Le masque de cynisme…

Hij kon het niet. Hij had het nooit gekund.

man in black jacket walking around people
Photo by Fatih Turan on Pexels.com

Zijn hele leven was één lange strijd tot nu toe. Een strijd om er bij te horen, ‘to blend in’.  Dat klonk zwaarder dan het was, meestal was het vermakelijk, als hij er niet teveel bij nadacht, bij stilstond. Maar deed hij dat wel dan was het ondraaglijk. Hij had recent nog een documentaire gezien over Gainsbourg, de woordkunstenaar, die het letterlijk en heel mooi zei, ‘je me suis créé un masque de cynisme, pour proteger ce que je suis, et maintenant je ne parviens plus à l’enlever.. tant pis!’ Niet nadenken, vooral niet nadenken, niet te veel alleszins.

Het was ook niet vermoeiend, eerder een prettige ontdekkingsreis langs conventies en stille afspraken. De vrijmetselarij van de sociale code, open te breken door diegene die er het verstand en de aandacht aan schenkt.  Hij wist hoe het moest. Met na-apen kwam je er niet, je hoorde er alleen bij door een plek op te eisen, door de fundamenten van het spelletje te begrijpen en er beter in te worden. slimmer zijn dus. Dat kon hij. Het ontbrak niet aan verstand, het ontbrak aan remming, aan sociale reflexen. Hij was jaloers op zijn vrienden die instinctief, alsof het aangeleerd was, een etische code hoog hielden. Een soort fatsoensnorm. Dit kon, dat kon niet. Hij had dat zelf niet, ging regelmatig over de grenzen. Hij was gulzig, hij had nooit genoeg, hij moest er over nadenken, ook over waar hij dan wel iemand pijn mee zou doen. Zijn referentiekader was zijn wereld, zijn hoofd, zijn pijn, niet die van een ander.

Tussendoor gretig alles lezen en opslaan wat je op je weg tegenkomt. Citius, altius, fortius, maar dan in de zelfrealisatie, eerder dan de sport.  Hilarisch en beschamend zijn de anekdotes van gestuntel en proberen voldoen aan de sociale regeltjes, zoals die bestaan in het restaurantwezen, het studentenleven, en nadien de werkomgeving. Het viel altijd minder op dat hij er niet bij hoorde. Hij werd er zelfs bepaald bedreven in; het dandyisme, de elegantie, charmant zijn. Het werd een tweede natuur. Het neerleggen van resultaten ook, dat zorgde er immers voor dat hij geld over de balk kon smijten, geld dat diende om datgene te kopen waardoor hij er finaal helemaal zou bijhoren.

Het leven gaat door, de strijd wordt minder acuut, de attributen om de integratie makkelijker te maken komen erbij; de echtgenote, de kinderen, de mooie auto, de juiste vakanties, het huis, de juiste scholen en verenigingen.

De straatjongen blijft. Brutaal in zijn hoofd, gedwee naar buiten uit. Tegenslagen en ‘hardship’ worden verdragen omdat dat nu éénmaal is waar je ouders je op voorbereid hebben, en omdat je geen keuze, noch een vangnet hebt. Vastbesloten om niet terug te gaan naar het paradijs van kanten onderleggertjes, hummeltjes als summum van volkskunst en huilende zigeunerinnen. Niet dat er iets mis was met de warmte van dat nest, integendeel. Cartesiaans opgevoed door vader, knuffelende warmte gekregen door moeder, en robuust omringd door broers. Maar er was die hang, die hang om er bovenuit te stijgen, niet om op te vallen, maar om vooral niet bij zijn eigen soort te blijven, de werkmensen, de heldere eenvoud. Hij wou daar weg.

En nu, 55 jaar later moet hij vaststellen dat het niet lukt. Dat het meer pijn doet dan ooit, maar wel om de juiste redenen. Hij wil het ook niet meer zo erg. De normen en waarden die hij voor zichzelf bepaald heeft, blijven bewaard, blijven overeind in een zee van hypocrisie en valse vriendschap.

Domheid is zo onvergeeflijk. Domheid en respectloosheid, de ergste kwalen van deze tijd, de verafspiegeling van zelfgenoegzaamheid.

Laatst zat ik ergens iets te drinken, met dochters en vriendin. Gezellig, en leuk. Er komen wat vrienden (tja, dat heet zo, er is geen ander woord voor) bijzitten, wat het alleen nog maar leuker maakt.

Tot één van mijn kinderen me attent maakt dat één van die vrienden schaamteloos zit te flirten met mijn vriendin. Ik zie zoiets niet. Ik koketteer daar niet mee, het is gewoon zo. Vrienden is een soort onvoorwaardelijk gegeven, die doen zoiets niet, daar ga ik van uit en helaas… “ik ben zo opgevoed…’. Tenzij het natuurlijk je vrienden niet zijn. Klein foutje in de redenering. Ik was wel blij dat mijn kinderen erg verontwaardigd waren. Is dat dan burgerlijk? Of kleinburgerlijk?

De mijmering. De code. Het fatsoen. De speeltuin, voor volwassenen, en hoe je te gedragen. Recepties, fuifjes, feesten. Vriendinnen die me achteraf vertelden dat één van mijn vrienden wel heel onbeschaamd kuste en vlotjes meeging naar afgelegener plekjes. Niet eens meer wachtend op een eenzaam moment, maar quasi onder mijn neus.

Je zou bijna denken dat ik een giga-sucker ben, die dat allemaal laat gebeuren, maar de echte reden is blijkbaar elders te zoeken. Mijn vlotte levenswandel heeft me ooit het imago bezorgd van een losbol, die er zowiezo op uit is zoveel mogelijk vrouwen te veroveren, en dus ook geen greintje respect zou hebben voor die vrouwen ( niets is overigens minder waar!). En dus is alles toegelaten. Koekje van eigen, maar vreemd deeg, of iets in die stijlimago, Perceptie, Realiteit.

Ik heb niet veel regels, maar ik probeer ze wel te respecteren. De integriteit van je vrienden en hun familie intact houden, en dus niet rotzooien in die omgeving.

Niet praten over mensen, maar over ideeën, dat is veel boeiender.

Altijd uitgaan van de goede bedoelingen van anderen, ook al ontploft dat in je gezicht.

Opmerkingen over fysieke gebreken of mankementjes, die slik je in, want het is echt niet alsof mensen daar voor kiezen. 

Het zijn simpele regels, universeel geldend, en ze maken het leven gemakkelijk…Juist ook.

Ik dacht zelfs dat ze quasi universeel waren, maar dat blijkt niet zo te zijn…

Geef een reactie