Room with a view: Wedelhütte

Ik hou niet van reclamepraatjes, ik heb ze ook altijd geweerd van deze blog, omdat jullie daar niet echt van gediend zijn, en ook niet echt komen zoeken. Maar heel soms, dan mag het volgens mij toch wel. Zoals nu, omdat het nogal sprookjesachtig is. En dat heeft ook met de omstandigheden te maken.

ik zit in Oostenrijk, Hochzillertal, met wat echte journalisten. Dat op zich is sowieso al leuk, maar daar ga ik jullie niet mee vervelen, of misschien later, in een andere context. Er werd ons gezegd dat we de nacht zouden doorbrengen in een berghut, redelijk hoog, zo’n 2350m.

Ik ski graag en ik heb vroeger, privé ook al dat soort toestanden gekend. Eens de skipiste gesloten is, ben je dan alleen op de berg, met het gezelschap dat in die hut verblijft. Dat kan meevallen, dat kan tegenvallen. Als het tegenvalt is er altijd nog de drank, om het te doen meevallen. Meestal valt het gewoon mee, en zijn het fijne vakanties, zonder al te veel kapsones, en met de nadruk op die ski ervaring.

Ik weet ook wat ik me bij zo’n hutten moet voorstellen. Kraaknet, warm, maar al bij al rudimentair qua comfort. Als extra dimensie kwam daar gisteren bij dat ik vreesde dat het voor wat betreft de internet connnectie allicht nogal zou tegenslaan, als die er uberhaupt al was. Dat is het soort van dingen dat mij al op voorhand een beetje humeurig maakt, zeker met de blog van MLF, waar ik dan achterstand zou oplopen, en het gevoel van redelijk incommunicado te zijn.

Mijn humeur werd er niet beter op toen bleek dat we naar de hut gebracht werden in de achterbak van een sneeuwruimer. Nogmaals, als het echt vakantie is, dan deert dat niet, integendeel, hoe gekker en onorthodoxer, hoe liever, maar gisteren niet. Zo’n bak wordt gebruikt om de hotelvoorraden aan te slepen, gisteren was dat duidelijk vis, en eens je er in zit, zie je niets meer. Het was donker, het sneeuwde, het was een hels kabaal, het werkt enorm desoriënterend. En het is niet bevorderlijk voor het humeur.

Maar dan. We stopten en werden uitgeladen (je kunt het niet anders noemen). Dit had niets met een berghut te maken, het was een ultramodern, stijlvol ingericht, paradijsje.  Met alles wat je je maar kon wensen aan modern comfort, en verwentoestanden, gaande van jacuzzi en infraroodcabines over een heuse wijnproeverij-ruimte.

Ik kreeg een kleine kamer (sic),… amper 50 vierkante meter!! Een kamer die de vergelijking met veel gereputeerde, internationale prestigeketens met gemak zou kunnen doorstaan.

Het eten was ontzettend verfijnd en naarmate de avond vorderde kwam de uitbater een praatje maken. Sympathieke mens, die met dit verhaal zijn ultieme droom gerealiseerd had. De Wedelhutte, onthou die naam, als je er ooit een keer op uit wil trekken om in optimale omstandigheden op een skidomein te verblijven.

Omdat kritische zin en een beetje zagerij niet mag ontbreken,  had ik meteen ook een aantal vragen die opborrelden in mijn hoofd, die niet in het minst met mezelf te maken hadden.

Is het normaal dat je blij bent om iets wat eigenlijk puur materieel is, en niets maar dan ook niets met de kwaliteit van je ski ervaring te maken heeft. Ben ik dan toch gewoon een oppervlakkig materiëel lulletje dat dat soort verwennerij wel kan appreciëren? Dat houd ik nog een beetje voor mezelf.

