het resultaat is dat ik het niet gehaald heb. Ik kan hier oeverloos blijven mompelen over te dikke kousen, en daardoor al vanaf km 2 problemen met mijn tenen. Ik zou uren kunnen vertellen over mijn rugzak, die ik normaal nooit gebruik als ik tochten doe, en waar voor deze keer twee boeken, twee kledingsetjes, voedsel voor een week en een hele veldapotheek inzat, maar dat ga ik niet doen. Ik ga me ook niet verschuilen achter mijn competitiedrift, waardoor ik van bij aanvang met de betere meestapte, om al na 30 km te merken dat ik mezelf overschat had. Het is immers in mijn hoofd dat de hubris ontstond om te denken dat ik er al rond 15u zou zijn.  Op basis van de eerste 50km zou dat ook een realiteit geweest zijn.  Ik wil het ook niet verder hebben over mijn persoonlijke Deus ex Machina, de K-woman die mij om 7u ’s ochtends in Steenhuffel kwam trakteren op een koffietje, waardoor ik finaal verkoos om de rest van de dag in andere oorden door te brengen.  U, mijn beste lezer, bent niet gediend van voorwaardelijke wijzes en excuses. Ik bespaar ze u dus… uit respect! U zal me er niet meer over horen, maar volgend jaar sta ik er weer! en kom ik aan! Binnen de tijd! Ruim binnen de tijd…

Eén van de mooiste herinneringen heb ik overgehouden aan dat uurtje voor de start. Cool, calm and composed, zat ik in een plaatselijke afspanning een boek te lezen, doordrongen als ik was van het besef dat ik een wereldprestatie, nooit gezien in de geschiedenis van de dodentocht, zou neerzetten.  Naast mij streken 6 rumoerige scoutsleiders/jeugdclubtyconen neer, die met veel misbaar zware Duvels bestelden en met die kenschetsende brallerige humor, eigen aan onzekere mannen/jongens, hun demonen probeerden te bezweren.  Er was leute, er was lawaai, er waren boude uitspraken en grappige opmerkingen, er werden foto’s genomen van de helden, de gladiatoren. Allen voor de eerste keer aan de start, maar de jeugd heeft de toekomst. Ze gingen dit varkentje wel eens even wassen.

Ik ging naar toilet en kruiste daar één van de knapen. Hij bekeek zijn wilde haardos in de spiegel en sprak de welhaast profetische woorden ‘Joenge, joenge, zijde gij oek zoe zenuwachtig? Ik schet bekanst in man broek van de zeene! Kgon dat verleves nie kunne, en ze gon ma eutlache, doemme toch!’  Je kunt daar niets aan toevoegen, dat hoeft ook niet. ik lachte even, en zei dat het voor iedereen even ver is. De ‘schoon weer vandaag’ cliché voor sportmanifestaties.

Ik ging weer naar mijn tafeltje. Hij ook, en niets verried dat hij blij was dat hij zijn hart even had kunnen luchten. Het was weer de luidste braller van toen net. Zo hoort het.  Dat soort kwetsbaarheid is niet voor de vrienden, en toch weer wel. ik ben er zeker van dat ze allen, wij allen met dezelfde twijfels en stress zaten, en dat we ons groot hielden door stoer gedrag.

En het mooiste van al. Dertig kilometer later hoorde ik er toevallig één bellen naar het thuisfront. ‘Met mij gaat het nog, maar de Jerre heeft een probleem. Allez, ’t is te zeggen, t heeft niets met zijn conditie of zo te maken, maar hij gaat het waarschijnlijk niet kunnen uitlopen, iets met zijne knie…’ Schoon, heel schoon!

Dat is het toch? Echte vrienden zullen het eventuele falen van één der kameraden toedekken, afschermen en begrijpen. Ze zijn opgelucht dat het hun niet overkomt, maar ze zullen op zo’n moment nooit de draak steken met die onfortuinlijke. Daarvoor zijn we maten, voor ’t leven.

En nadien, in de warme geborgenheid van het dorpscafé zullen er stoere indianenverhalen verteld worden over lijden, afzien en heroïek, maar nooit zal die ene te kakken gezet worden. Hij maakt deel uit van het genootschap dat er was.

What happened in Bornem stayed In Bornem. Helden worden niet verguisd.

Ik wil alleen zijn op de pot!


(video is het idee van de bij deze bijzonder sympathiek geachte @benpittoors)

Het moet niet altijd over privacy op Facebook gaan. Wij hebben op kantoor, in het toilet, zo’n luchtverfrisser die automatisch een wolkje dennengeur verspreidt, alsof je in’t bos zit te kakken. Ik schrik daar telkens weer van, het is alsof de privacy van de kleine ruimte een beetje ontheiligd wordt. Alsof er iemand naast je zit, die ineens oordeelt: “oh, neen, dit kan niet, dit is te erg, nu moet er gespoten worden!” Big brother is smelling you, and he disapproves!

Je kunt er bovendien geen staat op maken. Dat ding spuit op de meest vreemde momenten. Soms bij het binnenkomen, soms als je beweegt, soms nadat je bewoog. Ik voel dat ik één dezer zo’n wolkje in mijn oog ga krijgen, echt wel. Ik vind dat niet fijn, dat soort ‘aanwezige’ toestellen. Het hindert mijn gevoel van intimiteit. Ik wil alleen zijn.  Ik en mijn witte porseleinen troon, en desgewenst nog een boekje. Alleen, zonder smellmonitoring. Het is één van de kleine ergernisjes die ik meemaak in de hedendaagse sanitaire installaties.

En zo zijn er nog. Ik heb bijvoorbeeld ook een godsgruwelijke hekel aan automatische timers in de verlichting van  de toiletten van onze betere horeca zaken. lemand heeft dus bepaald hoe lang je mag blijven zitten, daarna gaat het licht uit.

Mag het even? die ene plek waar niemand je stoort, waar niemand aan je kop zeurt?  Wie houdt zich daar overigens mee bezig.  Hoe wordt dat bepaald? Mediaan of rekenkundig gemiddelde? En op welke steekproef? En zou die ‘lichtzeit’ anders zijn bij vrouwen dan bij mannen? Ik vind dat we daar streng moeten zijn, een exclusief mannelijke steekproef voor het herentoilet, anders krijg je scheeftrekkingen. Wie bedenkt het ook? Doe je daar voordeel mee? Over hoeveel jaar gespreid dan wel? Het kan toch niet anders dan één of andere anaal-retentieve facility manager zijn, die denkt dat ie daar zijn groot profijt gaat uithalen?

Te lang drukken, op onze electriciteitskost? De sanctie is duisternis. Ga er maar aan staan, of vegen. Want uiteraard is de sensor van dat verhaal ergens geplaatst waar je molenwiekende armen geen bereik hebben. Soms denk ik dat het mede daarvoor is dat ze smartphones uitgevonden hebben, met grote lichtgevende displays.

En de laatste, meest ergerlijke vorm van privacy schending, dat zijn die halfopen deurtjes. Waarom, waarom, waarom? Uit veiligheid? Uit zuinigheid?  Halve deurtjes, ’t is weer zoveel vezelplaat gespaard! Wat is het voordeel? Dat iedereen kan meeluisteren? Dat degene die zit, met mondjesmaat perst, om zachte plonsjes  en geluidloze veestjes te produceren, die niemand verder storen?

Veel meerwaarde heeft het  verder allemaal niet, maar ik moest het even kwijt.

Het Nieuwe Brandmerk

De man had een heel speciaal, lichtgekleurd, leren boekentasje vast. Het was mooi, maar niet echt mannelijk. Tenminste, ik – met mijn beperkt bevattingsvermogen – kon me niet voorstellen dat een man zoiets zou kiezen/kopen. Wij kiezen zwart leer, bruin leer, een enkeling zal al eens naar bordeaux durven overhellen, vooropgesteld dat het van een gekend merk is, maar veel verder… Neen.  En dit was een vreemd soort bijna vanille-geel leer, met mooi beslag, en de kwaliteit sprong er af.

Toen ik het hem vroeg, keek hij verrast op en ook wel blij ‘Cadeautje van mijn vrouw! Mooi hè?’ De ‘mooi hè’ kwam er uit als een soort van opluchting. Opluchting omdat een andere vent het ook mooi vond en hij zo wat minder voor paal liep… of tenminste daar vreesde hij voor. Voor dat paal lopen dan.

De vrienden zaten te eten in een restaurant, Twee gebronsde fitnesshengsten met twee Sherrywijfjes ernaast. Het eten smaakte, de drank vloeide. Eén van hen had een witte ‘Ice’ watch aan. Een fashion statement. Misschien.   Welke vent kiest er zelf voor? Karin kon het niet laten en vroeg ernaar : ‘Hoe komt een vent ertoe om een wit plastic horloge te dragen?’

‘Manneke, ik heb dat gekregen van mijn vriendin hie, en veur mij betekent da hiel veul! Ik gon die noeis nimmr afdoeng, zoe lang asdamme saome zeng!’ Mooi hè?

Twee ongerelateerde feiten.

Vanochtend passeerde ik een mooie auto. Zwarte break, van het succesvolle vertegenwoordigerstype. En op de achterruit hing de sticker ‘ X & Y on board’.  Ik moet daar altijd een beetje om lachen. Ik zie het me al doen, in volle vaart op zo’n auto afglijden en dan ineens, ‘oh, neen, hier mag ik niet tegen rammen, want er zitten kinderen in…. ‘ en dan knal ik hem tegen een andere waar niet zo’n sticker ophangt.. Ik weet niet goed hoe het werkt, en waarvoor het dient, dat soort stickers.

Ik mijmerde verder. Zo’n echte automan, die alles kent over velgen en ophangingen. Zou die zelf kiezen voor zo’n melige stickers? Ongetwijfeld is dat iets wat  in de roes na de geboorte gebeurt… Maar kiest hij daar zelf voor?

Misschien is dat het nieuwe ‘eigendomsrecht’. Vrouwen doen iets met hun vent, waardoor ze hem brandmerken als ‘off the market’. Een opzichtig attribuut, een mooi accessoire, of ja, waarom niet de gesublimeerde penis-tatouage! Op het macho-instrument bij uitstek, de bolide, wordt zachtjes een claim gelegd. Deze jongen, deze kanjer heeft kinderen,… van mij’. Niet zoals het kinderzitje, dat is gewoon verstandig en onmisbaar, maar zo’n sticker, voor mij is dat toch een andere dimensie.

Mannen die plots van kapsel en van kleren veranderen, nadat vrouwlief hen uitgelegd heeft waarom… eigenlijk zijn dat gebrandmerkte ossen. Doffe tristesse in de ogen, maar ze hebben wel hun eigen stal.

De viptent, het tristesse-paleis

Blown away, by @blissbohemian (www.bliss.be)

In Zoersel organiseren ze tijdens de zomer Parkfeesten op vrijdagavond. Dat is vrij gezellig. Het is de bedoeling dat kinderen en dorpsbewoners, vrienden en muziekliefhebbers allerhande daar een prettige avond hebben. Dat lukt meestal wel.

De groepjes zijn leuk, of origineel, of bedoelen het goed. De mensen zijn in de sfeer om wat pinten te drinken en het weekend en/of de vakantie op een luimige manier in te zetten.

Je ziet trossen ‘testosteron pubers’ plannen beramen om heldhaftig een meisje aan het haar te trekken. Je ziet dromerige deernes, aarzelend dwalen in de richting van die ene jongen die wel anders is dan al die andere. Heerlijk mooie zomeravonden.

De verenigingen spannen zich in, er zijn wat stalletjes, kraampjes, frieten, bier, wijn en cava. Meer moet dat niet zijn, prima georganiseerd.

Ik struinde er gisteren wat rond. De reggae band kon me niet echt bekoren, wat uitzonderlijk is, maar het zal wel aan mij gelegen hebben. Plots zag ik iets wat ik daar totnogtoe nog niet opgemerkt had. Een lege tent, met  gedekte witte receptietafeltjes en kaartjes daarop: ‘voorbehouden’, en dan de namen van wat lokale neringdoeners, neem ik aan. Ik vond het een stijlbreuk. En onaangenaam.

Zo zonde. Ik ben een democraat en een libertair. Soms botst het een beetje. vooral als de sfeer en de authenticiteit in het gedrang komen.  Ik erger me al jaren blauw aan zgz. ‘vip zones’ en ‘golden circles’ waar meestal niet betalende ‘vips’ een voorbehouden plaatsje krijgen om toch maar een goed zicht te hebben op een artiest die hen zowiezo niet echt veel zegt, wegens volgende week zien ze weer een andere, door weer een ander bedrijf uitgenodigd. He gaat om zuip en gezien worden, en in een beperkt aantal gevallen over echte muziekfans.

