Room with a view: Wedelhütte

Ik hou niet van reclamepraatjes, ik heb ze ook altijd geweerd van deze blog, omdat jullie daar niet echt van gediend zijn, en ook niet echt komen zoeken. Maar heel soms, dan mag het volgens mij toch wel. Zoals nu, omdat het nogal sprookjesachtig is. En dat heeft ook met de omstandigheden te maken.

ik zit in Oostenrijk, Hochzillertal, met wat echte journalisten. Dat op zich is sowieso al leuk, maar daar ga ik jullie niet mee vervelen, of misschien later, in een andere context. Er werd ons gezegd dat we de nacht zouden doorbrengen in een berghut, redelijk hoog, zo’n 2350m.

Ik ski graag en ik heb vroeger, privé ook al dat soort toestanden gekend. Eens de skipiste gesloten is, ben je dan alleen op de berg, met het gezelschap dat in die hut verblijft. Dat kan meevallen, dat kan tegenvallen. Als het tegenvalt is er altijd nog de drank, om het te doen meevallen. Meestal valt het gewoon mee, en zijn het fijne vakanties, zonder al te veel kapsones, en met de nadruk op die ski ervaring.

Ik weet ook wat ik me bij zo’n hutten moet voorstellen. Kraaknet, warm, maar al bij al rudimentair qua comfort. Als extra dimensie kwam daar gisteren bij dat ik vreesde dat het voor wat betreft de internet connnectie allicht nogal zou tegenslaan, als die er uberhaupt al was. Dat is het soort van dingen dat mij al op voorhand een beetje humeurig maakt, zeker met de blog van MLF, waar ik dan achterstand zou oplopen, en het gevoel van redelijk incommunicado te zijn.

Mijn humeur werd er niet beter op toen bleek dat we naar de hut gebracht werden in de achterbak van een sneeuwruimer. Nogmaals, als het echt vakantie is, dan deert dat niet, integendeel, hoe gekker en onorthodoxer, hoe liever, maar gisteren niet. Zo’n bak wordt gebruikt om de hotelvoorraden aan te slepen, gisteren was dat duidelijk vis, en eens je er in zit, zie je niets meer. Het was donker, het sneeuwde, het was een hels kabaal, het werkt enorm desoriënterend. En het is niet bevorderlijk voor het humeur.

Maar dan. We stopten en werden uitgeladen (je kunt het niet anders noemen). Dit had niets met een berghut te maken, het was een ultramodern, stijlvol ingericht, paradijsje.  Met alles wat je je maar kon wensen aan modern comfort, en verwentoestanden, gaande van jacuzzi en infraroodcabines over een heuse wijnproeverij-ruimte.

Ik kreeg een kleine kamer (sic),… amper 50 vierkante meter!! Een kamer die de vergelijking met veel gereputeerde, internationale prestigeketens met gemak zou kunnen doorstaan.

Het eten was ontzettend verfijnd en naarmate de avond vorderde kwam de uitbater een praatje maken. Sympathieke mens, die met dit verhaal zijn ultieme droom gerealiseerd had. De Wedelhutte, onthou die naam, als je er ooit een keer op uit wil trekken om in optimale omstandigheden op een skidomein te verblijven.

Omdat kritische zin en een beetje zagerij niet mag ontbreken,  had ik meteen ook een aantal vragen die opborrelden in mijn hoofd, die niet in het minst met mezelf te maken hadden.

Is het normaal dat je blij bent om iets wat eigenlijk puur materieel is, en niets maar dan ook niets met de kwaliteit van je ski ervaring te maken heeft. Ben ik dan toch gewoon een oppervlakkig materiëel lulletje dat dat soort verwennerij wel kan appreciëren? Dat houd ik nog een beetje voor mezelf.

Is het een afbreuk van de authenticiteit van de ‘bergbeleving’, om dit soort paleisjes op te trekken in een omgeving die eigenlijk een stuk ruwheid moet uitstralen? Ik ben daarover met de uitbater in discussie getrokken en het mooie eraan is dat ze zich erg bewust zijn van die problematiek ne dat ook uiterst behoedzaam benaderen. Ze willen hun bergen niet transformeren tot mondaine ‘hang’oorden voor de rich and bored, integendeel, ze betrekken lokale producenten, boeren, wijnbouwers, bij het verhaal. En hier en daar in Oostenrijk willen ze een signaal geven dat er wel meer te beleven is dan lederhozen en dirndls. In dat opzicht was het meer dan geslaagd te noemen, wegens uitermate respectvol tegenover de natuur en de omgeving.

in laatste instantie stelde ik me vragen over de manier waarop hier naar het leven gekeken wordt en de impact die dat heeft op het familiale. Tijdens het seizoen ziet de uitbater kind, familie en vrienden, quasi niet. Het seizoen loopt van december tot april. Dan is het even rustig, en juli/september zit hij weer boven op de berg.

