Mannen, Jagers? Ik weet het niet.

Ik zit op café. Altijd inspiratie. Alleen deze keer lukt het niet om te schrijven. Er is teveel lawaai. Zou er een verband bestaan tussen dronken en doof? Of is het een reflex, dat zatte mannen, naarmate het spraakvermogen afneemt en wat slepender wordt, luider spreken om toch maar hun waardevol gedachtengoed over te brengen op hun toehoorders?

Het gezelschap naast me. Vier mannen, drie vrouwen. De opluchting van de beginnende vakantieperiode, de zinnenprikkeling van de eerste zonnestralen. Bronstijd. Dat zie je. De jagers hebben hun prooi bijeengedreven. Zo denken ze. Één van hen zal bakzeil halen vanavond en de golden handshake letterlijk krijgen. Alhoewel, t zien er schoolfrikken uit. Mannen met korte hemdsmouwen, ik kan er niet aan doen, het werkt niet bij mij, en ik verzin er meteen triestige hierarchie bij.

Maar jagers dus. Op zoek naar wat ontucht, of wat flirterige egobevestiging. Het maakt niet uit, het gedrag is hetzelfde. Het is overigens zo dat in de prehistorie, of in tribale omgevingen, waar mannen jagers zijn, 90% van het voedsel door vrouwen voorzien werd. De mannen hadden wel mammoets gezien, dat wil niet zeggen dat ze er ook altijd één mee naar huis hadden. ‘Zijn er nog verse bessen in huis, schat? We hebben mooie verhalen te vertellen, den John en ik hadden bijna ne geweldige sabeltand tijger geschoten. Morgen gaan we terug, want we weten hem zitten… En is er nog wat pap, of maiswijn?’ Die stijl!

Ik heb vroeger al gezegd dat mannen die denken dat ze jagers zijn, er eigenlijk niets van begrepen hebben. Maar toch belet me dat niet om een typologie van de jagers te maken aan de hand van wat ik hier aan de toog zie gebeuren. De voornaamste types zijn vertegenwoordigd: de sluipschutter, de braller, de valsen tragen.

De braller is het eenvoudigst te herkennen. Luid, vindt zichzelf fantastisch, is er vast van overtuigd dat iedereen hem geweldig grappig vindt en deinst er niet voor terug om zijn drinkebroers bij tijd en wijle te kakken te zetten. Goede luim, weet je wel, daar moeten ze tegen kunnen!

Hij heeft een simpele verleidingstechniek. Bewondering. Entertainment. Rechtlijnig, éénvoudig, doortastend en brutaal. Hij speelt ook op uithouding, de halve fond. Die anderen zullen wel ontmoedigd worden en hij raapt de brokken op. Doorheen de ‘grappige’ anekdotes weet je alles over hem, en vooral, en veel belangrijker, alles over de materiële welstand. ‘ik herinner mij, in New York…. En ik stap in mijnen Audi, ik heb nen A6… Maar ja, dat gerief om uw zwembad te onderhouden… Pftttt, allez, ik hoop dat ze er haar plezier mee heeft, want na mijn scheiding…. Alles weet je.

Hij moduleert ook, in functie van de prooi, er kan al eens wat cultuur tussen zitten, van het opvallende soort. Hij kan Calatrava aan een discipline, plaats en stijl koppelen, hij kent het grote blufboek, of minstens de methodes die Paul Jacobs, de radiomaker die dat hoogst vermakelijke boekje maakte, ooit bijeen schreef.

Als hij aan het kortste eind trekt is dat niet erg, zijn buit zijn ook de verhalen , al dan niet aangedikt, wie onthoudt dat immers? Het kan hem ook absoluut niet schelen met wie hij op het einde van de avond overblijft. Het gaat immers niet over haar, maar over hem.

De sluipschutter, de grondwerker dat is een ander paar mouwen. Dat is de man die van bij aanvang zorgt voor een goede uitgangspositie. Die heeft al nagedacht, kansen ingeschat en weet dat hij niet over zoveel troeven beschikt. Een schot, do or die.