Ondertussen betekent dat minder plek, minder kansen voor de echte liefhebbers.  Op zo’n moment denk ik weleens ‘ga met heel uw vip klodden toch ergens anders de lul uithangen’… maar dat is niet echt mooi Nederlands, dus die gedachte verdring ik om plaats te maken voor een andere, meer ‘vrij-denkende’: vrijheid, blijheid. Maar eigenlijk is dat niet zo. Want men maakt het een beetje kapot.

Ik begrijp volkomen dat organisatoren continu op zoek zijn naar manieren om enerzijds meer geld over te houden aan hun inspanningen, en dat ze dat geld willen halen waar het zit, dat kan ik alleen maar onderschrijven.  En anderzijds zoeken ze door differentiëring een leuk aanbod te kunnen maken aan de ‘meerwaardezoekers’. Lovenswaardig. Maar doe het op een manier die uw evenement intact laat!  En dat kan! PSV heeft een prachtig stadion, met uitstekende VIP facilities, maar de wedstrijd beleef je buiten, zoals het hoort.  Niet achter glas, aan een coupe nippend. Dan moet je maar naar de paardenraces gaan.

Organiseer VIP toestanden, naast, achter, onder,  voor mijn part boven het podium, zodat een normale mens er geen last van heeft.  Geef all areas armbandjes, zodat wie wil zich kan laven aan de echte festival sfeer. Of beter nog, zorg ervoor dat mensen terug in hun vipstal binnen kunnen zonder uiterlijk vertoon, want ook dat is weerzinwekkend, het gekokketeer met  speciale bandjes en lanyards met pasjes… Maar laat geen kakkineuze roséwijven opdraven temidden van een groep losgeslagen jongeren, glaasje bubbels in de hand, om dan op te merken ‘Dat stinkt toch nogal hè, zo’n festival na 3 dagen’.  Hou dat gescheiden!

Zo ook gisteren. Je krijgt dan ineens een plek, waar het allemaal wat stijver is, een soort sfeer-vacuum. Dat is jammer, voor iets wat voor de rest leuke en mooie dorpsprententies waarmaakt.

Soms is het overigens best vermakelijk. Dan heb ik het over  het vestimentair aspect en het mannetjes-vrouwtjes spel. Zo’n vent, die maakt zich klaar voor ‘Parkfeestje zoersel’ en dat is meteen gepiept : hemd, jeans, gympies, halve fles aftershave, klaar!

Voor vrouwen is dat moeilijker. Ze weten dat er een wei is… maar ze weten ook dat er ‘vriendinnen’ zijn. Ze weten dat ze gemonsterd gaan worden, ze willen behagen.  En zo zie je totally overdressed, zonnebankbruine, gepermanenteerde wijvekes over het terrein stuntelen, tot ze de veilige haven van het Cava-walhalla bereikt hebben. Daar ligt planché, en kunnen ze schitteren.  Oef…. Mooi! ‘T is toch gratis drinken hè, Raymond?’

Honden moesten ze er op los laten, die met vuile poten, morsige afdrukken op de witte piratenbroekjes maken!

Wandelen, trekken en wielertoeristen

Wielertoerisme by @blissbohemian (www.bliss.be)Toen ik over Pocahontas en Heidi blogde, had ik het essentieel over een imagoverhaal. Zoals Oostenrijk een land is met een perceptieprobleem, zo is ook de wandelsport – en ik gebruik het woord ‘sport’ met opzet – opgezadeld met een huizenhoog stoffig imago. Bij Oostenrijk heeft het misschien nog te maken met de naam van dat land. Een ‘rijk’, dat klinkt al meteen wat ongeloofwaardig. Misschien moeten ze, naar het voorbeeld van de nieuwe Afrikaanse republieken, beginnen met een nieuwe naam, die dezelfde blijft in alle talen, Ostrialië of zoiets.  Branding experts zullen dat wel kunnen oplossen.Ik zie een trend aankomen, binnenkort is Vlaanderen-België-Walubrux  immers aan de beurt.

Terug naar de ‘wandelsport’. Het beeld dat in mij opkomt, is dat van oude mensen, lelijke outfits, K-way op de rug, en een verbeten marsritme. De weg naar het zoveelste abdijbier is erg pijnlijk en moeizaam. Bijkomend, ze verplaatsen zich in hordes, op afgesproken tijdstippen, en ze hebben iets principieel over zich. Principieel is in sommige gevallen wel ok, maar niet als het op vrije tijd aankomt. Dan moet het mogen, en plezant zijn vooral.

De wandelsport in Vlaanderen, dat ziet er niet altijd even plezant uit voor buitenstaanders.  En eigenlijk is dat jammer. Ik leg even uit waarom. Ik doe het zelf ook. There, i said it. Ik stap. Hard en veel. Ik draai mijn hand niet om voor tochten van 30 à 40 km, met een strak tempo van 10min/km. En ik zie dan overigens erg mooie dingen. Mijn biotoop is het GR-netwerk (de roodwitte balkjes), die je ook in Vlaanderen vindt. Geen volk, geen fietsers, geen massa’s en een strikt minimum aan woonkernen (helaas niet altijd).

Dat ‘kunnen stappen’ is een overblijfsel van vroeger. De (foute) jeugdbeweging, de dagelijkse tocht naar de auto van mijn papa, waarvoor we Brussel moesten doorkruisen. De vakanties in Spa, op zoek naar de bronnen van talrijke Ardennenstroompjes. Ik heb altijd graag gestapt. En ik heb er ook nooit moeite mee gehad.

Een lief in Nieuwvliet? Ik stapte van het station in Knokke tot daar. Mijn voeten waren mijn bondgenoten, en als het vlug en verder moest gaan dan lifte ik tussendoor. Ik snap het gedoe er ook niet rond. Het is gewoon, de ene voet na de andere zetten. Op je eigen ritme. nu heet dat aëroob, qua inspanning,in tegenstelling tot anaëroob, da’s dan rennen. Ook niet zo moeilijk.

Nu ik er over nadenk, mijn broer en ik, we hebben nog atletiek gedaan, voor de fun, bij HAC, de Hekelgemse Atletiekclub. We deden dat niet eens zo slecht. Zozeer zelfs dat we er tot voor kort nog beiden in slaagden om mee te doen aan de 20km van Brussel zonder noemenswaardige voorbereiding en dat ding ook nog in een redelijke tijd uitliepen. Jupiler was de sportdrank die we gebruikten, zowel voor als na.

Als ik aan wandelen en stappen (Vlaams, niet Nederlands) denk, denk ik ook aan de parallel tussen fietsen en wielertoerisme. Fietsen, dat doe je met vrouw en kind, korte trage tochtjes. Wielertoerisme dat is afzien, echte sport, ok biking. Wielertoerisme. Nog zo’n foute naam. De meeste wielertoeristen zijn verdoken competitiebeesten, en maniakaal met hun materiaal bezig, maar het heeft niets met toerisme te maken. En toch is wielertoerisme populair en een markt waar geweldig veel geld in omgaat. In wandelen niet zo, als je kijkt naar wat er in Vlaanderen rondloopt.

Maar als wandelsport ineens trekking heet, dan hebben we het over iets anders. Trekking gebeurt in het buitenland. Denk ik.  Want bij trekking springen de beelden van onherbergzame oorden, woeste berglandschappen (neen, geen Oostenrijkse, dat zijn immers perceptiegewijs ‘suikerbergen voor oude mensen’), vitale, viriele venten en supersportieve, sexy chicks.

Rugzak aan, en voet na voet, op paden doorstappen tot je ergens komt waar je kunt rusten, eten of slapen. Wandelen dus. In trekking gaat wel veel geld om. Denk maar aan de AS Adventures van deze wereld, die worden daar rijk van. De juiste schoenen, kleren, het materiaal… fingerlicking.

Dus net zoals voor Ostrilanië, laat ons niet meer spreken over wandelsport maar over Trekking. De voordelen zijn legio: imago verbetering, betere en mooiere outfits en dus ook een stuk landschapsverfraaiing, en de economie draait er beter door. Ik  zal er me zelf ook een stuk beter bij voelen. In plaats van het oubollige wandelen doe ik vanaf nu immers aan trekking…Ik ga nu een geruit hemd aantrekken en mijn Meindls staan klaar voor een tochtje. De hond kwispelt, hij mag mee, los.

Trekking in Vlaanderen. Het leent zich ook beter voor grapjes. In één ruk… er op los trekken, etc. kwestie van u voor te zijn qua spitse commentaar.

Over Pocahontas en Heidi

We gaan allemaal graag op reis. Dat verbreedt onze achtergrond, onze voeling met de cultuur en zo. Liefst van al gaan we wel naar  quasi uitgestorven beschavingen en uitdagende gebieden. Anders vinden we er niks aan. De zee is voor jonge families met bleitkinderen, de Ardennen is voor ‘treehuggers’ en depressieven, en Spanje is voor het klootjesvolk. Oh ja, en Oostenrijk is voor oude, rechtse, dikbuikige wandelaars. Met lelijke outfits en verkeerde nostalgie naar een tijd toen alles netjes georganiseerd was.

Misschien is dat toch niet helemaal juist. Ik liep gisteren op de alm met Gerhard Wolfsteiner. Ik laat de naam met opzet vallen, niet omdat ik daar extra punten mee scoor, maar omdat ik ook wel zo zou willen heten. Gerhard, je hoort de alpengalm zo al. En Wolfsteiner, hoeveel meer kracht kan een naam niet hebben. Wolf und Stein! man, man man…

Anyway, ik liep daar zo wat te kuieren en bedacht me dat het eigenlijk idioot is dat je met geweld eerst maar even in Nepal wat trekking gaat doen, als je in het Alpengebied over perfect valabele alternatieven beschikt. Wat is er mis met dit land, waarom is het niet sexy?

Als we een Peruviaanse bondgekleurde  vrouw in traditionele klederdracht zien, sturen we trots foto’s naar het thuisfront. Als we een Dirndlmeisjes zien beginnen we meesmuilend Edelweiss te zingen en foute grapjes te vertellen over uitzichten en balkons.

Een gaucho oogst bewonderende blikken. Een alpenboer in lederhozen wordt vergeleken met Bart De Wever. hoe juist is dat eigenlijk?

Is Oostenrijk een anachronisme in Europa? Ik dacht het niet, overal heb je tradities, authenticiteit en misschien nog belangrijker, levenscondities die ervoor zorgen dat bepaalde ontwikkelingen er zijn of niet.

Het gehalte oude, tandeloze maar bijzonder fotogenieke vissers, die aan de kaaien hun net zitten te herstellen is hier bijvoorbeeld bijzonder klein. Anderzijds beseffen ze hier maar al te goed dat ongeveer 1/3 van hun bruto regionaal product (in Salzburg) afkomstig is uit het toerisme. Hoe je dat invult is dan weer een andere zaak, maar ze doen dat allesbehalve slecht, en ze beseffen dat het prijsgeven van die authenticiteit een troefkaart minder is.

Wij kunnen het ons misschien niet voorstellen, maar de anekdote werd me verteld, dat een groep Japanners er werkelijk van uitging dat de Alpenhutten gebouwd werden, speciaal  voor het toerisme. Dat is al even fout, als denken dat je met een hoop achterlijke boeren te maken hebt.

Ik heb hier alleen maar vriendelijke en nuchtere mensen ontmoet… en veel eten, dat ook, ja.

Erst das fressen und dan…

Ramsau, Schladming. Het is grappig hoe namen blijven vastzitten in je hoofd. Mijn allereerste wintersportevaring deed ik op als kind in deze streek. Er was nog geen sprake van maximumfacturen en een bende 11 jarigen ging vrolijk op sneeuwklassen met het vliegtuig. Een belevenis.  Inclusief een busreis vol kotsende kinderen. Het waren andere tijden, waar het onderwijzend personeel volop van genoot (op dat kotsen na dan)

Ik bespaar u de details over vernederingen, frustraties en ongemakkelijkheden , als jongens van gewone komaf met  te grote trainingsbroeken en slecht aangepaste regenjasjes een week in de sneeuw zitten. Dat is voor een andere keer. Ik wil het ook niet hebben over groepsdouches, slecht passende pyama’s en dat soort ongemakken. Misschien wel een heel klein beetje over het eten. Toen exotisch, wegens soms onbekend, nu niet meer.

Wat er ook van weze, 35 jaar later sta ik hier weer, in een ietwat vreemde maar verre van onaangename context.

En er is niets veranded op het eerste zicht. Uiteraard heb ik tussendoor ook al wel wat Oostenrijk gezien, voornamelijk de skigebieden dan, terwijl het hier toch eerder een Nordic en langlauf gebied is (Ramsau dan), maar dat telt  even niet mee.

