Fijne mensen

Ik heb het niet voor Bongo-bons. Ik vind dat niet echt geïnspireerd. Toch zijn er onlangs een paar mensen in geslaagd mij er mee te ontroeren. Ik ga er niet flauw over doen.  Het zijn gewoon fijne mensen, zonder veel kapsones.
Wat volgt is een verhaal(tje) over een agentschap zonder pretentie en met hart en verstand op de juiste plaats.

Een paar jaar geleden kreeg ik een lead binnen voor een job waar ons toenmalige bureau niet echt voor uitgerust was. Op aanraden van een vriend en vastbesloten om die klant/lead niet in de steek te laten trok ik met de hele handel naar Vilvoorde, waar een zootje ongeregeld, en kennelijk ook ongeïnteresseerd het hele zaakje aanhoorden. The Parking Lot.  Ze stelden geen vragen, mummelden wat onder elkaar en ik perste een datum uit hun monden, over het wanneer we elkaar zouden ontmoeten. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me weinig illusies maakte. Het was alsof ze er geen zin in hadden, en tegelijkertijd waren ze vrolijk, maakten grappen en grollen. We zouden wel zien.

Een week later werd ik vergast op een professionele en leuke presentatie, zonder poeha, zonder veel gezever over ‘wat hebben wij onthouden van de briefing, wat wil de klant misschien, hoe zien wij de opdracht…’ Niks geen gewauwel, gewoon tien slides met op elk van hen  een sterke, juiste idee. 10 verschillende ideeën ook, geen doorslagjes van elkaar,  die met een paar woorden aan de man gebracht werden.
Onwaarschijnlijk plezant, en juist.

Die presentatie werd vervolgens aan de klant doorgestuurd, die het vakkundig de nek liet omdraaien, eerst door zijn bazen in Nederland, nadien door de bazen van de bazen in Zweden. Er was uiteindelijk geen geld voor. Erg jammer!
De ideeën stonden als een huis, en de jongens van The Parking Lot hebben er ons nooit geld voor gevraagd, wegens ‘fair play’, wij hadden immers ook niets verdiend, en iedereen had het moeilijk. Ik was daar erg blij om, al heb ik dat misschien niet laten merken, toen.

X aantal jaren later, kom ik een oude bekende van me tegen, die tussen neus en lippen fluistert dat ze op zoek is naar een bureau. Ik pols, denk en oordeel, en stel ze voor, jawel aan The Parking Lot, maar ook nog aan twee andere. Ik doe niet aan vriendjes politiek, ik probeer een keuze te maken waar mijn professionalisme niet onder lijdt.

Time goes by, and all of a sudden vind ik in mijn brievenbus een Bongobon, met de korte vermelding:  “pitch gewonnen, dank je, Evan.”

Het mooie is, dat er inderdaad niets afgesproken was. Ik doe dat soort zaken – mensen met elkaar in contact brengen, waarvan ik denk dat ze iets met elkaar kunnen doen –  regelmatig, waarom ook niet.
Het aantal bedankingen dat je daarvoor terug krijgt, of  het aantal blijken van appreciatie is 0,0001.  Als er dan iemand geheel uit zichzelf, en op de juiste manier zoiets opstuurt, tja dan ben ik blij, en dan weet ik dat dat fijne mensen zijn.  Een aanradertje dus!

Ik ben een vendelzwaaiende volksdanser…

…geweest! Ik ben bij de blauwvoetvendels en het VNJ geweest. Ik heb er zelfs leiding gegeven tot ik 18 was. Mijn opa was een collaborateur – ne zwarten zoals ze dat zegden – en mijn vader is een papenvreter die eigenhandig VU afdelingen heeft opgezet en geleid. Een man die in Brussel menig akkefietje had met het FDF, in verhitte kiescampagnes. Ik heb alle betogingen voor amnestie meegemaakt, als kind. Ik heb in Schaarbeek, Voeren en Komen betoogd. Ik ken elke hoek van de IJzervlakte, en heb klaroenen laten weergalmen op het middenplein van het sportpaleis. Broederband wakes, St Joriskring, zelfs Protea was mij niet vreemd, in naam van de grote volksverbondenheid. 11 juli vieringen waren een feest en bij verkiezingen veranderde ons huis steevast in een geel/zwart bastion, zeer tot ergernis van mijn broer en mijzelf. Het was ook de tijd van de autocaravanen, prachtig gewoon.  Tot daar mijn onvervalst pedigree qua vlaamsnationalisme. Ik wil er ook nog aan toe voegen dat ik wellicht in die periode ook menig ‘Vlaams -Belang-Neleke’ een tong gedraaid heb, maar dat is verder niet relevant.