En toch is het de realisatie van zijn ultieme droom, hij kon zich niets mooier wensen, en zijn zusje, die het samen met hem uitbaat ook niet.  Het geeft te denken over ondernemerszin, arbeidstijd, enerzijds,  en familiale omstandigheden en het opvoeden van een kind anderzijds. Niet dat ik er een mening over zou hebben, ik ben nog teveel aan ‘t genieten van de omgeving.

 

Oh ja, en de andere bloggers die mee spelen in dit verhaal, vertellen hun wedervaren hier : @houbi, @Ysabje, @aardbeiwormpje …

Deadmau5 : De muis is dood…

Als je aan de rand van een bos woont wil het al wel eens gebeuren dat er een klein knaagdier op zoek komt naar proviand voor de donkere winteravonden. Op zich niet zo’n probleem, mocht het dan ook weer vertrekken, maar dat doen die beestjes meestal niet. Het is warmer, droger en eenvoudiger om in de wintermaanden aan voedsel te komen, in huis. Dus de beestjes nestelen zich. Vorig weekend was dat het geval, bij de K-woman.

Zij is best kranig en zo’n muisje, dat deert haar niet. ‘T is niet dat ze gillend op een stoel om hulp schreeuwde, verre van. Eerder het tegendeel, voor ik het wist kreeg ik een exposé over alle mogelijke vernietigingsmethodes, met hun voor- en nadelen. Op zo’n momenten val ik achterover van de efficiëntie van die vrouw. Een val waar je ze levend in te pakken krijgt, dat is niet goed voor hun hart, dan kunnen ze doodgaan van de stress, langzaam en pijnlijk. Vergif is helemaal uit den boze, traag en pijnlijk. De buurt zit vol katten, maar dat geldt enkel voor de beestjes die buiten zitten, binnen heb je daar niets aan, los van het feit dat zo’n snorrebaard ook niet bepaald ‘Gaiesk’ te werk gaat… zachtjes dood maar eerst wat spelen!

Er werd mij bovendien ook opgedragen dat – indien ik het beest levend te pakken kreeg, ik het minstens twee kilometer verder moest deponeren, zodat het niet terug kwam. En toen ging ze slapen. Ik bleef achter met de muis en de nacht. Gezien bovenstaande bleven mij weinig verdelgingsmogelijkheden over, en ik geloof niet in een intelligent, tot rede brengend- gesprek tussen mens en knaagdier.

Blijft over, het oude muizenvalletje dat – indien juist gebruikt – echt wel ok is. Korte slag en het nekje is gebroken, en het muisje dood, het schijnt realtief pijnloos te zijn, al kan ik dat niet meteen beamen. En ik denk ook dat mensen die voorbereid werden op de guillotine, weinig troost hadden aan dat soort uitspraken en troostende

Ik kom uit een generatie waarbij het als een eer gold om samen met opa het konijn uit te kiezen dat geslacht diende te worden. Nooit last van flauwe emoties gehad, de beesten werden gekweekt om op te eten, dat was toen nog heerlijk simpel, er werd niet gedacht in termen van ecologische voetprint, of plaatsvervangende sojaschaamte. Dat waren erg lekkere konijntjes bovendien. Of lammetjes, of duifjes. Ook kippen heb ik nog vast gehouden terwijl mijn vader probeerde om ze de nek over te snijden, met een oud broodmes, onder het geamuseerd toekijken van de buren. Ik maal daar niet om.

Maar ik wou toch even kijken wat voor iets het was. Dus met de zaklamp onder de kast, en ja, daar zat het, een mooi klein grijs veldmuisje/bosmuisje. Het was erg mooi, erg rustig, en een beetje schelms zat het me aan te kijken… Het (misplaatst) vertrouwen van één zoogdier tov een ander, don’t look into the eyes, unless you wanna fuck or fight (S.Morgan). Dat ging hier dus gebeuren… dat vechten.

En kijk, er gebeurde iets vreemd, vertedering trad op. Op zo’n momenten verfoei ik Disney en Pixar. Ik kreeg het moeilijk. Ratatouille! Ratten, muizen, dat maakt niet veel verschil. Het beestje kreeg iets menselijk, ik verbeelde me zelfs dat het me iets wou duidelijk maken.

Ik begon het verder laten leven van het muisje te verrechtvaardigen, te overwegen. Ik hoopte zelfs dat het vanzelf weg zou gaan. Op zo’n moment bewijst zo’n beest godzijdank zijn stommigheid, het begon aan wat kabels te knagen. Oorverdovend geluid! Tja, nu moest ze wel dood.