Is het een afbreuk van de authenticiteit van de ‘bergbeleving’, om dit soort paleisjes op te trekken in een omgeving die eigenlijk een stuk ruwheid moet uitstralen? Ik ben daarover met de uitbater in discussie getrokken en het mooie eraan is dat ze zich erg bewust zijn van die problematiek ne dat ook uiterst behoedzaam benaderen. Ze willen hun bergen niet transformeren tot mondaine ‘hang’oorden voor de rich and bored, integendeel, ze betrekken lokale producenten, boeren, wijnbouwers, bij het verhaal. En hier en daar in Oostenrijk willen ze een signaal geven dat er wel meer te beleven is dan lederhozen en dirndls. In dat opzicht was het meer dan geslaagd te noemen, wegens uitermate respectvol tegenover de natuur en de omgeving.

in laatste instantie stelde ik me vragen over de manier waarop hier naar het leven gekeken wordt en de impact die dat heeft op het familiale. Tijdens het seizoen ziet de uitbater kind, familie en vrienden, quasi niet. Het seizoen loopt van december tot april. Dan is het even rustig, en juli/september zit hij weer boven op de berg.

En toch is het de realisatie van zijn ultieme droom, hij kon zich niets mooier wensen, en zijn zusje, die het samen met hem uitbaat ook niet.  Het geeft te denken over ondernemerszin, arbeidstijd, enerzijds,  en familiale omstandigheden en het opvoeden van een kind anderzijds. Niet dat ik er een mening over zou hebben, ik ben nog teveel aan ‘t genieten van de omgeving.

 

Oh ja, en de andere bloggers die mee spelen in dit verhaal, vertellen hun wedervaren hier : @houbi, @Ysabje, @aardbeiwormpje …

Deadmau5 : De muis is dood…

Als je aan de rand van een bos woont wil het al wel eens gebeuren dat er een klein knaagdier op zoek komt naar proviand voor de donkere winteravonden. Op zich niet zo’n probleem, mocht het dan ook weer vertrekken, maar dat doen die beestjes meestal niet. Het is warmer, droger en eenvoudiger om in de wintermaanden aan voedsel te komen, in huis. Dus de beestjes nestelen zich. Vorig weekend was dat het geval, bij de K-woman.

Zij is best kranig en zo’n muisje, dat deert haar niet. ‘T is niet dat ze gillend op een stoel om hulp schreeuwde, verre van. Eerder het tegendeel, voor ik het wist kreeg ik een exposé over alle mogelijke vernietigingsmethodes, met hun voor- en nadelen. Op zo’n momenten val ik achterover van de efficiëntie van die vrouw. Een val waar je ze levend in te pakken krijgt, dat is niet goed voor hun hart, dan kunnen ze doodgaan van de stress, langzaam en pijnlijk. Vergif is helemaal uit den boze, traag en pijnlijk. De buurt zit vol katten, maar dat geldt enkel voor de beestjes die buiten zitten, binnen heb je daar niets aan, los van het feit dat zo’n snorrebaard ook niet bepaald ‘Gaiesk’ te werk gaat… zachtjes dood maar eerst wat spelen!

Er werd mij bovendien ook opgedragen dat – indien ik het beest levend te pakken kreeg, ik het minstens twee kilometer verder moest deponeren, zodat het niet terug kwam. En toen ging ze slapen. Ik bleef achter met de muis en de nacht. Gezien bovenstaande bleven mij weinig verdelgingsmogelijkheden over, en ik geloof niet in een intelligent, tot rede brengend- gesprek tussen mens en knaagdier.

Blijft over, het oude muizenvalletje dat – indien juist gebruikt – echt wel ok is. Korte slag en het nekje is gebroken, en het muisje dood, het schijnt realtief pijnloos te zijn, al kan ik dat niet meteen beamen. En ik denk ook dat mensen die voorbereid werden op de guillotine, weinig troost hadden aan dat soort uitspraken en troostende

Ik kom uit een generatie waarbij het als een eer gold om samen met opa het konijn uit te kiezen dat geslacht diende te worden. Nooit last van flauwe emoties gehad, de beesten werden gekweekt om op te eten, dat was toen nog heerlijk simpel, er werd niet gedacht in termen van ecologische voetprint, of plaatsvervangende sojaschaamte. Dat waren erg lekkere konijntjes bovendien. Of lammetjes, of duifjes. Ook kippen heb ik nog vast gehouden terwijl mijn vader probeerde om ze de nek over te snijden, met een oud broodmes, onder het geamuseerd toekijken van de buren. Ik maal daar niet om.