Wat wel meetelt is de herinnering aan mijn tweede ski ervaring (na de sneeuwklassen). Met mijn toenmalig lief naar Elbigenalp in het Lechtal, georganiseerd door Ultra Montes. De katholieken hadden toen ook reisbureaus, met dat soort stichtende namen. Het was even traumatisch voor mij, want als werkstudent had ik er eigenlijk het geld niet voor, en dus werd gekozen voor dit soort oplossing. Met de bus, waarvan mijn  toekomstige schoonvader de reisleider was. Ik kreeg dus ook zicht op alle égards waarmee de notabelen van het toerisme behandeld werden.

Toen werd je hartelijk ontvangen na de reis, met schnaps en een biertje, en warme schouderkloppen. Het leek een toeristenstukje, het was echt. Nu is het dat nog steeds. Men is hier hartelijk, men heet je welkom, en men wil het je naar de zin maken. Kraaknet en ferme waterdruk op de douches! Zo hoort het. Und Grosse Bieren.

Toen ik vanochtend een wandeling maakte (als je niet kunt slapen is het hier wel zalig, dan zie je’t licht worden in de bergen, alleen jammer dat het grijs en druilerig is) heb ik de perfecte samenvatting gezien van hoe je deze regio kan ‘plaatsen’ qua food experience.

Het is gemoedelijk lekker, en niet fancy. Je hoopt ook dat ze daar nooit aan beginnen. Laat ze ’t in godsnaam simpel en smakelijk houden, daar is iedereen bij gebaat. Mijn persoonlijke favoriet blijven hun soepen, die altijd opnieuw origineel gegarneerd zijn.Gisteren lag daar bijvoorbeeld een stuk spek op. Het mag misschien niet volgens de fat control foodies, maar het is gewoon lekker.

En nu ga ik ontbijten! Bis später

9720 minuten zagen? Flagrante leugens!

Er werd nog niet zo lang geleden op StuBru gesteld dat vrouwen gemiddeld zo’n kleine 10.000 minuten zagen (9720 minuten, om precies te zijn). Per jaar neem ik aan. Omgerekend is dat 162 uur, of zo’n kleine 20 werkdagen.

Ik zou dat willen nuanceren! Echt waar. Vrouwen zagen niet, vrouwen hebben het gewoon niet gemakkelijk. En ik pleit voor begrip, want eigenlijk mogen ze nog veel meer zagen!

Wij, de venten, hebben allemaal al eens in een positie gezeten waarbij we geconfronteerd worden met een onverklaarbare stemmingswisseling bij onze eega/partner/levensgezellin. Onverklaarbaar volgens haar, wel te verstaan. De onverlaat die durft te opperen dat het wel eens aan de stand van de maan tov de eierstokken zou kunnen liggen, wordt ter plekke ontmand. Twee dagen later krijgen we onze testikels dan terug, in een bokaaltje, met een flauw glimlachje, dat het zo niet bedoeld was.  Dat zijn dus al 13 dagen gezaag, die we eigenlijk niet mogen meetellen, dat is de natuur!  (13d  * 8u (een koopje!) * 60 min = 6240 min)

Daarnaast is er het fenomeen van ‘Bad hair day’ annex ‘Vindegijmijgatgevoel’. Elke vrouw heeft tijdens diezelfde periode het recht om te twijfelen aan haar uiterlijk. Een vrouw staat gemiddeld een half uurtje voor de spiegel/kleerkast, dus we voegen daar 13 uur aan toe, want het lijkt mij normaal dat er naast het half uur gemompel ook een half uur oprechte discussie met ontbijtgenoten mag zijn. Als dat al niet mag gedeeld worden, waarom leeft ge dan samen? Geef toe! (13u * 60 min = 780 min)

Vraag aan elke arbeidssocioloog of vrouwenrechtenactivist hoe het gesteld is met de positie van de vrouw op de arbeidsvloer en ze zal het beamen. Slecht is het gesteld! Vrouwen moeten dubbel competent zijn, en hun positie verdedigen. En zeker tegenover die slettenbakken op stiletto’s die het met hun lijf proberen waar te maken, op de canapé van de baas. Gemiddeld denk ik dat dat toch zeker een uurtje per week bitchen tegen elkaar oplevert. Wat wij niet moeten doen, omdat we ‘bigdickswinging-gewijs’ onze positie kunnen veiligstellen.

Neem dat er 30 arbeidsweken zijn, en voeg er 5 extra uur aan toe om die trut van de receptie op haar plaatste zetten, dan levert dat 2100 minuten op van gefocuste arbeidscommunicatie. (30u * 60 min + (5u * 60min) = 2100 min)

En nu, heren, is het tijd om even diep in ’t eigen hart te kijken… vergeten we soms niet met opzet om de vuilbakken buiten te zetten? Moet dat laatste pintje er echt altijd nog bij? Is het nodig om zoveel te golfen? Ten koste van de pelouse en de buxushagen? En wie moet dat voor ons bijhouden , inderdaad, die van ons. En dan denk ik dat 600 minuten werkoverleg, want het gaat inderdaad niet over meer, niet overdreven is. Dat is nauwelijks anderhalve minuut per dag.  om het kot op kant te houden, de financiën recht te trekken en al het werk met de kinderen voor u te organiseren???

Alsjeblieft, een beetje begrip zou niet misstaan!  en misschien een bloemetje vanavond?

 

De zomerzucht

Ik ga dit zo respectvol mogelijk zeggen. Wie mij kent, weet dat ik voor de grootst mogelijke vrijheid ben voor zoveel mogelijk mensen, maar ook voor een stuk verantwoordelijkheid in het uitoefenen van dat vrijheidsrecht. Wie mijn ogen pijn doet, doet mij pijn.

Het is hier en daar al eens opgemerkt. Er zijn kledingstukken die echt niet kunnen. Niet alleen, niet in combinatie en niet ‘in bepaalde omstandigheden’. Gewoon niet!

Toen wij vroeger met het gezin naar Spanje trokken, deed mijn vader van dag één af een hagelwitte Fred Perry tennisshort en dito polo aan. Dat was vroeger geen hip merk, dat was voor oude mensen.

Steevast ging dat de eerste dagen vergezeld van zwarte herenschoenen met donkere kousen. Mijn vader moest immers nog ‘tressé’ beige linnen schoenen zien te vinden, die op dat moment in België niet voorhanden waren. In Spanje wel. Na twee dagen had hij die aan, en drie dagen later was hij ook volledig blaarvrij en zagen wij hem apetrots, met licht beige kousen en schoenen rondstruinen. Zonder kousen was voor de man geen brug maar wel een continent te ver. Not done.

We hebben een prachtige lente achter de rug, en ik ga het niet over de dames hebben deze keer. Heren… in godsnaam, willen we er nu eindelijk eens mee stoppen?

Geruite hemdjes met korte mouwen. Het kan enkel als buschauffeur, en indien vergezeld van dikke gouden armbanden op harige armen. De armbanden moeten voorzien zijn van ronkende voornamen, zoals Jacques of Freddy, en krullerig gegraveerd accorderen met pinkringen (met een nepsteen). In die context is ook een stijlvolle halsketting te verdragen, met een hartje, zweverig gedrapeerd op het exces borsthaar dat weelderig uit het open hemd toeft. In alle andere gevallen, niet doen.

We zakken af. 3/4de broeken, Piratenbroeken, het maakt mij niet uit hoe u ze noemt, zolang u ze maar niet draagt. Het is niet gemaakt voor volwassenen. Ook hier is de uitzondering mogelijk. Als u moddervet, zwart, 15 jaar oud bent en uw vrienden ‘van de hood’ noemen u ‘homey’ dan kan het, mits voorzien van genoeg bling-bling. Schriel, met twee bleitende jong op de getatoeëerde armen, en een 100% polyester lijveke, in het recreatieoord Hofstade is het misschien een status symbool, overal elders een aanfluiting.

Afsluiten doen we met het schoeisel. Hoe moeilijk kan het zijn? Al jaren worden hier polemieken over gevoerd. Dat zou al lang niet meer moeten. Witte kousen… bij sportmanifestaties, in sportschoenen. In alle andere gevallen, niet!

Sandalen met kousen? Moeten we daar echt nog op antwoorden? Niet doen. En al helemaal niet als het blauwe of bruine kousen zijn. Tenzij u een intrede in het klooster voorbereidt.

Als we dit afspreken, dan wordt het voor iedereen een mooie zomer.  En niet in het minst voor uzelve.

Kraampjes eten

Ik ben dol op kraampjes-eten. Het is mij ook aan te zien. Helaas. Ambulant voedsel, dat is rituelen en goesting.

Als ik naar het voetbal ga, dan heb ik heel lang gedacht dat de juiste opvolging van junk food ook zou bijdragen aan de overwinning van mijn team, het vroeger zo glorieuze Royal Sporting Club Anderlecht. Ik moest ook afzien, net zoals de atleten. Elk naar godsvrucht en vermogen. De reuze braadworst, de escargots, het Frietje-Frutos. Het moest. Voor de wedstrijd. Nadien kon er nog wel een hamburgerke bij. Altijd compleet. Mosterd, Ketchup en Uien. Met hoofdletters, en veel.

Braderijen, Jaarmarkten, Festivals, Kermissen, meer dan voor het evenement verlustig ik me al op voorhand aan wat ik eventueel aan lekkers zou kunnen vinden.  Ik ben daar niet beschaamd in. En nu komt het. We zijn het aan ’t kapotmaken. Het is kennelijk iets menselijks om overal opportuniteiten te zien, om die vervolgens vakkundig de nek om te wringen. Uiteraard moet er voldoende capaciteit zijn om de massa te bedienen, maar we willen toch ook geen eenheidsworst (pun not intended). Ik wil niet overal Van Reusel Snacks. Ik wil diversiteit. Multicultureel en zo. Loempia’s naast Gulashsuppe. Frieten naast gepofte kastanjes. Escargots naast Veggie tenten en Pizzaventers. Kortom, ik wil kunnen kiezen.

En dat niet alleen. Ik wil gecharmeerd worden door het métier van diegene die het maakt. En die métier kan op veel manieren zijn uiting vinden. In radheid van tong en gevatheid, als het er op aankomt één of ander braniepak de mond te snoeren. De uitbaatster van Frituur Number One heb ik ooit ten huwelijk gevraagd. Ik wist niet hoe rap ik daar weg kon zijn eens ze me in gezapig Antwerps de mantel uitveegde en de mond snoerde. Heerlijk frietje mayonaise, zo om 4u ’s ochtends.

In properheid en liefde voor het product ook. Mensen die hun ziel tussen twee broodhelftjes leggen, dat is toch gewoon prachtig? Een klein frituurtje, met glanzend aanrecht, en blozend gezonde lookworsten die je liggen aan te staren ‘neem mij, neem mij!’.

Het aller, allermooiste vind ik echter de eigen inbreng. Zo had ik onlangs in Lillo, bij de ganzenrijding, welhaast een spontaan moment van intense opwinding, toen naast de gebruikelijke kleffe happen ook nog eens ‘Spek met eikes’ op het menu bleek te staan.

Dat wil je toch gewoon proeven? En laat het dan nog eens een flink uit de kluiten gewassen Kempische hap zijn, waarbij niet op een eike meer of minder gekeken werd. Goddelijk gewoon.

Geef mij meer en heel veel van dat, en ik blijf eten, en mijn kinderen ook, en al wie met mij langs Vlaamse kermissen zeult ook, maar geef mij geen boulevard, afgezet met  bloedeloze en treurige franchisés die allemaal dezelfde trieste, kleffe hap verkopen. Ik word daar triestig van. Ambacht moet er zijn, en trots in het product. Alstublieft!

Eddy Merckx en het eredoctoraat

Eddy Merckx. Ik ben een fan. Altijd geweest, en het zal altijd zo blijven. Toegegeven, er is een periode geweest dat ik het alleen voor Roger De Vlaeminck had, meer vanuit een soort underdog positie  (en ook omwille van de Brooklyn truitjes, als ik er over nadenk).

Misschien is het dat wel wat me definitief naar Merckx haalde. Die bruine Molteni truitjes, nooit meer zoiets mooi lelijks gezien. Daarnaast had je ook nog de zwart-wit geblokte Peugeots. Stukken mooier dan wat je nu ziet rondrijden, maar dat zal de nostalgische oude man in mij zijn.

