Joggers with an attitude problem

Normaal gezien hou ik mijn zure oprispingen bij de ochtendwandeling enkel voor wielertoeristen en bonsaikoppels. Vandaag breid ik het even uit. Joggers… meerbepaald full-gear, zure, hoekige lopers. Ja, U!

Ok, ik geef toe, ik heb niet meer het lijf van een getraind atleet, maar ik blijf een held in ‘t diepst mijner gedachten als het op lopen aankomt. Een keer of 7 meegedaan aan de 20 van Brussel, een jeugd versleten in atletiekclubs, zelfs in het leger mocht ik nog meespelen met de jongens van de sportschool. Ik denk dat ik dus wel iets weet over rennen. Zelfs nu in de nadagen van mijn sportieve leven draai ik mijn hand niet om voor een ‘joggingske van een kilometer of 9′, al gaat het dan minder snel.

Meer zelfs, als ik mezelf nu voel joggen, met de trage, overvette sjok van een gedesillusioneerde veertiger die krampachtig probeert de ruine’s van zijn eens zo rijzige tempel te handhaven, dan weet ik dat het geen zicht is, dat het niet prettig is om naar te kijken. Ik ben zelf de eerste die – als ik zo iemand langs de watersportbaan zie – dan meewarig denkt: ‘jongen, meisje… wat moet jij nu pijn hebben!’. Ik weet hoe het voelt. Vandaar dat ik het nu voor het ochtendgloren of ‘s avonds laat doe. Het is geen verheffend schouwspel en dat soort onesthetische aanblik bespaar je best iedereen. Maar ik veroordeel niemand die daarvoor een publiek nodig heeft, verre van.

Maar na al die jaren dat ik kilometers afgemalen heb, weet ik één ding. Als je – wedstrijden buiten beschouwing gelaten – niet in staat bent  tot een hoofdknikje, een lachje, of een hartelijke goedemorgen, dan ben je verkeerd bezig. U bent niet aan het verzuren, u bent gewoon zuur!

Stel je voor. Een helder kraakvrieskoude ochtend in januari, langs de oevers van de Leie. U hebt er zelf voor gekozen, u hebt top materiaal, vestjes, hesjes truitjes in de juiste materialen, lightweight schoeisel, en u bepaalt zelf of u dat wil doen of niet. Wat zit er dan verkeerd in uw kop?

En dan komt u mensen zoals ik tegen, die luidop ‘goedemorgen’ zeggen, omdat het dat ook is. En niks komt er terug alleen die verkrampte, getergde blik van ‘zie je niet dat ik afzie voor mijn sport! Dit is ernstig, ik heb geen energie voor begroetingen…’

Ga toch fietsen! In elk beginnersboekje staat dat je een looptempo moet aanhouden om iets of wat conversatie aan te kunnen houden. Aan uw loopstijl te zien weet ik gewoon dat u zich niet voorbereidt op een olympisch minimum.

Be happy, of begin aan een andere sport… Mijn goedbedoeld advies

Man in de uitverkoop, bijna niet gebruikt..

Sommige mannen zijn helden! Martelaars van en voor hun relatie. Stielbedervers ook, die – in naam van het lijdzaam toekijken – de boel voor ons verzieken. Ons, daarmee bedoel ik dan die andere mannen, die niet willen meespelen. Die toorn riskeren, en de stille verwijten er als cliché op de koop toe bij nemen, als een soort geuzennaam. U raadt het al, ik ben geen moderne man. En ik houd niet van shoppen, en al helemaal niet van ‘de soldekes, de uitverkoop’, of hoe je’t wil noemen.
Want daar gaat het over. Ik was toevallig in de stad, op het moment van de eerste koopjesmomenten. Zelf moest ik niet zo meteen deelnemen aan dit jaarlijks terugkerend festijn, maar ik heb toch wat extra tijd genomen om één en ander te bekijken. De mooiste en meest schrijnende momenten uit het leven menig man!

Koopjesmannen zijn helden, die volgens mij geen kik zouden geven als je ze levend op de brandstapel zette, hun lijf overdekt met open wondes, ingewreven met pekel. Geen zucht gaat er over hun lippen, geen kreun wordt opgemerkt, stoicijns dragen zij hun lot. Ik bewonder ze, maar deel dat lot niet, nooit (meer)!

Wie als man zegt dat hij dat nooit gedaan heeft is een huichelaar. We zijn allemaal al eens een vrouw ter wille geweest, zij het dan om de verkeerde redenen, en we hebben allemaal al wel eens een keer zo’n koopjeshelletocht meegemaakt. Maar ik doe het niet meer, maar sympathiseer met hen die hun lot waardig dragen.

Want ik herken de tekenen, en ik weet dat zij allen hetzelfde lot beschoren krijgen ….het nakend falen.