Het was een strijder! 3 muizenvallen opgevuld met stukjes kaas en spek, en een uur later waren de vallen leeg, en het muizenbuikje vol.  Een waardige strijd.  En ik wou hem een kans geven. Meer dan een beetje sympathie.

De muizenvallen werden opnieuw gezet, Eentje spande ik niet op ( ja, ik gunde het  beest wel een bonus brokje.  Eentje was er toch kapot gegaan, dus daar lag ook wat kaas op (call me a sucker), maar het derde, het verst uit de buurt van het vermoedelijke muizenleger, werd vakkundig klaargemaakt voor de wrede taak…

Nauwelijks een uur later was de strijd gestreden. De muis is gegaan, maar wel met extreem voldaan gevoel (denk ik). Geen bloed, geen tranen, geen bloemen, noch kransen.  Ik heb het wel mooi begraven in de tuin, dat had het verdiend.

Ben ik nu wreed? Dat houdt me al drie dagen bezig. Zijn er andere manieren om zo’n beestjes weg te krijgen? Wie het weet mag het me zeggen.

Oh ja, en excuses voor alle Deadmau5 liefhebbers!

Het marketing congres

Het jaarlijkse ‘internationale’ congres van stichting marketing. Mens wat heb ik me daar geamuseerd. Vroeger. Ik heb er ook veel geleerd, over alle aspecten van dat schone vak.

Wat je wel en niet mocht zeggen, hoe je bepaalde mensen met zeer veel respect diende te bejegenen, wegens momentaan hoog op de ‘tower of power’. Hoe je anderen ook besmuikt mocht catalogeren onder de ‘has-beens’, op basis van hun recente mislukking. Keihard en ongenadig en soms een heel klein beetje hypocriet. Maar dat is niet het alleenrecht van een marketing congres, dat kom je overal tegen.

Het is ook niet de bedoeling om te gaan natrappen, verre van, ik heb er veel vrienden gemaakt, misschien wat oppervlakkiger dan ik soms zelfs wou, maar dat hoort er allicht ook bij. Ik heb er rondgelopen, als een vis in het water. Het was mijn natuurlijke biotoop. Spelen, babbelen, contacten leggen, wisecracks spuien, ik kon het als geen ander. Mild anarchistisch de bar proberen open breken voor het aangekondigde uur, zeer tot verveling van de mensen van Pernod-Ricard. Sjoemelen met giftbags,  drinkgelagen organiseren, side events opzetten, alles om de verveling, de sleur te doorbreken. Baldadige heldendaden van schooljongens.

De laatste twee jaar ga ik niet meer. En vandaag is het weer zover en ik vraag me dan af, mis je het, of mis je het niet?  Ik mis het wel een beetje, de vrolijke sfeer, want het moet immers goed met je gaan, dat is een uitgangspunt voor succes.  De K-woman is daar veel radicaler in, die gaat er naar toe voor een paar sprekers die geacht worden interessant te zijn en voor een paar mensen, die de moeite waard zijn en waarvan het lang geleden is dat ze ze gezien heeft… Geen behoefte aan chitchat. Die kan dat.

Ik niet, ik kom altijd tijd te kort om al mijn zogenaamde vrienden een handje te schudden. Ik geniet wel van de warmte. Ook al is die vergelijkbaar met die van een goedkoop blazertje uit de eldi, al dan niet met namaak houtvuurprint.

Het is een act, en tegelijk ook weer niet, ik ben oprecht blij om sommige ex-collega’s en kennissen terug te zien, en ik zie niet in waarom zij dat ook niet zouden zijn. Maar het kan natuurlijk wel. Afgunst en nijd , het is van alle tijden.

Wat ik me wel afvraag, is of het wel optimaal is, zo’n 2-daags congres. Doe even de denkoefening mee. De bedoeling is tweeledig. Zinvolle spreekbeurten, waar je inzichten kan verzamelen, en netwerken. Business doen, lijkt me erg moeilijk, ik zit te wachten op de dag dat er 1000 consultants en agency mensen in een dubbele rij staan om die ene adverteerder/fabrikant te begroeten, die over de rode loper binnengeschreden komt… zijn besteedbaar budget frivool op het voorhoofd getatoueerd. De massa consultants en account managers strooien wellustig hun business cards over zijn hoofd, een one man ticker tape parade…

Die dag is niet ver meer, getuige de massale afvaardigingen van de meeste agentschappen. Dagje vrij en ‘s avonds een sportzak met samples mee naar huis, leuk!