Merckx, dat was voor mij ook  “Café Het Sportwiel”, op de markt in Hamme, waar ik met “de mit mina”, mijn doopmeter, mee mocht op café. Wij mochten op de Jackpot spelen en de Miss America, zonder enig benul van wat we aan ’t doen waren, en zonder dat we er verslaafd aan werden. We kregen ook limonade en een stuk chocolade van de Jacques. Als het tegenviel met bananenvulling, maar op goede dagen met aardbei of praliné. Een biljartzaal vol vergeelde foto’s van ‘onze held’, in ’t roze, in ’t geel, in de regenboog. Faema ook, dat andere merk dat ik door hem leerde kennen. Merckx is mijn jeugd.

En Merckx kreeg onlangs  een eredoctoraat van de VUB.  Ik ben blij voor hem. Maar ik weet niet of ik er in het algemeen blij om ben.
Die eredoctoraten, dat wordt zo’n beetje de PR tool van veel universiteiten. Five minutes of glory door het aantrekken van een bekende mens en dan maar hopen dat er gespind kan worden  en dat de universiteit wat langer in de belangstelling blijft. Anders kan je dat toch niet uitleggen?
In mijn hoofd waren eredoctoraten  een manier om verdienstelijke wetenschappers te waarderen voor hun werk. De Alma Mater was bijvoorbeeld Leuven, maar Gent erkende de verdienste, al dan niet binnen het kader van een of ander interuniversitair samenwerkingsverband.

Cambridge en Oxford, een beetje roeien, maar  daarnaast ook erkennen en stimuleren, en het onderzoek een zet geven.  En allicht zal daar wel wat politiek mee gemoeid zijn, maar het was in mijn naïef hoofd een verhaaltje dat klopte.
Ik kan er ook nog inkomen als manier om studenten van de eigen universiteit, die iets betekenden op maatschappelijk of professioneel vlak, in de kijker te plaatsen. Nog steeds ok. Dat Verhofstadt een eredoctoraat zou krijgen van de Universiteit Gent, waarom niet?  Een academisch ridderschap, ik zie er de logica  wel van in.
Nog een stap verder, maar nog steeds verdedigbaar is de ‘gekende publieke figuur’.  Stel dat je als universiteit baanbrekend werk verricht rond ontwikkelingswerk, politieke ontvoogding of de conservatie van het wildbestand op de grote ijsvlaktes, dan kan het wel gebeuren dat je iemand die er zich voor ingezet heeft, of er zijn levenswerk van maakte,  die academische erkenning wil geven als blijk van appreciatie.Bono opent meer deuren en mobiliseert  een stuk steviger dan pakweg rector Oosterlinck.

Maar nu komen we dus in een nieuw stadium… BV’s krijgen eredoctoraten, zogezegd als lifetime achievement, of iets in die strekking.  Ik gun Merckx alles, tot en met het premierschap, sportman van de eeuw en desgewenst het universum. Ik gun hem zelfs de totale koninklijke dotatie, maar zoals we nu bezig zijn, worden de eredoktoraten gebanaliseerd tot het ‘komen eten’ van het academisch milieu. Ergens is dat spijtig.  En Merckx zou Merckx niet zijn mocht hij zelf ook niet licht zijn twijfels geventileerd hebben.

Ne schone sportman, ze mogen dat niet in een habijt of toga steken!

Schoolfeestjes en stringsletjes

“Hier zitten veel Guidowijven… ”

Het is – net zoals de tussenpintjes – een concept dat enige toelichting verdient en verdraagt.  Een Guidowijf – kort door de bocht – is schoon van ver, maar ver van schoon. En het is het soort van vrouwen dat voor mij schijnt te vallen, of ik voor hen. Dat laat ik in het midden. Het doet een beetje oneer aan de rijkdom van het concept, want er valt zoveel over te vertellen, maar laat ons het daar voorlopig bij houden, het ging immers over schoolfeestjes. Het is ook een idee dat mij verkocht werd door de K-woman.  Zij heeft daar nogal een fijn oog voor. Voor alle duidelijkheid, ‘schoon’ word hier niet gebruikt als esthetische categorie, en ook niet in de zin van proper op hun lijf…

Zij vermoedt in mij ook een aanhanger van ordinair. Ik ga dat niet ontkennen… ook al omdat het geen zin heeft, het is een strijd die je nooit kunt winnen.  Maar er valt  overigens wel iets voor te zeggen. In tijden van celibaat heb je immers de meeste leut met ‘stringsletjes’ en  ‘cleavage-cuties’,  maar om nu te zeggen dat je daar iets mee opbouwt, uitbouwt? Ik dacht het niet.

Het artistieke, licht levensmoe type, is  overigens ook niet zo’n aanrader in die context, omdat de ‘sex-probabiliteit’ daar te laag ligt. Je bent in beide gevallen zeker van dronkenschap, maar niet  echt van verlossing. Fysiek dan… Dus ligt de keuze voor de hand. doe mij maar zo’n stringding. Strakke designerjeans, lekker opgetut, voltijds aan de cava, en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van die kleine handdoekjes die in dégradé gerangschikt liggen op een plankje, naast de potpourri van bosvruchten in de badkamer. Properkes quoi!

Toen ik nog  getrouwd was ging ik naar schoolfeestjes als papa en echtgenoot. Nooit heb ik een Guidowijf ontwaard. Ik zag de mama’s van de kindjes uit de klas van mijn dochters en zonen. Daarmee was de kous af. Geen boze intenties of snode overwegingen.

Nadien, als gescheiden man, was ik meer de sponsor van de schoolfeestjes.  Ik werd uitgenodigd om er geld uit te geven. Ook toen lagen de prioriteiten anders. Ik had oog voor mijn kinderen, en hun leerkrachten, en voor de klok. Ik verveelde me er en bleef er liefst niet te lang en zowiezo geen hele middag. Ja, ik geef het toe. Een slechte vader.

Nu  was ik er als observator en chroniqueur. Ik was er ook en vooral om wat pintjes te drinken met vrienden, en om te lachen en te vertellen. Maar dat terzijde.

Het was al een tijd geleden dat ik op het speelplein van een schooltje rondgelopen had, maar  in plaats van Guidowijven zag ik eigenlijk iets heel anders. Ik zag verwaarloosde vrouwen. Niet fysiek hè, maar meer op het mentale vlak. Vrouwen die zich terdege van hun huishoudelijke taken kwijten, die man en kroost organiseren, voeden en liefhebben, en die in plaats daarvan niks terugkrijgen.

Oh jawel, auto’s, vakanties, en schoon kleedskes. Dat wel.  Maar aandacht? een beetje aandacht, beste heren, daar gaat het over.  Een vrouw, die zich helemaal opgetut heeft voor een schoolfeestje, hoe triest kan je bestaan zijn? Als je het daarvoor al doet…

Een schoolfeestje, daar kom je als mama eigenlijk om je kind te zien ravotten, de school wat te helpen. Als ’t echt moet bijspringen in de stand van de pannenkoeken, maar om er opgetut als naar het tuinfeest van Q heen te springen… nou nou nou.

Omdat ik een mens van het empirisch onderzoek ben, en ook wel een beetje van het woord, besloot ik het te testen. Complimentje links en rechts,  wat lachen en dollen, op het flirterige af, met wildvreemden, en oh wat lieten ze het zich welgevallen…

Dat is toch niet normaal?  Die vrouwen zouden in de fleur van hun leven moeten zijn, met opgroeiende kinderen, met een vent, met alles wat hun hart begeert. En in plaats daarvan zie je ze bijna radioactief opgloeien als een  totaal onbekende een gratuit complimentje maakt of wat vriendelijk lacht. Waar zijn we – als vent, als koppel – in de fout gegaan?

Oh, Oh, Les Intéllos

Ha, de intelligentsia! Die schone soort. Sommige van die mensen kom ik ook in het echte leven tegen, op feestjes (ja, ik ben een gelukzak!). Ik heb eens geprobeerd om ze in vakjes te zetten, wat allicht niet klopt, maar op zich best een vermakelijk idee is. Ik ben er eigenlijk benieuwd naar, of u ze ook (h)erkent.

De Bedachtzame. Dat is ‘by far’ de meest ergerlijke. Het is de man/vrouw die traag, en liefst met wat moeilijke woorden de dingen verwoordt op een manier waardoor het gezelschap rond hem onmiddellijk in slaap valt, maar ook niet durft te twijfelen aan zijn autoriteit. Caroline-Gennez-gewijs houden ze hun publiek in een soort van didactische houdgreep. Ze. Verklaren. De. Dingen. Op. Een. Bevattelijke. Wijze. Rinkelt er een belletje? Waar makkelijke dingen moeilijk gemaakt worden, waar spontane opmerkingen ineens verzanden in een epistemologisch debat? Dat type. Waanzinnig saaie mensen om mee te praten. Een lang goed gesprek gevoerd? Het zal wel, maar nauwelijks gedachtenlijnen ontwikkeld.

De Nostalgische Archivaris. Het klinkt hermetisch. Het is het niet, en u kent ze. Is het u nooit overkomen dat u laaiend enthousiast over een boek, een plaat, een theatervoorstelling kwam vertellen, en dat er dan iemand snerend zei dat het vroegere werk beter was? Die types. Vroeger was beter, het eerste werk was beter, in die bezetting klonk het beter, ze hebben al beter gezien, ze weten het beter. Hun kennis is encyclopedisch. Je kunt het ook nooit winnen, want als je het op tijdlijn probeert te halen gaan ze dieper.  Ah, het Stabat Mater… ja, ja, uiteraard Pergolesi, maar wie heeft het uitgevoerd? Welk ensemble? Welke platendruk bedoel je dan? etc, etc…   Met geen mogelijkheid kun je  van dit soort experten debat winnen. Niet dat het altijd om winnen gaat, maar ’t is de manier waarop ze de vreugde van een ontdekking onderuit halen, het zijn de dementors van elk gesprek. Ze zuigen de ziel eruit.

De Rustige Reutelaar. Elk gesprek bestaat uit participanten, onderwerpen en ritme. Let maar eens op, het is echt zo. Wie het ritme onderuit haalt zorgt voor onzekerheid, en zachtjes dooft het verhaal uit. niemand durft nog, niemand kan nog.  De Bedachtzame Reutelaar begint meestal zijn zinnen met ‘Ik ben het er niet helemaal mee eens….. en dan volgt een pijnlijke cadenza aan voorwaardelijken, pauzes, kreunen, risicoloze tussenzinnetjes. Niemand weet waar het naar toe gaat, hijzelf ook niet. Er zijn wat vage toespelingen, wat staren in de verte… Het is onmogelijk om ze te negeren, je kunt ze niet onderbreken en je weet niet wanneer ze klaar zijn. Heel, heel moeilijk! Treurnis wordt ons deel met een rustige reutelaar in ons midden.

De Cynische Conspiracyman. ‘He is in the know’. Hij weet. wij gissen. Typische uitlatingen van dit soort types zijn ‘Tja, als je denkt dat het zo in elkaar zit….’ (deze drie puntjes zijn dan synoniem voor veelbetekenend stilzwijgen).  ‘Ik denk dat dat redelijk kort door de bocht is, wat je daar zegt, maar goed… (weer cf supra)’ . Je kunt geen domein aanhalen of ze kennen de zogezegde achtergronden, en het maakt niet uit of dat nu mode, architectuur, politiek of bedrijfsleven is. Ze weten het.  Ze weten alles, en wij zullen het later wel in de kranten lezen. Geen hond die dan nog weet wat ze er ooit over zouden kunnen gezegd hebben. Het is een spel van veelbetekenende glimlachjes, van uitgestelde beloftes en van holheid. Maar het maakt indruk.Wij kijken er met grote ogen en onverholen achting naar, ‘coz they know people in high places’. De sfinxen.

De Wauwelende Woordjesbrouwer. Het lijkt alsof ze het grote blufboek van Paul Jacobs vanbuiten kennen. Gebrek aan logische opbouw en argumentatie wordt verborgen onder terminologie. Gebrek aan kennis wordt bedolven onder namedropping en feitjesherkauwen. Uitermate vervelend en irritant, ook omdat het soms fout is, maar niemand durft er tegen ingaan, omdat de meeste mensen die parate kennis niet hebben. Laten uitrazen, die handel en verder babbelen.

De Drammer.  Ik heb mezelf ook maar in een groep gesmeten, ook al maak ik daar puur IQ-matig misschien niet eens aanspraak op. Ik zou liefst van al, altijd een flipboard meezeulen om stellingen redeneringen toch maar goed op te schrijven, zodat er geen inconsistenties in het verhaal komen. Mateloos irriterend en gelijkhebberig, deze soort. Ze pakken je op woorden, op redeneringen, ze willen in heel erg hoge mate gelijk halen, en halen zo de bubbeltjes uit elke sprankelende conversatie. Ze hebben ook geen schrik om zowel demagogische als rhetorische truukjes uit te halen. als er maar gewonnen wordt.

