Miss America

Pin ball machine miss america

Wij van de ambulante handel spreken dikwijls af op café. Om te werken, om files te vermijden, afstand te delen. Efficiënt zijn en toch nog goede koffie drinken, het is cruciaal. Onlangs waren we zo ergens beland in een etablissement waar ‘ne Miss America’ stond.

De oudere lezers kennen dat. Een soort gokmachine waarbij je vijf ballen in een zo voordelig mogelijke configuratie moet zien in gaatjes te krijgen. Lees verder

Mannen, Jagers? Ik weet het niet.

Ik zit op café. Altijd inspiratie. Alleen deze keer lukt het niet om te schrijven. Er is teveel lawaai. Zou er een verband bestaan tussen dronken en doof? Of is het een reflex, dat zatte mannen, naarmate het spraakvermogen afneemt en wat slepender wordt, luider spreken om toch maar hun waardevol gedachtengoed over te brengen op hun toehoorders?

Het gezelschap naast me. Vier mannen, drie vrouwen. De opluchting van de beginnende vakantieperiode, de zinnenprikkeling van de eerste zonnestralen. Bronstijd. Dat zie je. De jagers hebben hun prooi bijeengedreven. Zo denken ze. Één van hen zal bakzeil halen vanavond en de golden handshake letterlijk krijgen. Alhoewel, t zien er schoolfrikken uit. Mannen met korte hemdsmouwen, ik kan er niet aan doen, het werkt niet bij mij, en ik verzin er meteen triestige hierarchie bij.

Maar jagers dus. Op zoek naar wat ontucht, of wat flirterige egobevestiging. Het maakt niet uit, het gedrag is hetzelfde. Het is overigens zo dat in de prehistorie, of in tribale omgevingen, waar mannen jagers zijn, 90% van het voedsel door vrouwen voorzien werd. De mannen hadden wel mammoets gezien, dat wil niet zeggen dat ze er ook altijd één mee naar huis hadden. ‘Zijn er nog verse bessen in huis, schat? We hebben mooie verhalen te vertellen, den John en ik hadden bijna ne geweldige sabeltand tijger geschoten. Morgen gaan we terug, want we weten hem zitten… En is er nog wat pap, of maiswijn?’ Die stijl!

Ik heb vroeger al gezegd dat mannen die denken dat ze jagers zijn, er eigenlijk niets van begrepen hebben. Maar toch belet me dat niet om een typologie van de jagers te maken aan de hand van wat ik hier aan de toog zie gebeuren. De voornaamste types zijn vertegenwoordigd: de sluipschutter, de braller, de valsen tragen.

De braller is het eenvoudigst te herkennen. Luid, vindt zichzelf fantastisch, is er vast van overtuigd dat iedereen hem geweldig grappig vindt en deinst er niet voor terug om zijn drinkebroers bij tijd en wijle te kakken te zetten. Goede luim, weet je wel, daar moeten ze tegen kunnen!

Hij heeft een simpele verleidingstechniek. Bewondering. Entertainment. Rechtlijnig, éénvoudig, doortastend en brutaal. Hij speelt ook op uithouding, de halve fond. Die anderen zullen wel ontmoedigd worden en hij raapt de brokken op. Doorheen de ‘grappige’ anekdotes weet je alles over hem, en vooral, en veel belangrijker, alles over de materiële welstand. ‘ik herinner mij, in New York…. En ik stap in mijnen Audi, ik heb nen A6… Maar ja, dat gerief om uw zwembad te onderhouden… Pftttt, allez, ik hoop dat ze er haar plezier mee heeft, want na mijn scheiding…. Alles weet je.

Hij moduleert ook, in functie van de prooi, er kan al eens wat cultuur tussen zitten, van het opvallende soort. Hij kan Calatrava aan een discipline, plaats en stijl koppelen, hij kent het grote blufboek, of minstens de methodes die Paul Jacobs, de radiomaker die dat hoogst vermakelijke boekje maakte, ooit bijeen schreef.

Als hij aan het kortste eind trekt is dat niet erg, zijn buit zijn ook de verhalen , al dan niet aangedikt, wie onthoudt dat immers? Het kan hem ook absoluut niet schelen met wie hij op het einde van de avond overblijft. Het gaat immers niet over haar, maar over hem.

