Duvel en Wijn

Duvel in een pintglas, dat smaakt niet.

Trappist, daar moeten minstens nootjes bij, maar liefst, liefst van al, drie, vier kaasblokskes, in zo’n klein wit porseleinen schaaltje.

Wijn is moeilijk. Uiteraard het lekkerst uit mooie grote fonkelende glazen,  met witte tafellakens en prachtige gesprekken. Maar wijn in een waterglas, smaakt, mits het juiste gezelschap, gesprek en de juiste textuur van keukentafelhout.

Voor wijn kunnen we het eens zijn, het gesprek is kennelijk bepalender dan  het glas.
Van Duvel kan dat ten enen male niet gezegd worden. Goed gesprek, shitty glas… won’t work. Grappig toch. Trappist in een colaglas, dat lijkt mij ook niet erg fijn.

De lekkerste cognac ooit, heb ik gedronken op een winterkamp in de de jeugdbeweging. We gaven toen wij als leiding alles van dekens en slaapzakken aan de jongens en meisjes  wegens verregaand te koud voor die kinderen, en besloten  manmoedig  om de nacht door te komen met elkaar, gesprekken, een klein kampvuur en  sloten slechte cognac uit gamellen… groots, mooi en onvergetelijk.

Ooit heeft een berggids eens een stuk worst en kaas uit zijn rugzak getoverd en bovenop een berg hebben we dat toen opgegeten met een geut fris water en nadien een appel. nooit lekkerder geproefd… Het was koud, iedereen was moe en hongerig, en toch was het juist.

Wat is dat toch met eten, en drinken dat alles moet kloppen en tegelijk ook niets…

Verder heb ik daar niets over te zeggen, maar het speelde wel door mijn hoofd, zoals dat soms gebeurt.