Maar ik wou toch even kijken wat voor iets het was. Dus met de zaklamp onder de kast, en ja, daar zat het, een mooi klein grijs veldmuisje/bosmuisje. Het was erg mooi, erg rustig, en een beetje schelms zat het me aan te kijken… Het (misplaatst) vertrouwen van één zoogdier tov een ander, don’t look into the eyes, unless you wanna fuck or fight (S.Morgan). Dat ging hier dus gebeuren… dat vechten.

En kijk, er gebeurde iets vreemd, vertedering trad op. Op zo’n momenten verfoei ik Disney en Pixar. Ik kreeg het moeilijk. Ratatouille! Ratten, muizen, dat maakt niet veel verschil. Het beestje kreeg iets menselijk, ik verbeelde me zelfs dat het me iets wou duidelijk maken.

Ik begon het verder laten leven van het muisje te verrechtvaardigen, te overwegen. Ik hoopte zelfs dat het vanzelf weg zou gaan. Op zo’n moment bewijst zo’n beest godzijdank zijn stommigheid, het begon aan wat kabels te knagen. Oorverdovend geluid! Tja, nu moest ze wel dood.

Het was een strijder! 3 muizenvallen opgevuld met stukjes kaas en spek, en een uur later waren de vallen leeg, en het muizenbuikje vol.  Een waardige strijd.  En ik wou hem een kans geven. Meer dan een beetje sympathie.

De muizenvallen werden opnieuw gezet, Eentje spande ik niet op ( ja, ik gunde het  beest wel een bonus brokje.  Eentje was er toch kapot gegaan, dus daar lag ook wat kaas op (call me a sucker), maar het derde, het verst uit de buurt van het vermoedelijke muizenleger, werd vakkundig klaargemaakt voor de wrede taak…

Nauwelijks een uur later was de strijd gestreden. De muis is gegaan, maar wel met extreem voldaan gevoel (denk ik). Geen bloed, geen tranen, geen bloemen, noch kransen.  Ik heb het wel mooi begraven in de tuin, dat had het verdiend.

Ben ik nu wreed? Dat houdt me al drie dagen bezig. Zijn er andere manieren om zo’n beestjes weg te krijgen? Wie het weet mag het me zeggen.

Oh ja, en excuses voor alle Deadmau5 liefhebbers!

Het marketing congres

Het jaarlijkse ‘internationale’ congres van stichting marketing. Mens wat heb ik me daar geamuseerd. Vroeger. Ik heb er ook veel geleerd, over alle aspecten van dat schone vak.

Wat je wel en niet mocht zeggen, hoe je bepaalde mensen met zeer veel respect diende te bejegenen, wegens momentaan hoog op de ‘tower of power’. Hoe je anderen ook besmuikt mocht catalogeren onder de ‘has-beens’, op basis van hun recente mislukking. Keihard en ongenadig en soms een heel klein beetje hypocriet. Maar dat is niet het alleenrecht van een marketing congres, dat kom je overal tegen.

Het is ook niet de bedoeling om te gaan natrappen, verre van, ik heb er veel vrienden gemaakt, misschien wat oppervlakkiger dan ik soms zelfs wou, maar dat hoort er allicht ook bij. Ik heb er rondgelopen, als een vis in het water. Het was mijn natuurlijke biotoop. Spelen, babbelen, contacten leggen, wisecracks spuien, ik kon het als geen ander. Mild anarchistisch de bar proberen open breken voor het aangekondigde uur, zeer tot verveling van de mensen van Pernod-Ricard. Sjoemelen met giftbags,  drinkgelagen organiseren, side events opzetten, alles om de verveling, de sleur te doorbreken. Baldadige heldendaden van schooljongens.

De laatste twee jaar ga ik niet meer. En vandaag is het weer zover en ik vraag me dan af, mis je het, of mis je het niet?  Ik mis het wel een beetje, de vrolijke sfeer, want het moet immers goed met je gaan, dat is een uitgangspunt voor succes.  De K-woman is daar veel radicaler in, die gaat er naar toe voor een paar sprekers die geacht worden interessant te zijn en voor een paar mensen, die de moeite waard zijn en waarvan het lang geleden is dat ze ze gezien heeft… Geen behoefte aan chitchat. Die kan dat.