Wat mij van hen onderscheidt is dat ik al heel lang beseft heb dat je dat beter houdt voor een gesprek van man tot man, of vrouw tot vrouw, maar beter niet in gezelschap begint te doen, om bovenstaande reden. It kills the ambiance.  Vandaar dat ik me op recepties onledig houd met licht badinerende bespiegelingen. Oh ja, je moet het ook nooit doen in een gesprek van man tot vrouw, it kills the sex.

Ik moet meer luisteren naar mijn lief, ik moet meer…

Ik ben nogal betweterig bij momenten. Niet omdat ik denk dat ik het beter weet,  maar meestal omdat ik vind dat het aansluit bij het gezond verstand. Ik denk over bepaalde dingen na, met een zekere en – toegegeven –  bijwijlen onnavolgbare logica, en eens ik daar mee klaar ben, houdt het ook op. Dan is het gewoon zo, dan heb ik gelijk.  Meer dan eens echter niet…

Neem nu bijvoorbeeld die dingen waarmee ze wild beletten over te steken, van het ene gebied naar het andere. Dat is een kuil, met een soort metalen raster over, waar reebokken en everzwijnen niet over kunnen stappen of springen.

Ik heb een enthousiaste hond, die zich door niets of niemand laat tegenhouden. Onlangs liepen we over de Veluwe met dat beest, en ik zag zo’n ‘wildbrug’.  The K-woman advised me not to, maar ik wou toch wel eens zien hoe Spike het er van af zou brengen. Slecht dus… halverwege durfde het beest niet meer voor of achteruit. Mijn verstand ging uit van het temperament van mijn hond, K deduceerde dat iets wat door wildopzieners aller landen gebruikt werd allicht ook wel zou helpen voor een Weimaraner. Zij had gelijk, ik moest het eerst zien. En mijn hond terugdragen… La honte, pour les deux!

Idem dito over  het tijdstip van eten in Nederlandse provinciestadjes. Ik ga er van uit dat dat naar het Zuiden toe verlaat, omwille van siësta’s allerhande, maar tussen België en Nederland kan er toch niet zoveel verschil zijn? The K-woman heeft daar een substantieel deel van haar affectief leven geleid, dus zij weet het… ik moet het ondervinden.  Op zondagavond in Den Bosch, eten om 20u30, en je bent quasi alleen in het restaurant. Die mensen eten om 18u. En om 20u zitten ze thuis, voor de buis, gezellig naar Studio Sport te kijken, neem ik aan. Of de caravan nog een laatste polish beurt te geven.

En onlangs was het weer zover. Fietsen op de Veluwe.  Ik zie dat op zijn Vlaams. Rustig in de zon, en hier en daar wat afstappen, pintje drinken, wat kletsen. Fijn de middag vullen.

Ze keek me sceptisch aan, en vroeg of ik water bij had. Ik had helemaal geen water nodig! Ik pak de wereld, voor mij gaan alle deuren open, ik zou wel water of iets lekker vinden als het mij uitkwam… Maar niet in Holland! Na 30, 40 km fietsen door stoffige wegeltjes, kwamen we eindelijk in een dorpje.

Een soort spookdorp zou ik beter zeggen. Er was een frituur open (of is dat een kroketinstallatie?) en een ijssalon. That’s it! Niks gezellige terrasjes, grote koele pinten en fijne babbelmiddagen. Het leven is lijden bij de kezen, op zondag.

Neen, dan is het in Vlaanderen toch even anders, daar wordt precies aangegeven hoe lang je nog moet rijden eer je iets onder de tand kunt steken. Veel, en veel toffer!

Me like… en ik zal beter luisteren naar mijn lief, echt waar, ik ga het proberen.

De bonsai-kweeksters (slot) : The Model

Een vriend van mij, een intelligente, integere, breeddenkende intellectueel, weliswaar niet van de soort om ‘gecast’ te worden in Hollywood blockbusters, aan de zijde van Angelina Jolie, wegens, niet meteen van de mooiste, slaagde er telkens opnieuw in om relaties op te starten met mooie vrouwen. Fijn voor hem, onbegrijpelijk voor ons.

Het was dermate intrigerend dat ik niet kon nalaten om een schare deernes op de arbeidsvloer te vragen hoe dat eigenlijk in elkaar zat. Waarom kon die kerel dat? Een gouden lid, een fluwelen tong, dat zijn het soort overwegingen die bij mij automatisch naar voor komen. Had ik er al bij vermeld dat hij niet onbemiddeld was? Dat wil ook nogal eens helpen. Het bleek allemaal van geen tel te zijn.

De meisjes hielpen mij  een stap verder en een wondere wereld ging voor mij open.  Er blijken namelijk twee types mannen te bestaan voor er nog maar sprake is van een relatie.

Mijn vriend (we gaan hem gemakshalve Bas noemen) en ik ,behoren beiden tot één van de groepen, dat maakt het wel zo makkelijk. Hij zit in de groep waarvan vrouwen zeggen ‘Ik ga hem veranderen, met wat mooie kleren, en hier en daar wat retouchkes komt het wel in orde’. Een echte menselijke Barbie dus. Ze doen dat ook echt. Het is het soort venten dat meteen na de eerste nacht een nieuw kapsel aangemeten krijgt, en dezelfde week nog wordt er een shopping moment ingelast waarbij hij een lila-debardeurke voor zichzelf mag kopen.  Het bestaat!

Ik zat in de groep waarvan de meeste vrouwen denken ‘ het is een varken, maar op mij zal hij echt verliefd worden, let maar eens op!’. Moeilijker te behandelen maar in essentie hetzelfde probleem. ‘We gaan die jongens veranderen’. Ik weet niet hoe ze dat doen bij jongens van mijn type, maar dat doet verder niet ter zake.

Veranderen, daar komt het altijd opnieuw op neer.  Ik vond dat wel boeiend, wou weten of het klopte en vroeg dus ook langs mijn neus weg aan Bas of dat bij hem ook het geval was, met een nieuwe relatie? Dat ie dan zijn garderobe moest veranderen? ‘Man, oh man, ze hebben mij al van alles aangemeten, zwart wit, trendy, noncalant chic, grunge… en och kom, ik laat maar begaan, als ze dat leuk vinden.Sterk hè?

Da’s een eerste voorbeeld van het modelleren.  Takken worden zachtjes in de juiste richting geduwd, elke maand iets meer, door de juiste kleren, broeken, gympies en geurtjes.

Het kan ook nog anders. Menige knaap heeft bij de keuze van de firmawagen of het zelfbetaalde stalen ros moeten vaststellen dat hij niet met die sportieve coupé naar huis kwam, maar met een stevige gezinswagen… ‘ge moet toch ook aan de kindjes denken’. Sportieve opties sneuvelen voor veiligheidsdenken, looks halen het niet van comfortopties. Het verstand weet je wel? Wat zou je meer pk’s kopen als je voor hetzelfde geld rolgordijntjes op de achterbanken hebt?

De absolute broek-afzakker die mij ooit is meegedeeld is de volgende, en gruwelt nu allen een wijle heen, want het is echt gebeurd!

‘Michel, die moto van u, ge rijdt daar bijna nooit op, en dat pakt zoveel plaats in de garage. Als ge die verkoopt, dan kunnen we daarmee mooie fietsen kopen voor iedereen, dat is nogal een stuk nuttiger’. Beetje vent gespt de helm om en vertrekt voor eeuwig en een dag, zonder ooit nog iets van zich te laten horen.

Maar neen hoor, de volgende dag stond er een advertentie in de krant en werd zijn mooie pronkstuk te koop gezet. En neen, dit is geen pleidooi voor machismo, iedereen doet wat ie wil en waar hij zich gelukkig bij voelt. Maar waar draait het echt om?

Om Pussy control… zoals zijne paarse genialiteit vroeger al zei.

Mannen, we zijn watjes, we hebben geen verhaal,  en het verhaal dat we hebben kunnen we niet eens goed vertellen. Als we niet beter ons best doen, dan zijn we binnenkort overbodig.

Vrouwen zijn sneller, slimmer, werken harder  en hebben the bigger scheme of things begrepen. Zeg dat ik het gezegd heb, en ik niet alleen.

De bonsai-kweeksters (2) : Confuse and conquer

Verdere bespiegelingen over de bonsai-kweeksters.
Maar eerst toch even iets recht zetten. De afgelopen week werd ik er herhaaldelijk op aangesproken dat mijn vriendin dit toch niet echt graag moet lezen.
Jongens, jongens, kleine vergissing! Denken jullie nu echt dat een man zoiets kan schrijven terwijl het hem overkomt?

Ik ben – zoals de meeste mannen – vrij vegetatief met leven bezig. Eerst het metabolisme: drinken, eten, een gezonde stoelgang, en afdrijven van reststoffen en pas  ‘deinde philosophari’.
Mijn inzicht in de menselijke psyche en haar perfide mechanismes is ongeveer vergelijkbaar met de kennis van kernfysica van de gemiddelde huisjesslak.
Neen, het is veeleer mijn lief die, gezeten op één of ander terrasje, geamuseerd toont waar het bij deze of gene serieus aan het mislopen is. Meestal kan ik dat alleen maar lachend beamen.
Ik ben alleen maar de reporter, die er hier en daar een zieke twist aan geeft.
Dus staakt uw gissen ende poken. Met ons (in zoverre dat er al een ‘ons’ bestaat) gaat alles opperbest, en de milde verbazing over de menselijke soort en haar omgangsvormen is een gezamenlijke passie. Dank u.

In de vorige ‘les’ hadden we het over verpotting en verzuring als middel om de worteltjes van de eens zo trotse eik wat kleiner te maken. Nu gaan we het hebben over onzekerheid als groei-remmer. Beetje bonsai moet immers niet te groot worden. Een uit de kluiten gewassen eik kan best krimpen, mits de juiste technieken toegepast worden, en in de juiste dosering, dat spreekt.

Onzekerheid kweken is het beste middel. Daar waar onze jongen vroeger ongehinderd uitspraken deed over alles en nog wat, is het voor de gemiddelde bonsai-kweekster een fluitje van een cent om dat af te remmen. Dat heeft enkel het afbreken van de stugge houtigheid tot doel, niets meer.  Daardoor kan er in een later stadium beter gemodelleerd worden. Zo’n brulboei, die overal het licht steelt en alle aandacht naar zich trekt, daar gaan we iets mee doen.

Volgende basis-varianten kunnen worden aangereikt.
1) Het licht misprijzende ‘Tsss, maar enfin, wat zegt gij nu toch…’. dit kan kan speels uitgevoerd worden, maar ook licht geïrriteerd. Het effect is in beide gevallen niet meer dan een knipperlicht, maar dat volstaat. Onze man weet nu immers dat het einddoel van zijn avond; een potje rollebollen en vleselijk verenigen, in gevaar komt, als hij op de ingeslagen weg verder gaat. Dimmen is de boodschap en het onvermijdelijke gevolg.

2) Bij de hardleerse kerels dienen zich de volgende opties aan:  De verwijtende stilte, al dan niet gepaard gaand met verwijdering en/of ‘bleiten’. Bijzonder efficiënt bij jonge koppeltjes, waar de eik in kwestie nog niet goed weet hoe het spel gespeeld kan en zal worden. Hij zal denken dat het iets ernstig is, zich nog niet bewust van het feit dat waterlanders zo makkelijk klaar kunnen zitten. Gegarandeerd dat je hem de rest van de avond niet meer hoort.

3) Dodelijk is echter ook de  rechtstreekse verbale confrontatie:  ‘Michel, stopt daar mee, ge zijt belachelijk, kunt ge nu nooit eens begrijpen waar de grens is!’.
Heerlijk is dat! Ontleed even met mij mee. Niet alleen wordt hij publiekelijk berispt, wat nooit prettig is, en al helemaal niet als je weet dat de meeste van je maten je verhaaltjes eigenlijk best geinig vinden. Daar komt nog bij dat je nu ineens opgezadeld wordt met het vermoeden dat alle vrouwen – en ook sommige vrienden –  je gedrag belachelijk vinden.

Venten onder elkaar kennen dat soort openbare terechtstellingen onder elkaar niet. Als iemand  midden het café per se de behoefte voelt om zijn geslachtsdelen in een Hoegaarden-glas te persen om te kijken of er daarnaast nog ruimte is voor iets anders, zal dat altijd opnieuw op goedkeurend, ja zelfs bewonderend, gemompel onthaald worden. We zullen het nooit zelf doen, maar we zullen het ook niet veroordelen… meteen. Nu dus wel. Mannen worden daar onzeker over.