Om te beginnen is er de hubris van de fysieke meerwaarde. Mannen denken dat vrouwen moe worden van het shoppen, en proberen het in eerste instantie op uithouding. Dat is de eerste misrekening. Vrouwen krijgen er maar geen genoeg van, en op het einde van de dag, lopen de echtgenoten er bij als geslagen honden, met struikelend over hun tong, die ergens tussen hun veters hangt te bengelen. Topsport, en de mannen hebben het verkeerde trainingschema gekregen.

Tweede vergissing. Hopen dat een snelle aankoop in het eerste halfuur de rest van de koopdrift zal temperen. Ernstige fout! Het is niet omdat er een beetje gekocht is dat de behoefte afneemt. Integendeel, het wordt gezien als een goed teken, dat er nog vele mooie koopjes te doen zijn, en de rest van de winkelstraten wordt even grondig afgeschuimd. Kans is niet ondenkbaar dat het gezinsbudget serieus ontregeld wordt.

Meteen komen we bij de derde vergissing van menig man. Ze denken dat een oppervlakkige scan van de winkel alle koopjes meteen aan het licht brengt. Niets is minder waar. zorgvuldig wordt van rek naar rek gemonsterd, gekeurd en betast. Zelfs de kleine maatjes – dat doet dromen – en uiteraard ook de grotere maten. Stel je voor dat je een vriendin kunt betrappen met uitgerekend die ene jurk in de afslag waarvan je weet dat ze enkel in de ruimere maten nog voorhanden was. Niks 36… eindelijk ontmaskert als dikke!

Ja, ja, een beetje afgunst hoort er bij. Om maar te zeggen dat die vrouwen op zo’n moment minutieus nauwgezet het aanbod in zich opslaan, om nadien nog beter te kunnen beslissen of er al dan niet een goede koop werd gedaan. Autosuggestie en daaropvolgende spendeerdrift.

En de man, hij sjokte voort. De handen berustend achter de rug, zichzelf uitputtend in nulliteiten-commentaren die van hem verwacht worden. ‘Jaa, dat kleedt schoon af… Ik vond dat groene precies mooier… hebt ge al niet zo’n rok?’Alles, werkelijk alles is toegestaan, als het maar vagelijk lijkt op betrokkenheid. Met doffe, dode blik zie je hoe ze zich krampachtig iets proberen voor te stellen bij aubergine, saumon en apricot. Het is geen eten, het schijnen kleuren te zijn. Net zoals taupe, en eischaal…

Enig mooi vind ik telkens weer : Het Breekpunt. En het breekpunt, dat doet zich voor bij elke man. Meestal net voor de middag, soms in de vroege namiddag, maar dat het komt staat als een paal boven water.  De sterksten houden het uit tot net voor het sluitingsuur…

Het breekpunt komt er als ze beseffen dat – ondanks al hun inspanningen – ze er eigenlijk niet toe doen. Ze moeten er bij zijn, maar dat wil niet zeggen dat hun input, of hun inspanningen geapprecieerd worden.  Dan zie je ze letterlijk breken. En vrouwlief onderlijnt het fijntjes door op dat moment het nekschot toe te dienen: ‘Ge moet niet mee binnengaan, deze keer, geef mij maar gewoon uw portefeuille’.

Ontmand en verweesd kijkend blijven ze achter, doffe ogen vangen die van een gelijkgestemde die zichzelf ook een houding probeert te geven…Dat zijn de mannen die buiten aan de winkels staan te wachten.

Het zwakke geslacht. In de koopjesperiode is het erg duidelijk.

Eerder verschenen op blog van Amable

Gent: mijn eeuwig, lelijk lief

Wie mij kent weet dat ik zelden een goed woord over heb voor de stad waar ik gestudeerd heb.  Stad van de lege pleinen, de mediocre restaurants en de lelijke mensen.  Kort door de bocht, en wat uitleg waard.

Lege pleinen, omdat ik met weemoed terugdenk aan de heerlijke anarchie van het Veerleplein. Hoe vol ook, er was altijd plaats voor nog een auto meer. Lege pleinen, omdat ik me de commotie van het lussenplan herinner, en het verkeersluw maken van de stad, zodat het – zeker bij aanvang – erg leek op een stad met speruur.

En heerlijk ook hoe anarchistische Gentenaren het vertikten om hun auto aan de stadsrand te laten. Gevolg was dat iedereen via een ingewikkeld netwerk van sluipwegjes – ja mijnheer wij kennen onze stad als onze broekzak – toch binnen de 10 meter van zijn bestemming parkeerde.

