Als niet Antwerpenaar heb ik me jaren vrolijk gemaakt over moederdag in de rest van België, ergens in mei, en de Antwerpse moederdag, die eergisteren viel, op vijftien augustus.

Sterker nog. Ons mama was een sterke vrouw, die niet teveel gaf om de plichtplegingen van wat zij de commerce noemde. Je gaf bloemen als je daar zin in had, niet omdat de middenstand het nodig vond. Mijn vader bracht elk jaar meiklokjes mee naar huis, die hij aan een stalletje kocht in Brussel, bij de beurs, en ze lachte hem daar voor uit. Stiekem vond ze ’t wel lief natuurlijk.
De twee moederdagen waren een ideaal excuus om al eens iets te vergeten.’Maar neen, mama, je woont nu in Lier, dus moederdag wordt gevierd op 15 augustus!’ ‘Och mama, we gaan toch niet meedoen met die Antwerpse zever? we vieren moederdag in mei, zoals iedereen!’ soms vierden we twee keer moederdag, soms helemaal niet. Mama maalde er niet om. De mama van Karin, vond het als rasechte Antwerpse geen discussie. 4wij waren eerst en daarmee gedaan!’.
Ons mama, maalt om niets meer, helaas, denk ik dan, sinds we in april afscheid namen. En het gemis voel je dan op zo’n dagen sterker dan ooit tevoren. Dat is wat hypocriet, misschien, en een lesje in ‘meer geven om de mensen rond je, voor het te laat is’.
Er is geen mama meer om te dollen, er is alleen nog maar een herinnering aan mama. En het besef dat je misschien niet genoeg gedaan hebt om te tonen wat ze betekende.
We waren stoer toen ze stierf. Ze had een mooi leven gehad, enzovoort, enzovoort. Het was voor iedereen beter. etcetera, etcetera. En pas nu durf ik twijfelen, en spijt hebben. Wat heeft ze gedacht, die laatste weken, laatste dagen? Was ze bij bewustzijn en bij zinnen, miste ze ons, ook al hadden we het gevoel dat we er veel waren? Hoe eenzaam moet ze zich gevoeld hebben, die laatste uren, in weerwil van de berusting?
Dit was mijn afscheid, toen, en ik vind het veel te lang. Eigenlijk had ik alleen maar moeten zeggen dat ik haar mis. Dat kan ik nu wel, toen niet…
“Ons mama, Ze is er altijd rotsvast van overtuigd geweest dat Guido Gezelle mijn peetvader behoort te zijn. Mijn naam is er waarschijnlijk ook gekomen om altijd te blijven denken aan haar te jong gestorven broer. En ik zit er mee…
Je zou het haar niet aangeven, maar Oma was de felste feministe ever. Een gezin met een man en drie jongens, dan moet je je schrap zetten en dat deed ze. Alle Everaerts kunnen koken, strijken de was doen, het huishouden regelen als de beste. Niet omdat ze het ons leerde, maar omdat ze het zelf niet kon. Haar visie op koken was het tegenovergestelde van moleculair: smijt alles in een pan, kook het gaar en smijt er een mixer door (dit is haar recept voor spaghettisaus btw). Witte hemden werden roze, en wollen truien veranderden in Barbie kleren, en dus namen we haar dat graag uit handen.
Verhuizen deed ze wel graag! Na school thuiskomen was moeilijker dan gedacht omdat ze regelmatig de kasten een andere plaats gaf, en soms leidde dat tot een huis dat meer weghad van een opslagplaats dan een thuis. Breien deed ze ook erg graag. Maar alleen de mouwen van de truien voor haar jongens en mannen. De voor- en achterstukken daar kwam ze nooit aan toe, want wij waren te groot en dat duurde te lang. Ze kocht ook altijd nieuwe wol en breipriemen. Wie ze hebben wil kan zelf een winkel beginnen.
Legendarisch zijn ook haar vele commerciële plannen geweest. Avon, Tupperware, De Bond zonder Naam, De Streekkrant, Technocrome… En steevast was zijzelf de grootste klant, tot wanhoop van onze pa, die ook met de handen in het haar zat, over haar postorder en ECI/boekenclub discipline. Weer een maand opgezadeld met het kroonboek! “Wilde vruchten als dessert” van Konsalik, het staat op ons netvlies gebrand.
Oma’s rijkunsten waren legendarisch. Ze reed bij voorkeur op wegen die even breed als lang waren, en als er iets gebeurde was dat steevast de fout van de anderen. Menigmaal foeterde ze politie uit, met de vraag of die niets beter te doen had dan haar te bekeuren. Maar ze deed het toch maar! Soms overdreven enthousiast, zoals die keer dat ze niet heel goed geluisterd had, en in plaats van naar Oostende te rijden, zat ze plots in Brussel, tot onze ontzetting.
Oma had een groot hart, ze hielp waar ze kon. En het was altijd gemeend. We gaven onderdak aan Parijse kindjes uit de banlieu (Habib, Fouad…), ze zou haar hebben en houden weggeven om iemand anders een plezier te doen en soms ging ze ook regelrecht op de barricades staan. Er passeerde een petitie om de frituuruitbater Nou Nou, haar buurman, te verbieden om nieuwe dampkappen te installeren, omdat dat voor nachtelijke overlast zou zorgen en ze stuurde prompt de hele petitie terug met in haar mooie handschrift: “Wie “s nachts niet kan slapen heeft overdag niet genoeg gewerkt!”
Ik sluit af met wat verwondering, verwondering omdat er mensen aanwezig zijn. Dat is niet te danken aan oma’s beruchte adressenboekje, want om daar iets in terug te vinden, dat was helemaal het einde… Nonkel Hugo stond er onder ‘Onzen Hugo’, bij de O dus, Tante Ludwine stond onder de f van Tante Fietje, een koosnaam.
Ons mama was uniek en een vat vol eindeloze verhalen… Eindeloos is het woord.
Alle mama’s zijn uniek en blijven dat.