Ik niet, ik kom altijd tijd te kort om al mijn zogenaamde vrienden een handje te schudden. Ik geniet wel van de warmte. Ook al is die vergelijkbaar met die van een goedkoop blazertje uit de eldi, al dan niet met namaak houtvuurprint.

Het is een act, en tegelijk ook weer niet, ik ben oprecht blij om sommige ex-collega’s en kennissen terug te zien, en ik zie niet in waarom zij dat ook niet zouden zijn. Maar het kan natuurlijk wel. Afgunst en nijd , het is van alle tijden.

Wat ik me wel afvraag, is of het wel optimaal is, zo’n 2-daags congres. Doe even de denkoefening mee. De bedoeling is tweeledig. Zinvolle spreekbeurten, waar je inzichten kan verzamelen, en netwerken. Business doen, lijkt me erg moeilijk, ik zit te wachten op de dag dat er 1000 consultants en agency mensen in een dubbele rij staan om die ene adverteerder/fabrikant te begroeten, die over de rode loper binnengeschreden komt… zijn besteedbaar budget frivool op het voorhoofd getatoueerd. De massa consultants en account managers strooien wellustig hun business cards over zijn hoofd, een one man ticker tape parade…

Die dag is niet ver meer, getuige de massale afvaardigingen van de meeste agentschappen. Dagje vrij en ‘s avonds een sportzak met samples mee naar huis, leuk!

Inzichten en sprekers. Ik sta altijd te kijken van hoe dat werkt. Maar ik ben old school. Meestal had ik het boek al op voorhand gelezen. Dat heeft verschillende voordelen. Ten eerste kun je ‘in depth’ proberen te gaan, in tweede instantie kun je genieten van de presentatieskills. Zijn die er niet dan heb je meer tijd om de zaal te verlaten en te ouwehoeren met collega’s of om je vrolijk te maken over iets anders. Ik heb veel meer tijd buiten het auditorium doorgebracht dan passief luisterend. Mijn stelling was altijd ‘als je naar hier komt om  voor het eerst te horen waarover die man/vrouw het heeft, dan kun je toch onmogelijk au sérieux genomen worden, dan ben je toch niet professioneel met je vak bezig’. Ik heb daar relatief weinig navolging in gekregen. Soit.

Dan het netwerken. Tussen de bedrijven door is er een grote ruimte waar iedereen koffie kan drinken. Best gezellig, ware het niet dat de logistiek van die operatie niet echt optimaal is. Probeer maar eens 1200 man koffie te geven op een half uurtj  tijd, dat is geen sinecure. Crowded is het woord. En beperkt in tijd, want hop, daar komt de belleman al langs voor de volgende sessies. Iedereen weer naar het auditorium om te luisteren.

Ook de lunch is een zogezegd netwerk moment, maar dat valt in de praktijk dik tegen. De acoustiek en de tafelzetting is dermate, dat zinvolle gesprekken enkel mogelijk zijn met je onmiddellijke buren. Meestal zijn dat vrienden, daar netwerk je niet mee, daar praat je mee, over de dingen des levens. Is het allemaal kommer en kwel, uiteraard niet, verre van zelfs, ik blijf het herhalen, ik ben er denk ik 15 jaar heen geweest, dus zo slecht kan het niet zijn. Het zijn gewoon randopmerkingen, meer niet.

En dan heb je nog de avondreceptie. Zonder nostalgisch te willen zijn, er is een periode geweest, toen het congres nog in Brussel werd georganiseerd, dat dat een echt feestje was. Erg verzorgd, met alle toeters en bellen. Naast fijne drankmomenten had dat eerlijk gezegd wel het voordeel dat je tijd had, en dat dat kon en mocht uitlopen. Puur zakelijk was het ook interessant om dan nadien met een paar mensen iets te eten in het Brusselse. vriendschapsbanden werden er gesmeed. Katers voorbereid.

De laatste jaren is dat vrij triest allemaal… die receptieruimte in het congres centrum in Gent, waar ze dan ook nog een keer hun best doen om nieuwe vondsten van het Inbev conglomeraat voor te stellen… echt sfeervol is het er niet en men blijft ook niet erg lang.