Hé, hé, dat lucht op! Het zal u wellicht interesseren dat ik dit alles afgezworen heb toen ik naar ’t unief vertrok en verder een uitermate losbandig leven heb geleid, met het hart op de juiste plaats (dit even ter geruststelling van mensen die nu heel erg geschrokken, een slokje water moeten drinken, ga uw gang).

En ik laat dus een baard staan.Openlijk, omdat ik wil laten zien dat ik het zat ben. En ik wil dat wel even uitleggen ook.

Mijn ouders, alhoewel beiden erg flamingant, spraken uitstekend Frans. Als ze op vakantie gingen in de Ardennen, spraken ze Frans, en genoten ze van de streek en de mensen. Als ze in Vlaanderen in contact kwamen met Franstaligen spraken ze Frans, omdat dat de beste manier was om vooruit te komen en elkaar te helpen. In Brussel wilde mijn papa nogal eens principieel doen, maar als hij zag dat er goede wil was, of dat hij met iemand van een Berber-volk te maken had, dan begreep hij ook dat hij het onmogelijke niet kon eisen. Mijn ouders zijn tolerante mensen, die opperbeste relaties hadden met Franstaligen, Marokkanen en Turken uit hun buurt. Ze woonden immers in Brussel, ze hadden geen schrik van die stad. Ze kwamen op voor een soort van volksnationalisme dat gericht was op het laten respecteren van hun rechten in een Belgische context. Ja er werd al eens gescandeerd van ‘België Barst, Belgikske, nikske’, maar dat was relatief onschuldig. Ik ben Brusselaar, en ik heb in de rand gewoond, Overijse, ik beheers mijn landstalen en ik heb ze altijd als een middel, een soort vanzelfsprekend instrument tot communicatie gezien. Verworven rechten allicht!

Het hoogtepunt van elke verkiezing, en we keken daar echt naar uit, was het moment waarop de kiesuitslagen binnenkwamen. Mijn pa, broer en ik bleven aan het beeld gekluisterd, en geen kiesdistrict zo klein of het werd van commentaar, hoon of jolijt voorzien. Het was de tijd van professor Picard, een soort Dartagnan van de statistiek.

De discussies  op TV werden hoofs en scherp gevoerd, en de onderhandelingen zouden, net als nu, lang en moeilijk zijn. Het waren wel onderhandelingen! Met mensen die elkaar begrepen, die begrip konden opbrengen voor de gevoeligheden van elke taalgroep. Daar kwamen fijne compromissen uit (ja, ik vind dat een mooi woord, en niet oneervol). Cools, Schiltz, Spaak. Dat verstond elkaar. Er was de retoriek voor achterban en kranten, en er was het besef van staatsmanschap, verantwoordelijkheid en moral/civic duty. Het werd niet minder hard gespeeld, en bij momenten zelfs een stuk intelligenter.

Nu zie ik egoistische scherpslijpers, die gaan uithuilen bij de pers, die manipuleren, en aan hun kleine toekomst denken. Die bovendien ook de verkeerde gevechten voeren. Het gaat al lang niet meer om Vlaams in Brussel, het ‘vlaamsche volk’ heeft de economische hefbomen in handen, is welvarend en begint nu wel heel erg bekrompen te worden.

Ze willen Brussel, maar laten er zich liefst niet te veel zien, tenzij dan voor één of andere high brow culturele manifestatie.  Dat zijn verkeerde, kleine, bekrompen signalen. Werk vanuit zelfbewustzijn.

