De verkavelingsbuxus

Liefst neem ik mijn honden mee naar zee, of laat ik ze lekker snuffelen in een bos. Ze schijnen dat leuk te vinden, de geur van rotte bladeren en natte grond, een heel specifiek pleziertje, niet toegankelijk voor mensenneuzen.

Maar heel af en toe komt de vileine mens in mij boven en doe ik een toertje door verkavelingsvlaanderen, op zondag ochtend. Mijmeren over het burgerdom.

Het is erg prettig om op zo’n wandelingen begeleid te worden door een aanzwellend geblaf van honden achter glas, die ongetwijfeld daarmee wat leven in de brouwerij brengen bij de baasjes en bazinnen, nog in diepe slaap door het bacchanaal van de vorige avond. De zon kwam overigens vanochtend op om 8u15, ik heb menig jong gezin een vroege start bezorgd vandaag.

Gaandeweg verandert één en ander tijdens zo’n wandeling. Het leven komt op gang. Rolluiken worden opgetrokken en schriele dametjes met fijne joggingpakjes staan het ijs van hun auto te krabben om kroost te kunnen voorzien van koffiekoekjes.
Stoere veertigers passeren snuivend op de mountainbike, het zondagochtend alternatief voor de midlife-Harley-crisissen.  Hier en daar zie je een treurig meisje voorbijfietsen, op weg naar een zondagbabysit, weg van het lief.

Maar wat mij op zo’n momenten het meeste bezig houdt, dat zijn de voortuintjes van onze Vlaamsche huizen en halfopen woninkjes. Proper, ontzettend proper! Bekaert draad, en imposante poorten en hekkens. ‘S avonds hebben al die kasteeltjes ook hun vanzelf aanfloepende spots als je passeert, ook plezant om zo een lichtspoor te maken.

De coniferen en buxussen in alle vormen, dat is waar het over gaat. Wie heeft dat uitgevonden? Waarom doen mensen zoiets? Ik vind het niet natuurlijk, ik heb nog nooit in een bos rondgelopen waar ze speelgoedstruiken op natuurlijke wijze gevormd hebben.  Wie beslist zoiets?

Volgens mij zit het in dezelfde categorie als de voortuin kärcherende, dodeblaadjesblazende, voegschrapende bijna-dood-venten. Als de dood om binnen bij het wijf te moeten klussen, kiezen ze zich iets waarvan ze weten : ik ben alleen, het ziet er uit alsof ik werk, en ‘die van ons’ laat mij gerust. Want eens je er mee begonnen bent, is er geen weg terug. De bollekes moeten bijgesnoeid worden, de haag moet glooiend in vorm gebracht worden.

En dan ’s middags bij de koffie en éclairs: ‘ Ja, ja, onze Fons en zijnen hof, hij kan daar dagen mee bezig zijn… maar allez, ’t ziet er toch netter uit dan hierneffest, want dat versta ik niet, dat ge met zo nen hof kunt leven.”

Het koppel van “derneffen” ligt ondertussen nog lekker languit in bed, te bekomen van de zoveelste vrijpartij, kruimels van de pistolets onder hun warm lijf, en het zal hun waarlijk worst wezen wat de natuur met hun tuin doet. Alles groeit en bloeit zonder inmenging. Tenminste zo stel ik het me voor…