Hij heeft zijn kansen afgewogen, het gezelschap geëvalueerd. Die ene, dat muurbloempje, die zal het zijn. En de rest is verkoop. En techniek dus.  Openingsvragen, open.  Behoeftebepaling, inzoomen, focussen.

Het wild isoleren, afschermen van de kudde, het intimistische, belangstellende gesprek. De bezwaren aftasten, niet weerleggen, nadenken, concentreren. De zuivere lijn zoeken, qua schootsveld. Hardnekkig, vasthoudend, intens… Ook al ziet het er niet altijd zo uit. Mannen ook met een bijzonder zwaar noodlot. Ze kunnen nooit gaan pissen op café, want dan verbreekt  hun toch al vrij ijle  spanningsboog. Denk aan de jachthut, eens het wild in’t vizier ga je ook niet rap nog even schijten.

Hij bewandelt een dunne lijn, voor je’t weet zeurt hij, dan zoekt de vrouw naar ontspanning, daarvoor was ze hier in de eerste plaats al. En interesse is leuk, maar een hele avond met de zelfde.. Neen, de sluipschutter gebruikt een erg moeilijke techniek. alleen de allergrootsten komen er mee weg.

En dan de derde,  de valsen tragen. Hij doet alsof het hem niet interesseert, doet niet mee met het haantjesgedrag van de braller en is sociaal. Hij babbelt met iedereen, is niet te beroerd om tegelijk ook met de barman wat te keuvelen. De ideale aangever ook voor de braller, die iedere keer de punchline pikt. En vervolgens trots is op zichzelf.

De andere laat het gebeuren.  Tot de braller steekjes laat vallen, allicht ook door de drank. Dan verandert er iets en zie je hoe hij een subtiel spel opzet, lichaamstaal ook, zacht meedeinend op de uitingen van de dames.

Alert voor alle kleine uitingen van afkeuring en ze stante pede uitvergrotend. De mensen vinden hem zacht, beschaafd, een gevoelsmens… Langzaam maar zeker wint hij terrein op de braller, hij pikt al eens een grapje in, hij doet al eens een grap van de ander mislukken. En dan komt het dodelijke wapen boven, kleine, gefluisterde opmerkingen in het oor van de vrouw naast hem. Onweerstaanbaar, ze lacht, hij palmt in, meter na meter wordt de lijn binnengehaald, zonder ogenschijnlijke inspanning. Bewust controlerend, en passant de sluipschutter ook even dwarsbomend. De valse trage wil immers niet alleen een vrouw voor de nacht, hij wil bemind worden door alle vrouwen…

Den ouwe ging eens naar een techno feestje : Fuse Replay

Een bekend Duits charmezanger zei ooit ‘Waarover men niets weet daarover moet men zwijgen!’. Hij had allicht gelijk. Ik zou dus beter mijn mond houden. Maar ’t is te sterk… omdat ik er niets van begreep, en dus mijn toevlucht zoek tot vergelijkingen en modellen die ik wel ken. Om het te begrijpen.

Vorige week naar Fuse replay geweest. Een soort revival van de welhaast mytische feestjes in de Fuse, onder de bezieling toen, en nu nog steeds van de ongekroonde koning van de techno in vlaanderen, Peter Decuypere. Ik mag de man ‘mijn vriend’ noemen. Het contact is tot stand gekomen over filosofie, wijn en politiek. Wist ik veel wie hij was en wat hij allemaal gerealiseerd heeft voor de technomeute hier te lande. Een ‘scene’ die eerlijk gezegd ook nooit de mijne geweest is.