En dan dat van die grens… welke grens? Om een grens te kennen moet ge er toch eerst over? Dus neen, wij kennen eigenlijk geen grens, behalve bepaalde fysieke… achteraf. ‘Dat had ik niet moeten doen’, ‘Dat kon ik niet meer’, ‘Stom dat ik dat nog geprobeerd heb, want dat ging niet’.
Zeg tegen een vent dat het onmogelijk is om hoger dan de Eiffeltoren te pissen vanuit stand, en hij zal minstens een monsterende blik werpen om te kijken of het niet haalbaar zou zijn. Zo zijn wij.
Terug naar het thema, want dit zijn nog  maar de onschuldige technieken, om jonge eikjes bij te sturen. Voor de oudere exemplaren zijn er nog een heel ander arsenaal van methodes.
Onthoud het, maak ze onzeker en ze worden plooibaar,  of minstens stiller. Belangrijk voor de volgende les (les 3 modelleren).

Eén van de betere technieken om een vent op de knieën te krijgen is het ‘vragen om advies’. We kennen allemaal het ‘kleedjes-dilemma’ en de ‘vinde-gij-mij-gat-niet-te-dik-in-deze-rok-valkuil’, maar we zitten hier al in de advanced course, dus die gaan we niet herhalen.
Neen, het is veel perfider. Ik teken het even uit.

Drie stellen zitten gezellig wat te drinken op het strand, de kinderen spelen en de gesprekken kabbelen in alle richtingen. De vrouw van het organiserende koppel vraagt ineens aan de man hoe ze het avondeten voor de kinderen gaan organiseren. Mannen zijn jagers, voedstervaders en verantwoordelijk voor de tribe, dus hij gaat er ernstig op in, en stelt iets voor, wat volgens hem zowel doordacht, als juist is. Hij is ook blij dat de eega hem erkend in zijn rol.

Vervolgens  keert de vrouw zich naar haar vriendinnen en stelt iets diametraal tegengesteld voor, waarbij ze er zorg voor draagt haar vent te negeren.  In no-time bedisselen de vrouwen dan iets onder elkaar. Dat gaat heel vlot, en  de man hangt er ergens voor spek en bonen bij, publiekelijk te drogen gehangen voor zijn vrienden. Daarbij waken ze er over dat de voorstellen van de man, geridiculiseerd of minstens tot op het bot genegeerd worden om daarna, zonder verdere consultatie met echtgenoot of partner, over te gaan tot de uitvoering van hun plan.
Het effect is prachtig. Manlief blijft verweesd achter, beseft niet vanwaar het allemaal kwam, weet ook eigenlijk niet goed wat hem overkomen is, en daarbovenop zijn zijn twee makkers getuige van het feit dat hij eigenlijk geen zak te zeggen heeft in het huishouden.

Ook altijd mooi is het ‘overnemen’ van het verhaal. Man wordt uitgenodigd om een vakantie anekdote te vertellen, maar al bij de openingszin neemt vrouwlief over. Circulair ademend slaagt ze er in om het hele verhaal zonder ogenschijnlijke adempauze te vertellen, en de vent zit er bij en kijkt er naar. Belangrijk hier is dat het een keer of drie gebeurd, tijdens dezelfde avond, anders werkt het kleinerend, ontmenselijkend effect niet.

En dan vraag je je af waarom mannen zoveel drinken in het gezelschap, en hop, als vanzelf komen we weer uit op het pintritme… alles is verbonden.
Interesse in  nog meer diepe inzichten? laat het mij weten.

Tussenpintjes, overbruggingspintjes, reservepintjes

Het Tussenpintje – met een hoofdletter, om het éénmalig alle eer te bewijzen dat het concept verdient – is een monument in de dagdagelijkse beleving van vriendschap (of wat daar moet voor doorgaan) bij venten.

Oorspronkelijk moet het verhaal van het tussenpintje gesitueerd worden in West-Vlaanderen. Ik werd er mee geconfronteerd toen ik met een groepje vrienden op café naar een Worldcup match keek. De sfeer was luimig,  het bier stroomde, de grapjes waren lichtvoetig. Iets verder stonden wat kennissen van mij uit een andere belevingswereld. Instinctief voelden beide groepen aan dat een versmelting geen meerwaarde zou bieden. Dat is zo mooi aan venten, wij voelen dat, en dat is niet erg. Het kan ook geholpen hebben dat in mijn groepje wel wat luidruchtige Hollanders zaten. Dat schrikt af, to say the least.

Ik bestelde een rondje voor mijn troepje, en trakteerde ook ‘de andere kant’.  In mijn hoofd hoort dat zo. En vijf minuten later gebeurde het. Waar de Hollanders (gemakshalve noem ik ze zo, maar ze kwamen ook uit andere provincies) nog bezig waren aan hun glas, kreeg ik een pintje aangeboden van de barman, door de andere jongens… Mijn eerste tussenpintje.  Hoe moest dat begrepen worden? Heel simpel, ‘ Het is ok dat je bij de ollanders blijft staan, wij begrijpen dat, maar we willen toch dat je meedeelt in ons plezier, en dus zal er van tijd tot tijd een tussenpintje jouw richting uitkomen.  Schoon concept! En in no time regende het tussenpintjes over en weer. Want mijn Nederlandse vrienden waren heus geen eikels, zagen de meerwaarde in, en naar het einde van de avond was de uitgestelde verbroedering een feit. Dat is de eerste invulling.

Een tweede variante ontstaat quasi automatisch, wanneer een nieuw lid zich bij het tooggezelschap voegt. Hij bestelt een rondje, maar heeft een zekere achterstand. Die achterstand, daar gaat het eigenlijk niet om, hij heeft gewoon dorst. Dus zijn eerste consumptie, die mogelijk samenvalt met de vijfde of de zesde van de andere, zal naar alle waarschijnlijkheid veel sneller leeg zijn. In zo’n geval zijn één tot twee tussenpintjes geoorloofd, om ‘in het ritme’ te geraken, en wat rust in de kop te krijgen.

In derde instantie is er het ‘overbruggings-tussenpintje’. In de meeste gevallen drinkt iedereen op min of meer hetzelfde tempo, en ook min of meer hetzelfde soort bier. Wanneer er echter Duvel fanaten in de groep zitten, dan vertraagt dat in enige mate het tempo.  In zo’n geval zijn de pintjes-drinkers gerechtigd om tussendoor een pintje bij te bestellen. Niet dat er regels zijn, maar dat voelt gewoon zo aan.

Idem dito bij structureel trage drinkers. Daar is niets mis mee, maar het kan vervelend zijn voor anderen. Ik heb een vriend die typisch zijn glas in twee, maxium drie, gulpen leegmaakt. Ja, hij was bierkoning aan’t unief, en ja hij is een uitermate succesvol zakenman, met een verfijnde neus voor literatuur en kunst. En neen, hij heeft geen drankprobleem.

Voor zo iemand is het vervelend om met een leeg glas rond te staan draaien. Ook hier is het tussenpintje mogelijk, maar dat krijgt een andere vorm. Meestal worden er dan ‘reservepintjes’ uitgedeeld. “Patron, smijt hier nog ne keer wat pinten op den toog, een stuk of vijf, we zullen onze plan wel trekken!”.  Het wordt een op het eerste zicht onduidelijk kluwen van bier, waarbij de regel wel blijft : wie een rondje moet betalen, betaalt, als zijn tijd gekomen is.  Wij houden niet van mensen die hun snor drukken. Wie tussendoor wat extra pinten wil bestellen, doet dat echter , maar houdt zelf de telling bij. Niet zelden krijg je op het einde van de avond dan afrekeningen in het genre ‘voor mij drie tourneekes en 10 pinten’. Zo hoort het, je belast er de groep niet mee. En de groep heeft er ook nooit een oordeel over. Het geeft ook niet dat er al eens een pint op overschot blijft staan. Dat gebeurt gewoon.

Er is maar één tussenpintje dat niet toegelaten is, dat is het stiekeme tussenpintje, het ‘pintje in den duik’. Onder echte vrienden wordt dat evengoed getolereerd, en zal niemand er een opmerking over maken, op het moment zelf, maar we weten allemaal…’ oei we moeten eens met hem praten, want er is kennelijk een probleem’.

Zo simpel zitten venten ineen.

Voor de rest is dit een volkomen overbodige bijdrage, maar gezien het enthousiasme en de herkenbaarheid over de vorige post, kon ik niets anders dan er even een blogje aan wijden.

3-vaksbanen op trottoirs?

Ik stap erg snel. Dat heeft te maken met het feit dat ik niet bij de kleinste ben, dat ik ook nog eens dagelijks tussen de 7 en de 10km stap met die beesten van mij, en ongetwijfeld ook nog eens met mijn verleden in jeugdbeweging en zo. Mijn kinderen hebben er ook last van. Daarnaast is het ook zo dat ik steeds dwangmatig op zoek ga naar de kortste weg tussen twee punten. Ik ben een teller. Als er twee route opties zijn, zal ik ze systematisch allebei afgaan en tellen via dewelke ik met het minste stappen op bestemming geraak. Ik mag hopen dat u dat fenomeen kent, en me niet bij de weirdo’s catalogeert. Ik vind ook dat de hiel van elke voet net over de voegrand van de tegels moet vallen en zo, en dan krijg je al gauw een hectisch ritme met te grote passen… want het moet passen.

Ik heb me ook altijd prettig gevoeld met beide benen op begane grond. Ik ben niet zo’n fietser of zwemmer bijvoorbeeld, en vliegen lukt al helemaal niet.

Het valt mij op dat ik, als ik een winkelzone nader, problemen krijg met die stapsnelheid.  De mensen beginnen dan ineens allemaal te slenteren, stil te vallen, en dingen te doen, waardoor het in het honderd loopt op onze trottoirs. Zeer tot mijn ergernis, en allicht ook tot die van jullie.  Daarom, misschien een paar simpele regels, zodat we niet genoodzaakt worden om stapvakken te schilderen op onze voetpaden.

Ik haal de topics één voor één aan.

Positie ten opzichte van de vitrines. De snelle stappers blijven het verst verwijderd van de vitrines, zelfs als het regent. Ik doe dat altijd, omdat het de kans minimaliseert dat ik tussen u en de vitrine geplet wordt, en omdat het mij toch niet erg interesseert.
Zou u dan wel de aimabiliteit willen hebben om uw positie aan te houden en niet onverhoeds achteruit te stappen, het eigen spiegelbeeld aanbiddend en mij daarmee tussen de tramsporen duwend?

Daarover gaat het namelijk, Vloeiende voorspelbare bewegingen, die het ritme van de passanten niet doorbreken.  Belangrijk ook, richting.  U beweegt in een bepaalde richting, blijf dat aanhouden. Besef dat er mensen achter en rond u lopen, die ook een richting hebben, en als u begint af te wijken, dan hindert dat. Het hindert de inhaalbewegingen, het hindert conversaties, het is vervelend. Voor beginners: Probeer  gewoon parallel aan de stoeprand te blijven, dat maakt inhaal manoeuvres éénvoudiger.

Schoeisel. Zeer belangrijk. Doe die schoenen aan waarvan u weet dat u er mee kunt stappen. Het lijkt triviaal, het is het niet. We hebben u wel al gespot, met de hoge ‘glass heels’, tussen de vrouwonvriendelijke stenen. U kunt het niet. Doe een éénvoudige mocassin aan in de Veldstraat en spaar de glass heels voor de lucratieve bezigheden in de vitrine.

Onverhoedse bewegingen zijn te mijden. Zigzaggen is vervelend voor de achter- en tegenliggers, start & stop is ergerlijk, plots omdraaien is al helemaal uit den boze. Houd er rekening mee dat u dat binnenkort een gulp warm brouwsel op het chemisierke oplevert, als we met zijn allen  met de kartonnen bekers van de Starbucks gaan rondzeulen hier in Gent!

Parafernalia. U hebt in Sex in the City gezien dat het erg lekker is om met verschillende tasjes uit de boetiekjes te zeulen. Dat ziet er zo heerlijk ‘urban succesful’ uit. Leer er dan ook mee lopen. Alles heeft te maken met perspectief en inschatting. Denk gewoon iets verder dan uw eigen persoontje. Het is uitdijnend. Net zoals Paraplu’s. U mag dan een hottentot zijn, weet dat uw paraplubaleinen telkens rakelings langs mijn ogen passeren. Dat is niet fijn. Ik woon daarboven.

Uitslaande armen is ook zoiets, dat kan gemeen pijn doen, een neerwaartse zwier ter hoogte van het kruis van een man van gemiddelde lengte. Wij houden daar niet van. Wees u bewust van uw omgeving. En leer het ook uw hondje. Hou het kort, en dicht bij u. Ik weet waarover ik het heb, ik heb er twee en ze zijn groter. De opties zijn duidelijk. Best van al neem je ze niet mee, als het toch moet, besef dan wat het met zo’n beest doet, en met de mensen errond, die zo’n natte neus in hun kruis niet steeds leuk vinden.