‘Koloniseer’ desnoods met je nijver, je werklust en je kapitaal stukken van Wallonië, er is daar grond en arbeidskracht genoeg, maar voer geen territorium oorlog voor een immer kleiner stukje welvaart.

Solidariteit is geen hol begrip, ik ben er niet altijd van overtuigd dat alles wat we zelf doen dat we dat beter doen. Ik gruwel van de enge visie op cultuur zoals een Geert Bourgeois die neerzet, ik houd niet van de navelstaarderij van sommige Vlamingen. Ik heb niks met België, tenzij dan misschien dat ik het een prettig  en mooi-absurd artefact binnen Europa vind. Ik zou niks liever hebben dan een los verband van stammen in een Europese context, en hoe minder staat, hoe liever het mij is.  Maar wat hier gebeurt, het polariseren van twee bevolkingsgroepen, met alsmaar sterker wordende frustraties en het op de spits doen lopen van gevoeligheden en problematieken, daar walg ik van. Ik  zie er ook geen oplossing in.

En zoals steeds, twee vechten, twee schuld. het is niet omdat de Franstaligen als één blok naar voor komen dat het beter is.

Heb ik een oplossing? Neen, niet echt, zeker politiek niet. Machtsblokken zijn wat ze zijn, en in een democratie moeten zij ‘ons’ dan maar vertegenwoordigen. Maar ik vind dus wel dat er mag gereageerd, betoogd en geroepen worden tegen de absurditeit van x honderd dagen geknoei over dossiers die in de retoriek van sommigen wat politieke moed vergen. Misschien moeten we  elkaar adopteren, elke Vlaming één Waal en omgekeerd, en twee keer per jaar een feestje bouwen onder elkaar, om tot meer begrip te komen.  En een klein, nationaal/federaal kieskringetje zou dan misschien wel meer impact hebben… Misschien moeten we wat meer in Wallonië rondrijden en vakantie vieren. Het zijn warme, lieve mensen, met een relativerende blik en echt wel wat meer werklust dan de Vlaming uit Rumbeke soms vermoedt…

Ik steun dus het protest, ten dele omdat het wat absurd is, maar ook omdat ik het tijd vind voor een signaal. En dat dat in een sfeer gebeurt van ‘mensen’ die hun talen kennen, en met een monkelende glimlach al eens een keer naar hun Waalse epigonen knipogen, dat is fijn. Daarom heb ik nu even een baard, en kampeer ik virtueel en zal ik wellicht mijn neus ook even laten zien zondag.

Suggestie van vriendschap?

Ik beloof het, ik zal het kort houden. ‘T is voor iedereen zaterdagavond.  Maar het moet er even uit.
Vandaag al de tweede keer dat het mij overkomt. Van toffe jongens nog wel, maar wel geen jongens waar ik het afgelopen jaar, of zelfs de afgelopen twee jaar een pint mee gedronken heb, of enige andere sociale activiteit heb ondernomen.  Vandaag  suggereerden ze mij een vriend, op facebook! Moest dat nu nog een echte kennis zijn, dan zou ik dat leuk vinden, maar een organisatie? Hun organisatie? En dan nog op anonieme manier, zonder tekst en/of uitleg. Ik dacht het niet!

Ik heb veel zogezegde vriendjes op Facebook. Ik heb er een paar echte, en dan een massa, waar ik verjaardagswensen van krijg, en terug geef, en waar de interactie nul de botten is. Ik heb daar vrede mee, actief, passief, u weet hoe het gaat.Zij vermoedelijk ook. Het zou zelfs kunnen dat er bij die tweede soort familieleden zitten, dat is allemaal niet erg.

Maar als we het over suggereren van vriendschapsconnecties hebben, dan moeten we het helaas weer over netwerken hebben. Geef en u zal gegeven worden.