Ik ben een muzikale barbaar die bekend staat om legendarische vergissingen, in ongeveer alle genres. Maar als ik het mooi vind dan kan het genre mij niet echt veel schelen. Meestal ontdek ik goede muziek ook pas jaren na de trend. Ik denk dat Massive Attack al gesplit was toen ik de eerste CD kocht. Ook Daft Punk heb ik eerder toevallig gezien, op Pukkelpop notabene, waar ik eigenlijk voor iets anders kwam (droge kousen brengen aan mijn zoon, uit bezorgdheid) Zo pik ik wel eens wat mee.

En Peter vind ik interessant en geestig, zonder dat ene facet echt te kennen. Maar de man startte een tijd geleden Fuse replay en nog zo wat toestanden op, en dus bevond ik me timewarp-gewijs terug in de clubs die ik vroeger ook wel eens bezocht.

Alwaar ik Peter als een ware volksmenner een toch wel redelijk indrukwekkende menigte zag opzwepen tot… ja tot wat? Tot dansen, of huppelpasjes maken, allemaal met het gezicht naar het podium, waar ene Jeff Mills (onthoud die naam, maar u kent hem allicht al) zijn opwachting maakte. Het paste, het klopte, het was juist. Ik was het anachronisme, hij niet (Peter dus). Integendeel. En ik probeerde maar te begrijpen waar de fun zat, en wat ik miste.

Er is ontzettend veel over te zeggen en te vertellen. Techno party of niet, het is eigenlijk net hetzelfde als een chirofuif. Bij het binnenkomen zie je jongens aan de bar, die veilige haven voor de dans-analfabeten. Moed indrinkend voor voor ze de arena betreden om met hun moves iemand te bekoren. Zo was het toen ik jong was, zo is het nu nog steeds. Alleen gaat het er hier een ietsje sneller aan toe. De jongens die binnenkomen hebben er stuk voor stuk zin in. Dat sommigen daarbij al redelijk strak staan van de geestesverruimende substanties doet niet echt ter zake.

En de meisjes, vrouwen, bitchas… Zo schoon. Altijd weer moet ik aan Stijn Meuris denken. Het is weer druk in Leuven. Meisjes die op de jaagweide gaan staan, meisjes die willen dansen en zich amuseren, meisjes die willen behagen. Het is en blijft fascinerend.

“de meisjes, jongens, ze keuren
de borsten bol en de vuisten gebald”

En daartussen stond ik. Boer in mijn eigen geboortestad wegens het totaal niet begrijpen van de codes. Niet de dresscode, niet de danscode, zelfs niet de drankcode (ik dronk een pintje uit een glas, omdat ik dat nog steeds het meest fris en het lekkerste vind). Ik begreep niets eigenlijk. Ik kende er ook nog wel wat mensen, die stuk voor stuk wel erg enthousiast waren, vooral ook om het ‘revival’ aspect (dat is wat oneerbiedig, want het had niets met een retro-ding te maken).

Op een bepaald moment zag een vriend de ontreddering in mijn ogen en hij lachte me toe ‘ Hebben ze dat liedje al eens niet gespeeld?’. En ik keek hem schaapachtig aan. Wist ik veel? Achteraf bekeken een erg leuk grapje.

In de rokersruimte boven ging het iets beter, daar speelden ze ‘acid’,… of zo. Pak mij niet op de termen, voor ’t zelfde geld was het iets anders. Daar kon ik me wel wat in vinden, tenminste, ik stelde me voor dat je daar wel op kon dansen, lang zelfs, eens je in de mood kwam. Al bleef ik één ding ontberen, want geloof me, ik ben er lang gebleven en ik heb me steeds weer opnieuw proberen op te peppen om het leuk te vinden, om te snappen wat ik miste.

Mij ontbrak de fun. Het zich in vraag stellen. Het met elkaar lachen en dansen en plezier maken. Het was opzwepend. Het zat barstensvol energie, maar ik kon me niet van de idee ontdoen dat iedereen vooral met zichzelf bezig was. Maar misschien hoort dat bij het genre.

Ja, oud worden, het is niet altijd even makkelijk.