Dat is een probleem als het over netwerken gaat. Kortom, de netwerkmomenten zijn mij te beperkt en te geconcentreerd, en daarom lukt dat ook niet. Naast een groeiend ongenoegen over hoe mensen met elkaar omgaan, niet eens de moeite nemend om elkaar voor te stellen of raakvlakken te zoeken, maar daar heb ik het vroeger al eens over gehad.

Heb ik alternatieven? Jawel. Ik stel voor dat de sprekers hun kerngedachtes op slides zetten die continu overal zichtbaar zijn, in de toiletten, op de trappen, in de gangen, overal, overal, overal.  Er zullen vast ook wel slimme jongens zijn die leuke mobile apps kunnen ontwikkelen, enkel voor diegenen die op het congres rondlopen, kwestie van toegevoegde waarde te verzekeren. Die sprekers zelf lopen tussen de gasten , gedurende de rest van de dag, om zinvol te interageren.  The age of conversation management, weet je wel.

Voor de rest is het één grote open receptieruimte, met koffie, fris en wijn, zodat je echt de tijd kan nemen om elkaar te ontmoeten en over iets te spreken.

De congres commissie voorziet ook in kleine afgezonderde ruimtes, zodat je je kunt afzonderen, en al eens een iets delicater gesprek voeren, of waarom niet een closed seminar voor capita selecta. Daar kun je zelfs extra geld voor vragen, en het heeft het voordeel dat het interessant is.

Maak videoscreenings van de beste sprekers – op een ander congres – en vertoon die continu gedurende twee dagen, in aparte kleinere zaaltjes, organiseer workshops over bepaalde thema’s en laat de ‘reclamesprekers’ achterwege. Wat bedoel ik daarmee? Niet de mensen uit de reclamesector, maar diegenen die hun spreektijd gebruiken om reclame te maken voor zichzelf en hun bedrijf.  ’Ik werd gevraagd om te spreken over community management in B to B context, en heb daar welgeteld een half uur voor gekregen, maar laat mij beginnen met mezelf en mijn bedrijf voor te stellen, en daarna ook wat commercials te laten zien, zo begrijpt u beter hoe wij de markt pakken…’ Geef die portie definitief aan fikkie.

‘t is maar een gedacht hè…

@mbaeten, onze held

 

The rise of @mbaeten  in twitterland is spectaculair te noemen. En terecht ook. Pretentieloos, op een bevreemdende manier grappig, en met juist dat tikje vitriool om het nooit vrijblijvend te laten zijn. Ik lees hem graag. Ik heb het ook al een keer gezegd, hij heeft eigenhandig een soortement eigentijdse haikoe-poëzie uitgevonden op twitter. Binnen de beperking van de 140 karakters komen er erg rake bespiegelingen, mooie poëtische pareltjes en soms ronduit schofferende opmerkingen.

Daarvoor alleen al, mogen we hem meester-twitteraar noemen.  Hoera, Hoera, Hoera.

Wat mij wel stoort, en waar het mij om gaat is de wellicht ludiek bedoelde ‘verkiezing’ van de meest inspirerende twitteraar, door Radio 1, in het radioprogramma Peeters & Pichal. Elke keuze is arbitrair, elke jury zal altijd kunnen rekenen op de spontane, zogezegde objectieve afrekening van de capita-non-selecta. Dus daar gaan we het ook niet over hebben.

Waarover dan wel? Over het proces van Twitter, dat men meende te moeten voeren. Ik denk dat het Bart De Waele (@netlash) was, die in ‘the heat of the moment’ opmerkte dat het weinig zinvol is om de meest inspirerende twitteraar van het moment te kiezen. ik treed hem daarin bij. als je op deze manier met het medium omspringt heb je per definitie bewezen dat je het medium niet echt begrijpt.  Het is niet echt ééndimensioneel te noemen. soms is het een café, een erg luidruchtig en snedig café, soms is het een doorgeefkanaal, soms is het een gezamelijk kankerhol, soms is het een bijzonder snel nieuws- en zelfs hulp kanaal. In al zijn beperkingen.

Ik neem mezelf als voorbeeld. Wat doet twitter voor mij. Het is het gedroomde medium om mijn blogposts te verspreiden en de reacties daarop  te monitoren, bij te sturen, aan te zwengelen, wat je maar wil.