Wie in een heel jaar geen stom woord tegen mij te zeggen heeft; niet op facebook, niet op twitter, niet op linkedin, of op quora, laat staan in real life, die zou toch vanzelf moeten weten dat er iets niet klopt als hij/zij begint te communiceren met één of ander nauwelijks verhuld commercieel of sociaal-media-strategisch belang in het achterhoofd.Wat gaa nwe doen? passieve zieltjes winnen? Kijk eens met hoeveel apathen we al zijn, zeg! Wat een succes!

Het overkomt mij regelmatig dat ik kennissen of vrienden attendeer op het feit dat deze of gene ook op het netwerk zit. Nooit of te nimmer, heb ik al eens een keer een organisatie platweg, massaal naar de hele zwik gepushed. De gemakkelijkheidsoplossing zeg maar.

Moest men mij vragen om het te doen, dan zou ik het inkleden, uitleggen en er een verhaaltje aan vast knopen, waar ik iets aan heb, of tenminste de mensen die ik daar mee lastig val. Vertel mij waarom ik vriend moet worden van een ‘platform’, of van een DM-bureau, godbetert, als er nu één is die beter zouden moeten weten, dan wel zij!. Ja, jij, ja, die dit nu leest, neem het me niet kwalijk, ik blijf u graag zien, maar ik vond het geen goede move.

Allez, bon, ’t is weekend, dus ik ga het hier bij laten, maar gaan we daar in het vervolg iets oordeelkundiger mee omspringen? Vertel mij waarom en ik doe het misschien, behandel mij als sociaal melkvee en je krijgt een dikke middenvinger. Bij deze!

Twit-Insomnia

Vrees niet, ik ga er geen wetenschappelijke verhandeling over maken. Ik heb er zelfs geen mening over. Het valt mij wel op dat velen ‘van de sociale media’ er over zeuren. Dat snap ik dan weer niet.  Tenminste ik snap niet dat ze er over zeuren, wel dat ze’t via de sociale media doen, smartphone bij de hand, weet je wel.

Je ziet dat op Twitter. De bravere klagen zo rond een uur of twee dat ze niet in slaap geraken. En de moeilijkere gevallen beginnen zo rond half zes te constateren dat ze wakker zijn. Ze melden dat aan de wereld zoals we dat tenslotte allemaal massaal beginnen doen, als we koorts hebben, of last van ongebonden stoelgang, etc… het hoort er gewoon bij.  Wat ze nadien doen is onbekend. Terug in slaap vallen, iets leuk doen, of hun dag aanvatten.

Ik vind zes uur een mooi uur om op te staan. Niet altijd. Als ik naast mijn lief lig, lijkt me dat een ideaal moment om de liefde te bedrijven, of minstens gezellig te knoerftelen in elkaars lichaamskronkels (ik laat jullie eigen verbeelding hier invulling van geven).

Maar als dat niet het geval is, dan sta ik met plezier op. Genieten van een stil huis, de eerste kop koffie, flardje muziek als ik er aan denk,  en twee honden die, raar maar waar, altijd enthousiast klaar staan om te begroeten en met hun oren flapperend te kennen geven dat een wandeling best leuk zou zijn.  Behalve als het regent.

Op een fijne wijze denk ik het helderst in de ochtend. Ik hoor u zeggen, dat dat inderdaad zichtbaar is aan de rest van mijn denkproces tijdens de dag, en leg die smalende opmerking even naast me neer. Ja, u bent gevat en geestig. We gingen het over insomnia hebben.

Ik vind 2u ook niet zo’n abnormaal laat uur om te slapen, je hebt het idee dat je de avond helemaal gepakt hebt, en zelfs een stukje van de nacht hebt kunnen snoepen vooraleer de sponde op te zoeken. Gulzig leven, het is me wel toevertrouwd.

