Woordpollutie

Woordpollutie. Ik weet niet of het begrip bestaat, maar het zou moeten. U weet ondertussen dat ik me blauw erger als iemand me in het midden van een vrij banale uitleg of een anekdote, continu om de oren slaat met ‘Snapt ge?’. Studenten hebben er een handje van weg. Ik snap dat. Ze doen dat onder elkaar, ik heb er ook al eens naar verwezen in een vorig stukje. Maar er is nog iets anders.

Aalstenaars zullen het onmiddellijk herkennen, een soort oerkreet van de modale burenklap: ‘ajamorjamorallee!’. En bij Nederlanders klinkt het ongeveer als volgt : “ja nou ja, nee, ja, dat bedoel ik nou juist, weet je, dat het juist, ja nou, ik weet niet, dat het gewoon anders klinkt, begrijp je wat ik bedoel?” Ik heb het altijd grappig gevonden en merkwaardig zelfs. De vrees voor stiltes, alsof er iets mis mee zou zijn.

Ik begrijp het eerlijk gezegd ook niet zo goed. Wie mij kent weet dat ik zelden om een woordje verlegen zit. Ik voer de boventoon in veel conversaties, ook al prent ik mezelf op voorhand steeds in dat ik een ander aan het woord zal laten en ingetogen zal luisteren. Dat lukt meestal niet. Maar ik blijf proberen.

Waar je me echter totaal niet op kunt betrappen is dat soort ongein. Tussenvoegsels, halve zinnen, het soort “’t kan vriezen, ’t kan dooien”, van “aan de ene kant dit en aan de andere kant dat”. Net zo min als ik veel euh’s in de mond neem, of je me zelden zal kunnen vastpinnen op het stelselmatig gebruik van ‘en dan’ ,’en dan’, ‘en dan’. Waarom? Omdat kleuters zo hun verhalen vertellen. En dan moesten we in de rij staan, en dan kregen we een appel van de juffrouw en dan moesten we luisteren naar een verhaaltje en dan moesten we een dutje doen…

De zin in mijn schriftje (voor uitleg zie een vorig stuk), waar ik vandaag mijn stukje op bouw, luidde als volgt : “De obsessie over mooie zinnen zorgt ook voor zuinigheid in het gesprek. Woordpollutie is een ding!” Ik heb geen idee wanneer en waarom ik het opschreef, maar ik vermoed dat het zoals zo dikwijls te maken had met één of ander ergernisje. De datum doet vermoeden dat het tijdens een tweede zit examen was vorig jaar… maar dat weet ik dus niet meer.

In tijden waar iedereen hunkert naar zijn volgende dopamine shot, is de kunst van het luisteren en die van het helder formuleren een beetje zoekgeraakt. Zoveel mogelijk content produceren, zoveel mogelijk zinnetjes uitspreken en dan zal er allicht iets van overblijven. Niet altijd! Wat overblijft is vermoeidheid in het zoeken naar betekenis. Geniet een beetje meer van de pauze momenten, iedereen kan daar blij om worden.

Karin en ik kunnen soms op een zomers terras zitten, bladeren in een boek, of rondkijken naar wat om ons heen gebeurt, en vooral zwijgen. En heel af en toe een zin uitspreken. Netjes. Luisteren en een antwoord formuleren, of gewoon beamen. Het lijkt op een gesprek. Het is een aanrader!

Geef een reactie