Jeugdsentiment : Piedboeuf

Een foto, ineens terug gevonden, tussen papieren en oud spul.
Ik zie me nog dat trapje van de winkel aflopen. Jan was er bij –  mijn oudere broer –  en het buurjongentje, wiens naam ik al lang niet meer ken. Zijn papa leverde fruit bij ons op school. Met een vrachtwagen. Daardoor alleen al kreeg hij mytische proporties. Jacques, of Roger, denk ik. Onze ouders zagen elkaar tijdens de weekends, en ik vond die van hen beduidend interessanter omdat ze een vrachtwagen hadden met hun naam op geschilderd. Enkel de brandweer was beter…
Maar daarover gaat het niet, het gaat over dat paneeltje, voor op de pui van onze winkel. Piedboeuf…

Piedboeuf. Ik heb altijd gefantaseerd over dat merk – of liever, het was een verhaaltje, geen merk, wij dachten niet in merken. Onze merken waren simpel en lagen erg dicht bij wat we beleefden… Bic, Kodak, Saroma, Jacky. Dingen van alle dag.

Piedboeuf. Een tafelbier.  De gruwelijk schelmse tekening. Het moeilijke woord..voor jongetjes die net konden lezen toch. Wat het niet allemaal oproept. Fris gewassen pyamajongens,gladgekamde zijstrepen, bij oma aan de stoof.

Piedboeuf. Pietje De Boef, we bleven er over fantaseren,mijn broer en ik. Nooit tevreden met de interpretaties, altijd blijven denken over wie dat bier nu eigenlijk maakte, en alle ongrijpbare beelden die dat met zich bracht.
Piedboeuf. Westvlaamse Madeleines. Eierkoeken met echte boter,  etend op ‘den toile ciré’ bij Mémé. Vliegen tellen die nog spartelend tegen de Vapona vliegenvanger klitten. De geur van zeep op steen, de pompsteen –  want er kwam nog echt water uit de pomp –  waar mémé ons ’s morgens rozig rood schrobde. Om zes uur ’s ochtends was het huis proper, om zeven uur werd het eerste kleinkind aan de pompsteen gewassen, afgeschuurd, geschrobd, om nadien boterhammen met groseilleconfituur te eten. En melk met een scheut koffie. Ze sneed brood tussen haar massieve borsten. De schellen waren allemaal even dun. Het ontzag van de kleinkinderen groeide per snede. Mémé had lang zwart haar, dat tijdens het ontbijt in een strenge wrong rond haar kop gedraaid werd. Voor ze bij haar dochters ging kuisen, met de fiets. Heel Pittem trok ze door… De vrouw van ‘ne zwarten’, maar daar trok ze zich niets van aan. Trots, lijfsbehoud en devotie. De vrouw was daar uit opgetrokken.

Piedboeuf. Donker, zoet tafelbier. In limonadeglazen, voor de kindjes. Terwijl nonkels met luide stemmen bralden en lachten. Altijd was er eten, altijd was er volk. Wij kregen schellekes salami en kaantjesvlees met gebakken patatjes. De nonkels kregen echt vlees… Rode oortjes, omdat we wat langer mochten opblijven en voelden dat de gesprekken tussen de ‘groote mensen’ over dingen gingen die ons niet aanbelangden.
Het zalig gevoel van doodmoe tussen gesteven, gestreken lakens, ondergestopt te worden door een strenge oma, nachtemmer binnen bereik. Nog even fluisteren over de voorbije dag, maar niet te lang, want we hadden schrik van pépé.
Pépé was waarschijnlijk de braafste mens die ooit op aarde rond liep, maar dat wisten wij niet. We probeerden enkel om mee te mogen. In de duiventil, in het konijnenhok, vanachter op de fiets. Naar het café, met ‘de constateur’ tussen ons in. Dat magische instrument, waar het bandje, het ringetje van de duif in zat. ik stelde me dat zo voor… en alle gruwels om dat ding van een beest af te krijgen.

Piedboeuf,de afkoopsom van Pépé, mijn grootvader. Hij wou uitzonderlijk ook een keer aanwezig zijn als één van de kinderen thuiskwam op zondag, maar de duiven toch moesten vallen.Ik was zijn petekind.  Ik kreeg  zijn stofjas en alpinopet op en mocht op het krukje in de tuin kijken tot de duiven vielen. Saai, maar een vertrouwenspost, en ik bleef op het krukje zitten.Na drie uur intens turen, begon ik te spelen, en verloor de duiven uit het oog. Pépé vloekte, maar besefte ook dat het eigenlijk zijn fout was, niet de onze. De bolwassing werd weggespoeld met een glaasje Piedboeuf. alles was vergeten, de grote prijs zou  volgende keer wel vallen. “Quimper, alle duiven  gelost”.

Piedboeuf. Ik ben 5, we wonen in Brussel. Een snoep/drank/sigarettenwinkel van mijn mama, met een speelgoedkraam. Een tijd van hoop en plezier voor mijn ouders, niet veel later bruut overschaduwd door grootstadsgeweld, waardoor niets meer hetzelfde werd. Zijzelf ook niet.
Snoep, drank, sigaretten. Een genotswinkel, verboden vrucht,  voor iedereen wat wils. Ook voor ons, Jan en ik. Bounties en Mars, daar ging het niet om. Het duurste artikel van het speelgoedrekje, een blikken fluitje van 5 frank. Jan en ik gingen het stelen, ’s ochtends vroeg, en werden betrapt. Geen Piedboeuf, minstens een week.

Piedboeuf. Het reclamebord, ontelbare keren met kindervingers beroerd, nu ineens heftig en levendig aanwezig. De onschuld van altijd mooie zomers en spelen in het Josafath park is weg. Niemand stond er ooit bij stil dat het maar voor even was, en vanaf later bittere ernst.

Piedboeuf. Nooit beseft dat een oud merk zoveel in zich kon dragen. Proust had het niet scherper kunnen stellen Proost!