Wat bedoel ik dan eigenlijk met insomnia? Voor mij is het het onderbreken van de slaap op een minder gewenst moment, gekoppeld aan het onvermogen om opnieuw in slaap te geraken.  Als je alleen leeft heb je minder last van de sociale druk, het zal mijn beesten bijvoorbeeld worst wezen of ik om drie uur ’s nachts terug mijn nest uit kruip en keihard Rammstein speel om mij af te reageren, zij zijn blij. Als ik in Zoersel de sponde deel, ben ik daar iets omzichtiger in.  Meestal beperkt het zich dan tot nachtlamp en boek in bed.  Het gaat er hem dus vooral over wat je ermee aanvangt als je in bed blijft liggen. Naast erover twitteren.

Waar ik het eigenlijk wil over hebben is attitude. Ik merk dat mensen zich ergeren aan het fenomeen, zuchtend vast stellen dat ze niet kunnen slapen, daar getuigenis over afleggen, en er waarschijnlijk diep ongelukkig over worden. Zo zonde. Embrace your enemy…

Hoe gaat het bij mij? Op een doordeweekse avond ga ik slapen wanneer ik daar zin in heb, meestal na avondwandeling en douche, kwestie van wat proper te zijn.  Een boek kan daarna nog, regeltjes zijn er eigenlijk niet.

Morpheus komt, en neemt me mee. Tot daar spreken we van een proces volgens de boekjes. En vanaf dan kan er van alles gebeuren… Maar meestal gebeurt er altijd hetzelfde, na 3 u, 4 u, besef ik dat ik mijn ogen open heb.

Soms word ik wakker in een poel van zweet, wat erg onaangenaam is, maar anderzijds ook wel wat voldoening geeft, zo van: ‘Hard en snel geslapen!  goed zo, mijn jongen!’. U merkt, ik ben een optimist hè, en een sportman in hard en nieren, alles is competitie.

Meestal is het een erg factueel gegeven:’Voila, dat was het voor vannacht’. Zonder frustratie, nogal sereen eigenlijk.
In het begin strubbelde  ik nog een beetje tegen, probeerde ik er tegen te vechten. Zoals met zoveel dingen helpt dat niet.  Ik heb ook geen aanvechting meer om het bed te verlaten. Ik word ook niet lastig van het eventuele slapen van mijn lief, integendeel, het is een rustgevend geluid, zo’n gelijkmatige ademhaling.

En inderdaad, ik neem een iphone om te kijken hoe laat het is, en meestal glijd ik dan even door naar tweetdeck, om vast te stellen dat de tijdslijn zich in de US of A aan het ontwikkelen is, en dat die mensen niet echt zitten te wachten op nederlandse tweets.

Hier en daar ontwaar je al eens een gelijkgestemde of een laat feestbeest, en dan is het wel aangenaam om even over en weer te flitsen met wat berichtjes.
Meestal wentel ik mij echter terug in het donker. (Het is overigens een mythe dat hanen kraaien bij het gloren, die beesten beginnen daar veel vroeger aan, en doen er continu mee verder, zeker als er binnen gehoorsafstand een tweede zit. Maar dit volledig terzijde)

Wat voor mij wel helpt in het proces( hoe moet je’t anders noemen?), is dat ik merk dat we met velen in mijn huis wonen. Er is ik, de Guido. Er is uiteraard ook de kleine kolonel, die op crisismomenten de overhand neemt. Elke vent ontwikkelt al heel vroeg een soort interne dialoog met zijn jongeheer, dat is gewoon zo. Wij geven hem ook een naam, wat ik niet veel dames weet doen bij heurzelves. Maar op zo’n momenten is er niet veel ‘dialogue interne’ met de jongeheer.
Naast hem is er ook een soort dissociatie tussen lichaam en geest, waarbij ik, de originele Guido, als een soort bemiddelaar tussenkom: ‘Jongens, ok, dat de geest wakker is, maar laat het lijf tenminste rusten’. Kid you not, my own personal form of yoga, i guess.

Het is ook de fijnste manier om de kansen tot opnieuw slaap te maximaliseren. Ik ga op mijn rug liggen, om het lijf de kans te geven te ontspannen, en laat de geest wandelen, spelen, piekeren, denken. De regels zijn simpel. Het lijf mag niet zeuren over kriebels, moeilijk liggen of wat dan ook, en de geest moet het lijf gerust laten liggen. Gerust vind ik persoonlijk een mooie in deze context. Geloof het of niet, maar dat werkt.