Daarnaast gebruik ik het om mijn kleine ergernissen, opmerkingen, bespiegelingen, die ik niet in blogposts giet, te kanaliseren.

In derde instantie wil ik al wel eens een interessant artikel lezen en dat delen, met wie dan ook, dus dat zwier ik er ook op.

In vierde en vijfde instantie gebeurt het omgekeerde, mits goed gestructureerde lijsten ben je perfect in staat om te volgen wat er zoal aan interessants gebeurt en verschijnt, en daar kun je echt wel je voordeel mee doen.

En in laatste instantie is het grote fun om naar Eurovisie, idool, komeneten en andere onzin te kijken en live de gevatheid van de anderen te mogen smaken.

Zo kan ik nog wel even doorgaan en telkens opnieuw een ander en interessant/mobiliserend aspect aanhalen. Kenmerkend is dat het echter iedere keer over andere doelgroepjes gaat, andere circles (jawel, hij kon er in, dank je google+) die meestal niet veel uitstaans met elkaar hebben.

Als ik het artikel in de standaard en de discussie in Peeters en Pichal gevolgd heb, overviel mij diepe treurnis. Het medium bestaat vijf jaar, je zou toch verwachten dat er iets juister en relevanter over kon verteld worden dan de ongein die we nu kregen?

Maar misschien heb ik de media radio en krant niet goed gesnapt, dat kan natuurlijk ook.

Ondertussen andermaal proficiat voor Michel Baeten en de kristallen tweet 2011. Van harte.

Discussiëren is niet hetzelfde als ruzie maken

Bij ons thuis werd er snoeihard gediscussieerd. In zoverre dat mijn kinderen meer dan eens dachten dat er ruzie was tussen de nonkels en den bompa, als we weer eens – hemdsmouwen opgestroopt,pintje binnen handbereik – rond de tafel zaten te bomen.

Ik kreeg het met de paplepel aangereikt, maar misschien is het goed om een aantal basics toch nog eens te herhalen. Gewoon zomaar, omdat het mij ergert.

1) Het is nooit persoonlijk. Een standpunt wordt verdedigd, met vuur en argumenten, maar het staat los van de persoon die het standpunt zelf verdedigt. Dat heeft twee voordelen. Nadien kun kun je over iets anders babbelen, in alle warmte en je vermijdt op die manier ook dat persoonlijke inkleuring het redeneerschema beinvloedt.  Om het cru te stellen, als een zwarte racisme wil verdedigen komt het niet in je op om te zeggen ‘maar gij zijt ne zwarte, gij moet daar tegen zijn, want ge hebt er zelf het meeste last van!’ Laat die mens rustig doen  en kijk of je valabele argumenten hebt.

2) Het Duits model werkt niet. Toen ik nog in De Haan woonde, zag ik het dikwijls gebeuren. Duitse toeristen die in de Delhaize iets wilden duidelijk maken, zeiden dat in het Duits. als het niet begrepen werd zeiden ze het nogmaals, In het Duits, maar luider. En desnoods een derde keer, nog steeds in het Duits, en nog luider. Dat lukt niet. Anders zeggen wel.  Herformuleren heet dat ook, denk ik.

3) De speelplaats, daar moet je zijn om te spelen en elkaar vliegen af te vangen. ‘En gij dan?, Kijkt naar uw eigen! Ge zijt zelf nen blog, gij!’ Het voegt niets toe, het lost niks op en het is overbodig. Niet doen. De kans is bovendien niet ondenkbaar dat je iemand kwetst, waar je’t niet wil. Denk aan die zwarte. ‘ Meen je dat? dat ik een neger ben?!’

4) ‘T is zoals hinkelen, maar dan virtueel. Een probleem, een visie, is een stap dichter bij een oplossing. Probeer niet alle stappen ineens te zetten. Pak er eentje, kom overeen om dat op te lossen, of eventueel zelfs later aan te pakken, en ga naar het volgende. En kijk eens na bij elkaar of je’t ook daadwerkelijk begrepen hebt en of je’t zelfde bedoelt. Dat lost wel wat op. De wil om te begrijpen, quoi. En daar mag best wat bij geplaagd worden. ‘Dus jij zegt nu eigenlijk dat….?’, ‘Als ik u goed begrijp bedoel je … ‘. Het is van een kinderlijke éénvoud, en je komt ermee tot begrip.