De sluipschutter, de grondwerker dat is een ander paar mouwen. Dat is de man die van bij aanvang zorgt voor een goede uitgangspositie. Die heeft al nagedacht, kansen ingeschat en weet dat hij niet over zoveel troeven beschikt. Een schot, do or die.

Hij heeft zijn kansen afgewogen, het gezelschap geëvalueerd. Die ene, dat muurbloempje, die zal het zijn. En de rest is verkoop. En techniek dus.  Openingsvragen, open.  Behoeftebepaling, inzoomen, focussen.

Het wild isoleren, afschermen van de kudde, het intimistische, belangstellende gesprek. De bezwaren aftasten, niet weerleggen, nadenken, concentreren. De zuivere lijn zoeken, qua schootsveld. Hardnekkig, vasthoudend, intens… Ook al ziet het er niet altijd zo uit. Mannen ook met een bijzonder zwaar noodlot. Ze kunnen nooit gaan pissen op café, want dan verbreekt  hun toch al vrij ijle  spanningsboog. Denk aan de jachthut, eens het wild in’t vizier ga je ook niet rap nog even schijten.

Hij bewandelt een dunne lijn, voor je’t weet zeurt hij, dan zoekt de vrouw naar ontspanning, daarvoor was ze hier in de eerste plaats al. En interesse is leuk, maar een hele avond met de zelfde.. Neen, de sluipschutter gebruikt een erg moeilijke techniek. alleen de allergrootsten komen er mee weg.

En dan de derde,  de valsen tragen. Hij doet alsof het hem niet interesseert, doet niet mee met het haantjesgedrag van de braller en is sociaal. Hij babbelt met iedereen, is niet te beroerd om tegelijk ook met de barman wat te keuvelen. De ideale aangever ook voor de braller, die iedere keer de punchline pikt. En vervolgens trots is op zichzelf.

De andere laat het gebeuren.  Tot de braller steekjes laat vallen, allicht ook door de drank. Dan verandert er iets en zie je hoe hij een subtiel spel opzet, lichaamstaal ook, zacht meedeinend op de uitingen van de dames.

Alert voor alle kleine uitingen van afkeuring en ze stante pede uitvergrotend. De mensen vinden hem zacht, beschaafd, een gevoelsmens… Langzaam maar zeker wint hij terrein op de braller, hij pikt al eens een grapje in, hij doet al eens een grap van de ander mislukken. En dan komt het dodelijke wapen boven, kleine, gefluisterde opmerkingen in het oor van de vrouw naast hem. Onweerstaanbaar, ze lacht, hij palmt in, meter na meter wordt de lijn binnengehaald, zonder ogenschijnlijke inspanning. Bewust controlerend, en passant de sluipschutter ook even dwarsbomend. De valse trage wil immers niet alleen een vrouw voor de nacht, hij wil bemind worden door alle vrouwen…

Oude lust roest niet

Een dorpscafé. Ik kan er zo moeilijk aan weerstaan. Een toog die patina kreeg door morsige glazen, de herkenbare geur van cigaretten en verschaald bier, de troosteloosheid van de lokale dorpsaffiches. Heerlijk is het.

Ik ging aan de toog zitten en bestelde een pintje. Zoals het hoort vroeg de vrouw achter de bar of het een boerke, een ribbeke of een vazeke moest zijn. Met stip in de top tien! Voor mij liefst ribbekes, perfect getapt, lichtjes parelend.

Ze had al meerdere oorlogen meegemaakt in haar taverne. Huid, ogen en handelingen waren de stille getuigen van talloze nachten in het gezelschap van venten die liever hier zaten dan thuis bij hun wijf. Een Vlaamse waardin, goed voorzien van oren en poten, ‘ne stevige achteruit’ en op stiletto’s. Want ’t was zondag.

Hij kwam binnen, en ik werd getroffen door de troosteloze sleep in zijn pas. Ondanks het feit dat het café quasi leeg was, ging hij aan een tafeltje zitten. Alleen. Een beetje triest voor zich uitkijkend.

Ze ging er heen, met een fris getapt fluitje en bleef op gedempte toon even met hem praten. Bezorgd legde ze een hand op zijn arm, en kneep er bemoedigend in. Hij keek even op en lachte flauwtjes terug. Zijn stem klonk aarzelend, gebroken.