Inzichten en sprekers. Ik sta altijd te kijken van hoe dat werkt. Maar ik ben old school. Meestal had ik het boek al op voorhand gelezen. Dat heeft verschillende voordelen. Ten eerste kun je ‘in depth’ proberen te gaan, in tweede instantie kun je genieten van de presentatieskills. Zijn die er niet dan heb je meer tijd om de zaal te verlaten en te ouwehoeren met collega’s of om je vrolijk te maken over iets anders. Ik heb veel meer tijd buiten het auditorium doorgebracht dan passief luisterend. Mijn stelling was altijd ‘als je naar hier komt om  voor het eerst te horen waarover die man/vrouw het heeft, dan kun je toch onmogelijk au sérieux genomen worden, dan ben je toch niet professioneel met je vak bezig’. Ik heb daar relatief weinig navolging in gekregen. Soit.

Dan het netwerken. Tussen de bedrijven door is er een grote ruimte waar iedereen koffie kan drinken. Best gezellig, ware het niet dat de logistiek van die operatie niet echt optimaal is. Probeer maar eens 1200 man koffie te geven op een half uurtj  tijd, dat is geen sinecure. Crowded is het woord. En beperkt in tijd, want hop, daar komt de belleman al langs voor de volgende sessies. Iedereen weer naar het auditorium om te luisteren.

Ook de lunch is een zogezegd netwerk moment, maar dat valt in de praktijk dik tegen. De acoustiek en de tafelzetting is dermate, dat zinvolle gesprekken enkel mogelijk zijn met je onmiddellijke buren. Meestal zijn dat vrienden, daar netwerk je niet mee, daar praat je mee, over de dingen des levens. Is het allemaal kommer en kwel, uiteraard niet, verre van zelfs, ik blijf het herhalen, ik ben er denk ik 15 jaar heen geweest, dus zo slecht kan het niet zijn. Het zijn gewoon randopmerkingen, meer niet.

En dan heb je nog de avondreceptie. Zonder nostalgisch te willen zijn, er is een periode geweest, toen het congres nog in Brussel werd georganiseerd, dat dat een echt feestje was. Erg verzorgd, met alle toeters en bellen. Naast fijne drankmomenten had dat eerlijk gezegd wel het voordeel dat je tijd had, en dat dat kon en mocht uitlopen. Puur zakelijk was het ook interessant om dan nadien met een paar mensen iets te eten in het Brusselse. vriendschapsbanden werden er gesmeed. Katers voorbereid.

De laatste jaren is dat vrij triest allemaal… die receptieruimte in het congres centrum in Gent, waar ze dan ook nog een keer hun best doen om nieuwe vondsten van het Inbev conglomeraat voor te stellen… echt sfeervol is het er niet en men blijft ook niet erg lang.

Dat is een probleem als het over netwerken gaat. Kortom, de netwerkmomenten zijn mij te beperkt en te geconcentreerd, en daarom lukt dat ook niet. Naast een groeiend ongenoegen over hoe mensen met elkaar omgaan, niet eens de moeite nemend om elkaar voor te stellen of raakvlakken te zoeken, maar daar heb ik het vroeger al eens over gehad.

Heb ik alternatieven? Jawel. Ik stel voor dat de sprekers hun kerngedachtes op slides zetten die continu overal zichtbaar zijn, in de toiletten, op de trappen, in de gangen, overal, overal, overal.  Er zullen vast ook wel slimme jongens zijn die leuke mobile apps kunnen ontwikkelen, enkel voor diegenen die op het congres rondlopen, kwestie van toegevoegde waarde te verzekeren. Die sprekers zelf lopen tussen de gasten , gedurende de rest van de dag, om zinvol te interageren.  The age of conversation management, weet je wel.

Voor de rest is het één grote open receptieruimte, met koffie, fris en wijn, zodat je echt de tijd kan nemen om elkaar te ontmoeten en over iets te spreken.

De congres commissie voorziet ook in kleine afgezonderde ruimtes, zodat je je kunt afzonderen, en al eens een iets delicater gesprek voeren, of waarom niet een closed seminar voor capita selecta. Daar kun je zelfs extra geld voor vragen, en het heeft het voordeel dat het interessant is.

Maak videoscreenings van de beste sprekers – op een ander congres – en vertoon die continu gedurende twee dagen, in aparte kleinere zaaltjes, organiseer workshops over bepaalde thema’s en laat de ‘reclamesprekers’ achterwege. Wat bedoel ik daarmee? Niet de mensen uit de reclamesector, maar diegenen die hun spreektijd gebruiken om reclame te maken voor zichzelf en hun bedrijf.  ’Ik werd gevraagd om te spreken over community management in B to B context, en heb daar welgeteld een half uur voor gekregen, maar laat mij beginnen met mezelf en mijn bedrijf voor te stellen, en daarna ook wat commercials te laten zien, zo begrijpt u beter hoe wij de markt pakken…’ Geef die portie definitief aan fikkie.

‘t is maar een gedacht hè…