5) De Rhetoriek, aah, de  vrienden van de rhetoriek. Laat ons wel wezen, dat is eigenlijk voor gevorderden. Als de rest goed zit, en er is sprake van een soort intellectuele eerlijkheid en een wil om elkaar te begrijpen is de rhetoriek het peper en zout van elke discussie. Dat zorgt ervoor dat het hoogoplopend kan worden, dat er een verbaal steekspel is, dat er gelachen wordt en ego’s opzijgeschoven.

Zonder de basisregels is rhetoriek dodelijk voor degene die er zich van bedient en dodelijk voor de discussie… Gewoon maar even aannemen van me.

Meer heb ik daar eigenlijk niet aan toe te voegen.

De dikke vrouw

De zee, een wandeling, en ja daar hoort een terrasje bij. Ik zat, zij kwamen aan. Een mooi gezelschap. Een viertal. Met één dikke vrouw. Echt dik. Ik kan het niet anders zeggen, niet storend,  in zoverre dat ik daar geen mening over heb. Maatje meer, volslank, goed voorzien van oren en poten, nen tank, u mag kiezen. Ik heb daar niet meteen behoefte aan. ‘T leek mij  gewoon een vrolijke vrouw. Los van het cliché dat dikkere vrouwen noodzakelijkerwijs gezellig en grappig zijn, daar geloof ik ook niets van. Ze had een erg mooi gezicht, en was erg verzorgd, in alles.

En ik keek wat verder. Het was zo simpel. Haar ‘vriendin’, was zo’n mager ding, hologig en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid getrouwd met een tofu-asceet die ook niet kon lachen. Links, verantwoord en als’t enigszins kon ook nog eens gortdroog. Beiden.

De mannen waren broers. Dat kon je zien. Die van het spichtje stond, jawel, u raadt het, in het onderwijs – kop er af als het niet waar zou zijn. Dat zag je aan de wandelkaarten die hij bij had,  aan de voorbereiding, de schoenen, de ribfluwelen broek, dat zag je aan alles. Een gevaarlijk mens om mee te converseren, voor je’t weet krijg je een ‘Ik duld het niet dat er op deze wijze tegen mij gesproken wordt’ om de oren. Compleet met zo’n zuinig ringbaardje. En een geruit hemd onder de parka.

De andere had het  misschien niet  zo getroffen  qua vakantiedagen en arbeidsduur, maar was wel gelukkig, zo zag hij er tenminste uit. Hij deed iets onbestemd in de administratie, en het was duidelijk dat hij andere en leukere prioriteiten had in zijn leven. Eten en lachen met vrienden en kinderen, niet in het minst.

Ze gingen aan het tafeltje naast het mijne zitten. De volslanke had zin in iets lekkers, dat kon je zien, ze ging met graagte de kaart af, maar wachtte even af wat de anderen deden. Het liet niet lang op zich wachten, De leerkracht nam een koffie, zijn vrouw een watertje…

De zwager slikte even en bestelde dapper een pilsje. Ik had hem toch eerder als een trappisten-man ingeschat. Met haar alleen had hij dat waarschijnlijk ook gedaan, met een kaasplankje erbij. Het licht doofde, in de ogen van de dikke vrouw… Niet zozeer omwille van de behoefte aan eten of drank, maar omdat ze gewoon gezellig wilde zijn.

Ik had met haar te doen. Ik begrijp het ook. Niet dat je verplicht grote hoeveelheden drank of  kleffe hap moet binnen slaan, maar iets drinken na een strandwandeling… en dan water bestellen, daar word je toch vanzelf chagrijnig van? Water houdt iets eindig in, je kunt dat niet blijven drinken. Een gezelschap dat neerstrijkt en lekkere dingen bestelt, daar kan je van op aan, de gesprekken beginnen, de sfeer zit er in en het wordt een gezellige boel, of het dan verder ontaardt of niet, doet niet ter zake. Maar water, dat impliceert functionele dorst, iets drinken en weer weg. Tenminste voor mij, de connotatie van gezelligheid is ver te zoeken.

