Carambole in de Kempen

www.decarambole.blospot.com

In de Kempen zijn café’s nog wat ze moeten zijn. Ontmoetingsplekken, dranklokalen, waar ze perfecte pinten serveren en voor de gezelligheid instaan. Café Den Toerist, Wechelderzande. Waar ze de Wechelse tripel serveren.

Je kunt je afvragen hoe je in zo’n gat verzeild geraakt, dat heeft alles te maken met honden en grote routepaden. Verder is dat niet belangrijk. Feit is dat ik er zat. Iets dronk en wat couleur locale opsnoof. In dit geval, twee mannen die biljarten, carambole. Het was mooi om naar te kijken. Omdat er een soort patsergedrag bij komt kijken wat ik wel kan smaken.

Carambole, drie ballen, trefzekere stoten, zacht tikken en ketsen en vooral krijten. Monsterend krijten, bedenkelijk krijten, inschattend, op automatische piloot maar routineus wordt er gekrijt.  Niet alsof het een café spel is. The Crucible meets Raymond Ceulemans en Ludo Dielis.

Zwijgen ook. Twee venten, misschien buurmannen, misschien collega’s, allicht vrienden. Maar geen woord. Niet nors, maar gewoon zwijgen, omdat er toch niets te zeggen valt.

Geen van beiden speelt echt goed, geen van beiden vindt dat erg. Dat maakt het spel niet minder ernstig. Er is een rist van redenen te bedenken waarom het vandaag gewoon niet goed gaat, maar daar beginnen ze niet aan. Stoot na stoot wisselen ze af, er worden geen series neergezet, hoogstens twee, drie keer na elkaar blijft dezelfde aan beurt.

Doodt het de tijd? Neen, dat hoeft niet, ze hebben tijd. Ze hebben zelfs niet de ambitie om te verbeteren. Ze spelen zelfs niet tegen elkaar, maar tegen zichzelf. Golf binnenskamers, als het ware.

De mooie macho-rituelen ook van het spel. Heerlijk om te zien hoe er monsterend naar de keu gekeken wordt bij weer een mislukt shot. Hoe er minutieus met het krijtje gewerkt wordt om toch maar niets aan het toeval over te laten. Heel af en toe een pluisje weghalend, dat de accuratesse had kunnen beinvloeden, en ja, even door de knieën om te zien of de tafel toch niet wat afhelt. Tegenwind is niet te veronderstellen.

‘Plakken ze?’ als twee ballen erg dicht bijeen liggen. De ene houdt met een kennersblik de hand boven het laken om te kijken, terwijl de andere zuchtend om de tafel loopt om de ideale plek te kiezen voor weer een successtoot.  Rug naar de tafel, krijtend, zeker van zijn stuk. Hij gaat er voor. Behalve als ze zouden ‘plakken’, natuurlijk!

Mooi ook, hoe je slechte spelers herkent aan hun gave om het spel ingewikkelder te maken dan het is. Ze spelen risicovolle stoten, waar het ook simpel kan. Soms omdat ze het simpele niet zien, soms ook gewoon omdat het waarderend is. Een moeilijk stoot die gemist wordt, dat kan altijd. Een moeilijke stoot die lukt, dan ben je een heerser. Applaus is niet je deel, maar waarderende kennersblikken en zacht gemompel, de ovatie van de stillen.

Zwijgend wordt een nieuw bier aangedragen. Vijf minuten pauze voor een goedkeurende smaakzwelg, en het spel gaat verder.

Een oud koppel onderbreekt mijn geschrijf. ‘Ge zit aan ons tafel, gij zijt niet van hier hè?’.

 

Zo kan het ook, ordehandhaving

 

Flikken. Honden. Loslopen. Het zijn drie woordjes die meestal niet erg goed samengaan. Pas op. Voor u denkt dat u hier een betoog gaat krijgen van een fervent hondenliefhebber, doorspekt met kreten als ‘hij heeft nog nooit iemand gebeten” en “de mijnen doet dat niet”. Dat is niet zo. Ik ben de eerste om te weten dat ik mijn hond niet echt zo goed in de hand heb als mijn hoofd soms denkt.

Ik ben er ook voorstander van dat mensen die beesten willen ook de moeite zouden mogen doen om naar een hondenschool te gaan, en ik ben er in één moeite door ook van overtuigd dat ze die scholen niet voor de honden hebben uitgevonden maar voor de baasjes, die gedragsspiegeltjes voorgehouden krijgen. Hé, hé, dat lucht op.

Bovendien, mijn hond, dat is een toonbeeld van vleesgeworden, rauwe anarchie en bloedonderdenagelshalend pestgedrag. Voornamelijk naar mij, laat dat duidelijk zijn.   Maar loslopen in Zoerselbos,  of aan zee, of ergens langs de grote routepaden, dat gaat erg goed. Paarden, schapen, koeien en occasionele mountainbikers zullen daar wellicht anders over oordelen, maar daar gaan we het nu verder niet over hebben.