Meestal trek ik het zo wel tot 6 uur, en kan ik opstaan, douchen, doen wat ik wil, maar soms, heel soms, val ik als vanzelf terug in slaap, en dat is pas echt leuk.
Bovendien – ik geef toe, het is wat vergezocht, maar voor mij werkt het wel – heb ik proefondervindelijk mogen vaststellen dat de benadering van problemen, of stellingen ’s nachts toch altijd iets geladener is, en als het dan dag wordt, heb je ineens veel heldere en simpele oplossingen. Iedereen wint, want je wordt er vanzelf blij om.

U merkt het, insomnia, u moet het met de nodige sereniteit omarmen, en dan is het niet half zo erg.
En ik merk ook dat ik er niet echt veel last van heb, omdat ik een zelfregulerend lijf heb. Heel af en toe slaapt het gewoon als een blok door alles heen.. Kermende, zeikende honden, bronstige lieven, aanbellende postbodes, irriterende wekkers, opspelend schuldgevoel, niks mee te maken. A man in full doesn’t really care.

Netwerken : elementaire beleefdheid

U belt mij regelmatig. Met vragen over mijn netwerk. Of ik niet iemand ken die…? Wie ik ken bij die organisatie? Of ik u in contact kan brengen met deze of gene?

Ik vind dat leuk. Het is helaas één van mijn weinige meerwaardes in deze economie. Ik leg graag contact en dat wordt op zijn beurt geapprecieerd door die mensen, en zo onderhoud ik een almaar groter en prettiger en divers netwerk. Dat, én restaurantkeuzes, dat zijn zowat de enige dingen waarvoor ik gebeld wordt. Omdat ik graag eet. Het is een smalle niche, maar het is een niche. Geld valt er niet mee te verdienen.

Waarom doe ik het dan? Omdat het natuurlijk voor me is. Mensen, gezichten en namen onthouden. Omdat ik denk dat ik er u een plezier mee doe. Omdat ik er redelijk goed in ben.

En nu komen we bij de elementaire regeltjes. Ik heb een netwerk, u niet zo. Hoe komt dat? Misschien moet u daar ook eens met een paar mensen over praten, zeker als er nu spontaan in u opkomt ‘want ik ben zo niet, dat is iets voor oppervlakkige mensen’.

Ik respecteer een paar simpele regeltjes. De allerbelangrijkste regel in deze context is : geef en u zal gegeven worden. Het is helaas niet altijd waar, zeker niet op korte termijn, maar zonder deze komen we nergens.  Het is een misvatting om te denken dat je belangrijk bent door de grootte van je kennissenkring. Je bent alleen maar belangrijk als je iets kunt geven, toevoegen. Anders is het geen netwerk, maar parasiteren op de merites van anderen.

Les 1 : Netwerken is geven en delen, niet pakken en profiteren. Zo is het een even grote misvatting om mij even bij uw organisatie binnen te halen om mijn netwerk leeg te melken voor uw sales-objectieven. Het is kortzichtig, lomp en onbeleefd. Wie dat niet begrijpt heeft überhaupt niet veel begrepen.

U moet ook weten dat een netwerk soms op de meest bizarre manieren tot stand komt, zondagochtend kun je op de zeilclub in Oostduinkerke toevallig in contact komen met de grote baas van HP, ’s avonds op het voetbal zit Karel Van Eetvelt regelmatig in de tribunes van Anderlecht, niet steeds in de loges.  (Oh ja, dat zijn ook de plekken waar die mensen vooral gerust gelaten willen worden, dus laat ze hun koffie of pintje drinken en begin niet te zagen, het komt de kwaliteit van je relaties ten goede). En op poepchique conferenties van Agoria kun je gewoon studiemakkers tegenkomen van vroeger, waar je eigenlijk absoluut geen band mee hebt.  De kwaliteit van die relaties ligt hem in de toegevoegde waarde zoals die tot uiting komt. soms is dat gewoon een prettig menselijk contact, soms is dat professionele complementariteit, soms is dat een gedeelde interesse. Het kan van alles zijn.  Het moet echter nooit als futiel beschouwd worden.