De dikke vrouw had een besluit genomen. Ze nam een Irish Coffee. Eten en drinken samen, en toch nog redelijk beschaafd. Volgens mij had ze zin in pannenkoeken en nog meer lekkers, en/of een fijn wijntje. En ze begon te vertellen… geanimeerd, van haar kant toch. De asceten vonden het te oppervlakkig, of niet boeiend genoeg, en zwegen.

Het gesprek bleef horten tussen de stiltes. De dikke vrouw had het ondertussen ook opgegeven, en reikte naar haar man. Na zovele jaren nog steeds gelukkig, dat is leuk.  En dat zag je. Hij keek haar liefdevol aan, goesting in lekkers en rollebollen, in eender welke volgorde en zij gaf non-verbaal aan dat ze’t nu echt wel gehad had met zijn broer en zijn teringwijfje.

Ze ging zich even verfrissen en op haar weg naar het toilet maakte ze grapjes met ongeveer iedereen die ze tegenkwam. Opluchting over normaal kunnen doen. Ze had een mooie lach, ze leefde graag. En ik vermoed dat ze gewoon leuk gezelschap was, maar niet hier, dat ging niet.

Toen ze terugkwam stonden de ernstigen op en hadden ze hun jassen al dichtgesnoerd. Haar Irish coffee mocht ze nog net opdrinken. Maar nu moest ze weer mee, Jan Van Genten spotten, en duingras bekijken.

Met vier aan de tafel

“Ik wil een grote kist, in een schoon kerk, met veel bloemen! Bij mij gaan ze ‘t geweten hebben. En ik wil dat er gebleit wordt!”

Het gezelschap zat gezellig te keuvelen, gemiddelde leeftijd ongeveer 70, maar het was ze niet aan te zien, en zeker ook niet aan te horen. Ik vind het wel mooi, oudere dames die , niet gehinderd door wereldse beslommeringen de herfst van hun leven doormaken met leuke momenten.

Deze vier zaten ergens in een bistrot, zich tegoed te doen aan ‘beschaafde alcohol’. Versta : gecamoufleerd drankgebruik in de namiddag, maar zonder dat het er zo uit ziet. Een irish coffee, een advokaatje, een sherry, dat soort dingen. Eentje niet, die met de meest franke ‘toot’. Die ging ronduit voor een trappist. Zij was ook degene die haar eigen begrafenis aan’t regisseren was.  En ze ging door…

” En mijn beeldeke, daarop wil er uitzien zoals ik twintig jaar geleden was… Ah ja, wie wil er mij nu onthouden als een oud verschrompeld beske? Twintig jaar geleden zag ik er nog best appetijtelijk uit!”.

Er valt iets voor te zeggen, De laatste herinnering aan de aflijvige, moet dat niet eerder iets mooi zijn? Iets waar je met plezier aan terug denkt? Vaders in de kracht, moeders in de fleur. Net zoals fotoalbums maar weinig kiekjes bevatten van hoogoplopende ruzies, of huiselijk geweld, waarom schroomvallig doen over doodgaan, laat het iets mooi wezen, ik wil me mijn vader ook alleen maar herinneren als fijne vader, niet als zielige oude man.

Ze ging op haar elan verder. ‘Als ik kijk naar het beeldeke van onze Fernand, allez, dat is toch triestig? Zo ne schone, sterke mens, en op dat prentje is dat een oud manneke!’ En iedere keer als ik er naar kijk, begin ik te bleiten, want dat laatste jaar, dat was toch puur afzien? Maar al die andere jaren hebben wij veel plezier gehad, veel gelachen, en veel samen gedaan!’.

Ik kan haar geen ongelijk geven. Sterven heeft altijd iets triest, iets van een afscheid, maar waarom moet je per se opgezadeld blijven met de verkeerde herinneringen. Zou er geen plaats zijn voor ‘schoon rouwen’, ipv van die zielige vlaamse onbeholpen stiltes. Een afscheid in lijn met het leven van de aflijvige, het lijkt me een meer dan valabele optie.

Eén van de andere dames sprak stil… ‘ ik was blij dat em dood was. We hadden toch niks meer tegen elkaar te zeggen, al heel lang niet…’

Ook moeilijk…