Finaal, de manoeuvers. Zoals in elk rijexamen, zijn de manoeuvers het belangrijkst. Gouden regel hier : de hoek van de drukke winkelstraat verbergt meestal een andere drukke winkelstraat. als je dus heel kort door de bocht scheurt, dan riskeer je botsingen. neem de bocht ruim, en kijk. Kijk! Altijd opnieuw sta ik versteld van het aantal mensen dat gewoon in alle richtingen zit te kijken behalve de stap-richting. Mocht je dat in de auto ook doen, dat zou grote problemen opleveren. Hier rekenen jullie er op dat die andere wel uit de weg zal gaan, met respect voor jullie contemplatieve ‘mood’. Wel ik dacht het niet. Ik blijf staan tot u tegen mij opbotst in zo’n geval, liefst van al met een ijsje vooruitgestoken zodat u er ook nog eens een tactiele gewaarwording bij krijgt. Wanneer u beiden innig in discussie bent, ontslaat het u niet van de elementaire beleefdheid om zo heel af en toe eens mee te denken naar de beste oplossing voor het mobiliteitsprobleem. Iedereen wil vooruit, jullie zijn een bewegend obstakel. En dus vervelend.

Dat wou ik gewoon even kwijt.  als iedereen dat nu gewoon doet, ziet het er op slag een stuk simpeler uit in de winkelstraten.

De liftende hoer

Ze stond een beetje weifelend te zwaaien. Tenger, meisjesachtig lijf, dik ingepakt in goedkope kleren. Ze liftte. Ik was niet speciaal gehaast dus ik stopte om haar minstens al een eind op weg te helpen. Ze moest in Latem zijn, de Kortrijkse steenweg.

Wie de buurt een beetje kent weet dat daar de uitzuipkroegen van de plaatselijke chaussee d’amour zijn. Waarom zeg ik dat? Waarom zo snel een conclusie die er misschien geen was?

Ik weet het niet, ik heb er geen speciale neus voor, maar het bleek wel te kloppen. Het was een zwarte vrouw, met een te zwaar parfum, intrieste blik en een lijf dat allicht zo skinny gehouden werd om de kansen op de markt te maximaliseren ‘parce que la clientèle apprecie’. Haar humor en levenslust spaarde ze voor haar beroep, zo scheen het. ‘Allez cherie, tu m’offres une petite coupe?’ eerst zuipen en dan proberen de dans te ontlopen en het pezen zo lang mogelijk uitstellen.

Zonder stijlfiguren te willen neerpoten, haar gezicht was minstens dubbel zo oud als de oppervlakkige monstering van haar stekkebeentjes deed vermoeden. En doffere ogen had ik ook al lang niet meer gezien.

Ze zat stil in de auto en vroeg heel plotseling of ik getrouwd was. Ze vond het huwelijk niet evident. En al helemaal niet als er ‘violence’ bij kwam kijken. Geef haar maar eens ongelijk.
Ik moest haar afzetten aan restaurant ‘la grande bouffe’. Vlak ernaast was een bar ‘ Le p’tit faim’. Humor hebben ze wel die pooiers. Daar stapte ze binnen. Waarschijnlijk tot een kot in de nacht, om dan op dezelfde sjofele manier terug te geraken in Gent. Haar nachtmerrie kon beginnen, mijn fantasie begon te werken.

Hoeren, niks klinkt lekkerder bij de niet-geïnformeerde. Wij stellen er ons wulpse sexperts bij voor, met geweldige boezems, die in staat zijn ons alle hoeken van de kamer te laten zien. De realiteit schijnt dus lichtjes anders te zijjn.
Voor we in een verhitte discussie komen over de verkeerde topics, ik veroordeel niks of niemand. Niet de hoeren, niet de hoerenlopers. Misschien wel de pooiers, maar dat zeg ik niet luidop wegens schrik om ‘nen djoef op mijn muil’ te krijgen. Ik ben er ook van overtuigd dat er toffe, echte madammen in de prostitutie zitten, misschien niet veel, maar wel vrouwen met ballen, die er allemaal niet te veel om malen, en gewoon doen wat op dat moment een oplossing leek voor eender welk probleem. Niet vergelijkbaar met meisjes uit godweetwelk land die hier komen ‘dansen’.

Idem dito voor venten die net voor ze huiswaarts keren naar hun dor takkenwijf, nog gauw even binnenwippen bij de raamhoertjes aan t Noord. Het kan maar deugd doen. Aan mij is het niet besteed. Echt niet.  En niet omdat ik het niet lekker zou vinden. Alhoewel, dat weet je nooit, maar omwille van de neuroses.

Te veel onzekerheden, teveel dingen waarvan ik niet weet hoe het moet. Kun je douchen? Of is dat stom? Ik vraag me bijvoorbeeld ook af of die dames een soort menukaart hebben. Of is het eenheidstarief per kwak? A means to an end? Of heb je daar niks over te zeggen. Begrijpt u waar ik heen wil? Moet je daar eerst nog even ‘socialisen’ of is het anderzijds niet beleefder is om maar meteen de snikkel boven te halen, kwestie van de dames niet teveel tijd te doen verliezen.

Plus ook, moet je zo snel mogelijk of juist niet, en wat is het protocol nadien? Teveel vragen en onzekerheden voor de neuroot in mij ( los van een overigens bevredigend relationeel, affectief en lichamelijk leven). Ik ben er bijna zeker van dat ik onaangepast gedrag zou vertonen, zelfs in hun context, want ik vermoed dat die dames wel één en ander gewoon zijn.

Maar het idee dat je gezelligheid koopt?!? Want dat is wat er gebeurt in de uitzuipkroegen, eerder dan in de peeskamertjes van de stationsbuurt.  Bij meisjes/vrouwen die meestendeels liefst hun plastic doorschijnende stiletto hielen dwars door je balzak zouden willen priemen, neen daar kan ik echt niet bij. U wel?

Chinees Keuken

Gisteren reed ik door het Vlaams Brabantse landschap, in de omgeving van Neerijse, of één of ander gerucht, ik wil er van af zijn.  Fijne observator die ik ben, viel het oog op volgend paneel.

Laat dit niet de plek zijn om ons vrolijk te maken over fouten bij noeste nijveraars; Ik wil het probleem ten gronde tackelen.

In mijn verbeelding ging het als volgt:  Chinees komt bij één of andere panelenboer en geeft het briefje af met de gegevens, van wat er nu precies op zijn bord moet komen. ‘Intake’ noteert, en stelt helaas geen vragen, of erger nog, noteert verkeerd. De order wordt doorgegeven aan de afdeling ‘Lay-out’. Daar zit een een grafisch genie, die de wenkbrauwen fronst (of franstalig is), toch nog even checkt, maar dan de beruchte woorden krijgt. ‘De klant krijgt wat de klant vraagt, en daarmee basta! gij moet niet denken voor de klant, gij moet uw werk doen!’.   Het ontwerp belandt bij de afdeling ‘Productie’, waar de niet van gezond verstand gespeende atelierchef met het potlood achter de oren gromt dat er een fout opstaat… maar de klant wil het ondertussen zo! Quality control zullen we maar overslaan, ’t is een kmo’ke. Alles wordt gemaakt, geleverd, en hopelijk ook betaald, en hopla, het Chinees Keuken is geboren.

Op zo’n momenten heb je toch heimwee naar de vakman die klaar en duidelijk zegt ‘Joengne, ik zou dat zo niet doen, ge moet eu nen halve overslag installeren en die boulongs moeten azu gemonteerd weurden dadde der nog mee eu manivelle bijkeunt, veur as t’er probleme zijn… Kgoa  t’eu ne kie tuuge…keit ba ma thuis uuk  zu gedoane’.

Blind vaar je op dat soort stielemannen, die advies vermengen met technische vakkennis. Waar het fout loopt is het taylorisme van de moderne bedrijven, we delen het ding op in vakjes en niemand heeft nog ownership, maar iedereen heeft wel zijn werk gedaan.

Ook de klant is schuldig, want proactiviteit van de leverancier (neen, ik geloof niet echt in het partneridee, zeker niet uitgesproken, wel in de intentie en de geest) wordt meer dan eens afgestraft.  Klanten die goedbedoelde verbeteringen niet naar waarde weten te schatten, ze lopen dik gezaaid. Helaas. En dus wordt iedereen bang, en doet iedereen braaf wat ie moet doen.

Voor de liefhebbers; een weetje. Ik heb aan beide zijden van het reclamevak gestaan, en ik kan u met zekerheid zeggen dat klanten liefst van al weerwerk en gefundeerde meningen terug willen krijgen van hun bureau. Aan uitvoerende ja-knikkers heeft men meestal een broertje dood. Het is niet verboden om na te denken en uw verstand te gebruiken, echt niet.

Het kan natuurlijk ook zijn dat een Chinese retaurateur als enige vriend in de soms tweetalige zone rond Brussel, een Franstalige bordenmaker had. In een gebied waar hij om politiek taalkundige redenen enkel in het nederlands mag adverteren. En dan is het klassiek geval van de blinde die de dove de straat probeert over te helpen…gehinderd door restrictieve taalwetten. Maar het blijft jammer.

So Valentine

Hij haalde achteloos zijn gitaar boven en tokkelde een liedje, voor haar. Het kostte hem niet echt veel moeite, alles werd gedragen door enthousiasme, of blijheid zo je wil. Nadien zong hij van Skillemedinky.

“Skillemedinky, I love you. I love you in the morning and i love you in the night. I love you in the evening when the stars are shining bright… “

De tekst was een beetje ‘tacky’, maar door de zuiverheid en de openheid waarmee hij het zong, kon het nog net. Het was eigenlijk mooi, gewoon omdat hij er niet teveel kapsones over maakte. Je voelde wel dat hij er over nagedacht had of hij het nu al dan niet zou doen, maar het was evengoed duidelijk dat het een uitgemaakte zaak was, hij moest dat doen, want het was zijn lief. Zij keek hem aan, met grote bewonderende ogen, languit in de rode zitzak en ze zuchtte ‘Ik word hier zo rustig en blij van’.

De woorden waren allemaal oprecht, en simpel, en mooi. Wat het nog opmerkelijker maakt, is het feit dat het over een jongen en een meisje van 10 gaat, die al sinds de kleuterklas samen naar school gaan. Dit is het eerste jaar waar dat niet meer het geval is, omdat de volwassenliefde niet heeft mogen zijn. Het meisje trok met haar mama naar Stabroek. Geen diepe gracht voor de koningskinderen, zo blijkt, want ze zien elkaar nog regelmatig. En ze zeggen in simpele juiste woorden wat ze voor elkaar voelen. Ze willen elkaar blijven zien. Met zuivere ernst, maar van de lichtvoetige soort. Ze maken er geen drama van. Hun ‘forever’ heeft de oneindigheid van ‘Zolang het kan en zinvol is’ en dat is best lang, zeker op die leeftijd.

Het heeft niets met Valentijn te maken, het had op eender welke andere dag kunnen zijn. Maar het vriendinnetje van Robbe kwam na de musical les eten. Dat was al een tijdje geleden afgesproken, vooral ook omdat het laatste uitje niet de gelegenheid had geboden om voluit te babbelen. Een film leent zich daar niet echt toe, dus moest het worden overgedaan.  Met meer tijd voor verhalen, en lachen. ‘En hij moest ook een beetje leren om wat warmer, wat romantischer te zijn’, voegde zij er wijs aan toe, terwijl ze hem een vluchtige jongemeisjes-zoen gaf.  Op slag waren al mijn cynische, high-brow opmerkingen over Valentijn verdwenen. Zo kan het wel.

Al gauw stond ook het meisje te zingen (dat had wel wat meer voeten in de aarde, diva’s hebben zo hun rechten), waarop het zijn beurt was om bewonderend naar haar te kijken. Ze had een erg mooie stem, en ze zong veel en graag, en kon zich moeiteloos verplaatsen in de suikerspinrealiteit van musicals en mooie, grote gevoelens.

Karin had smakelijk gekookt, de tafel was prettig gedekt, met wat rode accentjes, en die kinderen met hun gebabbel en gegiechel, waren heerlijk om bij weg te mijmeren. Ik geloof echt dat de gevoelens diep en integer waren, eenvoudig mooi, en haar opmerking blijft me bezighouden. Waar verliezen kinderen die onschuld, dat gevoel voor juistheid. Wat doen wij als volwassenen, dat we er in slagen om dat te laten vervangen door gehuichel en foute boel? Haar woorden, niet de mijne. Ik heb er geen antwoord op, maar ik voelde me een heel klein beetje bevoorrecht. En zo werd Valentijn toch nog zinvol.