De man was oud, ergens achteraan de zestig en gaf een erg uitgebluste indruk. Het verlies drukte zwaar, hij kon niet wennen aan het alleen zijn en zocht allicht de warmte van het café op om te ontsnappen aan de eenzaamheid thuis en het opgeklopt vermaak van de TV. Dat maakte ik er van. Temeer daar de waardin hem zorgelijk bleef aankijken en mij met een blik van verstandhouding aangaf dat ze er mee te doen had. Ik stelde maar geen vragen, dat hoort ook niet.

Na een tijdje tapte ze een vers pilsje. “Hier, nog eentje van mij, ’t is goed dat ge terug onder de mensen komt, ge moet vooruit in uw leven!’. Hij keek haar aan, glimlachte even, bedankte vriendelijk en kort en bleef verder in zijn glas staren.

Het moet wat met je doen, als je je levensgezellin, je vrouw je maatje op die leeftijd kwijt raakt. Weten dat het komt, allicht na een lange slepende ziekte, of met wat geluk heel plots, en zonder lijden. Maar we moeten elkaar niets wijsmaken. Dood en belastingen, ze zijn onontkoombaar. Hoe ouder je wordt, hoe meer je er van doordrongen geraakt.  Waarschijnlijk ook net de kinderen op bezoek gehad die het niet kunnen opbrengen om ‘vake’ meer dan eens in de week op te zoeken, wegens carrières en eigen drukke levens met kindjes en allerhande projectjes. Dat gaat zo.  En nu was het zondagavond, alleen, met Witse. Hem restte niets meer dan op zijn beurt te wachten op de dood, want rijk van de duiven ging hij niet meer worden.

Ik ging naar ’t toilet, en plots stond hij naast me.

‘Ferm wijf hè jong, ons Nicole,… achter den toog?’ Ik keek hem verrast aan en hij ging verder.

‘Die van ons is een maand geleden gestorven, maar ik ben nog ne ferme vent, en ik peis, als ik hier zo nog een weekske triestig kom zitten doen, da’k wel kans maak om ze in mijnen nest te trekken! Allez, we gaan zien, neen heb ik al, maar ik peis toch dat ik mij ermee ga kunnen amuseren! En dan kan ik mij terug aan den toog placeren!’

Nog een schone avond gewenst.. met deze hint van de onvolprezen @benpittoors

Tussenpintjes, overbruggingspintjes, reservepintjes

Het Tussenpintje – met een hoofdletter, om het éénmalig alle eer te bewijzen dat het concept verdient – is een monument in de dagdagelijkse beleving van vriendschap (of wat daar moet voor doorgaan) bij venten.

Oorspronkelijk moet het verhaal van het tussenpintje gesitueerd worden in West-Vlaanderen. Ik werd er mee geconfronteerd toen ik met een groepje vrienden op café naar een Worldcup match keek. De sfeer was luimig,  het bier stroomde, de grapjes waren lichtvoetig. Iets verder stonden wat kennissen van mij uit een andere belevingswereld. Instinctief voelden beide groepen aan dat een versmelting geen meerwaarde zou bieden. Dat is zo mooi aan venten, wij voelen dat, en dat is niet erg. Het kan ook geholpen hebben dat in mijn groepje wel wat luidruchtige Hollanders zaten. Dat schrikt af, to say the least.

Ik bestelde een rondje voor mijn troepje, en trakteerde ook ‘de andere kant’.  In mijn hoofd hoort dat zo. En vijf minuten later gebeurde het. Waar de Hollanders (gemakshalve noem ik ze zo, maar ze kwamen ook uit andere provincies) nog bezig waren aan hun glas, kreeg ik een pintje aangeboden van de barman, door de andere jongens… Mijn eerste tussenpintje.  Hoe moest dat begrepen worden? Heel simpel, ‘ Het is ok dat je bij de ollanders blijft staan, wij begrijpen dat, maar we willen toch dat je meedeelt in ons plezier, en dus zal er van tijd tot tijd een tussenpintje jouw richting uitkomen.  Schoon concept! En in no time regende het tussenpintjes over en weer. Want mijn Nederlandse vrienden waren heus geen eikels, zagen de meerwaarde in, en naar het einde van de avond was de uitgestelde verbroedering een feit. Dat is de eerste invulling.

Een tweede variante ontstaat quasi automatisch, wanneer een nieuw lid zich bij het tooggezelschap voegt. Hij bestelt een rondje, maar heeft een zekere achterstand. Die achterstand, daar gaat het eigenlijk niet om, hij heeft gewoon dorst. Dus zijn eerste consumptie, die mogelijk samenvalt met de vijfde of de zesde van de andere, zal naar alle waarschijnlijkheid veel sneller leeg zijn. In zo’n geval zijn één tot twee tussenpintjes geoorloofd, om ‘in het ritme’ te geraken, en wat rust in de kop te krijgen.