Mediocre restaurants ook. De Gentenaar blieft niet alles, doet niet mee aan de modekes en houdt niet van experimenten. Ugetso monogatari, voorwaar een monument, heeft het niet overleefd. Le Baan Thai was lang het enige thaise restaurant, die naam waardig. Italianen, dat beperkte zich tot de pizzahoeren van het zuid. En daarnaast wat mooie experimenten in het Patershol, uiteraard naast de bourgeoiskeuken die zowat overal in Gent een constante was en is.

Lelijke mensen. Gent is Antwerpen niet, Gent is Leuven niet. Gent is rood (en blauw) en alternatief. En bij alternatief hoort wat grauwigheid, wat snot en onverzorgd, spuwen op het  materiële van mooie kleren. Latem is Gent niet. Gent is Muide, Brugse poort, de Kuip, alles wat bezongen wordt in ’9000′ .

Ik heb het altijd heel erg gevonden dat Gentse academici (denk aan een Aubin Hendrickx, toxicoloog met wereldfaam, Etienne Vermeersch, scherper denker vind je niet (toegegeven ‘t is een aangespoelde, maar hij is wel van ons)) altijd zo volks en banaal klonken op de radio. Eerst de Gentse tongval, dan pas het Nederlands. Qua inhoud zat het altijd goed. En ja, we hebben ook politici van wereldklasse, zeker in de categorie ‘schonemenseninhunlelijkheid’.

Gisteren liep ik in de vooravond even door mijn stad, te voet, het was lang geleden. Ik heb genoten. Genoten van een stad die behoedzaam, organisch bijna, aan stadsvernieuwing doet. Waar ik lege pleinen zie veranderen in keuveloorden waar iedereen, iedereen tegenkomt en stopt voor een babbeltje.  Waar ik oude verlepte studentenbuurten zie opleven, zonder hun eigenheid te verliezen. Waar winkelstraten tergend langzaam, in een eindeloze kadans van afbraak en verbouw, hun eigenheid houden en meewerken aan een mooi stadsbeeld. Waar buurten cyclisch terug in de belangstelling komen. Toen ik student was, was de Meerseniersstraat ‘trending’ om nadien een toeristische baggerpoel te worden. Nu zijn er daar in de buurt  terug hippe, leuke, kleine restaurants, cafeetjes en winkels.

Over die restaurants overigens nog dit. Ik heb in de inleiding gezegd dat er alleen maar mediocre zijn. Ik denk dat Gent ondertussen culinair één van de meest interessante steden aan’t worden is, waar je zowat alles kunt vinden, in elke mogelijke prijsklasse. Het is alleen allemaal wat bestendiger. Onze restaurants zijn er om te blijven, niet om een modebeeld te versterken. En dus gaat het wat trager, maar ‘t is er ondertussen wel. En ‘t is lekker en echt.

En de mensen, tja die blijven wie ze zijn. Ga naar de Vooruit, het Damberd of de Vagant, en je komt er nog steeds dezelfde types tegen. En dat is eigenlijk best mooi. Vrank en vrij, en op hun eigen.

Toen ik gisteren het Lichtfestival parcours afdweilde, moest ik daar aan denken, en ik werd er zowaar vrolijk van. Ik houd van deze stad, van de gezelligheid, van de tegenstelling mooi/lelijk. Lichtsculpturen om de lelijkheid te verdoezelen. Gentenaars die bij wijze van spreken op straat leven tijdens die periode en voluit inkijk leveren in hun huizen door alle lichten aan te steken en de gordijnen te openen. Vrank en vrij.

Toeristen ook die naar de verkeerde dingen kijken. Met hun kop omhoog naar de straatnaambordjes, om de weg niet te verliezen. De weg verliezen in Gent. Het kan niet echt, en het is bovendien bij het mooiste wat er is, verdwalen in de straten.

Toeristen ook die dat hele lichtspektakel alleen maar gezien hebben door het schermpje van hun smartphone. Hoe jammer. Je moet daar geen foto’s van maken, je moet dat met al je zintuigen voelen. Wat je moest doen is onderdompelen, ondergaan, en het evenement beleven. Genieten van de spitsvondigheid van de stadsgidsen, die zichzelf als ‘verlichte geesten’ onschreven. Genieten van het opportunisme van winkeliers en neringdoenders, die gastvrijheid koppelden aan geldgewin. Genieten van de creativiteit van de kunstenaars, die kindjes in een kaleidoscopisch dansje projecteren tegen een kerkgevel.

De mooiste bevestiging zag ik bij een gezellig dikke man. Totaal onaangedaan door de drukte, rechtover de universiteitsaula, uitgerekend de plek waar op straat enkel maar een file te bewonderen viel,  zat hij een pannenkoek binnen te werken. Op het terras, met een koffie en een patersbier, zich niets aantrekkend van de drukte. Vrank en vrij, en op zijn eigen.

Gent zal altijd mijn lief blijven, en wee, wie er iets verkeerd over zegt!