No Valentine… De menuutjes

Ik weet niet waar te beginnen. Eerst dacht ik uitvoerig commentaar te leveren bij de literaire pareltjes die ik her en der tegenkwam, of mij door gelijkgestemde zielen werden toegestuurd. Ik denk dat die beelden voor zichzelf spreken.  Staat u samen met mij even stil bij de opgeroepen sfeer, en ik ben er zeker van dat Valentijnsmenu’s nooit meer hetzelfde zijn. Ik denk ook dat er nog ruimte is voor een hele bespiegeling over grafiek en vormgeving, maar ik heb het nu wel gehad met het thema, en zal dat voor volgend jaar sparen.

Het is erg moeilijk om een favoriet te vinden, maar deze werd mij door @tombogman toegezonden. Ik denk dat we zo wel een licht kunnen werpen op het creatief proces. Men neme een aantal willekeurige referenties naar het thema, zijnde, liefde, zinnelijkheid, cupido, hart, verliefd, etc… Vervolgens pleurt men er wat adjectieven bij, en probeert men ingrediënten en gerechten een omfloerste naam in hetzelfde jargon mee te geven, en dan krijg je dit… Cupido’s mondvermakertjes… Ik weet niet hoe krom Nederlands kan zijn, maar het is een absolute hit. ‘Zwoele aardappeltjes’? Yeah, right! Als er nu iets is wat een absolute verzinnebeelding van de liefde is dan zijn het wel patatten.Toch?  Uiteraard mogen bij het dessert de vurige passie  en de zoetjes niet ontbreken, het geheel zou niet af zijn.

Kromme taal vinden we ook bij de vondst van @blissbohemian. Het is alsof de copywriter van dienst toch enige schroom heeft bij aanvang, maar die terughoudendheid blijft helaas niet duren.

Het raast maar door. Beginnend bij ‘liefdesvolle bubbeltjes in het kelkje van Cupido’. Stelt u er zich maar iets bij voor! Ik wil niet! Ik heb het feit al menigmaal vervloekt dat ik een levendige, visuele fantasie heb, en deze is er over. Het kelkje van Cupido, wat kan dat anders zijn dan… Ook bij het voorgerecht dringen er zich onkuise beelden aan mij op. Hoe kan het ook anders… bij een parelhoen,  knus op een spiesje. Het arme beest dacht daar vast anders over.  Ook hier zijn de petatjes in het spel aanwezig. Ik kan me voorstellen dat in bepaalde kempense gebieden ‘petatje’ een koosnaampje is, maar de knol op zich heeft op zich weinig affiniteit met het liefdesspel.

Prettige bijkomstigheid, de gebruiksaanwijzing. Men probeert een minimum aan directie te geven : het dessertbord (verleidelijk!) mag u delen, en u kunt het menu enkel per twee personen krijgen. Alsof je op je eentje zoiets gaat binnen harken.

Ook de Oosterse broeders hebben het signaal begrepen. Je kunt zelfs een Oosterse Valentijnsrijsttafel krijgen, met dank aan @Mister_wasabi. Al gaan we dan meteen de kinky toer op, met een trio van tortelvoorgerechten.

Gegeven het taalprobleem is men zich hier iets minder te buiten gegaan aan exuberant woordgebruik, maar de commitments zijn er niet minder om. Geen vrijblijvend geflikflooi, maar onmiddellijk een huwelijkssoepje. ‘T is maar dat je weet waaraan je begint.  Verder moet iemand mij eens vertellen wat er wel zo passioneel aan sojascheutjes is… en hoe je een eendenfilet verleidelijk kan maken. Godzijdank eindigen we met zoete versnaperingen, al dan niet door Valentijn zelf geselecteerd…

Waanzinnig mooi was ook de inzending van @Brittaver. We spreken hier over top-poëzie, de zinnelijkheid prikkelend als nooit tevoren. Startend met vloeibare passie, een ejaculatio praecox dus… beetje jammer, maar laat dat vooral de pret niet deren. Vooral niet omdat we overschakelen naar een warme gloed van kip en ham… Ik denk billen.

Het blijft een gesmos. We gaan dansen in een jus van drambuie. Een vettig beeld, dat nog wat versterkt wordt met bruisende bubbels in de buik. ik hoop van ganser harte dat dat dan niets te maken heeft met het metabolisme… Godzijdank werd het toen donker!

Ik stel me dan altijd de vraag hoe dit soort keukentafelpoëzie tot stand komt. Een laatavondbrainstorm tussen chef en sous-chef, waarbij de wonderlijke ingevingen komen van het zaalmeisje dat in haar vrije tijd poëzie schrijft. Of een nors afgeleverd menu van de chef, dat vervolgens kunstig verminkt wordt tot bovenstaande gedrochten door zijn vrouw en haar zuster. Allebei al lang verleerd om romantisch te zijn, maar volop vertrouwd met het ‘boeket-jargon’.

Mooi, erg mooi…allemaal. Bijna net zo mooi als de worp van @mvangrieken, die ik er toch nog even wil bijvermelden, gewoon omdat ik hem leuk vond, een waardige manier om deze cyclus af te sluiten. Smakelijk allemaal morgen! (de liefhebbers kunnen de namen van de restaurants opvragen bij de inzenders, (die daar morgen allicht allemaal zelf ook zitten) en nogmaals van harte bedankt worden voor hun inzet en fijn observatievermogen)

Ik ben een vendelzwaaiende volksdanser…

…geweest! Ik ben bij de blauwvoetvendels en het VNJ geweest. Ik heb er zelfs leiding gegeven tot ik 18 was. Mijn opa was een collaborateur – ne zwarten zoals ze dat zegden – en mijn vader is een papenvreter die eigenhandig VU afdelingen heeft opgezet en geleid. Een man die in Brussel menig akkefietje had met het FDF, in verhitte kiescampagnes. Ik heb alle betogingen voor amnestie meegemaakt, als kind. Ik heb in Schaarbeek, Voeren en Komen betoogd. Ik ken elke hoek van de IJzervlakte, en heb klaroenen laten weergalmen op het middenplein van het sportpaleis. Broederband wakes, St Joriskring, zelfs Protea was mij niet vreemd, in naam van de grote volksverbondenheid. 11 juli vieringen waren een feest en bij verkiezingen veranderde ons huis steevast in een geel/zwart bastion, zeer tot ergernis van mijn broer en mijzelf. Het was ook de tijd van de autocaravanen, prachtig gewoon.  Tot daar mijn onvervalst pedigree qua vlaamsnationalisme. Ik wil er ook nog aan toe voegen dat ik wellicht in die periode ook menig ‘Vlaams -Belang-Neleke’ een tong gedraaid heb, maar dat is verder niet relevant.

Hé, hé, dat lucht op! Het zal u wellicht interesseren dat ik dit alles afgezworen heb toen ik naar ’t unief vertrok en verder een uitermate losbandig leven heb geleid, met het hart op de juiste plaats (dit even ter geruststelling van mensen die nu heel erg geschrokken, een slokje water moeten drinken, ga uw gang).

En ik laat dus een baard staan.Openlijk, omdat ik wil laten zien dat ik het zat ben. En ik wil dat wel even uitleggen ook.

Mijn ouders, alhoewel beiden erg flamingant, spraken uitstekend Frans. Als ze op vakantie gingen in de Ardennen, spraken ze Frans, en genoten ze van de streek en de mensen. Als ze in Vlaanderen in contact kwamen met Franstaligen spraken ze Frans, omdat dat de beste manier was om vooruit te komen en elkaar te helpen. In Brussel wilde mijn papa nogal eens principieel doen, maar als hij zag dat er goede wil was, of dat hij met iemand van een Berber-volk te maken had, dan begreep hij ook dat hij het onmogelijke niet kon eisen. Mijn ouders zijn tolerante mensen, die opperbeste relaties hadden met Franstaligen, Marokkanen en Turken uit hun buurt. Ze woonden immers in Brussel, ze hadden geen schrik van die stad. Ze kwamen op voor een soort van volksnationalisme dat gericht was op het laten respecteren van hun rechten in een Belgische context. Ja er werd al eens gescandeerd van ‘België Barst, Belgikske, nikske’, maar dat was relatief onschuldig. Ik ben Brusselaar, en ik heb in de rand gewoond, Overijse, ik beheers mijn landstalen en ik heb ze altijd als een middel, een soort vanzelfsprekend instrument tot communicatie gezien. Verworven rechten allicht!

Het hoogtepunt van elke verkiezing, en we keken daar echt naar uit, was het moment waarop de kiesuitslagen binnenkwamen. Mijn pa, broer en ik bleven aan het beeld gekluisterd, en geen kiesdistrict zo klein of het werd van commentaar, hoon of jolijt voorzien. Het was de tijd van professor Picard, een soort Dartagnan van de statistiek.

De discussies  op TV werden hoofs en scherp gevoerd, en de onderhandelingen zouden, net als nu, lang en moeilijk zijn. Het waren wel onderhandelingen! Met mensen die elkaar begrepen, die begrip konden opbrengen voor de gevoeligheden van elke taalgroep. Daar kwamen fijne compromissen uit (ja, ik vind dat een mooi woord, en niet oneervol). Cools, Schiltz, Spaak. Dat verstond elkaar. Er was de retoriek voor achterban en kranten, en er was het besef van staatsmanschap, verantwoordelijkheid en moral/civic duty. Het werd niet minder hard gespeeld, en bij momenten zelfs een stuk intelligenter.

Nu zie ik egoistische scherpslijpers, die gaan uithuilen bij de pers, die manipuleren, en aan hun kleine toekomst denken. Die bovendien ook de verkeerde gevechten voeren. Het gaat al lang niet meer om Vlaams in Brussel, het ‘vlaamsche volk’ heeft de economische hefbomen in handen, is welvarend en begint nu wel heel erg bekrompen te worden.

Ze willen Brussel, maar laten er zich liefst niet te veel zien, tenzij dan voor één of andere high brow culturele manifestatie.  Dat zijn verkeerde, kleine, bekrompen signalen. Werk vanuit zelfbewustzijn.

‘Koloniseer’ desnoods met je nijver, je werklust en je kapitaal stukken van Wallonië, er is daar grond en arbeidskracht genoeg, maar voer geen territorium oorlog voor een immer kleiner stukje welvaart.

Solidariteit is geen hol begrip, ik ben er niet altijd van overtuigd dat alles wat we zelf doen dat we dat beter doen. Ik gruwel van de enge visie op cultuur zoals een Geert Bourgeois die neerzet, ik houd niet van de navelstaarderij van sommige Vlamingen. Ik heb niks met België, tenzij dan misschien dat ik het een prettig  en mooi-absurd artefact binnen Europa vind. Ik zou niks liever hebben dan een los verband van stammen in een Europese context, en hoe minder staat, hoe liever het mij is.  Maar wat hier gebeurt, het polariseren van twee bevolkingsgroepen, met alsmaar sterker wordende frustraties en het op de spits doen lopen van gevoeligheden en problematieken, daar walg ik van. Ik  zie er ook geen oplossing in.

En zoals steeds, twee vechten, twee schuld. het is niet omdat de Franstaligen als één blok naar voor komen dat het beter is.

Heb ik een oplossing? Neen, niet echt, zeker politiek niet. Machtsblokken zijn wat ze zijn, en in een democratie moeten zij ‘ons’ dan maar vertegenwoordigen. Maar ik vind dus wel dat er mag gereageerd, betoogd en geroepen worden tegen de absurditeit van x honderd dagen geknoei over dossiers die in de retoriek van sommigen wat politieke moed vergen. Misschien moeten we  elkaar adopteren, elke Vlaming één Waal en omgekeerd, en twee keer per jaar een feestje bouwen onder elkaar, om tot meer begrip te komen.  En een klein, nationaal/federaal kieskringetje zou dan misschien wel meer impact hebben… Misschien moeten we wat meer in Wallonië rondrijden en vakantie vieren. Het zijn warme, lieve mensen, met een relativerende blik en echt wel wat meer werklust dan de Vlaming uit Rumbeke soms vermoedt…

Ik steun dus het protest, ten dele omdat het wat absurd is, maar ook omdat ik het tijd vind voor een signaal. En dat dat in een sfeer gebeurt van ‘mensen’ die hun talen kennen, en met een monkelende glimlach al eens een keer naar hun Waalse epigonen knipogen, dat is fijn. Daarom heb ik nu even een baard, en kampeer ik virtueel en zal ik wellicht mijn neus ook even laten zien zondag.