In derde instantie is er het ‘overbruggings-tussenpintje’. In de meeste gevallen drinkt iedereen op min of meer hetzelfde tempo, en ook min of meer hetzelfde soort bier. Wanneer er echter Duvel fanaten in de groep zitten, dan vertraagt dat in enige mate het tempo.  In zo’n geval zijn de pintjes-drinkers gerechtigd om tussendoor een pintje bij te bestellen. Niet dat er regels zijn, maar dat voelt gewoon zo aan.

Idem dito bij structureel trage drinkers. Daar is niets mis mee, maar het kan vervelend zijn voor anderen. Ik heb een vriend die typisch zijn glas in twee, maxium drie, gulpen leegmaakt. Ja, hij was bierkoning aan’t unief, en ja hij is een uitermate succesvol zakenman, met een verfijnde neus voor literatuur en kunst. En neen, hij heeft geen drankprobleem.

Voor zo iemand is het vervelend om met een leeg glas rond te staan draaien. Ook hier is het tussenpintje mogelijk, maar dat krijgt een andere vorm. Meestal worden er dan ‘reservepintjes’ uitgedeeld. “Patron, smijt hier nog ne keer wat pinten op den toog, een stuk of vijf, we zullen onze plan wel trekken!”.  Het wordt een op het eerste zicht onduidelijk kluwen van bier, waarbij de regel wel blijft : wie een rondje moet betalen, betaalt, als zijn tijd gekomen is.  Wij houden niet van mensen die hun snor drukken. Wie tussendoor wat extra pinten wil bestellen, doet dat echter , maar houdt zelf de telling bij. Niet zelden krijg je op het einde van de avond dan afrekeningen in het genre ‘voor mij drie tourneekes en 10 pinten’. Zo hoort het, je belast er de groep niet mee. En de groep heeft er ook nooit een oordeel over. Het geeft ook niet dat er al eens een pint op overschot blijft staan. Dat gebeurt gewoon.

Er is maar één tussenpintje dat niet toegelaten is, dat is het stiekeme tussenpintje, het ‘pintje in den duik’. Onder echte vrienden wordt dat evengoed getolereerd, en zal niemand er een opmerking over maken, op het moment zelf, maar we weten allemaal…’ oei we moeten eens met hem praten, want er is kennelijk een probleem’.

Zo simpel zitten venten ineen.

Voor de rest is dit een volkomen overbodige bijdrage, maar gezien het enthousiasme en de herkenbaarheid over de vorige post, kon ik niets anders dan er even een blogje aan wijden.

De Muide leeft!

Café De Click

Kijk, mijn vrijdag is weer helemaal in orde. Een staaltje CaféCommunicatie, dat gaat er altijd in.

Om precies te zijn, het was niet echt in de Muide, waar ik het zag, ’t was de voormuide, een niet zo chique buurt van Gent.

En dan ineens, hel-oranje, fusion tussen Cécémel en Coca Cola reclame : Een café met een missie. “Wij geven  dorst geen kans”. En ze serveren Bockor pils.  Mooi, mooi en overtuigend. Sorry dat de foto niet geheel duidelijk is, het moest in de vlucht gebeuren.

Het logo aan de voorkant getuigt ook van enig grafisch genie, in een rode cirkel krijg je een remake van het Coca cola logo, maar dan met Café Click… Rood op oranje, hedendaagse fashionista’s zullen met mij beamen dat het gewaagd is maar dat het kan.

Of de toets helgroen Perrier daar kan aan toegevoegd worden is een ander paar mouwen, maar het geheel straalt een zeker  verzorgd ‘jenesaisquoi’ uit, dat ik wel kan pruimen.

En de banner, dat is nogal wat anders dan de vermelding ‘sfeercafé, of smultent’. Dit is een mission statement zoals mission statements moeten zijn. Kort en helder, en de hele organisatie kan er zich achter scharen, om het doel te realiseren. ‘Wij geven dorst geen kans’. En volgens mij nemen ze dat ter harte.  Mooi!

Ik ga er zeker eens een pintje drinken één van de dagen. Lezers uit de buurt die meewillen, let me know.