Les 2 : Beoordeel de netwerker niet op het tot stand komen van zijn relaties, en deel uw probleem, het kan heel goed zijn dat hij een andere, betere oplossing heeft, omdat hij weet heeft van een speciale behoefte bij iemand anders die hij kent, en waardoor je veel vlugger geholpen bent.

En nu komen we terug bij u. Als u mij vraagt of ik iemand ken, dan antwoord ik nooit gewoon met ja. Omdat u dat niet helpt. Helaas bent u niet altijd geneigd om mij uit te leggen waarom precies u iemand nodig hebt. Uit schrik, confidentialiteit, of gewoon omdat u me wel wil gebruiken, maar de pluimen zelf in eigen kont wil steken. Ik vind dat best, begrijp me niet verkeerd, u doet maar.

Vandaar dat ik meestal een klein beetje uitleg geef: Ja, ik ken die en die, en die relatie is daarop gebaseerd. De ‘ja’ betekent dat er sowieso een relatie is. Niet een beetje zoals ‘ik heb al eens een foto van hem in de Knack gezien, of ik heb het algemeen nummer van zijn bedrijf. Het moet toch iets zijn. Als u die ‘context’  al als onvoldoende professioneel taxeert en daardoor nutteloos, dan maakt u eigenlijk een grove beoordelingsfout en is dat erg bekrompen. U laat voelen dat u mij slecht inschat, en u geeft aan dat u niet veel vandoen hebt met het ‘relationele’. Het gaat over delen. Da’s dus al het eerste waar ik meestal pissig om word. ‘Tja, dat ge hem kent van samen tegen de kathedraal te pissen, daar heb ik dus niks aan”… Lady, we compared dick sizes, how close can you get?

Les 3 : de beoordeling van de kwaliteit van een gegeven contact ligt bij de netwerker, niet bij u. Hoe minder u deelt, hoe groter de kans op mismatch. Maar wijt dat niet aan mij!

De allerlaatste, is er eentje die ik gewoon als waarschuwing meegeef. Door de aard van de zaak ben ik nogal goed in het onthouden van namen, mensen en situaties. Ik zal nooit komen incasseren, ‘call in the favours’. Dat gaat ook in tegen mijn visie over een fijn zakelijk en privé netwerk. Maar het is voor iedereen prettig om een beetje feedback te krijgen. ‘Ja, dat was een erg nuttig contact, we zijn volop bezig’, ‘Neen, helaas, dat ging niet zo goed’ of ‘Sorry, we hebben beslist dat we het anders gingen oplossen maar toch bedankt’. hoe moeilijk kan het zijn?

Het is veruit te verkiezen boven stiltes, of  ‘Neen, het contact dat hij mij gegeven heeft is waardeloos’, of nog sterker ‘Ja, maar ken je hem, of ken je hem niet… want hier ben ik niets mee’… Grof, beetje dom en lui. Niemand heeft immers gezegd dat het meteen ook raak ging zijn en dat ieder contact uit mijn boekje meteen staat te popelen om uw wonderlijk idee te ondersteunen. Iemand die verkiest om zo met zijn contacten om te gaan, die heeft er meteen gelegen, bij mij toch. Ik sta immers een beetje borg voor de kwaliteit van wie of wat ik achter me heb, en tegelijk wil ik die mensen niet vervelen met ‘your mundane bullshit’ ( courtesy @blissbohemian).

Dat wordt dus ‘één keer, maar geen twee keer’. Geef toe dat dat kortzichtig is van uw kant,  en als u het moderner verwoord wil krijgen, conversation management (courtesy Steven Van Belleghem) is ook toepasbaar op netwerken.

Als u trouwens wat meer aandacht zou besteden aan de regeltjes zouden we met z’n allen al een stuk verder staan. Tot zover deze eerste lezing.

Succes, toppers!