Wat er ook van weze, het monster liep los te snuffelen, en daar kwamen onze blauwe vrienden aangetuft. We spreken Kempen, vooravond, geen kat op straat, just me , my dog and them!

Ik heb zelf niet zo’n al te beste verhouding met het gezag, dus ik zette me al schrap voor gevatte snijdende opmerkingen aan het adres van onze blauwe potentaten. Ik kan er niet aan doen, ‘t is de hond in mij. Ik moet ze niet echt. Het is een probleem dat er mij al vele opgeleverd heeft, waarbij menigmaal de verzuchting geslaakt werd ‘houd toch uw bakkes, ‘t was gezellig’. Het lukt niet, het is niet anders.

Kempenflik 1 stapte uit, monsterde de situatie, ‘Goeienavond, uwen hond?’  Flik 2 kwam er bij staan, met een glimlachje, dat ik al meteen interpreteerde als ‘HA, we hebben er ene, nu gaan we er eens wat mee spelen, en onze spierballen laten rollen. In plaats van echte misdaden op te lossen!

Stijf van de adrenaline, met bloeddoorlopen ogen en een batterij opmerkingen over kleinzierigheid en  gebrek aan gezond verstand, snapte ik, ‘ja, mijnen hond ja,daar lijkt hij toch op!’

‘Schoon beest, maar straks toch beter aan de lijn houden, ge weet maar nooit, en ne goeienavond nog!’.

En weg waren ze. Ordehandhaving op zijn Kempisch. Vriendelijk, relativerend, to the point. Ik heb Spike aangelijnd. Ik hou van Kempische flikken!

Regenkapjes

http://www.facebook.com/FotoBliss

Plastic Regenkapjes. Mijn oma. Onafscheidelijk.
Ik moest er meteen aan denken toen ik ze zag, vorige zondag. Ik dacht dat het niet meer bestond.

Met de K-woman, couleur locale aan’t opsnuiven in het Haspengouwse. Niet dat ik iets heb met bloesems of zo, maar het nuttige wordt soms aan het aangename gekoppeld. Het beest wordt buitengelaten, en dan bedoel ik mijn hond. Tegelijkertijd zijn er de ‘foto besognes’. Ik voel me soms meer ‘assistent-location-scouter’ voor de betere weddingplanner, maar dat terzijde. Het zijn onvergetelijke namiddagen, en ik heb er al prachtige stukjes België mee ontdekt. Of herontdekt, want wij waren geen lor geïnteresseerd toen onze ouders er met ons heengingen. Jeugdzondes, ‘t is niet voor niets dat het zo heet.

Het leuke aan zo’n ietwat landerige namiddagen is het lonkend ‘avontuur’ op het einde. Soms is het dat echt. Het is moeilijk om uit te leggen aan mensen die zo niet ineen zitten, maar ik kijk daar altijd naar uit. Niet omwille van het genot, maar omwille van de onvoorspelbaarheid. Pinten drinken in de lokale herberg, en kijken waar de mensen, de verhalen en de omstandigheden ons brengen. We zijn daar beiden goed in. Het opsnuiven van sfeer, het fantaseren van verhalen, het luisteren en kijken naar mensen. En tijd verdwijnt, is onbelangrijk. Voor haar een evidentie, voor mij niet zo.

Toen kwamen ze binnen. Ik hoefde niets te zeggen. De foto was al gemaakt, en het begon te kolken in mijn hoofd. Twee vriendinnen, twee weduwes, twee zusters. Ik houd het op weduwes, vriendinnen, die elkaar al lang kennen, die regelmatig bij elkaar op de koffie gaan, om een beetje sociale media te spelen van hun dorp. Vroeger heette dat roddelen, maar nu zijn dat status updates.

Arlette en Josiane, zo noem ik ze. Vrouwen voor wie de ritmes van de dagen, weken, seizoenen nog iets betekenen. Maandag,wasdag. Vrijdag, visdag. De grote schoonmaak als als ankerpunt. De jaarmarkt een hoogdag en het kerkbezoek een automatisme. Milde strengheid als één van de kinderen het wekelijks bezoek overslaat want ‘het zijn ook onze kleinkinderen!’ En kraaknette huizen, die ruiken naar boenwas, zeep en verse soep.

En vandaag deden ze frivool. Het huis lag aan kant en het was zondagmiddag in Helshoven… een wandeling kon. Tot de regen tussenkwam, en daar werden de kapjes bovengehaald. Uiteraard hadden ze die bij. En het alternatieve plan werd ingeschakeld. Koffie en vlaai heet dat hier. Vlaai is taart. Taart is niet altijd vlaai, daarentegen.  En als het bleef regenen, dan volgde er nog een schoon biertje. Dat mocht, op hun leeftijd.

Arlette en Josiane. Want Franse namen, dat was nog in de mode toen. En ze vertelden, en keken, en in hun hoofden werden de geluksmomenten aaneengeregen, als een paternoster, met hier en daar een zwart pareltje. Volgende week naar ‘t kerkhof.

Hun regenkapjes waren ze vergeten. Veel van hun herinneringen niet.